Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:946

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
14/00940
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1683, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Onjuiste inlichtingen gemeente? Niet-nakomen toezegging door B&W betreffende ontwerpbestemmingsplan. Staat formele rechtskracht bestemmingsplan aan schadevordering in de weg? Grondslag vordering; gemiste kans als gevolg van niet-nakoming toezegging. Causaal verband tussen niet-nakoming en gemiste kans, begroting schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/320 met annotatie van Mr. D. van Tilborg
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/00940

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 27 maart 2015

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

Gemeente Zoeterwoude

Inleiding

1. Thans eiser tot cassatie, verder: [eiser], heeft een aantal percelen aangekocht van het waterschap Noordwoude. Hij heeft in dit geding thans verweerster in cassatie, verder: de Gemeente, aangesproken uit onrechtmatige daad. Hij verwijt de Gemeente dat zij hem onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waardoor bij hem de verwachting is gewekt dat op de percelen waarop zich een voormalig gemaal met dienstwoning bevond, een burgerwoning was toegestaan, hetgeen niet het geval bleek te zijn. Voorts heeft hij gesteld dat de Gemeente aansprakelijk is omdat de aan hem gedane toezegging om de betrokken woning met woonbestemming in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen, niet is nagekomen. De rechtbank en het hof hebben de vorderingen van [eiser] afgewezen. Het hof oordeelde dat geen sprake is geweest van onjuiste inlichtingen en/of opgewekt vertrouwen als door [eiser] gesteld en voorts dat het besluit tot vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan geacht moet worden naar inhoud en wijze van totstandkoming jegens [eiser] rechtmatig te zijn nu [eiser] tegen dat (ontwerp)bestemmingsplan geen bezwaren heeft aangevoerd en geen beroep heeft ingesteld. Het hof oordeelde voorts dat bedoelde nalatigheid niet leidt tot schadeplichtigheid van de Gemeente wegens het ontbreken van het vereiste causale verband nu er geen garantie was voor het doorgaan van de plannen van [eiser] als B&W de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan hadden opgenomen. [eiser] heeft cassatieberoep ingesteld.

2. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die door het hof zijn vastgesteld in zijn arrest van 22 oktober 2013 (rov. 1.1-1.14):

i) Bij akte van 12 juni 1987 heeft [eiser], die van beroep architect is, van het Waterschap Noordwoude (hierna: het Waterschap) een aantal percelen gekocht, plaatselijk bekend als het oude gemaal Haasbroek, voor een bedrag van ƒ 53.000,-.

ii) Bij brief van 10 november 1987 (met als bijlage een tekening) heeft [eiser] aan het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente onder meer het volgende geschreven:

“Hierbij wil ik u verzoeken in principe medewerking te verlenen aan de restauratie en het hierna weer in gebruik nemen als woning van het voormalige gemaal Westbroek.”

iii) Bij brief van 4 februari 1988 hebben B&W aan [eiser] onder meer het volgende geschreven:

“Naar aanleiding van uw verzoek om beginsel-medewerking inzake de restauratie van de voormalige bedrijfswoning van het inmiddels buiten gebruik zijnde poldergemaal in de Oostbroekpolder, delen wij u het volgende mede.

Tegen het opknappen van de betrokken woning hebben wij geen principiële bezwaren. In verband met de omstandigheid, dat de restauratie gepaard zal gaan met de nodige bouwactiviteiten (aanbrengen dakkapellen) is daarvoor een bouwvergunning vereist. (…)

Tegen de met de geldende bestemmingsplanbepalingen strijdige verbouw van het gemaal tot architectenbureau, alsmede de aanleg van de geprojekteerde ontsluitingsweg, hebben wij echter grote bedenkingen. (…)”

iv) Bij brief van 27 maart 1988 hebben B&W onder meer het volgende aan (het architectenbureau van) [eiser] laten weten:

“Naar aanleiding van uw brief van 2 maart 1988 inzake het hierbovenvermelde onderwerp berichten wij u het volgende. Ten behoeve van de bereikbaarheid van de nabij het gemaal (…) staande woning stemmen wij er in beginsel mede in, dat vanaf de openbare weg naar deze woning een eenvoudig pad wordt aangelegd.

(…)

Voorzoveel nodig attenderen wij u erop, dat de bij het gemaal staande woning slechts als zodanig mag worden gebruikt. (…)”

v) Bij brief van 28 augustus 1988 hebben B&W onder meer het volgende aan (het architectenbureau van) [eiser] laten weten:

“Hiermede bevestigen wij de ontvangst van uw brief van 4 mei 1988. Wij delen u mede, dat wij op dinsdag 31 mei 1988 (…) de situatie ter plaatse in ogenschouw hebben genomen.

(…)

Wij hebben er bedenkingen tegen, dat in het voormalige gemaalgebouw bedrijfsmatige aktiviteiten worden ontplooid.

Wel kunnen wij ermede instemmen, dat het gemaal tot weekendverblijf wordt verbouwd.

Deze verbouw mag overigens geen vernieuwing van het gebouw inhouden.

