Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:831

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
15/00010
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1497, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Afwijzing door de Rb van het verzoek om de advocaten in de Georgische strafzaken van de opgeëiste persoon als getuigen te horen. Gelet op ECLI:NL:HR:2013:BZ5399 heeft de Rb met juistheid geoordeeld dat het horen van de advocaat die op de terechtzitting hetzij verdachte als raadsman bijstaat, hetzij hem o.d.v.v. (art. 48 WED jo.) art. 398, onder 2º, Sv vertegenwoordigt, hetzij hem als o.d.v.v. art. 279 Sv gemachtigde verdedigt – behoudens bijzondere gevallen – niet past binnen het Nederlandse stelsel van strafvordering. Anders dan de Rb heeft geoordeeld, is de advocaat die de opgeëiste persoon bijstaat of heeft bijgestaan in de strafzaak die tot het uitleveringsverzoek heeft geleid, in een uitleveringsprocedure als i.c. niet zonder meer aan te merken als de advocaat die “op de terechtzitting” hetzij de opgeëiste persoon als raadsman bijstaat, hetzij hem vertegenwoordigd in de hiervoor bedoelde zin. V.zv. het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. Gelet op ECLI:NL:HR:2014:1496 en gelet op hetgeen in de conclusie van de AG onder 31 t/m 47 is vermeld (het Hof had het verzoek tot het horen van de getuigen alleen kunnen afwijzen, zij het op andere gronden) behoeft het middel, hoewel gegrond, niet tot cassatie te leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00010 U

Zitting: 12 mei 2015 (bij vervroeging)

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De rechtbank Den Haag heeft op 14 november 2014 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Georgië toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, zoals uiteengezet in de documenten die zijn omschreven in de uitspraak onder ‘2 De overgelegde stukken’.

2. Namens de opgeëiste persoon is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ik geef de voorkeur aan een afwijkende volgorde bij de bespreking van de middelen en vang aan met het derde middel. Het middel keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond. De rechtbank zou een rechtens onjuiste, namelijk te restrictieve interpretatie van het onschuldverweer hebben gebezigd, en zodoende het onschuldverweer onvoldoende gemotiveerd hebben verworpen.

4. Het door de verdediging gedane beroep op de onschuldexceptie is door de rechtbank als volgt samengevat en verworpen:

“(…)

6.6.1 De verdediging heeft betoogd dat in de zaak waarop het eerste indictment ziet sprake is van feitelijke onschuld van de opgeëiste persoon omdat er sprake zou zijn van verzonnen beschuldigingen om een uitlevering naar Georgië mogelijk te maken. Het bewijs bestaat volgens de verdediging uit getuigenverklaringen die onbetrouwbaar zijn of onder druk zijn afgelegd. In de zaak waarop het tweede indictment ziet is naar het oordeel van de verdediging eveneens sprake van een gefabriceerde beschuldiging, waarbij beweerde belastende getuigen geen ooggetuigen kunnen zijn geweest en de belastende getuige [betrokkene 1] bij zijn verhoor is gefolterd en kort daarna is overleden. Volgens de verdediging is in feite sprake van een uit politieke motieven ingegeven uitleveringsverzoek: de opgeëiste persoon had een hoge functie binnen de voormalige regering van Saakashvili en het huidige bewind stelt tegen het voormalig bewind politieke vervolgingen in. Bovendien zouden de Georgische autoriteiten over de opgeëiste persoon willen beschikken om hem (te dwingen) als getuige tegen anderen te verklaren.

(…)

De vraag waarvoor de rechtbank zich wel gesteld ziet, gelet op hetgeen feitelijk omtrent de verzonnen beschuldigingen is aangevoerd, is of daarmee onverwijld - dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - is aangetoond dat de opgeëiste persoon onschuldig is, ofwel dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. De opgeëiste persoon dient daartoe aanstonds te kunnen bewijzen dat de verdenking op een misslag berust en hij de feiten niet kan hebben begaan, omdat hij bijvoorbeeld een onbetwistbaar alibi heeft of sprake is van een aantoonbare persoonsverwisseling.

6.6.5 Voor zover is betoogd dat de beschuldigingen zijn gefabriceerd en dat er onvoldoende bewijs is voor de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, stelt de rechtbank voorop dat de twee indictments en de daaraan ten grondslag liggende verdenking zijn getoetst door een onafhankelijke rechter in Georgië, die op basis daarvan de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon heeft bevolen. De rechtbank merkt op dat de vraag of het voorhanden bewijsmateriaal voldoende is om uiteindelijk een veroordeling te kunnen dragen niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat, maar in een eventuele strafzaak van de opgeëiste persoon in Georgië aan de orde zal komen. Die rechter zal ook hebben te oordelen over de betrouwbaarheid van (getuigen)bewijs. Overigens sluiten de door de opgeëiste persoon overgelegde getuigenverklaringen en stukken, voor zover inhoudende dat de feiten niet door de opgeëiste persoon zijn begaan, de betrokkenheid bij de hem verweten feiten niet zonder meer uit, zonder daarbij in de waardering van het bewijs te treden. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij door hetgeen is aangevoerd in ieder geval niet onverwijld tot de overtuiging is gekomen dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan hetgeen hem door de verzoekende staat wordt verweten.”

5. De rechtbank heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de (vermeende) onschuld van de opgeëiste persoon opgevat als een beroep op de onschuldexceptie als bedoeld in art. 26, derde lid, Uw in verbinding met art. 28, tweede lid, Uw. Het middel brengt mij tot de volgende beschouwing daarover.

6. Een oordeel over de schuld van de opgeëiste persoon aan de (strafbare) feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd, vergt ten minste een selectie en waardering van al het feitenmateriaal dat zich in het strafdossier bevindt. Dat is de exclusieve taak van de rechter die tot oordelen wordt geroepen in de strafvervolging die in de verzoekende staat tegen de opgeëiste persoon aanhangig is gemaakt. Alleen die rechter is toegerust om de verklaringen van getuigen te toetsen op hun betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. In de uitleveringsprocedure is dan ook geen ruimte voor een beoordeling van de gegrondheid van de beschuldiging die de grondslag vormt voor het strafgeding dat de verzoekende staat reden gaf voor het uitleveringsverzoek. De uitleveringsrechter treedt dus niet in de feiten dienaangaande. De uitleveringsrechter heeft daarentegen uitsluitend te beoordelen of het uitleveringsverzoek voor inwilliging vatbaar is en (daarmee) of de uitlevering toelaatbaar is. Hierdoor staat de aard van de uitleveringsprocedure in de weg aan een diepgaand onderzoek naar de schuldvraag.1

7. Een marginale uitzondering op deze hoofdregel vormt het onderzoek waartoe de uitleveringsrechter overgaat naar aanleiding van de bewering van de opgeëiste persoon dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. Een onschuldbewering zal echter alleen dan opgaan en alleen dan tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering leiden indien de uitleveringsrechter onverwijld – dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf – tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.2 De enkele bewering dat bewijs voor schuld ontbreekt, is derhalve niet toereikend. Het moet gaan om evidente onschuld, zoals bij de onloochenbare vaststelling van een persoonsverwisseling of alibi.

8. Nadere bestudering van relevante rechtspraak wijst uit dat zulk een alibi bijvoorbeeld kan bestaan uit de omstandigheid dat de opgeëiste persoon op de pleegdatum thuis verbleef, zich in detentie bevond of opgenomen was in een ziekenhuis.3 Het gaat dus om zeldzame gevallen waarin al dadelijk blijkt dat de opgeëiste persoon niet betrokken kan zijn geweest bij de gedraging waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht, en het verzoek dus kennelijk op een misverstand berust.4 Swart schrijft hierover: “Praktisch gesproken gaat het bij deze uitleveringsexceptie in de wet om iets als een bewijs van onschuld dat veelal alleen door een alibi te leveren zal zijn”.5 Een uitvoerig en diepgaand onderzoek naar de schuldvraag wordt in elk geval niet van de rechter verlangd, beaamt Swart. Dat geldt eveneens voor een onderzoek naar beweringen waarvan de juistheid naar alle waarschijnlijkheid nooit op korte termijn kan worden aangetoond.6

9. Krachtens artikel 28, vierde lid, Uw zal de rechter gemotiveerd op een onschuldverweer moeten beslissen. Uit de motivering moet blijken waarom de rechtbank meent dat zich niet het geval voordoet waarin er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten. Voorbeelden van dergelijke motiveringen zijn: het verweer is niet aannemelijk geworden, niet valt te verwachten dat de aangevoerde gegevens onverwijld kunnen worden verstrekt of het verweer is te onbepaald om tot succes te kunnen leiden.7

