Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:949

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
14/02368
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1696, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 269.1 Sv. Afwijzing verzoek tot behandeling van de zaak met gesloten deuren. Hoofdregel is dat het onderzoek ttz. in het openbaar geschiedt. Het oordeel van het Hof dat hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd onvoldoende is voor afwijking van die hoofdregel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02368

Zitting: 26 mei 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 april 2014 de verdachte wegens 1. en 3. “mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof het verzoek van de raadsman van de verdachte om het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gedeeltelijk met gesloten deuren te behandelen ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft afgewezen.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Naast de verdachte en diens raadsman is op de in het openbaar gehouden terechtzitting in hoger beroep de aangeefster van feit 1 ([betrokkene]) als belangstellende aanwezig.

(ii) Nadat de voorzitter van het hof op die terechtzitting de korte inhoud van de stukken heeft medegedeeld en nadat de verdachte ten aanzien van de feiten een verklaring heeft afgelegd, heeft de raadsman van de verdachte verzocht de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen, omdat er sprake is van nieuwe omstandigheden waarvan de verdachte niet wil dat deze publiekelijk bekend worden. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende naar voren gebracht. De raadsman zal een strafmaatverweer voeren om uiteen te zetten wat er na de voorvallen is gebeurd, nu uit de getuigenverklaringen en de rest van het dossier niet blijkt hoe de situatie tot stand is gekomen. Er zijn nieuwe elementen en de verdachte is bang dat deze elementen bekend raken. Bij de verdachte bestaat de vrees dat er informatie naar buiten komt en dat de mensen in de directe omgeving van de verdachte dan op de hoogte raken van deze zaak. De verdachte vindt het van belang dat “het” toch wordt genoemd.

(iii) Vervolgens heeft het hof op de terechtzitting het verzoek om de behandeling verder met gesloten deuren te doen plaatsvinden afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Het hof acht de informatie die de verdediging heeft aangevoerd onvoldoende om een gemotiveerd bevel te kunnen geven de zitting voort te zetten met gesloten deuren, nu de hoofdregel is dat de zitting in het openbaar plaatsvindt.

(iv) Na een korte onderbreking van het onderzoek, heeft de raadsman opgemerkt dat de verdediging er niet van op de hoogte was dat de aangeefster ter terechtzitting aanwezig zou zijn als belangstellende.

(v) Daarna heeft de verdachte op de (nog steeds) in het openbaar gehouden terechtzitting een verklaring afgelegd betreffende zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij publiekelijk aan de schandpaal is genageld door de aangeefster en een gezamenlijke vriendin, dat er op sociaal gebied veel kapot is gemaakt en dat hij zijn baan is verloren. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij liever niet wil zeggen of hij weer een relatie heeft en dat hij ook niet wil zeggen of hij alleen of samen woont.

(vi) Ten slotte heeft de raadsman van de verdachte, zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, bij wijze van “strafmaatverweer” verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich vrijwillig bij “De Waag” gemeld en is volledig weg uit de “party-scene”. De feiten hebben zich afgespeeld in de vriendenkring van de verdachte, terwijl hij als paria is bestempeld en een geruchtenstroom op gang is gekomen. De verdachte heeft geen contact meer met zijn (voormalige) vrienden maar is bang dat de geruchten zich verder verspreiden, aangezien hij inmiddels een vaste relatie heeft, samenwoont en ontzettend bang is dat zijn nieuwe vriendin wordt benaderd vanuit die vriendengroep.

5. Het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman van de verdachte om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen, is een verzoek tot toepassing van art. 269, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 269, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, voor zover hier van belang, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte de gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren eist.

6. In de hiervoor onder 4 sub iii weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het hof het verzoek tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren heeft afgewezen, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte de gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren niet eiste. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover klaagt het middel terecht niet.

7. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Het onderzoek ter terechtzitting moet in het openbaar geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6, eerste lid, EVRM als in art. 121 Grondwet (hierna: GW) verwoord. Art. 4, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) en art. 269 Sv, dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep toepasselijk is, herhalen dit. Deze bepalingen verwijzen alle naar de mogelijkheid van uitzonderingen op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. Volgens art. 121 GW en art. 4, eerste lid, RO dienen die uitzonderingen bij de wet te zijn bepaald. Art. 4, tweede lid, RO voegt daar nog aan toe dat de rechter om gewichtige redenen, die in het proces-verbaal van de zitting moeten worden vermeld, mag bevelen dat het rechtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaatsvinden. Art. 6, eerste lid, EVRM bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van de openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt. Daartoe behoort het belang van “the protection of the private life of the parties”. Art. 269, eerste lid, Sv regelt de reeds in art. 4, tweede lid, RO aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke belangen die inbreuk mag worden gemaakt. Het bevel tot gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren kan ingevolge art. 269, eerste lid, Sv onder meer worden gegeven, indien de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eist.1

8. De in voornoemde wettelijke bepalingen geregelde externe openbaarheid van het strafproces ziet op de toegankelijkheid van het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak voor de rechtsgenoten. Daarmee wordt een zekere controle op de rechtspleging mogelijk.2 De wet voorziet in een (gedeeltelijke) sluiting van de deuren om redenen van privacy van de verdachte, zij het dat het daarbij moet gaan om zeer uitzonderlijke gevallen. Daarbij moet worden bedacht dat het uitgangspunt dat het onderzoek ter terechtzitting openbaar is per definitie betekent dat een inbreuk op de privacy van de verdachte wordt gemaakt, bijvoorbeeld doordat ter zitting de persoonlijke omstandigheden van de verdachte worden besproken. De wetgever heeft heeft niettemin - in overeenstemming met art. 6 EVRM - de afweging gemaakt dat in het volwassenenstrafrecht in de regel de desbetreffende privacybelangen moeten wijken voor de belangen die met openbaarheid van de strafrechtspraak zijn gediend. Dat betekent dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een bevel tot (gedeeltelijke) sluiting van de deuren met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de meerderjarige verdachte.3

9. In de afwijzing door het hof van het verzoek tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren ligt als zijn oordeel besloten dat in dit geval het belang van een openbare behandeling van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep diende te prevaleren boven het belang van de verdachte bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. In het licht van hetgeen hiervoor onder 7 en 8 is voorop gesteld geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verzoek om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met gesloten deuren te behandelen slechts aangevoerd dat hij een strafmaatverweer zal voeren om uiteen te zetten wat na de voorvallen is gebeurd, dat er “nieuwe elementen” zijn, dat de verdachte bang is dat “deze elementen” bekend raken en dat er bij de verdachte de vrees bestaat dat er “informatie” naar buiten komt, waardoor de mensen in zijn directe omgeving op de hoogte raken van deze zaak. De raadsman heeft bij de onderbouwing van zijn verzoek echter op geen enkele wijze aangegeven waarop deze “nieuwe elementen” betrekking hebben en waarom juist de openbaarmaking van “deze elementen” een inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Daarmee heeft de onderbouwing van het verzoek een algemeen karakter. De verdachte heeft vervolgens wel een verklaring afgelegd omtrent zijn persoonlijke omstandigheden. Daarbij heeft hij slechts de vragen naar een nieuwe relatie en het al dan niet samenwonen, kennelijk met het oog op zijn privacy, niet willen beantwoorden. De raadsman heeft echter in het kader van de onderbouwing van een strafmaatverweer opgemerkt dat de verdachte inmiddels een vaste relatie heeft en samenwoont. Daardoor zijn de antwoorden op de vragen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die de verdachte zelf niet wenste te geven en die mogelijk ten grondslag hebben gelegen aan het verzoek tot behandeling met gesloten deuren, alsnog door de verdediging naar voren gebracht. Gelet op het voorafgaande, valt niet in te zien dat zich in het onderhavige geval een uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan die een gedeeltelijke sluiting van de deuren eist. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verzoek op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen. Gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.4

10. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, kan niet worden gezegd dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek enkele persoonlijke omstandigheden, die hij van belang achtte voor de strafmaat. niet naar voren heeft kunnen brengen. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, heeft de verdachte een verklaring afgelegd betreffende zijn persoonlijke omstandigheden en heeft zijn raadsman de “ontbrekende antwoorden” bij pleidooi alsnog gegeven. Noch het in feitelijke aanleg verhandelde noch de cassatieschriftuur bevat een aanknopingspunt welke (soort) informatie de verdachte door het achterwege blijven van een bevel tot sluiting van de deuren niet met het hof zou hebben kunnen delen.

11. Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof niet gehouden de verdachte, alvorens op het verzoek te beslissen, in de gelegenheid te stellen achter gesloten deuren zijn verzoek toe te lichten. Art. 269, tweede lid, Sv schrijft slechts voor dat het bevel tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren pas kan worden gegeven nadat de verdachte hieromtrent is gehoord. Dit horen vindt ”zo nodig met gesloten deuren” plaats. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het hof overweegt een bevel tot sluiting van de deuren te geven. In de onderhavige zaak heeft het hof het verzoek tot sluiting van de deuren juist afgewezen. Daarbij komt dat de formulering “zo nodig met gesloten deuren” impliceert dat het horen van de verdachte in voorkomende gevallen ook in het openbaar kan plaatsvinden. Daarbij moet worden bedacht dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk aan het hof heeft verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de verdachte eerst met gesloten deuren te horen. Ook daarop strandt de klacht.

12. Het middel faalt.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 9 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1332, NJ 2002/498, rov. 3.3 en HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ’t Hart, rov. 3.4-3.5.

2 Vgl. G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 49.

3 Vgl. L. van Lent, Externe openbaarheid in het strafproces, (dissertatie Universiteit Utrecht 2008), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008, p. 88 en C.H. Brants en L. van Lent in A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 7.5 bij art. 269 Sv (supplement 125, oktober 2001).

4 Vgl. HR 27 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8274 (middel 5, art. 81 RO).