(…)”

vi) Op 16 september 1988 zijn de percelen aan [eiser] geleverd.

vii) Bij brief van 10 mei 1989 heeft [eiser] aan B&W verzocht om principe-medewerking “aan het restaureren van het woonhuis, en het verbouwen het voormalige gemaal tot weekendwoning, conform reeds afgegeven tekeningen.”

viii) Bij brief van 13 maart 1990 hebben B&W in reactie op de brief van 10 mei 1989 laten weten geen medewerking te willen verlenen aan de verbouw van het gemaal en de bouw van een carport.

ix) Bij brief van 6 juni 1990 hebben B&W het volgende geschreven:

“(…) delen wij u mede, dat wij er in beginsel – behoudens instemming van de raad en Gedeputeerde Staten – mede instemmen, dat de voormalige en te restaureren dienstwoning tot 400 m3 wordt vergroot en dat daarbij een bijgebouw van maximaal 50 m2 wordt gerealiseerd. Wij gaan er daarbij vanuit, dat het voormalige gemaal wordt afgebroken. De voormalige dienstwoning zullen wij met de bestemming “woondoeleinden” opnemen in het ontwerp-bestemmingsplan Landelijk Gebied (1989).”

x) De Gemeente is vergeten de woning met bestemming woondoeleinden op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan, dat in 1992 is vastgesteld. B&W hebben hierop toegezegd een vrijstellingsprocedure te entameren om het gebruik als woning alsnog mogelijk te maken. Bij brief van 18 juni 1997 is dit aan [eiser] bevestigd, waarbij de Gemeente aangeeft niet te garanderen dat daadwerkelijk tot uitvoering van de bouw- en aanlegplannen van [eiser] kan worden overgegaan, omdat de Gemeente afhankelijk is van de goedkeuring van andere overheden en/of rechterlijke instanties.

xi) De ingezette vrijstellingsprocedure heeft niet het door [eiser] gewenste resultaat gehad. Gedeputeerde Staten hebben op 5 augustus 1998 geweigerd een verklaring van geen bezwaar af te geven ex artikel 19 van de toenmalige Wet op de Ruimtelijke Ordening. Tegen deze weigering hebben [eiser] en B&W bezwaar aangetekend. In het bezwaarschrift van B&W wordt beargumenteerd dat het overgangsrecht van toepassing is, omdat ter plaatse altijd een woning heeft gestaan die altijd als zodanig (dat wil zeggen als woning) is gebruikt. De consequentie hiervan zou zijn dat de plannen van [eiser] doorgang zouden mogen vinden.

xii) In 2000 heeft [eiser] enkele naast de percelen gelegen gronden aangekocht voor ƒ 50.000,- ten behoeve van het plaatsen van een brievenbus, meterkast en toegangshek.

xiii) De hiervoor onder xi bedoelde bezwaren zijn door Gedeputeerde Staten in juni 1999 ongegrond verklaard en in februari 2001 heeft de bestuursrechter het daartegen ingediende beroep ook ongegrond verklaard. [eiser] is daartegen in hoger beroep gegaan maar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit hoger beroep in oktober 2001 eveneens ongegrond verklaard.

xiv) Bij brief van 11 maart 2002 hebben B&W aan [eiser] laten weten dat een nieuwe vrijstellingsprocedure gelet op de opstelling van Gedeputeerde Staten geen reële optie zou zijn, omdat niet met “harde bewijzen” kan worden aangetoond dat het overgangsrecht van toepassing is en dat, zelfs als dat overgangsrecht wel van toepassing zou zijn, dit geen oplossing biedt voor de situatie van [eiser].

3. [eiser] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en voorts de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de daardoor door hem geleden schade, nader op te maken bij staat. [eiser] stelt daartoe dat de Gemeente hem onjuiste inlichtingen heeft verschaft en dat de Gemeente de bij brief van 6 juni 1990 gedane toezegging de woning met bestemming woondoeleinden op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan, niet is nagekomen. [eiser] voert aan dat hij de woning niet zou hebben gekocht als de Gemeente hem juiste inlichtingen zou hebben verschaft.

De Gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft de vorderingen van [eiser] bij eindvonnis van 21 april 2004 afgewezen.

5. [eiser] heeft hoger beroep tegen het eindvonnis ingesteld. De zaak is vervolgens op de rol van 26 mei 2009 ambtshalve doorgehaald in afwachting van de uitkomst van een nieuwe bestemmingsplanprocedure, waarin het door [eiser] gewenste gebruik mogelijk alsnog kon worden toegestaan. B&W hebben hierna een ontwerpbestemmingsplan gemaakt waarin de woonbestemming alsnog was opgenomen. Door de gemeenteraad is echter uiteindelijk na aanvaarding van een uit de gemeenteraad afkomstig amendement in 2010 besloten de voorgestelde woonbestemming niet op te nemen. [eiser] heeft tegen dit besluit hoger beroep ingesteld, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep in maart 2011 ongegrond verklaard. Nadien is de zaak door [eiser] weer opgebracht op 25 september 2012. [eiser] heeft bij memorie van grieven een vijftal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd.

De Gemeente heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten op 23 september 2013 en ten slotte hebben zij arrest gevraagd.

6. Bij arrest van 22 oktober 2013 heeft het hof Den Haag het bestreden vonnis bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de kosten van het appel. Het hof overwoog daartoe als volgt:

“2. Grieven 1 tot en met 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. [eiser] stelt dat in de hierboven vermelde brieven van B&W uit de periode 1987-1989 door de Gemeente onjuiste inlichtingen zijn verschaft, waardoor bij hem de verwachting is gewekt dat op de percelen een burgerwoning was toegestaan. Volgens [eiser] blijkt uit de correspondentie dat hij niet tot aankoop van de percelen zou zijn overgegaan als de Gemeente hem juiste inlichtingen zou hebben verstrekt. Het feit dat de Gemeente van meet af aan een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het overgangsrecht, moet voor rekening van de Gemeente komen, aldus [eiser]. Voorts betoogt [eiser] (onder grief 4) dat hij, als hem juiste informatie was gegeven, ook niet tot de […] aankoop van de naastgelegen gronden zou zijn overgegaan en dat hij dan evenmin kosten zou hebben gemaakt voor sanering van de percelen.

3. In het midden kan blijven of juist is de (door de Gemeente betwiste) stelling van [eiser] dat de koopovereenkomst van 12 juni 1987 van rechtswege is ontbonden en dat een nieuwe koopovereenkomst tot stand is gekomen op 16 september 1988 (tevens de leveringsdatum). Naar het oordeel van het hof is namelijk hoe dan ook geen sprake van onjuiste inlichtingen en/of opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen als door [eiser] gesteld.

4. Het hof overweegt als volgt.

4.1.

Uit de brief van 4 februari 1988 […] van B&W in samenhang met de brief van [eiser] van 10 november 1987 […], waar de brief van 4 februari 1988 een reactie op is, blijkt dat de Gemeente “geen principiële bezwaren” had tegen het restaureren van de betrokken woning en het daarna weer in gebruik nemen ervan als woning. De Gemeente heeft aldus kenbaar gemaakt in te stemmen met het verzoek van [eiser] om principe-medewerking. Dit is geen onjuiste mededeling: de Gemeente heeft metterdaad medewerking verleend en heeft de plannen van [eiser] tot aan de ARRvsS verdedigd. Anders dan [eiser] kennelijk meent kon aan de mededeling van de Gemeente bij voormelde brief echter niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat de plannen ook zonder meer doorgang zouden kunnen vinden. Algemeen bekend mag worden verondersteld dat B&W niet steeds het laatste woord heeft waar het bouwplannen van burgers betreft en dit mag in elk geval bekend worden verondersteld bij [eiser], gelet op zijn beroep als architect. Zoals de Gemeente bovendien terecht aanvoert, wist de gewone burger al dat het een bijzonder gebied betrof. Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat de aansprakelijkheid van de Gemeente voortvloeit uit het feit dat aan haar welwillende houding de onjuiste aanname ten grondslag lag dat het overgangsrecht van toepassing was, geldt dat [eiser] er niet zonder meer in redelijkheid op kon vertrouwen dat dit standpunt stand zou houden.

4.2.

De brieven van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 […] bouwen in feite op de brief van 4 februari 1988 voort, zodat voor die brieven hetzelfde geldt als hiervoor overwogen. Daarbij komt dat uit de brieven van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 blijkt dat deze een reactie zijn op brieven van [eiser] die zich niet in het dossier bevinden. Dit brengt mee dat een zekere terughoudendheid op zijn plaats is bij de uitleg van de inhoud van de reacties van B&W. In elk geval leest het hof ook in deze brieven geen onjuiste inlichtingen, dan wel toezeggingen of mededelingen waaraan [eiser] een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen zoals door hem gesteld.

4.3.

Uit het enkele feit dat B&W bij brief van 13 maart 1990 […] geen voorbehoud hebben gemaakt ten aanzien van het gebruik van de woning, kan, anders dan [eiser] kennelijk meent, evenmin worden afgeleid dat [eiser] in redelijkheid mocht denken dat hij zijn plannen ten aanzien van de woning zonder meer zou kunnen uitvoeren.

4.4.

Ook de brief van 6 juni 1990 […] bevat geen onjuiste inlichting (er was immers daadwerkelijk sprake van instemming van B&W) en gelet op het duidelijke voorbehoud (“behoudens instemming van de raad en Gedeputeerde Staten”) evenmin een concrete toezegging. Zelfs als juist is dat B&W tijdens een gesprek in een eerder gesprek in maart 1990 de indruk hadden gewekt dat instemming van GS slechts een formaliteit was (hetgeen de Gemeente betwist), laat dit onverlet dat [eiser] (zeker gelet op zijn beroep) moest begrijpen dat de mogelijkheid bestond dat de gemeenteraad en/of GS nog anders zou(den) beslissen.

4.5.

De conclusie luidt dat de grieven 1 tot en met 4 falen.

5. Grief 5 richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van de stelling van [eiser] dat de Gemeente aansprakelijk is wegens het niet nakomen van de toezegging om de betrokken woning met woonbestemming in 1992 in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen. Mocht [eiser] [lees: [eiser]; plv. P-G] met deze grief willen betogen dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan jegens hem onrechtmatig is omdat de Gemeente heeft nagelaten aan de betrokken woning een woonbestemming te geven, dan overweegt het hof als volgt. [eiser] heeft tegen het (ontwerp)bestemmingsplan geen bezwaren aangevoerd of beroep ingesteld. Dat brengt met zich dat het besluit tot vaststelling daarvan geacht moet worden naar zijn inhoud en wijze van totstandkoming jegens hem rechtmatig te zijn. Het hof overweegt daarbij dat het voor risico van [eiser] komt dat hij door verblijf in het buitenland geen zienswijze kenbaar heeft gemaakt ten aanzien van het in zijn ogen gebrekkige ontwerpbestemmingsplan. Ook afgezien van het voorgaande leidt bedoelde nalatigheid van de Gemeente echter niet tot schadeplichtigheid van de Gemeente, dit wegens het ontbreken van het daartoe vereiste causale verband. Als B&W de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan had opgenomen, was dat immers nog geen garantie voor de doorgang van de plannen van [eiser]. Dit is uiteindelijk in 2010 ook gebleken toen de gemeenteraad de alsnog opgenomen woonbestemming bij amendement weer heeft geschrapt […]. Zelfs al zou de stelling van [eiser] juist zijn dat de gemeenteraad en GS in 1992 minder redenen zouden hebben gehad om medewerking op dit punt te weigeren, laat dit onverlet dat de raad en GS ook toen de mogelijkheid hadden om anders te beslissen en dat niet met voldoende mate van zekerheid valt vast te stellen dat zij dit toen niet zouden hebben gedaan. Ook grief 5 heeft dus geen succes.”

7. [eiser] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun zaak schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd en de Gemeente heeft gedupliceerd.

Het cassatiemiddel

Middelonderdeel 1

8. Middelonderdeel 1, dat is onderverdeeld in een aantal (sub)onderdelen genummerd 1a t/m 1h, richt zich tegen rov. 3 en rov. 4.1 t/m 4.5 (hiervoor geciteerd), waar het hof oordeelt dat geen sprake is van onjuiste inlichtingen en/of opgewekt vertrouwen als gesteld door [eiser], die betoogt dat in de brieven van de Gemeente uit de periode 1987-1989 door de Gemeente onjuiste inlichtingen zijn verschaft, waardoor bij hem de verwachting is gewekt dat op de litigieuze percelen een burgerwoning was toegestaan.

Onderdeel 1a klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 4.1 dat de mededeling van de gemeente dat geen principiële bezwaren bestaan tegen het restaureren en wederom in gebruik nemen van de woning, niet is aan te merken als onjuiste mededeling en dat hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat [eiser] aan deze mededeling geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zijn plannen doorgang konden vinden. Het middel voert daartoe aan dat [eiser] immers het verzoek in zijn brief van 4 februari 1988 (bedoeld zal zijn: het verzoek in zijn brief van 10 november 1987 waarop de brief van de Gemeente van 4 februari 1988 een reactie is) heeft gedaan vanwege de onduidelijkheid over de gebruiksmogelijkheid van de dienstwoning als burgerwoning en dat een wereld van verschil bestaat tussen het “niet hebben van principiële bezwaren” en het geheel niet mogen gebruiken van het perceel voor bewoning. Het onderdeel betoogt voorts dat het hof miskent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de Gemeente – naar later bleek ten onrechte – ervan uitging dat het gebruik als burgerwoning onder het overgangsrecht viel, en dat de brief van 4 februari 1988 derhalve in dat licht moet worden bezien.

Onderdeel 1b verwijt het hof een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd door uitsluitend te beoordelen of de mededeling van de Gemeente juist was en of [eiser] daarop mocht vertrouwen, terwijl de Gemeente, mede gelet op de omstandigheden van het geval, tevens gehouden was om volledige informatie te verstrekken en bij onzekerheid over interpretatie van geldende regelgeving daarvan mededeling te doen en aan te geven welke weg gevolgd kon worden.

Onderdeel 1c klaagt dat het hof voorts is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het onvoldoende, althans onvoldoende kenbaar, rekening heeft gehouden met de betekenis die [eiser] redelijkerwijs aan de brief van de Gemeente van 4 februari 1998 (bedoeld zal zijn: 4 februari 1988) en de daarop volgende correspondentie mocht toe kennen en redelijkerwijs van de Gemeente mocht verwachten – te weten dat hij de dienstwoning als burgerwoning kon gebruiken – gelet op de in het onderdeel genoemde omstandigheden.

Onderdeel 1d betoogt dat onjuist, althans onbegrijpelijk is ’s hofs overweging dat algemeen bekend mag worden verondersteld dat B&W niet steeds het laatste woord hebben over bouwplannen en dat zulks bij [eiser] bekend mag worden verondersteld, gelet op zijn beroep als architect. Het verzoek in de brief van [eiser] van 10 november 1987 zag immers, aldus het onderdeel, niet op een bouwplan of bouwvergunning maar op de (simpele) vraag of de woning gelet op het bestemmingsplan gebruikt mocht worden als burgerwoning. Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.1, laatste zin, dat [eiser] niet zonder meer in redelijkheid erop kon vertrouwen dat het onjuiste standpunt van de Gemeente inzake de toepasselijkheid van het overgangsrecht stand zou houden. Een burger, ook de professional, mag immers in principe erop vertrouwen dat een overheidsorgaan juiste inlichtingen verstrekt en behoeft geen rekening ermee te houden dat deze inlichtingen achteraf onjuist zouden kunnen zijn.

Onderdeel 1e klaagt dat de omstandigheid dat het hier om een bijzonder gebied gaat en dat [eiser] architect is, zoals het hof overweegt in rov. 4.1, niet relevant, althans niet doorslaggevend is voor het oordeel dat geen sprake zou zijn van onjuiste inlichtingen en/of opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen. Het onderdeel verwijt het hof te hebben miskend dat [eiser] zich bewust was van het feit dat het een bijzonder gebied betrof en dat hij daarom ook heeft verzocht of het gebruik als burgerwoning toegestaan was.

Onderdeel 1f klaagt dat voor zover het hof heeft bedoeld dat [eiser] onder de gegeven omstandigheden niet erop mocht vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen inzake het onder het bestemmingsplan toegelaten gebruik van de dienstwoning als burgerwoning waren gegeven, ’s hofs oordeel onvoldoende met redenen is omkleed nu niet duidelijk is waarom [eiser] niet in redelijkheid erop zou mogen vertrouwen dat het standpunt van B&W ten aanzien van het mogen gebruiken van de dienstwoning als burgerwoning, althans het overgangsrecht stand zou houden.

Onderdeel 1g klaagt dat het voorgaande ook rov. 4.2 van ’s hofs arrest vitieert nu het hof overweegt dat de brieven van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 voortbouwen op de brief van 4 februari 1988. Het enkele feit dat de brieven van [eiser] van 2 maart 1988 en 4 mei 1988, waarop de brieven van de Gemeente van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 een antwoord zijn, zich niet in het dossier bevinden doet daaraan niet af. Aldus het onderdeel, dat betoogt dat de Gemeente geen beroep heeft gedaan op het ontbreken van de brieven, zodat het hof zich buiten de rechtsstrijd heeft begeven door hierop desalniettemin acht te slaan.

Onderdeel 1h betoogt dat de klacht in onderdeel 1f ook rov. 4.4 vitieert. Dat het hof in rov. 4.4 ingaat op het voorbehoud “behoudens instemming van de raad en Gedeputeerde Staten” uit de brief van 6 juni 1990, is bovendien onbegrijpelijk omdat het hier een geheel andere vraag betrof dan de vraag waarin het in deze zaak gaat, te weten de vraag of de dienstwoning onder het destijds geldende bestemmingsplan als burgerwoning mocht worden gebruikt. Zo betoogt het onderdeel.

9. Het middel komt aldus met een rechtsklacht en motiveringsklachten op tegen ’s hofs oordeel dat geen sprake is van onjuiste inlichtingen en/of opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen als gesteld door [eiser], die betoogt dat de Gemeente jegens hem aansprakelijk is uit onrechtmatige daad nu in de brieven van B&W uit de periode 1987-1989 door de Gemeente onjuiste inlichtingen zijn verschaft waardoor bij hem de verwachting is gewekt dat op de percelen een burgerwoning was toegestaan. [eiser] heeft in dat verband aangevoerd dat hij de litigieuze percelen niet zou hebben aangekocht als hem juiste en volledige informatie zou zijn verschaft. Voorts wordt geklaagd dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden. Het middel faalt in al zijn onderdelen. Ik licht dit toe.

10. Zoals ook door [eiser] is betoogd, geldt als maatstaf voor de vraag of de Gemeente onjuiste inlichtingen heeft verstrekt en daarom onrechtmatig heeft gehandeld, de maatstaf die door uw Raad is geformuleerd in zijn arrest van 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340 (’s-Hertogenbosch/Van Zoggel). Uw Raad overwoog in dat arrest dat het antwoord op de vraag of de gemeente aan een belanghebbende naar aanleiding van een door deze gedaan verzoek onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven over de mogelijkheden die haar regelgeving biedt en of die gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld jegens de belanghebbende, afhangt van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan – aldus uw Raad – plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, “op het verkeerde been” is gezet.

11. Het hof heeft deze maatstaf ook gehanteerd. Uit zijn hiervoor geciteerde overwegingen blijkt immers dat het hof heeft beoordeeld of [eiser] gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat op de betrokken percelen een burgerwoning was toegestaan. Deze omstandigheden betreffen in de eerste plaats de inhoud van het verzoek van [eiser] aan de Gemeente in zijn brief van 10 november 1987 en hetgeen de Gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en voorts de aard en inhoud van de inlichtingen die door de Gemeente zijn gegeven in haar brief van 4 februari 1988 in antwoord op de brief van [eiser] en in haar op deze brief voortbouwende brieven van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 in reactie op brieven van [eiser], die zich niet in het dossier bevinden.

Het hof heeft geoordeeld dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het hof heeft kennelijk, zo blijkt uit zijn overwegingen, zwaar laten wegen dat [eiser] in zijn brief van 10 november 1987 aan de Gemeente heeft gevraagd “in principe medewerking te verlenen” aan de restauratie, en het hierna weer in gebruik nemen als woning van het voormalige gemaal Westbroek, waarop de Gemeente in haar brief van 4 februari 1988 heeft geantwoord tegen het opknappen van de betrokken woning geen principiële bezwaren te hebben, in welk verband zij erop wees dat een bouwvergunning is vereist voor de bouwactiviteiten waarmee de restauratie gepaard zal gaan. Het hof heeft geoordeeld dat de Gemeente met dit schrijven heeft ingestemd met het verzoek van [eiser] om principe-medewerking en dat de Gemeente daarmee geen onjuiste mededeling heeft gedaan nu de Gemeente immers metterdaad medewerking heeft verleend en de plannen van [eiser] tot aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft verdedigd. Het hof heeft voorts geoordeeld dat [eiser] aan deze mededeling van de Gemeente niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de plannen ook zonder meer doorgang zouden kunnen vinden. Het hof heeft verder geoordeeld dat hetzelfde geldt voor de brieven van de Gemeente van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 die in feite voortbouwen op de brief van 4 februari 1988. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de brieven van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 blijkt dat zij een reactie zijn op de bieven van [eiser] die zich niet in het dossier bevinden zodat een zekere terughoudendheid op zijn plaats is bij de uitleg van de inhoud van de reacties van B&W. Het hof heeft geoordeeld dat ook in deze brieven in elk geval geen onjuiste inlichtingen dan wel toezeggingen of mededelingen zijn te lezen waaraan [eiser] gerechtvaardigd vertrouwen als door hem gesteld kon ontlenen.

Het oordeel van het hof, dat de juiste maatstaf heeft gehanteerd, acht ik niet onbegrijpelijk en het behoefde geen nadere motivering. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, kan het in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Daarop stuit middelonderdeel 1 af met zijn klachten dat het hof niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd en dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Met betrekking tot deze klachten merk ik nog het volgende op.

12. De klacht van onderdeel 1a dat [eiser] het verzoek in zijn brief van 4 februari 1988 (bedoeld zal zijn: het verzoek in zijn brief van 10 november 1987 waarop de brief van de Gemeente van 4 februari 1988 een reactie is) heeft gedaan vanwege de onduidelijkheid over de gebruiksmogelijkheid van de dienstwoning als burgerwoning en dat een wereld van verschil bestaat tussen het “niet hebben van principiële bezwaren” en het geheel niet mogen gebruiken van het perceel voor bewoning, ziet eraan voorbij dat het gaat om de inhoud van het verzoek van [eiser] aan de Gemeente in de brief van 10 november 1987 en hetgeen de Gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen en niet om achterliggende motieven die niet (voldoende duidelijk) tot uitdrukking zijn gebracht in het verzoek om “in principe medewerking te verlenen”. Dat de Gemeente, zoals [eiser] stelt, ervan uitging dat het gebruik als burgerwoning onder het overgangsrecht viel, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Onderdeel 1b faalt met zijn verwijt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De in het onderdeel vervatte stelling dat de Gemeente, mede gelet op de omstandigheden van het geval, gehouden was om volledige informatie te verstrekken en bij onzekerheid over interpretatie van geldende regelgeving daarvan mededeling te doen en aan te geven welke weg gevolgd kon worden, ook ingeval daartoe geen verzoek wordt gedaan althans de Gemeente een tot haar gericht verzoek om informatie redelijkerwijs niet als zodanig heeft opgevat of heeft moeten opvatten, kan niet worden aanvaard. Ik laat daarbij nog in het midden of [eiser] deze stelling aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.

Onderdeel 1c faalt nu het hof voldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de betekenis die [eiser] redelijkerwijs aan de brief van de Gemeente van 4 februari 1988 (het onderdeel spreekt per abuis van 1998) en de daarop volgende correspondentie mocht toekennen en redelijkerwijs van de Gemeente mocht verwachten. Het hof heeft niet miskend dat het niet alleen aankomt op een taalkundige uitleg van de zinsnede “principiële bezwaren” in de brief van 4 februari 1988 en de tekst van de daarop volgende brieven, maar ook op hetgeen [eiser] in redelijkheid met zijn vraagstelling beoogde en met de betekenis die hij – gelet op genoemde omstandigheden – redelijkerwijs aan de uitlatingen en gedragingen van de Gemeente mocht toekennen.

Onderdeel 1d faalt met zijn betoog dat het verzoek in de brief van [eiser] van 10 november 1987 zag op de (simpele) vraag of de woning gelet op het bestemmingsplan gebruikt mocht worden als burgerwoning. In ’s hof overwegingen ligt het oordeel besloten – een oordeel dat niet onbegrijpelijk is en verder in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst – dat de Gemeente de brief niet aldus heeft opgevat en ook niet aldus behoefde op te vatten.

Onderdeel 1e gaat evenals onderdeel 1d eraan voorbij dat het hof heeft geoordeeld – een oordeel dat niet onbegrijpelijk is en verder in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst – dat de Gemeente de brief niet aldus heeft opgevat en ook niet aldus heeft hoeven opvatten dat daarin werd verzocht of het gebruik als burgerwoning toegestaan was.

Onderdeel 1f faalt eveneens. Uit ’s hofs overwegingen blijkt voldoende duidelijk het oordeel van het hof dat [eiser] gelet op de inhoud van zijn brief van 10 november 1987 waarop de brieven van de Gemeente een reactie zijn, niet erop mocht vertrouwen dat hem inlichtingen inzake het onder het bestemmingsplan toegelaten gebruik van de dienstwoning als burgerwoning waren gegeven.

Onderdeel 1g bevat een voortbouwende klacht en voor onderdeel 1h geldt hetzelfde.

13. Onderdeel 1g klaagt voorts dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door (in rov. 4.2) te overwegen dat voor de brieven van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 geldt dat uit deze brieven blijkt dat deze een reactie zijn op brieven van [eiser] die zich niet in het dossier bevinden, zodat een zekere terughoudendheid op zijn plaats is bij de uitleg van de inhoud van de reacties van B&W. Geklaagd wordt dat immers B&W (bedoeld zal zijn: de Gemeente) geen beroep hebben gedaan op het ontbreken van de brieven, zodat het hof zich buiten de rechtsstrijd heeft begeven door hierop desalniettemin acht te slaan.

Ook deze klacht faalt. Van overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd is geen sprake. Het hof diende immers te beoordelen of [eiser] aan de in het geding gebrachte brieven van de Gemeente het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zijn plannen zonder meer doorgang konden vinden, zoals [eiser] stelt en de Gemeente betwist. Het hof heeft daarbij terecht, gelet op de te hanteren maatstaf, in zijn beoordeling betrokken dat deze brieven, naar uit de inhoud daarvan blijkt, een reactie zijn op brieven van [eiser]. Het hof mocht in aanmerking nemen dat deze brieven niet in het geding zijn gebracht door [eiser], zoals op zijn weg had gelegen, ook al heeft de Gemeente daarop geen beroep gedaan. Het oordeel van het hof dat een zekere terughoudendheid op zijn plaats is bij de uitleg van de reacties van B&W gelet op het ontbreken van de brieven van [eiser] in het dossier, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat het in deze brieven van B&W ook geen onjuiste inlichtingen dan wel toezeggingen of mededelingen leest, waaraan [eiser] een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen als door hem gesteld.

Middelonderdeel 2

14. Middelonderdeel 2, dat is onderverdeeld in een aantal (sub)onderdelen genummerd 2a t/m 2c, richt zich tegen rov. 5 (hiervoor geciteerd), waar het hof grief 5 verwerpt. Deze grief richtte zich – aldus het hof – tegen de verwerping door de rechtbank van de stelling van [eiser] dat de Gemeente aansprakelijk is wegens het niet nakomen van de toezegging om de betrokken woning met woonbestemming in 1992 in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen. Het hof overwoog dat mocht [eiser] met zijn grief willen betogen dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan jegens hem onrechtmatig is omdat de Gemeente heeft nagelaten aan de betrokken woning een woonbestemming te geven, dat betoog faalt omdat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geacht moet worden naar zijn inhoud en wijze van totstandkoming jegens hem rechtmatig te zijn nu [eiser] tegen het (ontwerp)bestemmingsplan geen bezwaren heeft aangevoerd of beroep heeft ingesteld. Het hof overwoog voorts dat bedoelde nalatigheid van de Gemeente ook overigens niet tot schadeplichtigheid van de Gemeente leidt wegens het ontbreken van het daartoe vereiste causale verband nu ook als B&W de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan hadden opgenomen, dat nog geen garantie was voor de doorgang van de plannen van [eiser].

