Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:923

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-04-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
13/04163
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1655, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:888. In het onderhavige geval gaat het om een onder verdachte in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 3.100,-. ’s Hofs bewijsvoering houdt in dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Voorts heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat niet “aannemelijk” is geworden dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Door en namens verdachte is ten verwere aangevoerd dat al het aangetroffen geld een legale herkomst had - en dus niet door eigen misdrijf is verkregen -, welk verweer door het Hof t.a.v. het bewezenverklaarde gedeelte is verworpen, terwijl de aanwezigheid van een handelshoeveelheid XTC-pillen en voorwerpen “vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage” ook niet zodanig is dat daaruit z.m. volgt dat verdachte het geldbedrag kennelijk onmiddellijk door eigen eerdere verkoop van XTC-pillen of door hem gekweekte hennep heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Het middel faalt.

Conclusie AG: anders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2015/179 met annotatie van mr. C. van Oort
NbSr 2015/179 met annotatie van mr. C. van Oort
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04163

Zitting: 14 april 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 17 juni 2013 de verdachte ter zake van 1 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 3 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 4 “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vier maanden. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. P.S.A. Bovens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onder 4 bewezenverklaarde witwassen oplevert.

4. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij op 30 maart 2010, te Amsterdam een geldbedrag van 3.100 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

5. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest. Het hof heeft voorts aan deze bewezenverklaring de volgende bijzondere bewijsoverweging gewijd:

“Op 30 maart 2010 zijn bij verdachte thuis geldbedragen van € 24.450,- en € 900,- aangetroffen. Het geldbedrag van € 24.450,- lag in een afgesloten kast waarin eveneens een handelshoeveelheid XTC-pillen, een vuurwapen met munitie, alsmede koolstoffilters en tuinafval, vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage, zijn aangetroffen. Het geld lag in een stuk gescheurde zak met lampenkappen die gebruikt plegen te worden bij een wietplantage. Het bedrag van € 900,- (in een stapel kleine coupures) lag in een ladenkastje in de slaapkamer van de verdachte. De verdachte ontving volgens de gegevens van het DWI in maart 2010 enkel een bijstandsuitkering. Voorts heeft de verdachte ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij aan zijn (broodjes)zaak, die hij blijkens nadien overgelegde stukken tot eind 2009 had, alleen verlies heeft overgehouden en dat hij met het (naar het hof begrijpt: aangetroffen) geld zijn schulden wilde betalen.

Het hof constateert dat in de onderhavige zaak geen direct bewijs is verkregen dat het bij de verdachte aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is. De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden zijn echter van dien aard, dat deze - in onderling verband beschouwd- het vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Derhalve mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en verifieerbaar is en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

De verdachte heeft op de terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat hij een bedrag van € 15.000,- contant heeft ontvangen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de overname van zijn broodjeszaak. Dit gegeven hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2], als getuigen bevestigd ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Op de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2013 heeft de raadsman namens de verdachte kopieën van drie schuldbekentenissen aan het hof overgelegd. Blijkens deze stukken zou de verdachte op 22 februari 2010 de inboedel/inventaris van zijn broodjeszaak voor een bedrag van € 4.250,- hebben verkocht aan [betrokkene 3]. Verder zou verdachte op 21 januari 2010 een bedrag van € 3.000,- hebben ontvangen van [betrokkene 4], als aflossing van een schuld van € 13.000,- in verband met de verkoop van een auto. Genoemde bedragen van € 15.000,-, € 4.250,- en € 3.000,- zouden onderdeel uitgemaakt hebben van het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag.

Het hof overweegt dat het in een dermate laat stadium overleggen van deze verklaringen - die bovendien niet origineel zijn - verschillende vragen oproept, maar zal de verklaringen - mede in aanmerking genomen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte aan -onder andere- psychische problemen lijdt en aannemelijk is dat hij niet in staat is steeds gestructureerd en tijdig te doen wat van hem wordt (of kan worden) verlangd - in het voordeel van de verdachte bij het oordeel betrekken. De verdachte heeft hiermee uiteindelijk enigszins concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen afgelegd over de herkomst van een bedrag van in totaal € 22.250,-. De verdachte heeft met betrekking tot het resterende deel van het aangetroffen geld, te weten € 3.100,-, geen verklaring kunnen of willen geven. Het kan dan niet anders zijn dan dat het bedrag van € 3.100,- - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte daarvan op de hoogte was. Naar het oordeel van het hof is het ten laste gelegde witwassen daarom wettig en overtuigend bewezen voor wat betreft een gedeelte van het tenlastegelegde bedrag.

6. Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001.)

7. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard – kort gezegd – het voorhanden hebben van een geldbedrag, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Blijkens de bewijsvoering heeft het hof kennelijk aannemelijk geacht dat dit geldbedrag uit eigen misdrijf (kort gezegd: de handel in verdovende middelen) afkomstig was. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat een deel van het geldbedrag, waarvoor de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, bij de verdachte thuis is aangetroffen in een afgesloten kast waarin eveneens een handelshoeveelheid XTC-pillen is aangetroffen, alsmede koolstoffilters en tuinafval, vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage. Ook de omstandigheid dat het geld is aangetroffen in een stuk gescheurde zak met lampenkappen die, zoals het hof overweegt, gebruikt plegen te worden bij een wietplantage, wijst in de richting van de drughandel.

8. Het hof heeft het onder 4 bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als witwassen. Aangezien uit ’s hofs overwegingen echter niet kan worden afgeleid dat ten aanzien van het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van dit geld doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd.1

9. Het middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:174.