Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:849

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-06-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14/03762
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1870, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Afbreken onderhandelingen. Onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 14/03762

Mr M.H. Wissink

Zitting: 5 juni 2015

conclusie in de zaak van

1.[eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

2 [eiseres 2],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3 [eiseres 3],

gevestigd te [vestigingsplaats]

(hierna: [eiseressen])

tegen

AGC Gerechtsdeurwaarders & Incasso

B.V.,

gevestigd te Stadskanaal

(hierna: AGC)

1 Inleiding, feiten en procesverloop

1.1

In deze zaak vorderen [eiseressen] schadevergoeding van AGC wegens het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen over een overeenkomst, waarbij AGC [eiseres 3] (hierna: [eiseres 3]) zou overnemen en [eiseres 1] zelf zou gaan participeren in de holding van AGC (Sensus) en zou gaan werken voor AGC.

1.2

De rechtbank Groningen heeft deze vorderingen afgewezen, evenals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) in zijn in cassatie bestreden arrest van 11 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1998.

1.3

Het hof heeft de feiten uitvoerig weergegeven in rov. 3.1.1-3.1.11. Ik volsta met een samenvatting.

(i) [eiseres 1] is als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Breda. Sinds 2001 oefent zij haar gerechtsdeurwaarderschap uit via de vennootschap [eiseres 3]. [eiseres 3] is 100% dochter van [eiseres 2]. [eiseres 1] houdt de aandelen in [eiseres 2]. AGC is een gerechtsdeurwaarderskantoor met negen vestigingen. Sensus Groep Beheer B.V. (hierna: Sensus) is bestuurder en enig aandeelhouder van AGC.

(ii) In 2008 zijn oriënterende gesprekken gevoerd tussen AGC en/of Sensus met [eiseres 1] over enigerlei vorm van samenwerking. Vanaf februari 2010 hebben partijen op initiatief van [eiseres 1] onderhandelingen gevoerd over de overname van [eiseres 3] door Sensus, althans de overname van bedrijfsactiviteiten van [eiseres 3] door AGC, participatie van [eiseres 2] in Sensus en een dienstverband en/of een managementfunctie van [eiseres 1] bij AGC. Namens [eiseres 1] werden deze onderhandelingen gevoerd door [A] (hierna: [A]). Namens AGC en Sensus heeft [B], directievoorzitter van AGC en Sensus (hierna: [B]), deze gevoerd.

(iii) AGC en Sensus wensten een standplaats in Amsterdam waartoe [eiseres 1] haar standplaats [vestigingsplaats] naar Amsterdam zou verplaatsen of een (kandidaat)gerechtsdeurwaarder gevonden zou moeten worden voor een dergelijke standplaats. Dat laatste is gebeurd, waarbij [B] en [eiseres 1] de sollicitatiegesprekken hebben gevoerd (zie de e-mails van 14 en 30 mei 2010 en 12 juli 2010; rov. 3.1.6, 3.1.7 en 3.1.9).

(iv) Uit een e-mailswisseling tussen [A] en [B] van 14 en 16 juli 2010 blijkt dat er nog een aantal in die mails bedoelde zaken besproken moesten worden om tot een overnameovereenkomst te kunnen komen (rov. 3.1.10-3.1.11).

(v) Op 21 juli 2010 heeft te Apeldoorn een gesprek plaatsgevonden tussen (enerzijds) [eiseres 1] en [A] en (anderzijds) [B] en medebestuurder [C]. Tijdens dit gesprek zijn - kort gezegd - voorstellen besproken betreffende de overname van [eiseres 3] en de toetreding van [eiseres 1] tot AGC/Sensus.

(vi) Na dit gesprek heeft [A] bij e-mail van 23 juli 2010 geschreven dat er nog geen overnamesom voor de standplaats [vestigingsplaats] was genoemd (waarbij hij minimaal €45.000,- noemde) en kwam hij terug op de afwikkeling van de rekening-courant tussen [eiseres 3] en haar holding [eiseres 2]. [B] heeft hierop dezelfde dag afwijzend gereageerd (rov. 3.1.13-3.1.14).

(vii) Op 30 juli 2010 heeft [A] in een e-mail aan de aandeelhouders van AGC/Sensus een reactie gegeven op de aanbieding van AGC. In een Bijlage werd het door AGC mondeling gedane voorstel samengevat in 14 punten, onder meer:

“1. [eiseres 2] koopt 17,5% aandelen voor 1 miljoen.