Onderdeel 2a klaagt dat het hof ten onrechte overweegt dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geacht moet worden naar de inhoud en wijze van totstandkoming rechtmatig te zijn jegens [eiser] nu deze tegen het (ontwerp)bestemmingsplan geen bezwaren heeft aangevoerd of beroep heeft ingesteld. Het onderdeel betoogt dat de leer van de formele rechtskracht niet van toepassing is in een geval als het onderhavige waar het gaat om de vraag of de Gemeente in strijd met een met [eiser] gemaakte afspraak, althans in strijd met een gedane toezegging, de woonbestemming niet in het (ontwerp-)bestemmingsplan heeft opgenomen en daarom de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.

Onderdeel 2b komt op tegen ’s hofs overweging dat het voor risico van [eiser] komt dat hij geen zienswijze heeft ingediend of bezwaar heeft gemaakt tegen het (ontwerp)bestemmingsplan. Het hof miskent, aldus het onderdeel, dat de Gemeente zich niet kan beroepen op eigen schuld of het niet-nakomen van de schadebeperkingsplicht, althans dat deze omstandigheid voor risico van de tekortschietende partij komt. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat het nalaten van de Gemeente niet aan de Gemeente wordt toegerekend nu [eiser] gelet op de gemaakte afspraak, althans de gedane toezegging erop mocht vertrouwen dat de Gemeente deze zou nakomen.

Onderdeel 2c komt op tegen de overweging van het hof dat de bedoelde nalatigheid van de Gemeente “ook afgezien van het voorgaande” niet tot schadeplichtigheid van de Gemeente leidt wegens het ontbreken van het daartoe vereiste causale verband. Het onderdeel klaagt dat [eiser] bij de gemeenteraad (in 1997) en Gedeputeerde Staten (in 1992) een reële kans zou hebben gehad op het verkrijgen van de onherroepelijke woonbestemming en dat onder deze omstandigheden het condicio sine qua non-verband tussen het nalaten van de Gemeente en het verlies van de kans op het succesvol verkrijgen van de woonbestemming gegeven althans aannemelijk is en dat het hof met toepassing van het leerstuk van de kansschade de schade van [eiser] moet vaststellen althans zulks moet doen aan de hand van de leer van de proportionele schade.

15. Wanneer tegen een besluit van de overheid, zoals hier het besluit van de Gemeente tot vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan in 1992 waarin niet de woonbestemming van de betrokken woning is opgenomen, een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, dient de burgerlijke rechter, zo deze rechtsgang niet of tevergeefs is gevolgd, ervan uit te gaan dat het desbetreffende besluit zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft, in overeenstemming is met de relevante wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. (HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, NJ 1986/723, m.nt. M. Scheltema (Heesch/Van de Akker), rov. 3.3.2.) Dat aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan formele rechtskracht kan toekomen, wordt op zichzelf niet door het onderdeel betwist.

Onderdeel 2a betoogt dat de leer van de formele rechtskracht “niet van toepassing is” in een geval als het onderhavige waar het gaat om de vraag of de Gemeente aansprakelijk is uit onrechtmatige daad omdat zij de jegens [eiser] gedane toezegging de betrokken woning in het (ontwerp)bestemmingsplan een woonbestemming te geven, niet is nagekomen. Het onderdeel strekt aldus ten betoge dat het niet-nakomen van de toezegging van B&W om de woonbestemming van het betrokken woonhuis in het (ontwerp)bestemmingsplan op te nemen, niet wordt ‘gedekt’ door de formele rechtskracht van het (ontwerp)bestemmingsplan, zodat een aansprakelijkheid van de Gemeente uit onrechtmatige daad wegens dat niet-nakomen niet kan afstuiten op die formele rechtskracht.

16. Naar mijn oordeel moet dit betoog falen gelet op hetgeen volgens de jurisprudentie van uw Raad geldt met betrekking tot inlichtingen die door een overheidsorgaan aan een burger worden gegeven met het oog op een door dat overheidsorgaan te nemen besluit. Ik licht dit toe.

Onjuiste of onvolledige inlichtingen door het bestuursorgaan verstrekt met het oog op een later te nemen besluit worden ‘gedekt’ door de formele rechtskracht van het latere besluit, mits zij ten opzichte van dat te nemen besluit een onzelfstandig karakter dragen. Zie HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774, NJ 2006/93, m.nt. M.R. Mok ([A]/Valkenswaard) waar uw Raad overwoog als volgt (ik citeer rov. 3.4.):

“Het - om diverse redenen onontbeerlijke - beginsel van de formele rechtskracht zou onaanvaardbaar worden uitgehold als inlichtingen die door een overheidsorgaan aan een burger worden gegeven met het oog op een door dat overheidsorgaan te nemen besluit, steeds of in de regel aan de formele rechtskracht van dat later gevolgde besluit onttrokken zouden worden geacht. Daarom heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 2 februari 1990, [ECLI:NL:HR:1990:AB7898], NJ 1993, 635 en 7 oktober 1994, [ECLI:NL:HR:1994:ZC1474], NJ 1997, 174, geoordeeld dat een overheidsorgaan slechts aansprakelijk kan zijn op grond van onjuiste of onvolledige inlichtingen die aan een burger zijn gegeven, vooruitlopend op een beschikking die inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen, indien het geven van die inlichtingen onafhankelijk van de inhoud van de desbetreffende beschikking onrechtmatig is. Inlichtingen die zozeer samenhangen met het beoogde besluit, dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter dragen, hoezeer ook onjuist, worden in beginsel echter 'gedekt' door de formele rechtskracht van dat besluit.”

17. Naar het mij voorkomt kan een toezegging als de onderhavige (de mededeling dat de woning met bestemming “woondoeleinden” zal worden opgenomen in het (ontwerp)bestemmingsplan) op een lijn worden gesteld met inlichtingen die worden verstrekt over het nog te nemen besluit. Voor de onderhavige toezegging geldt naar mijn oordeel dan ook dat de toezegging in beginsel wordt ‘gedekt’ door de formele rechtskracht van het besluit nu de toezegging zozeer samenhangt met het boogde besluit dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter draagt, zodat het betrokken overheidsorgaan niet op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn voor het niet gestand doen van de toezegging.

Het doen van de toezegging was op zichzelf niet onrechtmatig – hetgeen het geven van onjuiste inlichtingen wel kan zijn – nu is gesteld noch gebleken dat B&W bij het doen van die toezegging onrechtmatig hebben gehandeld (hetgeen bijvoorbeeld het geval had kunnen zijn indien de Gemeente [eiser] bewust ‘op het verkeerde been’ had gezet). Uitsluitend het niet gestand doen van de toezegging wordt door [eiser] als onrechtmatig aangemerkt doch dit niet gestand doen valt geheel en al samen met het besluit, zodat de onrechtmatigheid van dat niet gestand doen, als gezegd, naar mijn oordeel niet los van het besluit dat formele rechtskracht heeft verkregen, ter discussie kan worden gesteld doch integendeel wordt ‘gedekt’ door de formele rechtskracht van het besluit nu [eiser] tegen het (ontwerp)bestemmingsplan geen bezwaren heeft aangevoerd of beroep heeft ingesteld.

18. Het onderdeel verwijst (in een voetnoot) naar HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057, NJ 2011/463, m.nt. M.R. Mok (Etam/gemeente Zoetermeer). In dat arrest oordeelde uw Raad, anders dan mijn ambtgenoot Keus, dat niet door formele rechtskracht wordt ‘gedekt’ de bij de uitvoering van een bevoegdhedenovereenkomst gepleegde wanprestatie, die daarin bestaat dat het uiteindelijke besluit afwijkt van hetgeen is overeengekomen. Het gaat daarbij om een contractuele aansprakelijkheid. Doordat het besluit formele rechtskracht heeft verkregen, kan de burger weliswaar geen nakoming vragen, maar wel vervangende schadevergoeding wegens wanprestatie, aldus uw Raad.

Het gaat in de onderhavige zaak evenwel niet om een bevoegdhedenovereenkomst maar om een toezegging die, naar [eiser] wist of althans behoorde te weten, geenszins kon ‘garanderen’ dat de woonbestemming uiteindelijk in het bestemmingsplan zou worden opgekomen nu B&W weliswaar de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan konden opnemen maar de gemeenteraad en Gedeputeerde Staten anders konden beslissen. [eiser] had zijn zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan waarin de woonbestemming niet was opgenomen, kenbaar kunnen maken doch hij heeft dat nagelaten wegens een omstandigheid (verblijf in het buitenland) die voor zijn rekening komt.

Het onderdeel verwijst (in de voetnoot) voorts naar HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7898, NJ 1993/635 (Staat/Bolsius) doch in die zaak ging het om onjuiste inlichtingen en een vordering tot vergoeding van de schade die betrokkene heeft geleden doordat hij heeft gehandeld in de door die inlichtingen gewekte veronderstelling dat in andere zin zou worden beschikt.

19. Anders dan onderdeel 2b kennelijk wil betogen, heeft het hof niet geoordeeld dat de Gemeente zich kan beroepen op eigen schuld of het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht. Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat [eiser] door zijn verblijf in het buitenland geen zienswijze kenbaar heeft gemaakt ten aanzien van het in zijn ogen gebrekkige ontwerpbestemmingsplan, niet een omstandigheid die meebrengt dat op het beginsel van de formele rechtskracht van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan een uitzondering moet worden aangenomen. Dat oordeel is juist.

20. De onderdelen 2a en 2b stuiten op het voorgaande af. Onderdeel 2c dat de overweging van het hof bestrijdt dat de nalatigheid van de Gemeente overigens ook niet leidt tot schadeplichtigheid van de Gemeente wegens het ontbreken van het vereiste causale verband, behoeft dan ook geen behandeling meer daar de kwestie van het causale verband niet meer aan de orde komt ingeval geen sprake is van onrechtmatig handelen.

21. De door onderdeel 2c bestreden overweging is overigens een zelfstandig dragende grond voor het oordeel van het hof dat de gestelde nalatigheid van de Gemeente niet leidt tot aansprakelijkheid. Het hof overwoog dat ook als B&W de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan hadden opgenomen, dit nog geen garantie was voor de doorgang van de plannen van [eiser], dat dit uiteindelijk in 2010 ook is gebleken en dat zelfs al zou de stelling van [eiser] juist zijn dat de gemeenteraad in 1992 minder redenen zou hebben gehad om medewerking op dit punt te weigeren, dit onverlet laat dat de raad en Gedeputeerde Staten ook toen de mogelijkheid hadden om anders te beslissen en dat niet met voldoende mate van zekerheid valt vast te stellen dat zij dit toen niet zouden hebben gedaan. Het hof kon op grond van zijn oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid valt vast te stellen dat de plannen van [eiser] doorgang hadden kunnen vinden indien B&W de woonbestemming in het (ontwerp)bestemmingsplan hadden opgenomen, tot de slotsom komen dat het vereiste causaal verband tussen het niet-nakomen van de toezegging en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. Dat oordeel, dat geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het vereiste causale verband, is naar mijn oordeel niet onbegrijpelijk en kan overigens als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Anders dan het onderdeel betoogt, is de “leer van de proportionele schade” niet van toepassing in een geval als het onderhavige. Ik volsta hier met een verwijzing naar HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8349, NJ 2013/236, m.nt. S.D. Lindenbergh. Zie verder Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/79 e.v.

Slotsom

22. De slotsom is dat het cassatieberoep moet falen nu beide middelonderdelen tevergeefs zijn voorgesteld.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden