Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:833

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-05-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
13/02273
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1502, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Bewijsuitsluiting wegens het ontbreken van de mogelijkheid van een contra-expertise. HR: Op de gronden die zijn vermeld in HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1451, NJ 2014/341 is het middel terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02273

Mr. Harteveld

Zitting 19 mei 2015

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, zitting houdende te ‘s-Hertogenbosch, heeft verdachte bij arrest van 23 april 2013 vrijgesproken van het hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.2 Ter zake van het onder 4 tenlastegelegde, waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, is de officier van justitie niet ontvangen in het hoger beroep.

2. Het beroep in cassatie is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof, mr. J.W.M. Grimbergen. Advocaat-Generaal mr. M.E. de Meijer heeft een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingezonden.

3.1. De onderhavige zaak is zowel waar het gaat om de overwegingen van het Hof, leidende tot vrijspraak van het tenlastegelegde als de beide daartegen door het Openbaar Ministerie ingediende middelen geheel vergelijkbaar met die tegen de medeverdachte [medeverdachte 4] (nr. 13/04715), in welke zaak de Hoge Raad reeds op 17 juni 2014 arrest heeft gewezen (ECLI:NL:HR:2014:1451).3 Ik citeer uit dat arrest de volgende overwegingen van de Hoge Raad, die ook op de onderhavige zaak van toepassing zijn:

“2.3. Het oordeel van het Hof dat voornoemd door [betrokkene 1] opgesteld rapport van 25 september 2007 alsmede de over dat rapport afgelegde verklaringen en het door [betrokkene 2] uitgebrachte rapport van 2 februari 2009 moeten worden aangemerkt als 'resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen' als bedoeld in art. 359a, eerste lid onder b, Sv, is ontoereikend gemotiveerd, nu de omstandigheid dat als gevolg van enig verzuim het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde materiaal, kort gezegd, in het ongerede is geraakt, niet meebrengt dat de verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als 'resultaat' van dat in het ongerede raken en reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

2.4.1. Voor zover het Hof voorts heeft geoordeeld dat het tot het bewijs bezigen van het hiervoor bedoelde bewijsmateriaal ondanks de onmogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek in de onderhavige zaak in de weg staat aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in art. 6 EVRM, moet worden vooropgesteld dat de vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering in de weg staat afhankelijk is van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop de wens van de verdediging tot het doen verrichten van een tegenonderzoek steunt en (b) het belang van het gewenste tegenonderzoek in het licht van - bijvoorbeeld - de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat (vgl. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005/514, rov. 3.5).

2.4.2. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het Hof dat "met het vernietigen (of het anderszins in het ongerede geraakt zijn) van alle monsters een inbreuk [is] gemaakt op een fundamenteel element van verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid van EVRM, meer in het bijzonder van het daarin vervatte beginsel van 'equality of arms'" niet zonder meer begrijpelijk. Ook in zoverre slaagt het middel.”

3.2. Op de aangehaalde gronden slaagt ook in de onderhavige zaak het eerste middel en dient het arrest van het Hof te worden vernietigd.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken onder de nrs. 13/04811 ([medeverdachte 1]) en 13/03587 ([medeverdachte 2]), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Deze uitspraak is niet digitaal gepubliceerd, maar de (vrijwel gelijkluidende) beslissing van het Hof in de zaak van een medeverdachte wel; ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8257.

3 Na conclusie van mijn hand (AEH), eveneens strekkende tot vernietiging en verwijzing, zie ECLI:NL:PHR:2014:547.