2. [eiseres 2] financiert koopsom 1 miljoen bij ING-Bank. Betaalt maandelijks alleen rente € 2.500.

3. [eiseres 2] betaalt de aflossing financiering met de jaarlijkse dividend uitkeringen gedurende een periode van 10 jaar.

4. [[eiseres 3]] wordt 100% overgenomen door AGC, inclusief alle vorderingen en schulden.

5. [eiseres 2] ontvangt maandelijks € 11.500 fee, Hiervan moet €2.500 rente aan ING-Bank betaald worden. Er resteert € 9.000 voor beloning en andere kosten.

(…)

10. [eiseres 1] zal op termijn 3 dagen per week gaan werken, Deze afbouw vindt geleidelijk plaats in 3 jaar.

11. Het personeel van [[eiseres 3]] wordt overgenomen door AGC, waarbij [D] de persoonlijk assistent van [eiseres 1] wordt.

12. [eiseres 1] kan onbeperkt onbetaald verlof opnemen.(…) “

Voorts werd opgemerkt dat er tot de vorige week vanuit was gegaan dat de aandelen van [eiseres 3] door middel van een aandelenruil zouden worden overgenomen door AGC en dat het voorstel van AGC hier totaal van afweek. Het voorstel was aantrekkelijk, maar er was een (fiscaal) nog aantrekkelijker optie, namelijk een overname van [eiseres 3] door AGC door middel van een activa/passiva transactie (rov. 3.1.15).

(viii) Bij e-mail van 4 augustus 2010 heeft [B] aan [A] geschreven dat eenzelfde situatie als in 2008 ontstaat, te weten onduidelijkheid c.q. verschil van inzicht in de opzet van een eventuele overname en voorts:

“Niet alleen wijkt de door mij gegeven informatie af van hetgeen door jullie wordt voorgesteld, tevens is de gehele opzet van de overname anders, te weten van een aandelen- overdracht tot een activa/passiva transactie.

Weliswaar zijn daar mogelijke fiscale voordelen mee te behalen, maar het is niet een optie die wij sinds maart jl. besproken en uitgewisseld hebben.

Gelet op het bovenstaande is niet de verwachting (mede gelet op mijn vakantie) dat we daar op korte termijn uit gaan komen en dat is wel het belang van [eiseres 1].

Zoals eerder aangegeven lijkt het mij in haar belang dat zij aansluiting zoekt bij een andere organisatie.”

Dit is bevestigd in een e-mail van 6 augustus 2010 van [B] aan [eiseres 1] en [A] (rov. 3.1.16-3.1.17).

(ix) Via een e-mail aan [B] van 16 augustus 2010 heeft [eiseres 1] de aandeelhouders van AGC/Sensus bericht dat zij de ten gevolge van het afbreken van de onderhandelingen door haar geleden schade op AGC zal verhalen. AGC heeft bij exploot van 30 december 2010 [eiseressen] een brief doen betekenen waarin zij worden gesommeerd om de onderhandelingen over de overname van [eiseres 3] en de aankoop van de aandelen in Sensus te vervolgen, waarop (de advocaat van) [eiseres 1] heeft geschreven dat [eiseres 1] geen reden ziet op de sommatie in te gaan (rov. 3.1.18-3.1.22).

1.4

[eiseressen] stellen dat AGC de onderhandelingen onrechtmatig heeft afgebroken en daarom jegens hen schadeplichtig is geworden, waarbij zij primair het positief contractsbelang vorderen (€ 1.903.491) en subsidiair het negatief contractsbelang, waaronder kosten (€ 254.910) met nevenvorderingen. De rechtbank heeft alle daarop gebaseerde vorderingen afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Het hof vermeldt in rov. 3.6 de toepasselijke maatstaf zoals verwoord in onder meer HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, NJ 2005/467 (CBB/JPO). Het overweegt vervolgens:

“3.7. Het ligt op de weg van [eiseressen] om feiten en omstandigheden te stellen waaraan zij het rechtens relevante vertrouwen in de totstandkoming van enigerlei overeenkomst kon ontlenen, dan wel andere omstandigheden die het eenzijdig afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maken.

3.8.

