Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:954

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
13/01924
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1700, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen brandstichting. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2014:3474. Gelet op de inhoud van b.m. 7 dat inhoudt dat getuige X zag dat verdachte een behoorlijke verdikking onder zijn jas had, heeft het Hof kennelijk bij vergissing in de nadere bewijsoverweging opgenomen dat zij een verdikking onder de jas van medeverdachte zag. De HR leest de bewijsoverweging in die zin verbeterd. Gelet op de - blijkens de bewijsvoering vastgestelde - f&o geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde brandstichting in de Volkswagen Polo niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01924

Zitting: 21 april 2015

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. P.J. Verbeek, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 06 juni 2011 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (merk Volkswagen, type Polo), immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk benzine, althans een brandbare vloeistof over die auto gegoten en vervolgens (open) vuur in aanraking met die brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan die auto is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer op de openbare weg, te weten de Meridiaan, geparkeerde auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.”

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1], hoofdagent, en [verbalisant 2], aspirant, als opgenomen in het door hen op 6 juni 2011 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina's 50 en 51, onder meer inhoudende:

Op maandag 6 juni 2011, omstreeks 01.30 uur, kregen wij het verzoek van de dienstdoende centralist van de gemeenschappelijke meldkamer Utrecht om te gaan naar de Meridiaan te Amersfoort, alwaar een auto in de brand zou staan.

Omstreeks 01.35 uur waren wij ter plaatse. Wij zagen dat de betreffende auto ter hoogte van de aan de Meridiaan gelegen supermarkt stond geparkeerd. Wij zagen dat het een personenauto betrof van het merk Volkswagen, type Polo, kleur zwart en voorzien van het kenteken [AA-00-AA]. Wij zagen dat het raam aan de bijrijderzijde geheel vernield was. Wij zagen dat de binnenzijde van de auto al geheel in de brand stond. De eigenaar van de auto bleek ook ter plaatse.

Wij zagen dat er verderop in de straat, ter hoogte van nummer [1], nog een auto stond met een vernield bijrijderraam. Wij zagen dat dit een personenauto betrof van het merk Daewoo, type Lanos, kleur rood en voorzien van het kenteken [BB-00-BB]. Wij roken bij deze auto een sterke benzine lucht. Wij zagen dat in de auto, op de bijrijderstoel, een fles lag. Wij zagen dat dit een Coca Cola fles van anderhalve liter was. Wij zagen dat op de fles geen dop zat. Wij zagen dat in de fles nog een kleine laag met vloeistof zat. Wij zagen dat de mogelijk bij de fles behorende dop los op de bijrijderstoel lag. Wij zagen dat in de middenconsul een laagje met vloeistof lag. Wij roken dat de vloeistof in de fles en in de middenconsul sterk naar benzine rook. Wij hebben de fles in beslag genomen en op voorgeschreven wijze veiliggesteld voor sporenonderzoek. Wij hebben de fles afgesloten middels de dop die naast de fles lag.

2. De aangifte door [betrokkene 2] van 7 juni 2011, als opgenomen in het door de verbalisant [verbalisant 4] op 7 juni 2011 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 46 tot en met 49, onder meer inhoudende:

Ik doe aangifte van brandstichting en/of vernieling tussen maandag 6 juni 2011 te 01.25 uur en maandag 6 juni 2011 te 01.29 uur op Meridiaan te Amersfoort. Men heeft mijn personenauto opzettelijk in de brand gestoken waardoor deze onbruikbaar is geworden. Op zondag 5 juni 2011, omstreeks 23.00 uur, parkeerde ik mijn personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, kleur zwart en voorzien van het kenteken [AA-00-AA], op de Meridiaan te Amersfoort. Op maandag 6 juni 2011, omstreeks 01.30 uur, hoorde ik dat mijn personenauto in brand stond.

3. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 5], brigadier, als opgenomen in het door hem op 14 juni 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 56 en 57, onder meer inhoudende:

Op dinsdag 14 juni 2011 te 15:30 uur, werd door mij verbalisant als forensisch onderzoeker op verzoek van Politie Utrecht een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een brandstichting, gepleegd op maandag 6 juni 2011 in/aan een personenauto, Daewoo Lanos, kleur rood, kenteken [BB-00-BB] welke geparkeerd stond op de Meridiaan te Amersfoort.

Door [verbalisant 2], aspirant van Politie Utrecht, werd bij de genoemde brandstichting een 1.5 liter kunststof Coca-Cola fles met inhoud naar benzine riekend vloeistof en een rode Bic wegwerp aansteker in beslag genomen. Deze goederen waren op de juiste wijze behandeld, verpakt en gewaarmerkt en werden aan mij, verbalisant, aangeboden in de daarvoor bestemde ruimte aan het bureau van politie te Amersfoort.

Door mij, verbalisant, werd in het laboratorium van de Forensische Opsporing Utrecht aan de fles een chemisch dactyloscopisch onderzoek verricht. Op de buitenzijde van de fles, ca. 4 cm onder het midden, werd door mij, verbalisant een bruikbaar dactyloscopisch spoor van een onbekende vinger aangetroffen (AADE3330NL).

4. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 6], brigadier, als opgenomen in het door hem op 27 juni 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal uitslag sporenonderzoek, dossierpagina 112, onder meer inhoudende:

Het betreft een onderzoek in de zaak Meridiaan te Amersfoort. Spoor aangetroffen op fles. Sin nummer: AADE3330NL.

Uit het rapport Dactyloscopisch Sporenonderzoek van de KLPD, blijkt dat het spoor geïdentificeerd is op:

Naam: [medeverdachte]

Voornaam: [...]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1991.

5. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 3], brigadier, als opgenomen in het door hem op 16 juni 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina 5, onder meer inhoudende:

De wijk Koppel is gelegen in het centrum van Amersfoort en bestaat voornamelijk uit flatwoningen.

Op de openbare wegen in deze wijk, wordt een groot aantal voertuigen op de openbare weg geparkeerd.

De auto genoemd in feit 1 was eigendom van een persoon, die in het nabij gelegen café verbleef.

Nadat hij kennis had genomen van de brand in zijn auto, is hij, en mede cafébezoekers, direct naar deze auto gegaan.

De auto genoemd in feit 2 betrof een poging brandstichting. Van deze auto was een raam vernield en in deze auto lag een colafles met daarin vermoedelijk benzine. Deze fles was niet afgesloten. In deze auto werd op en nabij het console een brandbare vloeistof, vermoedelijk benzine, aangetroffen. In en nabij deze auto werd een sterke benzinelucht waargenomen.

Door politiemensen werd, vanwege brand- en/of ontploffingsgevaar, deze auto afgevoerd naar een opslagterrein.

De ter plaatse gekomen politiemensen zagen, dat deze auto's nabij woningen geparkeerd stonden en er meerdere personen zich op de openbare weg nabij deze auto's bevonden.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Utrecht van 22 september 2011 van de behandeling van de zaak tegen [medeverdachte], voor zover inhoudende al verklaring van [medeverdachte]:

lk was er bij betrokken. Ik heb die nacht inderdaad [betrokkene 1] gezien en zij maakte een grapje over mijn tanden. Ik was daar met een andere jongen, ik wilde stoer doen. Ik ben bij die Daewoo gaan staan. Ik heb het raampje van die auto ingeslagen en de fles met benzine, een colafles, die ik bij me had naar binnen gegooid. Ik schrok toen ik opeens een enorme steekvlam zag bij die Polo. Ik had die fles met benzine al bij me toen [betrokkene 1] dat grapje over mijn tanden maakte. Ik had die fles onder mijn jas, ik had die benzine ongeveer 10 minuten eerder bij een benzinepomp gekocht.

7. De verklaring van [betrokkene 1] van 9 juni 2011, als opgenomen in het door de verbalisant [verbalisant 3], brigadier, op 9 juni 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 77 en 78, onder meer inhoudende:

Zondag 5 juni 2011, omstreeks 01.30 uur daaraanvolgend, inmiddels maandag 6 juni 2011, kwam ik thuis op [a-straat 1]. Ik rookte buiten nog een sigaret. Ik zat voor mijn flat op een bankje. Terwijl ik daar zat, zag ik twee mij bekende jongens op straat lopen. Ik zag, dat dit de mij bekende [verdachte] was en een jongen die ik ken als [medeverdachte]. [medeverdachte] is een Antilliaanse jongen. Ik zag, dat [verdachte] een dunne glimmende donkerkleurige jas aanhad. Ik zag, dat [verdachte] iets in de binnenzak van zijn jas had. Ik zag een behoorlijke verdikking onder zijn jas. Ik kon niet zien wat hij daarin had.

Kort daarna liepen deze jongens verder. Ik ben achter deze jongens aangelopen omdat ik vermoedde, dat zij iets gingen doen. Ik zag, dat deze jongens de [a-straat] opliepen in de richting van de Meridiaan.

Ik zag, dat deze jongens op de Meridiaan liepen. Ik vermoed, dat ik op ongeveer 30 meter afstand had van [verdachte] en [medeverdachte] was. Ik zag, dat [verdachte] iets uit zijn jaszak pakte. Ik zag daarna, een plastic coca-colafles in zijn hand. Ik zag, dat [verdachte] en [medeverdachte] wegrenden in de richting van de Sextant.

De auto welke in brand stond, betrof een Volkswagen type Polo, kleur zwart. Het was mij bekend, dat deze auto eigendom was van [betrokkene 2].

8. De verklaring van [betrokkene 1] als afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank Utrecht op 22 september 2011, onder meer inhoudende:

In de middag van 5 juni 2011 (het hof leest 6 juni 2011) heb ik [verdachte] gezien. Ik zag dat hij een verwonding in zijn gezicht had, rondom zijn oog waren zijn wimpers en een deel van zijn wenkbrauw verdwenen. Die zondagmiddag voor de brand had ik hem ook gezien en toen had hij dat nog niet.

9. De verklaring van [betrokkene 3], afgelegd ter terechtzitting op 22 februari 2013, onder meer inhoudende:

Ik kan mij hetgeen op 6 juni 2011 omstreeks half twee 's nachts gebeurde, nog herinneren. Ik was in de flat aan het computeren. Ik hoorde een harde klap en ik heb daarop uit het raam gekeken. Ik zag niets vreemds. Na ongeveer twee minuten hoorde ik weer een harde klap. Ik keek nog een keer en ik zag iemand iets in een auto gooien. Ik zag de auto branden. Ik zag een andere jongen naar de auto lopen.

Na de tweede klap zag ik dat er iets brandends in de auto werd gegooid. Daarna zijn mij geen dingen meer opgevallen.

De auto vatte van binnenuit vlam. Hij ging snel in de fik.

Toen de ene jongen iets brandends gooide, zag ik de andere jongen er naar toe lopen. Ze renden samen weg over de Meridiaan.

10. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 3], brigadier, als opgenomen in het door hem op 9 juni 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina 79, onder meer inhoudende:

Op donderdag 9 juni 2011, omstreeks 14.57 uur, sprak ik, verbalisant [verbalisant 3], telefonisch met een vrouw, zijnde;

[betrokkene 1], wonende [a-straat 1] te [plaats].

Zij deelde mij mede, dat zij zojuist, op de openbare weg te Amersfoort, de haar bekende [verdachte] had aangetroffen en gesproken. [betrokkene 1] zag, dat [verdachte] een verwonding had aan/in zijn gezicht, zijnde vermoedelijk een brandwond. Zij zag, dat de rondom het oog van [verdachte] de wimpers en de wenkbrauw waren verdwenen. Tevens was de huid rondom het oog verbrand dan wel beschadigd.

11. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 3] voornoemd als opgenomen in het door hem op 16 juni 2011 op ambtseed opgemaakt stamproces/verbaal, dossierpagina 8, onder meer inhoudende:

Na aanhouding van [verdachte] op 14 juni 2011, bleek mij, verbalisant [verbalisant 3], uit onderzoek en verklaringen van de verdachte [verdachte] voornoemd;

-dat er lichte schroeisporen in het gezicht van [verdachte] zichtbaar waren,

-dat de wimpers van zijn linker oog nagenoeg verschroeid waren,

-dat delen van zijn wenkbrauw verschroeid waren.

-dat de huid van zijn neusvleugel links beschadigd was en rood verkleurd.

12. De verklaring van [betrokkene 4] als opgenomen in het door de verbalisant [verbalisant 3], voornoemd, op 15 juni 2011, op 11 ambtseed opgemaakt proces/verbaal, dossierpagina's 61 tot en met 63, onder meer inhoudende:

v: Heeft u op zondag 5 juni 2011 iets bijzonders aan [verdachte] gezien?

a: Nee. Ik heb niets aan [verdachte] gezien.

v: Heeft [verdachte] u iets verteld over frikadellen?

a: nee, [verdachte] heeft mij niets verteld over frikadellen. Ik weet zeker, dat [verdachte], op zondag 5 juni 2011, mij niet heeft verteld, dat hij zijn gezicht had verbrand.”

6. Voorts heeft het hof met betrekking tot het bewijs overwogen:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof leidt uit de volgende feiten en omstandigheden af dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het tenlastegelegde feit.

- Op 6 juni 2011 is rond 1:30 uur op de Meridiaan te Amersfoort een Volkswagen Polo in brand gestoken en is - op korte afstand daarvan - in een Daewoo een Coca Cola fles gevonden met een brandbare vloeistof. Bij beide auto's is een raam - het "bijrijdersraam" - ingeslagen en bij beide auto's gebruik is gemaakt van een brandbare vloeistof. In het bijzonder uit de verklaring van getuige [betrokkene 3] leidt het hof af dat de ruit van de Volkswagen Polo is ingeslagen zeer korte tijd nadat de ruit van de Daewoo was ingeslagen.

- Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] zijn korte tijd voor de brandstichting die avond samen gezien aan de nabij gelegen [a-straat] door getuige [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft hen (uitdrukkelijk) herkend als - de haar bekende - verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. Zij zag een verdikking onder de jas van medeverdachte [medeverdachte]. Het hof hecht ook geloof aan de verklaring van deze getuige voor zover zij heeft verklaard dat zij verdachte en zijn medeverdachte naar of in de richting van de Meridiaan heeft zien lopen.

- In de aan het dossier in deze zaak toegevoegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen zaak heeft deze bevestigd dat hij met een andere jongen was toen [betrokkene 1] hen zag. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij van plan was samen met een ander (wiens naam hij niet heeft willen prijsgeven) een auto in brand te steken. Daartoe is benzine speciaal gekocht. Verder heeft hij verklaard dat hij het raampje van de Daewoo heeft ingeslagen en de fles met benzine die hij bij zich had, naar binnen heeft gegooid, zoals al was af te leiden uit de op de fles aangetroffen vingerafdruk. Het hof hecht voorts geloof aan de verklaring van [medeverdachte] voor zover deze inhoudt dat hij een enorme steekvlam zag bij de Polo. Het hof leidt verder uit zijn verklaring af dat verdachte ten tijde van het handelen van [medeverdachte] op de Meridiaan aanwezig was.

- De getuige [betrokkene 3] heeft verklaard gezien te hebben dat - toen hij na de tweede harde klap naar buiten keek - één jongen iets dat brandde in de auto gooide en dat de auto in brand vloog en dat een andere jongen op dat moment naar hem toe liep en dat zij vervolgens gezamenlijk weg renden schuin over de Meridiaan.

- Dat verdachte op korte afstand heeft gestaan toen de brand ontstond leidt het hof mede af uit de omstandigheid dat korte tijd na het tijdstip van de brandstichting is gebleken dat de wimpers boven het linkeroog van verdachte zijn verschroeid. De verklaring van verdachte dat dit zou zijn gebeurd bij het thuis bakken van frikadellen en al voor het tijdstip van de brandstichting hebben plaatsgevonden, acht het hof, mede in het licht van de verklaring van de moeder van verdachte die heeft verklaard van dat letsel (daarvóór) niets te hebben gezien, niet aannemelijk. In het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank d.d. 22 september 2011 staat weliswaar vermeld dat de getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij verdachte [verdachte] op 5 juni 2011 heeft gezien en dat zij zag dat zijn wimpers boven zijn oog waren verschroeid, maar het hof is van oordeel dat het bij de vermelding van de datum om een misslag gaat.

Het hof stelt vast dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] niet verschillen over plaats en tijd van de brandstichting maar wel over de wijze van brandstichting. De vaststellingen aan het voertuig corresponderen met de verklaring van [betrokkene 3]. Een en ander heeft anders dan de raadsman heeft aangevoerd - echter geen gevolgen voor de beoordeling van de betrokkenheid van verdachte. Dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] verschillen over over de richting van weglopen acht het hof van ondergeschikt belang.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof niet aannemelijk acht dat [betrokkene 5] in plaats van verdachte degene is die naast de medeverdachte betrokken is bij de brandstichting.”

7. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 overwoog de Hoge Raad:

“3.1.

De art. 47 tot en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443). In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.

3.2.1.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011: BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407).

3.2.2.

Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009: BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL: HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".

3.2.3.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.”

8. Over verdachtes rol bij het medeplegen van de bewezenverklaarde brandstichting meldt het Hof niet meer dan dat verdachte kort voor de brandstichting is gezien samen met [medeverdachte] die de auto daadwerkelijk in brand heeft gestoken (bewijsmiddel 6), dat [medeverdachte] van plan was met een ander een auto in brand te steken, dat verdachte ten tijde van het handelen van [medeverdachte] aanwezig was op de Meridiaan waar de in brand gestoken auto stond, dat een jongen iets dat brandde in de auto gooide, dat een andere jongen op dat moment naar hem toeliep en dat zij vervolgens samen wegrenden, alsmede dat verdachte kennelijk op korte afstand heeft gestaan van de brandstichting omdat zijn wimpers boven het linker oog verschroeid waren.

9. In de grond van de zaak komt hetgeen het Hof heeft vastgesteld erop neer dat verdachte bij de brandstichting aanwezig was en meer niet. Daarmee heeft het Hof dus niets vastgesteld over de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte. Dit betekent dat het Hof de bewezenverklaring voor wat betreft het medeplegen onvoldoende met redenen heeft omkleed.

10. Het voorgaande klemt temeer omdat de bewijsmiddelen voor wat betreft verdachtes aandeel in de brandstichting onverenigbare vaststellingen lijken te bevatten. Volgens bewijsmiddel 6 had [medeverdachte] een colafles met benzine onder zijn jas en heeft hij deze bij de Polo naar binnen gegooid, volgens bewijsmiddel 7 had verdachte een behoorlijke verdikking onder zijn jas, heeft hij iets uit zijn jaszak gehaald en had hij daarna een colafles in zijn hand. Bewijsmiddel 7 lijkt erop te duiden dat verdachte de colafles met benzine onder zijn jas had en dus een bijdrage aan de brandstichting heeft geleverd, maar volgens bewijsmiddel 6 was dat niet het geval. Het Hof heeft wel in aanmerking genomen dat verdachte een verdikking onder zijn jas had maar heeft verder niet aangegeven welke rol deze vaststelling in zijn oordeel heeft gespeeld en dus ook niet of daarin een - overigens met bewijsmiddel 6 niet te verenigen (aanwijzing voor een) - bijdrage van verdachte aan de brandstichting moet worden gezien.

11. Het middel slaagt.

12. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 21 maart 2013 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.

13. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG