Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:847

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-06-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
14/02971
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2464, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Akte niet-dienen. Pilotreglement civiele dagvaardingszaken hof Amsterdam. Verenigbaarheid pilotreglement met art. 35 lid 1 Rv. Goede procesorde, afweging van belangen. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/4 met annotatie van mr. H.W. Wiersma
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 14/02971

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 5 juni 2015

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

[verweerster]

Het gaat in deze zaak om de vraag of het gerechtshof Amsterdam akte niet-dienen van grieven mocht verlenen op basis van het per 1 januari 2013 bij dit hof geldende pilotreglement1.

1. Feiten 2 en procesverloop 3

1.1 Eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) is van 16 april 2007 tot 19 juli 2008 bij verweerster in cassatie (hierna: [verweerster] ) in dienst geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als schoonmaker op NS-stations.

1.2 Met ingang van 17 januari 2008 is [eiser] arbeidsongeschikt geworden met klachten van eczeem aan zijn beide voeten.

1.3 Bij inleidende dagvaarding van 5 november 2012 heeft [eiser] [verweerster] gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland4. [eiser] heeft daarbij en na wijziging van eis bij conclusie van repliek – verkort weergegeven – veroordeling van [verweerster] gevorderd tot betaling van een voorschot op de (im)materiële schadevergoeding van € 30.000,-, de vergoeding van de resterende schade, materieel en immaterieel, waaronder arbeidsvermogensschade, nader op te maken bij staat, alsmede een vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

1.4 Aan deze vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden als schoonmaker langdurig is blootgesteld aan water met daarin opgelost schoonmaakmiddel. [eiser] stelt dat hij tijdens zijn werkzaamheden 4 uur per dag met natte voeten heeft gewerkt, als gevolg waarvan hij klachten van eczeem aan beide voeten heeft opgelopen en arbeidsongeschikt is geworden. [eiser] stelt dat [verweerster] haar zorgplicht als werkgever heeft geschonden.

1.5 [verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.6 Bij rolbeslissing van 31 januari 2013 heeft de kantonrechter afgezien van een comparitie, waarna partijen achtereenvolgens een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek hebben genomen.

Vervolgens heeft de kantonrechter de vorderingen bij vonnis van 18 juli 2013 afgewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld.

1.7 [eiser] is van dat vonnis bij appelexploot van 17 oktober 2013 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.

De zaak is aangebracht op de rol van 17 december 2013.

1.8 Op de rol van 28 januari 2014 is verval verleend van het recht van [eiser] op het nemen van een memorie van grieven.

1.9 [eiser] heeft het hof bij faxbericht van 10 februari 2014 verzocht alsnog een termijn te geven voor het nemen van een memorie van grieven, welk verzoek het hof bij rolbeslissing van 12 februari 2014 heeft afgewezen. Hierin staat vermeld dat vanwege het ontbreken van voldoende klemmende redenen het verzoek ook zou zijn afgewezen als het tijdig zou zijn gedaan.

Het hof heeft [eiser] vervolgens in zijn arrest van 25 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.

1.10 [eiser] heeft tijdig5 cassatieberoep ingesteld6.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping en tevens zijn zaak schriftelijk toegelicht.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat twee onderdelen bevat, richt zich tegen de beslissing van het hof van 28 januari 2014 tot verval van het recht op het nemen van de memorie van grieven alsmede tegen de daarop voortbouwende rechtsoverwegingen 2 en 3 van het eindarrest van 25 februari 2014, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep7.

2.2

Onderdeel 1, met als opschrift “Het Pilot-Reglement is onverbindend althans moet (deels) buiten toepassing worden gelaten” klaagt in subonderdeel 1a dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam geen recht is in de zin van art. 79 RO en derhalve geen rechtens verbindende regeling is. Het subonderdeel betoogt daartoe dat de formele wetgever in art. 35 lid 1 Rv uitsluitend aan de landelijk rechtsprekende macht de bevoegdheid delegeert om een landelijk procesreglement op te stellen, zodat het gerechtshof Amsterdam geen (zelfstandig) regelgevende bevoegdheid heeft om een lokaal rolreglement op te stellen. Voor zover het gerechtshof Amsterdam die bevoegdheid wel heeft en het pilotreglement wel recht is in de zin van art. 79 RO, heeft het hof volgens subonderdeel 1b miskend dat het pilotreglement buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met art. 35 Rv, althans voor zover het pilotreglement afbreuk doet aan de rechten die het landelijk procesreglement aan partijen toekent.

2.3

Deze klachten zijn ook opgeworpen in een zaak waarin de Hoge Raad op 17 april 2015 arrest heeft gewezen8, maar dan met betrekking tot het pilotreglement van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch9. Uw Raad heeft deze klachten in rov. 3.6.2 als volgt verworpen:

“ (…). Een procesreglement dat door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan is vastgesteld en behoorlijk is bekendgemaakt, moet worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO. Het hof heeft met juistheid overwogen dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een procesreglement als het onderhavige voortvloeit uit art. 133 Rv. Voorts staat art. 35 lid 1 Rv niet aan de geldigheid van het pilotreglement in de weg. Die bepaling opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en het verlenen van uitstel daarvoor. Anders dan het onderdeel veronderstelt, delegeert deze bepaling geen bevoegdheden aan de (landelijke) rechterlijke macht, maar opent het de mogelijkheid tot het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur. De omstandigheid dat art. 35 Rv uniformering tot doel heeft, doet niet af aan de geldigheid van een bevoegdelijk vastgesteld procesreglement dat afwijkt van het landelijk procesreglement.”

2.4

Onderdeel 1 kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

2.5

Voor het geval het eerste onderdeel faalt, klaagt onderdeel 2 dat het pilotreglement, althans de toepassing ervan, in strijd is met art. 133 lid 4 Rv en/of de goede procesorde.

Volgens subonderdeel 2a heeft het hof miskend dat op grond van artikel 2.28 van het pilotreglement nog een mogelijkheid bestond om uitstel te krijgen zodat artikel 1.7 waarin is bepaald dat het verval van het recht om een proceshandeling te verrichten mogelijk is wanneer die proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, zich niet voordoet.

Subonderdeel 2b klaagt dat het hof het pilotreglement in strijd met de goede procesorde heeft toegepast door na de termijn van zes weken voor het nemen van de memorie van grieven zonder vooraankondiging of zonder een terme de grâce te gunnen, akte niet-dienen te verlenen op de rol van 28 januari 2014.

2.6

Soortgelijke klachten zijn door de Hoge Raad in voormeld arrest van 17 april 2015 alsmede in het arrest van dezelfde datum met betrekking tot het pilotreglement Amsterdam10 gegrond bevonden. Dienaangaande heeft Uw Raad in rechtsoverweging 3.8 als volgt geoordeeld:

“Het onderdeel slaagt. Het pilotreglement wordt toegepast bij wijze van experiment en wijkt aanmerkelijk af van het landelijk procesreglement in die zin, dat (a) na verstrijken van de termijn voor het indienen van memories, slechts één nadere termijn wordt verleend, terwijl (b) bij overschrijding van die nadere termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend. In zoverre is sprake van een bijzondere situatie. Weliswaar is aan het pilotreglement de nodige bekendheid gegeven en wordt een advocaat op grond van zijn deskundigheid zonder meer geacht op de hoogte te zijn van de geldende termijnen en de verstrekkende gevolgen van overschrijding (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417 en ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418), maar hier staat tegenover dat strikte naleving van het reglement meebrengt dat [eiseres] door het verzuim van haar advocaat definitief haar zaak niet in hoger beroep aan de rechter kan voorleggen. Zeker nu de toegang tot de (appel)rechter in het geding is, behoort de sanctie op het niet in acht nemen van de termijnen van het pilotreglement in een redelijke verhouding te staan tot het verzuim. Een goede procesorde brengt dan in de hiervoor onder (a) en (b) omschreven omstandigheden mee dat het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen. Art. 1.6 van het pilotreglement maakt deze afweging ook mogelijk. In een geval als het onderhavige dient die afweging zonder meer te leiden tot het verlenen van een korte termijn om het verzuim te herstellen. Een termijn van veertien dagen volstaat daartoe. Het hof heeft ten onrechte nagelaten een zodanige termijn te verlenen.”

2.7

Onderdeel 2 slaagt derhalve in zoverre.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2014 alsmede van de rolbeslissing van 28 januari 2014 en terugwijzing naar dit hof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Pilot gerechtshof Amsterdam, Aanpassing van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

2 Gelet op de in cassatie voorliggende vraag vermeld ik slechts enkele van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Zie voor een volledige opsomming p. 1-2 van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juli 2013. Het hof heeft geen feiten vastgesteld.

3 Het procesverloop is ontleend aan p. 1 van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2013 en rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2014.

4 Huidige benaming, zie de Wet herziening gerechtelijke kaart (Stb. 2012/313).

5 De cassatiedagvaarding is op 23 mei 2014 uitgebracht.

6 Het A- en B-dossier zijn overigens niet identiek. Anders dan in het B-dossier is in het A-dossier gevoegd: - 3. Rolbeslissing rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Zaandam d.d. 31 januari 2013 en - 9. H16-formulier (niet geregeld verzoek) met daarop vermeld de rolbeslissing van de rolraadsheer van het Hof Amsterdam d.d. 12 februari 2013 (hieraan is de brief van mr. Van Veen aan het Hof van 10 februari 2012 gehecht, die wel in het B-dossier is opgenomen). Abusievelijk staat in de inhoudsopgave van het B-dossier onder 8 als datum voor het arrest van het gerechtshof Amsterdam 18 maart 2014 vermeld, in plaats van 25 februari 2014.

7 Cassatiedagvaarding onder 14.

8 ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210. Zie voorts de conclusie vóór dit arrest, ECLI:NL:PHR:2015:82.

9 Het ‘Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’.

10 ECLI:NL:HR:2015:1075, RvdW 2015/565, rov. 3.7. Zie voor de conclusie vóór dat arrest ECLI:NL:PHR:2015:83.