[eiseressen] hebben in dit kader gesteld dat partijen voorafgaand aan de bespreking op 21 juli 2010 reeds op een groot aantal punten overeenstemming hadden bereikt. Zo noemen zij de aard van de werkzaamheden die [eiseres 1] voor ACG zou gaan verrichten: de interne en externe betrekkingen, de interne coaching en het niet hoeven uitbrengen van exploten. Tijdens de bespreking van 21 juli 2010 zijn volgens [eiseressen] de (verdere) arbeidsvoorwaarden besproken: een leaseauto, representatie- en onkostenvergoeding, al zag die bespreking hoofdzakelijk op de inkoop van de aandelen in AGC: 17,5% van de aandelen tegen een koopsom van € 1.000.000,-. Er diende uitsluitend nog een boekenonderzoek door haar accountant en fiscalist plaats te vinden, maar dit vormde slechts een formaliteit. De mail van 30 juli 2010 (r.o. 3.1.14.)1 moet in dit verband dan ook niet worden gezien als een tegenvoorstel, maar als een mogelijke andere vorm waarin de overeenkomst kon worden gegoten, waarbij voordeel voor beide partijen viel te behalen, aldus [eiseressen]

3.9.

Het hof kan [eiseressen] hierin niet volgen. In de mail van 14 juli 2010 (r.o 3.1.10.) wordt door [A] aangegeven dat nog veel punten niet duidelijk zijn. De reactie van AGC is in die zin geruststellend, dat zij stelt dat die punten uitvoerig zijn besproken. Door AGC wordt ook niet betwist dat op een aantal punten tijdens de bespreking op 21 juli 2010 overeenstemming is bereikt. [eiseres 1] zou de in- en externe contacten voor haar rekening nemen en de interne coaching. Beide partijen stellen dat zij als boegbeeld van AGC gaan optreden. Na dit gesprek stelden [eiseressen] echter (opnieuw) meerdere punten ter discussie, zoals blijkt uit de mailwisseling die na 21 juli 2010 ontstaat: [eiseres 1] laat weten dat ze een vergoeding wil voor haar standplaats. Zij voelt er niets voor haar rekeningcourantverhouding met haar Holding in te lossen, zoals AGC wil en onderzoekt de mogelijkheid van ontvlechting. Als klap op de vuurpijl komt dan de mail van 30 juli 2010 (r.o.3.1.15.). [eiseressen] komen niet alleen met het voorstel de samenwerking in de vorm van een activa-passiva transactie te gieten - een optie die tot op dat moment niet aan de orde was geweest (zie r.o. 3.1.6. en 3.1.11) - maar ook met aanspraken op toegezegde punten als een driedaagse werkweek, het opnemen van onbeperkt verlof, een persoonlijk assistent en het niet hoeven rijden van exploten. Dit terwijl partijen, zo verklaarden zij beide bij gelegenheid van het pleidooi, op 21 juli 2010 uit elkaar zijn gegaan met het idee dat de toetreding van [eiseres 1] tot AGC zo ongeveer afgerond was. Desalniettemin stond vervolgens met de mail van 30 juli weer een groot aantal punten ter discussie. Het hof kan [eiseressen] niet volgen in de stelling dat dit slechts kleine, van ondergeschikt belang zijnde punten waren. Zeker tegen de achtergrond van het feit dat [eiseres 1] als boegbeeld van AGC moest gaan functioneren, kan niet als zodanig worden aangemerkt het geheel van - onder meer - (i) een vergoeding voor een standplaats waar geen belang aan werd gehecht, (ii) een activa-passiva transactie terwijl er een uitgewerkt voorstel ligt voor de overdracht van aandelen, (iii) een driedaagse werkweek en (iiii) de mogelijkheid van onbeperkt onbetaald verlof, waarbij ook de mogelijkheid van terugtreding al werd aangekaart. (…)

3.10.

Het hof komt tot de conclusie dat kan niet worden volgehouden dat partijen het nog slechts op ondergeschikte punten oneens waren. Na de mail van 30 juli 2010 kon het wellicht tot op dat moment bij [eiseressen] bestaande vertrouwen in een succesvolle afloop van de onderhandelingen niet langer aanwezig worden verondersteld. De mail van 30 juli 2010 bevestigt dat de onderhandelingen nog niet hadden geleid tot een vastomlijnd voornemen waarover op hoofdlijnen overeenstemming bestond; zowel de hoofdlijnen als vele uitwerkingen daarvan waren nog niet door beide partijen geaccordeerd. Dat AGC - al dan niet mede - als gevolg van die mail besloot af te zien van verdere onderhandelingen, kan naar het oordeel van het hof niet als onaanvaardbaar worden beschouwd. Andere omstandigheden op basis waarvan het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar was, zijn niet gesteld.