10. In weerwil van wat de steller van het middel betoogt, valt in het licht van het bovenstaande niet in te zien dat de rechtbank bij haar verwerping van het onschuldverweer een onjuiste maatstaf heeft aangelegd of een te restrictieve uitleg heeft gegeven aan de onschuldexceptie. Voor zover de steller van het middel in de toelichting telkens aanvoert dat er – op basis van betrouwbare documenten en verklaringen – onvoldoende bewijs, respectievelijk onvoldoende aanwijzingen zijn voor de schuld van de opgeëiste persoon, miskent het middel ten eerste dat in casu een vermoeden van schuld geen voorwaarde voor uitlevering is,8 en bovendien dat in de uitleveringsprocedure geen plaats is voor een ver(der)gaand onderzoek naar de bewijsvraag, of – meer specifiek – een onderzoek naar de geloofwaardigheid c.q. betrouwbaarheid van de diverse getuigenverklaringen. Het oordeel van de rechtbank dat zij niet onverwijld tot de overtuiging is gekomen dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld, is – gelet op hetgeen aan het onschuldverweer ten gronde is gelegd – niet onbegrijpelijk en overigens feitelijk van aard, zodat het in cassatie niet verder getoetst kan worden.9

11. Het middel faalt.

12. Het eerste middel keert zich in de kern bezien met een rechts- en een motiveringsklacht tegen de afwijzing van het verzoek van de verdediging strekkende tot het horen van – naar ik begrijp – de twee ter zitting van de uitleveringskamer meegebrachte Georgische advocaten, die in Georgië de opgeëiste persoon bijstaan als raadsman in de twee strafzaken die aanleiding vormden voor het uitleveringsverzoek. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om ter zitting een 3D-reconstructie vergezeld van een toelichting van een deskundige in een powerpointpresentatie te mogen tonen.

Ten behoeve van de bespreking van deze eerste twee middelen volgen hieronder (met inbegrip van de hier niet overgenomen voetnoten) eerst de relevante passages uit de stukken.

13. Het uitleveringsverzoek is door de rechtbank inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 27, 28 en 29 oktober 2014. Hierop vooruitlopend heeft de raadsman van de opgeëiste persoon in een brief van 21 oktober 2014 aangekondigd drie getuigen mee te nemen naar de zitting alsmede een 3D-reconstructie te willen tonen. Deze brief houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“(…)

II. Meegebrachte getuigen

Tevens berichten wij u dat wij getuigen zullen meebrengen naar de zitting. Het gaat om de Georgische advocaten van [de opgeëiste persoon], de heer D. (Davit) Abesadze, raadsman in de zaak die als eerste in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, en de heer mr. I. (Irakli) Grdzelidze, raadsman in de zaak met betrekking tot het zogenaamde ‘Navtlughi incident’ (tweede zaak op het uitleveringsverzoek).

Wij zullen genoemde getuigen vragen stellen over een drietal thema’s, te weten:

i) de onschuldexceptie die door [de opgeëiste persoon] wordt ingeroepen in de respectievelijke zaken ( de directe wetenschap bij deze getuigen van de wijze waarop het bewijs tegen [de opgeëiste persoon] is gegenereerd, maar ook ontlastende aspecten die door de Georgische autoriteiten niet aan het uitleveringsdossier zijn toegevoegd, kunnen aan de onschuldexceptie bijdragen); daarnaast hebben genoemde getuigen interviews afgenomen van getuigen die direct van belang zijn voor de onschuldexceptie, maar buiten het uitleveringsdossier zijn gelaten. Over deze wetenschap kunnen deze twee getuigen derhalve direct verklaren, hetgeen temeer van belang is nu de onderliggende informatiebronnen door de Georgische autoriteiten niet ter beschikking zijn gesteld van de Nederlandse uitleveringsrechter;

ii) de procedurele aspecten van de respectievelijke zaken in zover deze de onschuldexceptie raken en ook overigens relevant zijn voor de beoordeling van de Nederlandse uitleveringsrechter;

iii) de politieke context waarin de onschuldexceptie dient te worden gepositioneerd, waaromtrent deze twee getuigen ook direct wetenschap dragen.

(…)

III 3D reconstructie

Tenslotte delen wij u mede dat de verdediging ter zitting een 3D reconstructie zal tonen, vergezeld van een toelichting van de deskundige in een PowerPoint presentatie. Deze reconstructie zal een belangrijke rol toekomen in het kader van de te voeren onschuldexceptie. Deze reconstructie toont voorts aan dat de getuige in de zaak van het ‘Navtlughi-incident’ waarop het Georgische OM de gehele zaak baseert, niet naar waarheid heeft verklaard in zijn voor [de opgeëiste persoon] belastende verklaring, omdat zijn beweerdelijke ‘waarnemingen’ - gelet op een reconstructie van de plaats delict - niet waar kunnen zijn. Ook deze analyse zal van belang zijn voor de beoordeling van de te voeren verweren. Tijdens het pleidooi zal de verdediging uitvoerig op deze reconstructie ingaan, en vandaar dat het te overwegen valt om deze 3D reconstructie reeds tijdens de behandeling van de feiten te doen tonen (…).

(…)”

14. Bij schrijven van 22 oktober 2014 heeft de officier van justitie als volgt gereageerd op de onder punt 4 weergegeven verzoeken/aankondigingen van de verdediging:

“(…)

Gelet op de aanzienlijk inspanningen die u zich getroost om een kennelijk onschuldverweer te onderbouwen en het feit dat u voornemens bent meerdere getuigen uit het buitenland mee te brengen naar de zitting, lijkt het ons passend u op voorhand mede te delen dat en waarom het Openbaar Ministerie zich naar alle waarschijnlijkheid zal verzetten tegen het horen van deze getuigen en het tonen van de aangekondigde 3D reconstructie.

De maatstaf voor de beoordeling of getuigen gehoord moeten worden in een uitleveringsprocedure is of de rechtbank dat noodzakelijk acht (art. 26 lid 4 Uw). Art. 287 Sv, dat ziet op het horen van ter zitting verschenen getuigen, is niet van toepassing verklaard in de uitleveringsprocedure (zie art. 29 Uw). Ook voor door u mee te brengen getuigen geldt dus dat zij alleen kunnen worden gehoord als de rechtbank dat noodzakelijk acht (zie bijv. HR 21-12-2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7699).

Het is de uitleveringsrechter op grond van het vertrouwensbeginsel niet toegestaan te treden in het bewijs van de strafzaak waarvoor uitlevering wordt verzocht (tenzij het toepasselijk verdrag daarin voorziet, hetgeen bij het Europees Uitleveringsverdrag en het Folteringsverdrag niet het geval is).

Zoals wij in onze brief van 14 oktober jl. al hebben benadrukt ziet kennelijke (of onverwijlde) onschuld in de zin van art. 26 lid 3 en artikel 28 lid 2 Uw uitsluitend op de situatie dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld, hetgeen zonder diepgaand onderzoek vastgesteld moet kunnen worden. Het horen van één getuige over één registratienummer van een vuurwapen is in de jurisprudentie al als een te diepgaand onderzoek aangemerkt en afgewezen in het kader van een onschuldverweer (HR 22 maart 2011, met conclusie Vellinga; ECLI:NL:HR:2011:BP2449).

Het horen van getuigen en het toetsen van hun geloofwaardigheid is bij uitstek een taak van de rechter in het (eventuele) uiteindelijke strafproces. De rechter in de uitleveringsprocedure beschikt niet over het strafdossier en kan derhalve de verklaringen van getuigen a charge en a decharge niet toetsen (zie
HR 25-10-2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698, m.n. r.o. 3.2.2). Een verweer dat belastende aanwijzingen jegens de opgeëiste persoon bestrijdt of ontkracht – bijvoorbeeld door te wijzen op tegenstrijdigheden of onjuistheden in belastende getuigenverklaringen – kan daarom per definitie niet onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon aantonen (zie bijvoorbeeld HR 18 april 1989, NJ 1990, 63, r.o. 4.1.1 - 4.4 en punt 8 van de conclusie van de A-G Vellinga vóór HR 24 november 2009 (ECLI:NL:PHR:2009:BJ9266). Overigens is dat niet alleen vanwege een gebrek aan contextinformatie ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing maar ook omdat de uitleveringsrechter niet weet welk belastend bewijs er (verder) in het strafdossier aanwezig is, zodat aan het eventueel ‘wegvallen’ van specifieke bewijsmiddelen bij gebrek aan overzicht over het dossier als geheel nooit de conclusie kan worden verbonden dat er geen sprake meer kan zijn van een vermoeden van schuld.

De uitleveringsrechter zal dan ook geen andere keuze hebben dan verzoeken tot het horen van getuigen over de bewijsvraag af te wijzen als zijnde niet noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor het verzoek met een deskundige een 3D reconstructie te tonen die ziet op de vraag of een belastende getuige wel gezien kan hebben wat hij verklaart te hebben gezien. Dit zijn allemaal onderwerpen dan wel verweren die in de strafzaak zelf aan de orde kunnen komen, maar niet in de uitleveringsprocedure.

Een definitieve opvatting over de noodzakelijkheid van door u gewenste getuigen zullen wij uiteraard pas geven nadat u (desgewenst) ter zitting uw verzoeken van een definitieve toelichting heeft voorzien. Gelet op de inspanningen aan uw kant in deze zaak en onze indruk op grond van uw stukken tot nu toe dat u ruim buiten de grenzen van een kennelijk onschuldverweer dreigt te treden, leek het ons echter goed u reeds op voorhand op bovenstaande te wijzen.

(…)”

15. De pleitnotities van de verdediging d.d. 27 oktober 2014 houden omtrent de verzochte getuigen en de 3D-reconstructie het volgende in:

“I. Inleiding

1. Het OM heeft bij brief van 22 oktober jl. de verdediging in feite het volgende advies gegeven:

2. U verricht aardige inspanningen om een kennelijk onschuldverweer te onderbouwen, maar stopt u hier maar mee, want dit gaat u toch niet lukken, en overigens is het een zinloze exercitie nu u in onze visie "ruim buiten de grenzen van een kennelijk onschuldverweer dreigt te treden". Uiteraard zijn wij het OM dankbaar voor dit advies, dat wij als verdediging op voorhand kregen en dat ons inderdaad veel werk had kunnen besparen. In feite zegt het OM: deze hele seance van vier dagen is niet nodig, want het staat toch vast dat [de opgeëiste persoon] wordt uitgeleverd... Inderdaad, dan zou een zittingsduur van vier dagen door uw rechtbank niet gepland hoeven te zijn, en er zelfs geen raadsman meer behoeven te verschijnen.

3. U zult het de verdediging echter niet euvel duiden dat wij onze taak als bewaker van deze uitleveringsprocedure serieuzer nemen. En dit temeer, indien men de inhoudelijke argumenten van het OM neergelegd in de brief van 22 oktober jl. de revue laat passeren.

II. Noodzaakscriterium

4. De concrete toepassing van het noodzaakscriterium behoeft - aldus de Hoge Raad in HR 19 juni 2007, UN AZ1702 - niet wezenlijk te verschillen van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang wordt bereikt. De Hoge Raad heeft bepaald dat de striktheid waarmee dit criterium moet worden toegepast afhankelijk is van processuele omstandigheden.

5. In bepaalde situaties kan artikel 6 lid 1 en 3 (d) EVRM het noodzaakscriterium doen invullen gelijk aan dat van het verdedigingsbelang (zie bijvoorbeeld HR 2 november 2004, UN: AQ0679).

6. Dit betekent dat uw rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het noodzakelijk is dat de meegebrachte getuigen ter zitting worden gehoord, zich de facto kan laten leiden door het verdedigingsbelang. Voor deze gelijkstelling bestaat alle reden, nu [de opgeëiste persoon] gelet op de politieke situatie in Georgië, geen kans heeft gekregen om de directe getuigen in zijn zaak die zijn onschuld kunnen aantonen ter zitting alhier te doen meebrengen. Nog los van de visumverplichting die deze getuigen zouden hebben, hadden de Georgische autoriteiten - gelet op ook de 94 producties van onze kant - daartoe nimmer toestemming verleend. President, dit betekent dat [de opgeëiste persoon] geen enkele anders kans krijgt om deze verweren te voeren dan door middel van het horen van de getuigen David Abesadze en de heer Irakli Grdzelidze in de uitleveringsprocedure alhier.

III. Vertrouwensbeginsel

7. Het tweede argument waarop het OM zich beroept is het vertrouwensbeginsel, dat niet zou toestaan, aldus het OM, om te treden in het bewijs van de strafzaak in de verzoekende staat. Dit berust op een verkeerde lezing van het verzoek, want wij zullen uw rechtbank niet vragen om enkel het bewijs te beoordelen (welk bewijs overigens in deze zaak geheel niet is gepresenteerd door Georgië); neen, de strekking van de verzoeken ziet op de onschuldexceptie in die zin dat de 3D reconstructie onverwijld kan doen aantonen dat [de opgeëiste persoon] bij het feit uit 2006 niet betrokken kan zijn geweest (hetgeen dus iets anders is dan een bewijswaardering), terwijl genoemde getuigen ook de feitelijke grondslag zullen bijbrengen voor het verweer dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon reeds sprake is van een voltooide schending van art. 3 en 6 EVRM (inclusief art. 6 lid 2), alsmede van een niet meer af te wenden flagrante inbreuk op genoemde artikelen (zie HR NJ 1998, 388).

8. Het horen van deze twee getuigen ziet derhalve niet op waardering van het bewijs van de strafzaak, maar op feiten en omstandigheden die de bedoelde schending constitueren op een moment dat u over de toelaatbaarheid van de uitlevering dient te oordelen en dan reeds hebben plaatsgevonden, dan wel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zullen plaatsvinden.

9. Dit laatste geldt ook voor de derde meegebrachte getuige, [getuige].

IV. De onschuldexceptie

10. Er bestaan vijf redenen waarom uw rechtbank niet de visie van het OM zou moeten volgen.

11. Ten eerste: anders dan het OM (dat stelt dat de exceptie van onschuld uitsluitend zou zien op de situatie dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld, zonder diepgaand onderzoek) kan dit niet uit de tekst van art. 26 lid 3 UW worden afgeleid. Ook één van de meest gezaghebbende auteurs op dit gebied in Nederland, wijlen professor A. Swart, beschrijft de kern van de onschuldexceptie als volgt:

de eis die aan de onschuldexceptie gesteld mag worden is niet die van absolute onschuld, maar of de opgeëiste persoon "redelijkerwijze niet betrokken kan zijn bij de verweten feiten." [onderstreping GJK].

12. AG Vellinga in zijn door het OM genoemde conclusie bij zijn arrest van 24 november 2009 (ECLI:2009:BJ9266) legt de exceptie van art. 26 lid 3 UW in para. 7 van zijn conclusie als volgt uit: "art. 26 lid 3 UW houdt in dat als de opgeëiste persoon beweert dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn (is anders dan: "kan zijn") aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, de rechtbank die bewering onderzoekt." [onderstreping GJK].

13. President, ook dit is dus wat anders dan de meer absolute interpretatie die het OM eraan geeft.

14. Dit volgt ook uit hetgeen AG Vellinga vervolgens overweegt in genoemde conclusie: "Het verband tussen art. 28 lid 2 en 4 UW en art. 26 lid 3 UW brengt voorts mee dat een onschuldbewering als bedoeld in art. 26 lid 3 UW alleen opgaat indien de rechtbank onverwijld (zónder diepgaand onderzoek) tot de overtuiging komt dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld." [onderstreping GJK].

15. Ook hier moeten we vaststellen dat het OM de rationale van de onschuldexceptie te eng interpreteert; immers:

a) indien er een bewering is van onschuld moet die bewering worden onderzocht, en kan deze niet op voorhand worden terzijde geschoven zonder een dergelijk onderzoek ter zitting;

b) als tijdens dit: onderzoek ter zitting de opgeëiste persoon nog staande die zitting uw rechtbank kan overtuigen dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld, kan dit eveneens binnen het kader vallen van de onschuldexceptie.

16. Dit betekent dat het argument van het OM zoals neergelegd op p. 2 van haar brief van 22 oktober jl. dient te worden gepasseerd.

17. Ten tweede: daarbij komt, dat ook hier het OM de aankondiging van de verweren van de verdediging onjuist interpreteert door op p. 2 in de vierde alinea op te merken dat "het horen van getuigen en het toetsen van hun geloofwaardigheid is bij uitstek een taak van de rechter in het eventuele strafproces".

18. Nogmaals, wat wij van uw rechtbank zullen vragen, is geen toetsing van het strafdossier in Georgië, want dit is nimmer in deze zaak gepresenteerd. Het horen van de twee (de auditu) getuigen ziet op het uitsluiten van de opgeëiste persoon van het strafbare feit bedoeld in 2006 (naast de 3D reconstructie zal ook getuige Grdzelidze hieraan een bijdrage leveren), alsmede op de reeds voltooide c.q. niet meer af te wenden schendingen van art. 3 en 6 EVRM.