3.11.

Nu het hof heeft vastgesteld dat het AGC in de gegeven omstandigheden vrij stond de onderhandelingen met [eiseressen] af te breken, dient nog de vraag beantwoord te worden of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat AGC de door [eiseressen] in het kader van die onderhandelingen gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening neemt. Het hof is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet. [eiseressen] hebben gebruikelijke kosten gemaakt in het kader van de onderhandelingen. Het feit dat [eiseres 1] in deze fase ook werkzaamheden voor AGC heeft verricht, te weten het rijden met exploten en het zoeken naar een kandidaat voor het kantoor in Amsterdam, vormt geen reden voor het toekennen van een vergoeding, nu [eiseressen] niet hebben betwist dat zij zelf hebben gevraagd die werkzaamheden te mogen verrichten vanwege de slechte financiële positie van [eiseres 3], en zij een vergoeding hiervoor hebben ontvangen. Met betrekking tot het zoeken naar een kandidaat voor Amsterdam, is het hof van oordeel dat [eiseressen] hierbij eveneens een eigen belang dienden, omdat dit ertoe zou leiden dat [eiseres 1] haar standplaats niet hoefde te verplaatsen. Gelet op het voren overwogene dient de vordering tot vergoeding van de schade ter zake van het feit dat geen overeenkomst is tot stand gekomen te worden afgewezen.”

1.5

Tegen het arrest hebben [eiseressen] tijdig cassatie ingesteld. De middelen zijn reeds in de cassatiedagvaarding toegelicht. AGC heeft geconcludeerd tot verwerping en haar standpunt schriftelijk toegelicht.

2 Bespreking van de middelen

2.1

Middel 1, dat bestaat uit de onderdelen a t/m g, is gericht tegen de (in de cassatiedagvaarding nr. 4 genoemde delen van) rov. 3.7-3.10. Middel 2 is gericht tegen rov. 3.11. Middel 3 bevat en voortbouwende klacht.

2.2

Middel 1 moet falen. Het richt een groot aantal (motiverings)klachten tegen de beoordeling door het hof van de omstandigheden van het geval. Het beroept zich op stellingen van [eiseressen] die, ook indien juist, niet noodzakelijkerwijs tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Het oordeel van het hof berust op zijn waardering van de omstandigheden van het geval en in het bijzonder de e-mail correspondentie tussen partijen. Die waardering is feitelijk van aard en de juistheid ervan kan in cassatie niet worden getoetst. Onbegrijpelijk zijn die oordelen niet. Voor zover het middel betoogt dat het hof zijn oordeel meer had moeten motiveren, stelt het te hoge eisen aan de motiveringsplicht van het hof. Het middel noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Ik licht dit hieronder toe.

2.3.1

Middel 1 stelt onder a allereerst aan de orde dat het hof bepaalde essentiële stellingen van [eiseressen] niet heeft verdisconteerd. Die stellingen zouden als inhoud dan wel strekking hebben dat AGC tijdens de bespreking van 21 juli 2010, een van de tot dan toe gevoerde gesprekken afwijkend voorstel heeft gedaan en dat dit het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maakte op het moment dat [eiseressen] op basis van dat voorstel de onderhandelingen voortzetten, terwijl dit afbreken des temeer onaanvaardbaar is omdat AGC met haar voorstel van 21 juli 2010 een "dealbreaker" heeft gelanceerd.

2.3.2

Onderdeel a verwijst niet naar vindplaatsen in het dossier waar de bedoelde stellingen zouden zijn ingenomen. In de toelichting op het middel, die reeds in de cassatiedagvaarding is opgenomen, worden wel dergelijke stellingen genoemd. Daaruit leid ik af (middel en toelichting leggen dergelijke verbanden niet), dat het hierbij gaat om de volgende stellingen:

(i) in MvG nr. 4.2, dat de reactie van [eiseressen] op het voorstel van AGC van 21 juli 2010 niet als onvoorwaardelijk gold (nr. 11);

(ii) in MvG nrs. 1.13 en 1.14, dat AGC een inhoudelijke reactie op het voorstel van [eiseressen] van 30 juli 2010 hadden moeten geven (nr. 14), en in de dagvaarding nr. 54 en MvG nr. 1.14, dat in een situatie van (langdurige) onderhandelingen niet te snel mag worden aangenomen dat een tegenaanbod is bedoeld als verwerping van een aanbod (nr. 16);

(iii) in MvG nr. 1.12, dat AGC in strijd met de afspraak dat de standplaats [vestigingsplaats] zou worden behouden daarin niet meer geïnteresseerd bleek te zijn na het aanbrengen door [eiseres 1] van een kandidaat voor een standplaats in Amsterdam (nr. 23); en

(iv) in MvG nrs. 1.11 en 1.13, dat AGC op 21 juli 2010 onverwacht een geheel anders voorstel heeft gedaan dan voorheen besproken is, namelijk een aandeleninkoop voor 1 miljoen euro in plaats van een aandelenruil, en dat [eiseressen] zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat AGC hen met dat voorstel heeft willen doen afschrikken (nr. 28 en nr. 19).

AGC heeft blijkens haar s.t. nr. 3.1.2 e.v. het middel onder a zo opgevat, dat het gaat om het punt onder (iv).

2.4

In de toelichting op het middel wordt al aangegeven (nr. 12) dat het hof de bij (i) bedoelde stelling blijkens rov. 3.8, slot, onder ogen heeft gezien. De klacht in de nrs. 13-14 dat het hof daarom een andere betekenis aan het voorstel van [eiseressen] van 30 juli 2010 had moeten geven, stuit af op het feitelijke en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof.

2.5

Het hof heeft de onder (ii) bedoelde stellingen niet genegeerd. Uit rov. 3.9 blijkt dat het hof op grond van een feitelijke en niet onbegrijpelijke beoordeling van de omstandigheden van het geval het voorstel van [eiseressen] van 30 juli 2010 anders heeft gewaardeerd dan door [eiseressen] werd bepleit. In het verlengde hiervan falen de klachten in de nrs. 15-18.

2.6

Op de onder (iv) bedoelde stelling heeft het hof gereageerd in rov. 3.9, met zijn oordeel dat het voorstel voor aan activa/passiva transactie tot op dat moment niet aan de orde was geweest. Daarbij verwijst het hof naar rov. 3.1.6 en 3.1.11. In de aldaar geciteerde e-mails wordt door [A] geschreven dat AVG [eiseres 1] overneemt en door [B] gevraagd of en voor welk percentage [eiseres 1] wil deelnemen in de Holding (d.w.z. Sensus). Hieruit blijkt dat het hof niet heeft aangenomen, zoals [eiseressen] aanvoert, dat het voorstel van AGC van 21 juli 2010 onverwacht geheel anders was dan voorheen besproken (vgl. ook de in 3.1.7 geciteerde e-mail). AGC heeft dat ook aangevoerd.2 Ook dit oordeel van het hof is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

In de toelichting nrs. 29-33 wordt nog betoogd dat het hof het desbetreffende verweer van AGC niet (zonder nadere bewijslevering) had mogen aanvaarden. Daartoe wordt een beroep gedaan op bepaalde e-mails. Er is echter niet aangegeven dat dit feitelijke betoog al in eerdere instanties is aangevoerd; in cassatie kan dit niet voor het eerst gedaan worden.

In de toelichting nrs. 34-39 wordt, eveneens zonder verwijzing naar vindplaatsen in het dossier, een feitelijk betoog aangevoerd, met de strekking dat AGC onderhandelde zonder werkelijke intentie daartoe en/of aanstuurde op een breuk.

2.7

Anders dan ten aanzien van stelling (iii) in de nrs. 23-27 wordt betoogd, kan niet gezegd worden dat het hof uit de in rov. 3.1.7 en 3.1.14 bedoelde e-mails van [B] de conclusie had moeten trekken, dat AGV uit was op een breuk nadat een kandidaat-gerechtsdeurwaarder was geworven voor een standplaats te Amsterdam.

2.8

Voor zover de toelichting op het middel nog afzonderlijke klachten bevat in de nrs. 10, 20-22 en 48-49 volgt uit het voorgaande dat ook die klachten falen.

2.9

Anders dan onderdeel b aanvoert, behoeft het hof niet te motiveren waarom het een stelling niet als een essentiële stelling beschouwt.

2.10

De onderdelen c en d klagen, zo begrijp ik, dat het hof [eiseressen] niet heeft toegelaten tot nadere bewijslevering door middel van getuigen, zoals aangeboden op p. 24 van de MvG:

“Bewijsaanbod:

Dit wordt gehandhaafd zoals in de eerste aanleg aangeboden3 en meer specifiek wordt bewijs aangeboden over de onderhandelingsfase, de aandelenoverdracht, de verrichte werkzaamheden door [eiseressen], door het horen van als getuigen: [A], [eiseres 1], [E], [F], [G], de rechters in eerste aanleg, namelijk mr. E.J. Oostdijk, mr. G.H. Boekaar, mr. JH.H.H.M. Dorscheidt en de griffier mr. Huisman.”

Onderdeel c veronderstelt dat volgens hof de juistheid van de onder a bedoelde stellingen niet kon worden aangenomen en dat, zo begrijp ik, [eiseressen] daarom tot bewijslevering moest worden toegelaten. Onderdeel d veronderstelt vervolgens dat het hof het bewijsaanbod als niet dienend of onvoldoende specifiek heeft gepasseerd en klaagt dat het hof dit (gemotiveerd) had dienen te overwegen.

2.11

De bij onderdeel a bedoelde stellingen heb ik bij 2.3.2 weergegeven. Zij betreffen goeddeels gevolgtrekkingen die [eiseressen] verbinden aan op zichzelf vaststaande feiten, in het bijzonder de inhoud van de in het arrest genoemde e-mail correspondentie. Het hof heeft een eigen waardering aan die feiten kunnen geven. In zoverre was een bewijsaanbod ter zake van die feiten niet ter zake dienend.

Voor zover de klacht doelt op de door [eiseressen] gesuggereerde intenties van AGC om, kort gezegd, na het binnenhalen van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder voor Amsterdam de onderhandelingen door middel van het opwerpen van een ‘dealbreaker’ tot een einde te brengen, had het op de weg van [eiseressen] gelegen om in dat opzicht niet te volstaan met het uiten van vermoedens, maar om concreet bewijs daarvan aan te bieden.

Het kennelijk oordeel van het hof dat het bewijsaanbod gepasseerd kon worden getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.4

2.12.1

De onderdelen e t/m g klagen, kort gezegd, dat het hof niet is ingegaan op de stelling van [eiseressen], dat AGC de onderhandelingen heeft beëindigd omwille van een vermeend belang van [eiseres 1] en niet om een belang van de kant van AGC.

2.12.2

Hiermee wordt, naar ik aanneem, gedoeld op de stelling in MvG 1.14, dat de door AGC aangevoerde reden het afbreken van de onderhandelingen niet kan rechtvaardigen (nr. 41).

2.13

Het hof behoefde niet nader in te gaan op deze stelling, anders dan wordt betoogd in de nrs. 40-47. Naar het oordeel van het hof deed zich immers een situatie voor waarin het een partij vrij staat om − conform de hoofdregel van HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, NJ 2005/467 (CBB/JPO) − de onderhandelingen af te breken.

2.14

Middel 2 richt een motiveringsklacht tegen rov. 3.11. Blijkens de toelichting (nrs. 50-51) heeft het hof miskend dat de inspanningen van [eiseres 1] om een kandidaat-gerechtsdeurwaarder te vinden, hebben geleid tot het afbreken van de onderhandelingen door AGC, zodat daarmee uiteindelijk niet het belang van [eiseressen] werd gediend.

2.15

Het middel faalt in het voetspoor van middel 1. Zoals bij de bespreking van dat middel bleek (2.7 en 2.11), kan niet worden aangenomen dat de inspanningen van [eiseres 1] om een kandidaat-gerechtsdeurwaarder te vinden hebben geleid tot het afbreken van de onderhandelingen door AGC.

2.16

Middel 3 bouwt slechts voort op de middelen 1 en 2 en faalt daarom ook.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Bedoeld is rov. 3.1.15.

2 Vgl. ook de s.t. zijdens AGC nrs. 3.1.2- 3.1.3 met verwijzing naar de MvA nrs. 7-8.

3 De inleidende dagvaarding bevat op p. 20 een algemeen bewijsaanbod.

4 Vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser; HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, NJ 2011/512 m.nt. H.B. Krans; HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9624, NJ 2011/123, JAR 2011/91 m.nt. C. Nekeman.