19. Ten aanzien van dit laatste wijzen wij u op de ook door het OM genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 21 december 2007 (HR:ECLI:BB7699), in welke zaak mijn kantoor de cassatiebehandeling deed, en waarin de Hoge Raad in r.o. 3.3. en 3.4 oordeelde dat het verzoek tot het horen van een getuige uit Roemenië (ook een advocaat) ten onrechte was afgewezen, maar dat dit overigens niet tot cassatie hoefde te leiden. Van belang voor onderhavige zaak is dat de Hoge Raad van oordeel is dat ten aanzien van de getuige in kwestie voldaan was aan het noodzaakscriterium. De Hoge Raad wijst dan in r.o. 3.3. op het vertrouwensbeginsel dat slechts uitzondering lijdt, indien uit feiten en omstandigheden blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een risico van flagrante inbreuk op art. 6 EVRM en naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ex art. 13 EVRM ten dienste staat.

20. Aan deze twee criteria, zo zal door de getuige in kwestie kunnen worden uitgelegd, voldoet onderhavig verweer. De getuige Irakli Grdzelidze zal op grond van zijn directe wetenschap van én de procesgang in Georgië in onderhavige concrete zaak, én op grond van zijn kennis van de politieke situatie in de concrete zaak, deze twee criteria kunnen duiden.

21. Op de derde plaats gaat de redenering van het OM om de volgende reden niet op. Zij wijst op een arrest van 25 oktober 2005, r.o. 3.3.2, waarin wordt overwogen dat de rechter in de uitleveringsprocedure niet beschikt over het strafdossier en dus niet die verklaringen zou kunnen toetsen. Hierbij past een belangrijke kanttekening: in genoemde zaak ging het om een verzoek tot aanhouding van het uitleveringsverzoek om getuigen te horen in het kader van de onschuldexceptie. Ofschoon de Hoge Raad de afwijzing van dit aanhoudingsverzoek in stand laat, stelt het wel twee voor onderhavige zaak belangwekkende elementen vast, die in onze zaak juist dienen te leiden tot toewijzing van het verzoek tot het horen van getuigen:

a) Het hof is gehouden tot het instellen van een onderzoek naar de juistheid van de bewering van de OP dat hij niet schuldig is aan het feit waarvoor uitlevering is gevraagd;

b) De onschuldbewering gaat alleen op, indien het hof zonder diepgaand onderzoek tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een redelijk vermoeden van schuld.

22. President, in onderhavige zaak bevatten de 94 producties zonder meer ook verklaringen die pretense belastende aanwijzingen jegens de OP bestrijden of ontkrachten. Echter, dit is slechts een onderdeel van het geheel, omdat onder die 94 producties zich ook elementen bevinden die de onschuld kunnen aantonen, met name ter zake de aanklacht van 2006.

23. Getuige Irakli Grdzelidze kan nu juist ter zitting uit eigen wetenschap deze onschuld nader duiden.

24. Ten vierde: niet moet worden vergeten dat indien uw rechtbank overtuigd zou geraken van het feit dat de aanklacht jegens de OP om al dan niet politieke redenen op oneigenlijke gronden kan zijn gefabriceerd, en er dus in feite geen sprake kan zijn van daderschap in feitelijke zin van de kant van de OP, dit binnen de onschuldexceptie zou vallen.

25. Ditzelfde geldt voor de 3D reconstructie. Immers, indien uw rechtbank ervan overtuigd kan raken dat de betreffende getuige een valse verklaring heeft afgelegd jegens de OP, dit tot de conclusie zal leiden dat geen sprake is van daderschap in feitelijke zin (vergelijkbaar met een alibi-verweer) hetgeen eveneens valt binnen het bereik van de onschuldexceptie.

26. President, uw rechtbank heeft in de uitleveringsbeslissing van 11 juli 2014 in r.o. 6.9.2. eveneens overwogen dat de onschuldbewering ook ziet op het onverwijld doen overtuigen van uw rechtbank dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Uw rechtbank zei daarbij twee belangrijke dingen:

a) De OP moet aantonen dat de door de verzoekende staat geformuleerde verdenking op een misslag berust; hier dient zich zeker de analogie aan met het verweer dat een verdenking is geconstrueerd en dus niet op echtheid berust, waardoor in andere zin sprake is van een misslag;

b) Een dergelijke bewering dient de OP aanstonds te kunnen staven met bewijsmateriaal. Maar President, hiervoor zal de OP dan wel de kans moeten krijgen door ter zitting dit bewijsmateriaal, zeker als daartoe getuigen zijn meegebracht, aan uw rechtbank te mogen presenteren;

c) In r.o. 6.9.3. ging uw rechtbank hierbij in op de door [betrokkene 2] overgelegde getuigenverklaringen, inhoudend dat hij begin april 1994 al uit de wijk was vertrokken waar één van de feiten zou zijn gepleegd. Uw rechtbank sloeg daarbij acht op de daderschapsconstructie: daar deelneming aan en samenspanning tot genocide, waarvoor geen lijflijke aanwezigheid was vereist. President, in onderhavige zaak gaan aanklacht 2 (2006) nu juist uit van de lijflijke aanwezigheid van [de opgeëiste persoon] ten tijde van de schietpartij bij Navtlughi station. Dit betekent dat met een dergelijke bewijsconstructie het doen uitsluiten van de OP van de crime-scene ook eerder zal kunnen leiden tot het aannemen van het onschuldexceptie.

27. Ten vijfde: President, het OM gaat eraan voorbij dat een analyse van "bewijs" in een uitleveringszaak wel degelijk relevant is indien dit de mensenrechtenexceptie en die van het politiek delict ondersteunt. Steun hiervoor biedt ook de opvatting van de meest gezaghebbende rechtsgeleerde op dit gebied, wijlen prof. A. Swart:

"Een van de redenen om de aanwezigheid van zulk een exceptie aan de nemen, kan juist zijn dat aanwijzingen ontbreken of van dubieuze aard zijn om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat op goede gronden wordt verdacht. Onder bijzondere omstandigheden kan de plicht tot het instellen van een onderzoek naar de schuldvraag nog voortvloeien uit een mensenrechtenverdrag waarbij de verzochte staat partij is."

16. Het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2014 houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:

“(…)

De planning van de inhoudelijke behandeling is als volgt. De rechtbank zal vandaag voorhouden welke stukken in het dossier zitten. Daarna zal de brief van 21 oktober 2014 van de verdediging aan de orde komen waarin de raadsman aankondigt drie getuigen naar de zitting mee te nemen en een
3D reconstructie te tonen. De rechtbank vat die aankondiging op als een verzoek en zal daar na hoor en wederhoor op beslissen. Als het verzoek of een deel daarvan wordt toegewezen kan dat vandaag worden geëffectueerd.

(…)

Na hervatting voert de raadsman mr. Knoops het woord met betrekking tot de verzoeken van de verdediging. Hij verklaart, zakelijk weergegeven:

De aangekondigde getuigen zijn in de zittingszaal aanwezig. De context van de verzoeken bestaat uit de gefabriceerde beschuldigingen (hetgeen binnen de onschuldexceptie valt) en de politieke exceptie waarover de getuigen willen verklaren. Hierbij is een aantal producties van belang.

Zo is productie 96 belangrijk, waarin u op de laatste bladzijde een citaat treft dat veelzeggend is voor de beoordeling van de verzoeken. De volledige voormalige regering en het kabinet van Georgië zal binnenkort in de gevangenis zitten en dat is zorgelijk.

In productie 95 verklaart het parlementslid Minashvili over de campagne tegen de United National Movement Party, nadat deze de verkiezingen had verloren. Hij wijst ook op diverse uitlatingen gedaan door politici, waarmee de onschuldpresumptie wordt geschonden. Uit diverse bronnen blijkt dat zich in onderhavige zaak op zijn minst de exceptie van een politiek delict voordoet.

Voorts zijn producties 49 en 80 nog van belang. In laatstgenoemde productie wordt gesproken over de vrees voor politieke vervolgingen en wordt [betrokkene 3] genoemd, waartegen mijn cliënt valselijk had moeten verklaren.

De raadsman mr. Knoops voert vervolgens het woord overeenkomstig zijn pleitnota, welke hij aan de rechtbank overlegt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.

In aanvulling op paragraaf 3 houdt de raadsman een citaat voor van Swart luidende “Onder bijzondere omstandigheden kan de plicht tot het instellen van een onderzoek naar de schuldvraag nog voortvloeien uit een mensenrechten verdrag waarbij de verzochte staat partij is.”2 Dat maakt dat het noodzaakscriterium onder bijzondere omstandigheden kan worden ingevuld met het verdedigingsbelang.

De raadsman slaat paragrafen 4 en 5 over.

Hij voegt aan paragraaf 9 toe dat [getuige] kan verklaren over het feit dat zij werd aangezet om een verklaring af te leggen in een andere zaak die werd geconstrueerd tegen de opgeëiste persoon. Dat doet denken aan de keer dat de opgeëiste persoon werd bewogen om valselijk te verklaren over [betrokkene 3].

Voor paragraaf 10 vestigt mr. Knoops de aandacht op een citaat van Swart luidende “Het vertrouwen dat staten blijkens uitleveringsverdragen in elkaar stellen, gaat niet zo ver dat een onderzoek naar de schuldvraag de verzochte staat onder alle omstandigheden verboden zou zijn. (...) Een van de redenen om de aanwezigheid van zulk een exceptie aan te nemen, kan juist zijn dat aanwijzingen ontbreken of van dubieuze aard zijn om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat op goede gronden wordt verdacht.”

Indien de aanklacht is gefabriceerd, impliceert dat de onschuld van de opgeëiste persoon en is de verzochte staat gerechtigd om die punten te onderzoeken.

Mr. Knoops voegt aan paragraaf 12 toe dat de opgeëiste persoon dat kan aantonen, de vier getuigen kunnen daarvoor bewijs aandragen.

In aanvulling op paragraaf 14 verklaart mr. Knoops dat wordt verzocht om een onderzoek dat de komende dagen kan plaatsvinden - geen diepgaand onderzoek - waardoor de rechtbank tot de overtuiging kan komen dat de aanklacht is gefabriceerd en er sprake is van een dreigende schending van artikelen 3 en 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

In aanvulling op paragraaf 15 verklaart mr. Knoops dat onverwijld volgens Swart niet moet worden verward met onmiddellijk. Er bestaat de mogelijkheid om getuigen ter zitting te horen en de rechtbank kan zelfs op rogatoire reis gaan.

In aanvulling op paragraaf 17 verklaart mr. Knoops dat echter niet wordt verzocht om een toetsing van het strafdossier, maar om het horen van twee getuigen die ook zelfonderzoek hebben gedaan.

Na paragraaf 20 voegt mr. Knoops toe, zakelijk weergegeven:

Grdzelidze kan bovendien verklaren over de politieke exceptie, omdat hij advocaat is van de voormalig hoofdaanklager van Georgië en een voormalig minister die in Hongarije asiel heeft gekregen wegens argumenten die ook spelen in onderhavige zaak. Voorts kan hij verklaren over schending van de onschuldpresumptie van de opgeëiste persoon door de uitlatingen van diverse Georgische overheidsfunctionarissen. Ook kan hij iets vertellen met betrekking tot de marteling van [betrokkene 1], waarover de familie zegt dat hij in gevangenschap is gemarteld om belastend te verklaren over de opgeëiste persoon (productie 93). Tot slot kan hij verklaren over de detentieomstandigheden. De verdediging betwist de informatie die het openbaar ministerie heeft verstrekt met betrekking tot gevangenis no. 9 (productie 95). De opgeëiste persoon loopt ernstig risico om daar te worden gedood of gemarteld. Er zijn incidenten bekend van mensen die daar zijn aangevallen en Grdzelidze heeft directe wetenschap over die gevangenis.

Voorts zou Abesadze, advocaat van de opgeëiste persoon in de zaak uit 2011, de connectie tussen de eerste en tweede aanklacht tegen de opgeëiste persoon kunnen toelichten. De opgeëiste persoon is nooit genoemd in de zaak uit 2006 en in april 2014 komt de aanklacht tegen hem uit de lucht vallen door de verklaring van [betrokkene 4]. Abesadze heeft uitgelegd dat Georgië de opgeëiste persoon wil hebben zodat hij kan verklaren als getuige tegen [betrokkene 3] en Saakashvili. De aanklacht kwam in 2014 omdat men vermoedde dat de zaak uit 2011 waarschijnlijk gaat sneuvelen om bewijstechnische redenen. In productie 47 valt te lezen dat de zaak waarin Abesadze advocaat is (de zaak uit 2011) reeds vijf keer is uitgesteld. De officier van justitie verschijnt niet omdat de getuigen hebben verklaard dat zij onder druk zijn gezet om valselijk te verklaren over de opgeëiste persoon.

Mr. Knoops hervat zijn voordracht overeenkomstig zijn pleitnota vanaf paragraaf 21.

Aan paragraaf 22 voegt hij toe dat de producties 28 tot en met 31 verklaringen zijn van de advocaat dat zij onder druk zijn gezet om te verklaren. In totaal zien vijftien producties op de druk die op getuigen is gezet en negentien producties op de onverwijlde onschuld van de opgeëiste persoon wegens gefabriceerde beschuldigingen. De rechtbank heeft in de uitspraak inzake [betrokkene 2] in ro. 6.9.2 beslist “Dit houdt in dat de opgeëiste persoon moet aantonen dat de door de verzoekende Staat geformuleerde verdenking op een misslag berust.” Dit is ook van toepassing indien er sprake is van een geconstrueerde verdenking, dan gaat het immers om een geconstrueerde misslag.

Tot slot verzoekt mr. Knoops of de rechtbank de beslissing over het tonen van de 3D reconstructie ook zou kunnen laten afhangen van de inhoud van het getuigenverhoor van Grdzelidze.

De officier van justitie mr. Ferdinandusse vraagt de raadsman waarom productie 96 niet eerder is ingebracht, aangezien het een verklaring betreft van een vriend uit Nederland en dit al sinds juli speelt.

De raadsman antwoordt dat de vertaling en ondertekening op zich lieten wachten en de verdediging deze informatie pas laat heeft gekregen.

Het onderzoek ter zitting wordt voor korte tijd onderbroken.

Na hervatting voert de officier van justitie mr. Ferdinandusse het woord en verklaart, zakelijk weergegeven:

Bij schrijven van 22 oktober 2014 hebben wij de grenzen van een onschuldverweer uiteengezet. Wij persisteren bij deze opvatting aangezien wij geen nieuwe informatie hebben ontvangen waardoor het horen van de getuigen of het tonen van de 3D reconstructie door een deskundige van belang zou zijn voor enige dóór de rechtbank te nemen beslissing. Immers, aan hetgeen zij kunnen verklaren over het bewijs of de politieke exceptie, kunnen wij geen conclusie verbinden dan wel is niet duidelijk dat het rechtstreeks van belang is in deze zaak.

De verklaringen over de detentieomstandigheden zien op een artikel 3 EVRM verweer. Aangezien die beoordeling aan de minister is, is deze evenmin van belang voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. Hier zou echter een uitzondering op kunnen worden gemaakt vanuit het oogpunt van efficiëntie. De advocaat Grdzelidze zou met het oog op het advies aan de minister kunnen worden gehoord over zijn persoonlijke waarnemingen in gevangenis no. 9 en dan met name met betrekking tot de afdeling voor overheidsfunctionarissen. Dat zou van belang kunnen zijn, aangezien deze informatie anders via een omweg aan de minister kenbaar zou moeten worden gemaakt.

De ex-vrouw van de opgeëiste persoon, [getuige], zou niets kunnen verklaren wat de opgeëiste persoon ook niet zelf zou kunnen verklaren. Wij kunnen de noodzaak van haar verhoor dan ook niet inzien.

Abesadze zou volgens de verdediging kunnen verklaren over de gefabriceerde verdenking tegen de opgeëiste persoon en het feit dat Georgië hem wil hebben voor het afleggen van valse verklaringen tegen anderen. Ik leg een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) over, die ziet op de zaak uit 2006. Nabestaanden van het slachtoffer hebben de zaak aanhangig gemaakt bij het EHRM en in ro. 16 valt te lezen dat Georgië een effectief onderzoek heeft ingesteld tegen de verdachten in de zaak uit 2006. Hieruit volgde de zaak tegen de opgeëiste persoon. Uit productie 1 blijkt dat de aanklacht tegen de opgeëiste persoon in de zaak uit 2006 dateert van 9 november 2012. De zaak was dus al begonnen voordat hij weigerde te verklaren en Abesadze zou daar dan ook niets over kunnen verklaren.

Ik verzet mij dus tegen het horen van de getuigen en 3D deskundige, waarmee de verdediging in de bewijswaardering wil treden.

De raadsman mr. Knoops voert daarop het woord en verklaart, zakelijk weergegeven:

In paragraaf 14 van de uitspraak van het EHRM erkent Georgië dat het heeft gefaald om goed onderzoek te doen en belooft het beterschap. In eerste instantie was het onderzoek dus niet goed uitgevoerd en daarbij zegt deze uitspraak niets over de zaak tegen de opgeëiste persoon.

De minister is gehouden om de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek te toetsen indien er door de detentieomstandigheden een dreigende schending van artikel 3 EVRM bestaat. Maar ingevolge een arrest van de Hoge Raad is dit oordeel echter aan de rechter indien er een aan zekerheid grenzende schending zal plaatsvinden.

Indien de advocaten wat betreft de officier van justitie kunnen verklaren over de detentieomstandigheden, vraag ik u om hen eveneens te horen over de oneerlijke rechtsgang in Georgië.

Voorts zou ik graag de schriftelijke verklaring van de ex-vrouw van de opgeëiste persoon, [getuige], willen inbrengen en u in de gelegenheid stellen om haar daarover vragen te stellen.

In productie 96 valt te lezen dat de opgeëiste persoon in november 2012 te horen kreeg dat hij mogelijk zou worden vervolgd. Dan zou je denken dat er nog een onderzoek moest worden gestart en dat sluit het starten van een andere zaak dan ook niet uit.

De voorzitter geeft de opgeëiste persoon gelegenheid te spreken.

De opgeëiste persoon verklaart daarop, zakelijk weergegeven:

Ik wil mijn onschuld bewijzen. Deze zaak gaat om mijn leven en u moet een beslissing nemen over mijn schuld of onschuld. Ik verzoek u dan ook met klem om de getuigen te horen.

Het onderzoek ter zitting wordt voor korte tijd onderbroken.

Na hervatting van het onderzoek ter zitting deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mee dat het niet de taak van de uitleveringsrechter is de gegrondheid van een beschuldiging te onderzoeken. Dat dient te gebeuren in het land waar de zaak, als de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard, zal worden berecht. Daar bevindt zich immers het dossier. De uitleveringsrechter is wel gehouden de bewering van een opgeëiste persoon dat hij onverwijld kan aantonen dat hij onschuldig is te onderzoeken.

De raadsman heeft verzocht om een 3D reconstructie te tonen, vergezeld van een toelichting van een deskundige in een PowerPointpresentatie.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat deze reconstructie een belangrijke rol zal toekomen in het kader van de te voeren onschuldexceptie. Voorts zou de reconstructie aantonen dat de waarnemingen van de getuige waarop het Georgische OM zich in de zaak tegen de opgeëiste persoon baseert, niet waar kunnen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn het tonen van een 3D reconstructie en het geven van een Power Pointpresentatie geen geëigend middel voor het vestigen van de overtuiging dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Het verband tussen art. 28, tweede en vierde lid, juncto artikel 26, derde lid, van de Uitleveringswet brengt mee dat een onschuldbewering alleen dan zal opgaan indien de rechtbank onverwijld - dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Het gaat dus om “evidente” onschuld: de opgeëiste persoon kán niet gedaan hebben wat de verzoekende staat hem verwijt, bijvoorbeeld omdat hij een onaantastbaar alibi heeft. Een onderzoek als thans verzocht is naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek dat niet in het uitleveringsgeding maar in het strafgeding thuishoort. Het oordeel omtrent waardering van bewijs of de betrouwbaarheid van een getuige is bij uitstek aan de feitenrechter, die wel over het dossier beschikt, voorbehouden en niet aan de uitleveringsrechter. Dat de 3D reconstructie zou kunnen aantonen dat de OP het feit fysiek niet kan hebben gepleegd, is op geen enkele wijze onderbouwd.

De rechtbank wijst het verzoek tot het tonen van de 3D reconstructie en de PowerPointpresentatie daarom af. Dat brengt met zich mee dat de rechtbank de als deskundige gepresenteerde Mastruko niet zal horen.

De raadsman heeft voorts verzocht om een viertal meegebrachte getuigen te horen. Volgens de toelichting van de raadsman zouden D. Abesadze en I. Grdzelidze allereerst kunnen verklaren over de onschuldexceptie en over ontlastende aspecten die door de Georgische autoriteiten niet aan het dossier zijn toegevoegd en die aan de onschuld zouden kunnen bijdragen. Daarnaast hebben zij interviews afgenomen van getuigen die van belang zijn voor de onschuldexceptie, welke verklaringen eveneens buiten het uitleveringsdossier zouden zijn gelaten.

Voorts zouden zij kunnen verklaren over de procedurele aspecten van de respectieve zaken voor zover deze de onschuldexceptie raken en in verband met de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering in verband met de artikelen 3 en 6 EVRM alsmede over de politieke context waarin de onschuldexceptie dient te worden gepositioneerd.

De rechtbank wijst erop dat artikel 287, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in artikel 29, eerste lid, van de Uitleveringswet niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of het noodzakelijk is genoemde personen als getuigen te horen.

Voor zich over de noodzaak uit te laten overweegt de rechtbank echter het volgende. De raadsman heeft in zijn brief waarin hij aankondigt getuigen mee te brengen en in zijn toelichting ter zitting aangegeven dat D. Abesadze en l. Grdzelidze de raadslieden zijn van de opgeëiste persoon in de eerste respectievelijk tweede in het uitleveringsverzoek tegen de opgeëiste persoon in de verzoekende staat aanhangige strafzaak.

De Hoge Raad heeft op 26 maart 2013 (LJN BZ5399) geoordeeld dat “het horen van de advocaat die op de terechtzitting hetzij de verdachte als raadsman bij staat, hetzij hem op de voet van (art. 48 WED in verbinding met) art. 398, onder 2°, Sv vertegenwoordigt, hetzij hem als op de voet van art. 279 Sv gemachtigde verdedigt- behoudens bijzondere gevallen waarvan te dezen niet is gebleken - niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering (vgl. ten aanzien van het openbaar ministerie HR 19 december 1995, LJN ZD0328, NJ 1996/249)”.

Hoewel de onderhavige procedure geen strafzaak maar een uitleveringsprocedure ter fine van strafvervolging betreft is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden waarom in zo’n procedure anders zou moeten worden geoordeeld ten aanzien van de advocaten die in die strafprocedures optreden. De rechtbank is niet tot het oordeel gekomen dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat van deze hoofdregel moet worden afgeweken. Dit betekent dat het verhoor van de getuigen D. Abesadze en I. Grdzelidze wordt afgewezen.”

17. Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten. Ten eerste klaagt het middel over het oordeel van de rechtbank dat zij niet toekomt aan een toetsing van het getuigenverzoek aan de hand van het noodzaakcriterium, nu naar analogie van het bepaalde in HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5399, NJ 2013/207, in de Nederlandse uitleveringsprocedure geen plaats is voor het horen van de Georgische advocaten die de opgeëiste persoon in Georgië bijstaan in de daar tegen hem lopende strafzaken welke aanleiding vormden voor het uitleveringsverzoek. Ten tweede betoogt het middel dat de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk is.

18. De eerste deelklacht werpt de rechtsvraag op of de rechtbank een juiste toepassing heeft gegeven aan de ongeschreven regel die de Hoge Raad onder meer heeft gebracht tot de genoemde uitspraak van 26 maart 2013. Die rechtsregel behelst – in de woorden van de Hoge Raad – dat het horen van de advocaat die op de terechtzitting hetzij de verdachte als raadsman bijstaat, hetzij hem op de voet van (art. 48 WED in verbinding met) art. 398, onder 2°, Sv vertegenwoordigt, hetzij hem als op de voet van art. 279 Sv gemachtigde verdedigt – behoudens bijzondere gevallen – niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering.

19. Het problematische karakter van de thans behandelde kwestie is naar mijn inzicht niet gelegen in de bijzonderheid dat het voorliggende cassatieberoep een uitleveringsprocedure betreft. De bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering die in art. 29 Uw voor de uitleveringsprocedure van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, omvatten onder meer bepalingen omtrent de bijstand van een raadsman, met inbegrip van machtiging op de voet van art. 279 Sv. Er bestaat dan ook, naar ik vermoed, geen verschil van inzicht over het positieve antwoord op de vraag of de rechtsregel die is geformuleerd in HR 26 maart 2013 onverminderd van toepassing is op het geval waarin de raadsman die de opgeëiste persoon ter zitting van de uitleveringskamer bijstaat zijn eigen verhoor bepleit. De rechtbank heeft zich in de voorliggende zaak echter beroepen op deze regel ter motivering van haar beslissing om de twee Georgische advocaten categorisch uit te sluiten van het verhoor als getuige in de uitleveringsprocedure, en dit (dus) zonder toe te komen aan een beoordeling van de noodzaak van hun verhoor. Naar in cassatie moet worden aangenomen treden deze advocaten in Georgië op als raadsman in twee strafzaken waarin de opgeëiste persoon als verdachte is betrokken. Deze strafzaken gaven Georgië aanleiding voor het uitleveringsverzoek. Of de meerbedoelde rechtsregel uit HR 26 maart 2013 ook op deze casuïstiek moet worden toegepast, is niet klip en klaar. De zoektocht naar het recht noopt mij ertoe om aandacht te besteden aan de grondslag voor de ontoelaatbaarheid van het getuigenverhoor van de ter terechtzitting optredende raadsman.

20. Aangezien de Hoge Raad in HR 26 maart 2013 niet heeft toegelicht op welke gronden het getuigenverhoor van de raadsman die de verdachte ter terechtzitting bijstaat onverenigbaar is met het stelsel van strafvordering, is het allereerst nuttig om stil te staan bij de expliciete verwijzing naar HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249 (Zwolsman), welke uitspraak niet de raadsman maar het openbaar ministerie regardeert. In die uitspraak heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat — behoudens bijzondere gevallen — het als getuige horen van de officier van justitie die in dezelfde strafzaak als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie is opgetreden en die derhalve partij is in het geding, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering. Van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld kan onder meer sprake zijn indien de desbetreffende officier van justitie betrokken is geweest bij het onderzoek van de politie voorafgaande aan de aanvang van de vervolging en het verzoek om hem als getuige te (doen) horen ertoe strekt hem te ondervragen omtrent hetgeen hij daarbij zelf heeft waargenomen of ondervonden, aldus overwoog de Hoge Raad.

21. Hieruit valt af te leiden dat het de Hoge Raad met het uitsluiten van de getuigenis van een officier van justitie in het bijzonder te doen is om het geval waarin die officier van justitie “partij in het strafgeding” is.10 Dat is hij, naar ik begrijp, in ieder geval ten aanzien van de door hem genomen vervolgingsbeslissingen, het door hem uitoefenen van bevoegdheden ter terechtzitting, het formuleren van de eis en het innemen van standpunten aldaar. Indien en voor zover het verhoor van de officier van justitie ertoe strekt hem vragen te stellen omtrent hetgeen hij in de opsporingsfase heeft waargenomen en ondervonden, gaan de ‘stelselmatige’ bezwaren die de Hoge Raad voor ogen staan kennelijk niet meer in doorslaggevende mate op. In abstracto beschouwd, versta ik de hier bedoelde incompatibiliteit van het verhoor van een gedingpartij met het Nederlandse stelsel van strafvordering aldus dat de hoedanigheid van procesdeelnemer zich in elk geval niet verdraagt met het gelijktijdig vervullen van de hoedanigheid van getuige, en dit vanwege de divergerende verantwoordelijkheden, taken, bevoegdheden en verplichtingen die aan deze onderscheidene hoedanigheden zijn verbonden en die niet simultaan in acht kunnen worden genomen.

22. Mijn ambtgenoot Knigge heeft voorafgaande aan HR 26 maart 2013 omstandig stilgestaan bij de onderwerpelijke problematiek. Hij somde, mede onder verwijzing naar rechtskundige literatuur, vragenderwijs uiteenlopende bezwaren op tegen de dubbelrol die ik hiervoor heb omschreven. Het is niet mijn bedoeling deze exercitie dunnetjes over te doen, dus ik mag daarnaar graag verwijzen.

23. Veruit de meeste van de hier bedoelde bezwaren zien op de situatie die in de voorliggende zaak niet aan de orde is, namelijk het geval waarin de getuige tevens optreedt als de raadsman die in het betreffende geding rechtskundige bijstand verleent. Wie staat in die situatie de verdachte rechtskundig bij tijdens het afleggen van de getuigenverklaring? Wie stelt de getuige van de zijde van de verdediging (kritische) vragen? Hoe te handelen als de getuigende raadsman zich uit de zittingzaal moet verwijderen gedurende het verhoor van een andere getuige? Idem wanneer hij als getuige nog langer beschikbaar moet blijven voor het onderzoek ter terechtzitting c.q. met een andere getuige moet worden geconfronteerd? Wat te doen als jegens de raadsman een verdenking van meineed rijst? Kan van de raadsman nog worden verwacht dat hij voldoende professionele distantie in acht neemt indien hij zelf als getuige is gehoord? Ondermijnen de belangen die de raadsman als getuige heeft niet de belangen die hij als raadsman ten behoeve van zijn cliënt heeft te dienen? In hoeverre kan de raadsman bij pleidooi afstand nemen van de mededelingen die hij als getuige heeft gedaan ingeval achteraf blijkt dat die mededelingen ook als belastend voor zijn cliënt kunnen worden uitgelegd? Kan het openbaar ministerie de als raadsman optredende advocaat op die terechtzitting oproepen (en zodoende de verdediging hinderen)?

24. Niet alle argumenten die Knigge heeft opgetekend uit de rechtskundige literatuur zijn m.i. deugdelijk. De spanning tussen de spreekplicht als getuige en de vertrouwelijkheid van het verkeer tussen de raadsman en de cliënt lijkt mij overkomelijk. De raadsman komt immers juist in dat domein een verschoningsrecht toe. Het vermoeden van partijdigheid lijkt mij evenmin een reëel bezwaar. Dat doet zich wel vaker voor bij het verhoor van een getuige. Dat gegeven kan de feitenrechter in zijn weging betrekken.

25. Het voorgaande illustreert bezwaren die uitsluitend betrekking hebben op de ‘dubbelrol’-problematiek. Zij pleiten m.i. voor een – door mij voorgestane – restrictieve, namelijk letterlijke uitleg van de regel die in HR 26 maart 2013 is gegeven: het Nederlandse stelsel van strafvordering verzet zich in beginsel tegen de getuigenis van een raadsman die in de betreffende procedure als zodanig optreedt, zulks met het oog op het vermijden van de ‘dubbelrol’-problematiek. Hoewel de hoedanigheid van officier van justitie c.q. advocaat-generaal op essentiële punten verschilt van die van raadsman, kunnen voor deze ambtenaren eenvoudig verscheidene gelijksoortige bezwaren in kaart worden gebracht die impliceren dat dezelfde (restrictieve) regel in beginsel ook opgeld zou moeten doen voor de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die ter terechtzitting als zodanig fungeert. Daarbuiten geldt de door mij voorgestane restrictieve regel echter niet.

26. Hoe verhoudt zich deze restrictieve interpretatie met de jurisprudentie van de Hoge Raad? Indien de onwenselijkheid van de ‘dubbelrol’ die onlosmakelijk is verbonden aan het getuigenverhoor van een procesdeelnemer, de grondslag vormt voor het bedoelde verbod, ligt het voorbehoud dat de Hoge Raad in HR 19 december 1995 (Zwolsman) maakte voor het bijzondere geval waarin de officier van justitie als getuige wordt gehoord over hetgeen hij in de opsporingsfase zelf heeft waargenomen en ondervonden, nog niet onmiddellijk voor de hand in het – veelvoorkomende – geval waarin de zaaksofficier tevens als zittingsofficier optreedt. De hiervoor besproken bezwaren die voortvloeien uit het stelsel van strafvordering kleven immers niet aan het onderwerp van het getuigenverhoor, maar aan het enkele gegeven dat de officier van justitie die ter terechtzitting het openbaar ministerie uitoefent tevens getuigt. De Hoge Raad houdt niettemin de mogelijkheid van het verhoor van de “desbetreffende” officier van justitie, dat wil zeggen: de officier die in dezelfde strafzaak als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie is opgetreden en die partij is in het geding, uitdrukkelijk open. Daarmee bestrijd ik geenszins de wijsheid van deze uitspraak van de Hoge Raad. Het valt, met mijn voormalige ambtgenoot Van Dorst in zijn omvangrijke conclusie in deze strafzaak inderdaad moeilijk in te zien waarom de officier van justitie zich nimmer tegenover de (appel)rechter zou behoeven te verantwoorden voor zijn optreden in de opsporingsfase, daar waar de lagere opsporingsambtenaren zich daaraan – indien daartoe opgeroepen – niet mogen onttrekken. Anderzijds schaarde de Hoge Raad in HR 17 februari 1981 ook de officier van justitie die als zodanig tijdens het gerechtelijk vooronderzoek is opgetreden expliciet onder “de partijen in het geding”.11 Met name dat laatste geeft aanleiding voor verwarring die in de voorliggende zaak wellicht ook de rechtbank parten heeft gespeeld. De officier van justitie die in het gerechtelijk vooronderzoek is opgetreden hoeft immers niet tevens de zittingsofficier te zijn. Deze uitspraak ondersteunt derhalve de meer extensieve uitleg die de rechtbank in de onderhavige zaak heeft gegeven aan het ‘dubbelrol’-verbod.

27. Het komt mij echter voor dat we hier van doen hebben met een uit het Nederlandse stelsel van strafvordering voortvloeiende – andere – processuele regel. Het heeft naar mijn inzicht namelijk de voorkeur om twee (ongeschreven) processuele regels te onderscheiden, te weten (1) het dubbelrol-verbod: de ontoelaatbaarheid van het verhoor als getuige van een deelnemer aan het onderzoek ter terechtzitting,12 en (2) de ontoelaatbaarheid van het verhoor als getuige van een rechterlijk ambtenaar die in de betreffende zaak in een voorfase is opgetreden, teneinde deze ambtenaar verantwoording te laten afleggen over beslissingen die hij als zodanig heeft genomen.

28. Conform de tweede regel legt het openbaar ministerie over de beslissing(en) die in de hoedanigheid van vervolgende instantie zijn genomen uitsluitend verantwoording af bij monde van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie ter terechtzitting. Het past niet in ons stelsel van strafvordering om vertegenwoordigers van het openbaar ministerie, ongeacht of zij ter terechtzitting als zodanig fungeren, hierover als getuige te bevragen.13 Deze regel verzet zich echter niet tegen het verhoor van een officier van justitie over hetgeen hij als (hoogste) opsporingsambtenaar heeft waargenomen of ondervonden. Indien dit door mij als tweede regel gedoopte verbod inderdaad voortvloeit uit het Nederlandse stelsel van strafvordering en een zelfstandig bestaansrecht heeft, is er geen reden (meer) om het dubbelrol-verbod uit HR 26 maart 2013 extensief te interpreteren.

29. Indien ik een en ander juist zie, valt goed te begrijpen waarom de Hoge Raad in HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:BX5183 met toepassing van art. 81 RO voorbij ging aan het middel dat betrekking had op een verzoek van de gemachtigde raadsman in hoger beroep om de raadsman in eerste aanleg (niet tevens de raadsman in hoger beroep) te horen als getuige over de vraag of hij in eerste aanleg was gemachtigd. Het hof had dit verzoek afgewezen met toepassing van het noodzaakcriterium, en dus niet met een beroep op de regel die de Hoge Raad op 26 maart 2013 herhaalde. De ‘dubbelrol’-problematiek kon de procedure in hoger beroep immers niet hinderen. Wel had de raadsman bij toewijzing van het verzoek kunnen worden bevraagd naar zijn optreden als gedingpartij in eerste aanleg. Dat verdraagt zich m.i. moeiteloos met het stelsel van strafvordering aangezien ook de gewezen raadsman een verschoningsrecht toekomt omtrent hetgeen hem indertijd als raadsman is toevertrouwd.

30. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het dubbelrol-verbod restrictief moet worden uitgelegd, dat wil zeggen letterlijk zoals uw Raad deze regel meest recentelijk tot uitdrukking bracht in HR 26 maart 2013. Indien overeenkomstig toegepast op de uitleveringsprocedure staat dit verbod in de weg aan het getuigenverhoor van de raadsman ter zitting van de uitleveringskamer, doch niet aan het verhoor van de aldaar verschenen Georgische advocaten. Zij zijn immers geen partij in het uitleveringsgeding. De eerste deelklacht is terecht voorgesteld.

31. Waartoe leidt dit resultaat? Naar mijn inzicht hoeft de gegrondheid van de eerste deelklacht niet tot cassatie te leiden. De rechtbank had het verzoek tot het horen van de twee Georgische advocaten namelijk alleen maar kunnen afwijzen, zij het op andere gronden. Ik zal dit nader toelichten.

32. Voor de beoordeling van het verzoek van de verdediging tot het horen van de twee uit Georgië meegebrachte getuigen is naar mijn inzicht op grond van art. 26, vierde lid Uw, jo art. 26, eerste lid Uw, wel degelijk beslissend of het horen van deze getuigen noodzakelijk is.14 Deze maatstaf heeft de rechtbank weliswaar niet specifiek voor dit getuigenverzoek aangelegd, maar indien de rechtbank dat wel had gedaan was de uitkomst onvermijdelijk afwijzend.

33. Uit de toelichting op de getuigenverzoeken blijkt dat de verdediging de twee advocaten vragen had willen stellen omtrent – kortweg – de volgende onderwerpen:

1. de onschuldexceptie, toegespitst op ontlastende aspecten die door de Georgische autoriteiten niet aan het dossier zouden zijn toegevoegd;

2. de (Georgische) procedurele aspecten in de respectievelijke strafzaken;

3. de politieke context waarin de onschuldexceptie dient te worden gepositioneerd.

34. Voor wat betreft het eerste onderwerp breng ik in herinnering wat ik bij de bespreking van het derde middel al heb uiteengezet. Een diepgaand onderzoek naar de bewijswaarde van de diverse getuigenverklaringen, dat inherent is aan het door de raadsman beoogde ontkrachten van dergelijke verklaringen, het beoogde aantonen van tegenstrijdigheden in getuigenverklaringen, alsmede het door de raadsman voorgenomen aandragen van ontlastend feitenmateriaal, overstijgt de bevoegdheid van de uitleveringsrechter verre. De beoordeling van een en ander vergt immers een meer integrale toetsing van het bewijsmateriaal.

35. Voor zover het middel op dit punt nog aanvoert dat de uit de jurisprudentie omtrent de onschuldexceptie bekende ‘kennelijk misslag’ gelijk is te stellen met de beweerdelijk gefabriceerde beschuldigingen, kan ik de steller van het middel niet volgen. De argumenten die deze stelling zouden moeten schragen brengen het er wederom toe dat van de uitleveringsrechter een te diepgaand onderzoek naar het bewijs wordt verwacht zoals hierboven omschreven. Ik kan dan ook niet inzien dat een gefabriceerde beschuldiging zich (zonder diepgaand onderzoek) één op één verhoudt tot kennelijke misslagen zoals zij in de rechtspraak onderkend zijn, bijvoorbeeld (evidente) persoonsverwisselingen en alibi’s. Op het eerste punt was het horen van de twee Georgische advocaten dan ook allerminst noodzakelijk.

36. Aangaande het tweede onderwerp waarover vragen aan de Georgische advocaten zouden moeten worden gesteld, meen ik dat het verzoek te mager onderbouwd is om de noodzaak van dat verhoor te bewerkstelligen. Met name is niet nader onderbouwd over welke ‘procedurele aspecten’ de advocaten kunnen verklaren. Voor zover de verdediging haar pijlen heeft willen richten op de al dan niet rechtmatige wijze waarop het bewijs naar het recht van de Georgië is verkregen, wijs ik erop dat dit aspect niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat.15 Dit leidt ertoe dat ook hier het horen niet noodzakelijk moet worden geacht voor enige door de uitleveringsrechter te nemen beslissing.

37. Tot slot het derde onderwerp waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord: de politieke context waarin de uitleveringsexceptie dient te worden gepositioneerd. De bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Veiligheid en Justitie brengt mee dat beweerdelijke dreigende schendingen van mensenrechten aan de minister zijn om te beoordelen, nu het een beleidskwestie is of men – in weerwil van het in het uitleveringsrecht gehuldigde vertrouwensbeginsel – nadere garanties wenst te vragen van de verzoekende staat alvorens tot uitlevering over te gaan, dan wel geheel van uitlevering af te zien.

38. Hierop zijn evenwel twee uitzonderingen. De uitleveringsrechter is gehouden onderzoek te doen naar aanleiding van verweren omtrent:

i) een reeds voltooide schending van art. 3 EVRM (de opgeëiste persoon is reeds gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering is gevraagd);

ii) een dreigende flagrante schending van enig de opgeëiste persoon ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, ter zake van welke schending hem na zijn uitlevering geen rechtsmiddel ten dienste staat.16

De vraag die zich hier derhalve aandient is allereerst of de verdediging het getuigenverzoek heeft geplaatst in de sleutel van een dergelijk verweer, en zo ja, wat zij vervolgens aan een dergelijk verweer en het daarmee samenhangende getuigenverzoek ten grondslag heeft gelegd.

39. De brief waarin de getuigen werden aangekondigd in ogenschouw nemend, kan ik niet anders dan vaststellen dat daarin op geen enkele wijze invulling wordt gegeven aan het vereiste dat het getuigenverzoek in de sleutel van voltooide schending van art. 3, dan wel dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM is geplaatst. Uit de brief meen ik te moeten begrijpen dat gedoeld wordt op de beweerdelijk gefabriceerde beschuldigingen, welke – zoals hierboven reeds betoogd – niet op een lijn kunnen worden gesteld met een ‘kennelijke misslag’.

40. Dan de toelichting bij pleidooi. Onder punt 7 en 8 van het pleidooi wordt aangekondigd dat de twee Georgische advocaten zullen kunnen verklaren omtrent de gestelde reeds voltooide schending van de artikelen 3 en 6, tweede lid, EVRM, alsmede omtrent de beweerdelijk dreigende flagrante schending van voornoemde artikelen. Onder punt 20 en 21 van voornoemd pleidooi wordt aangevoerd dat – naar ik begrijp – in elk geval de Georgische getuige/advocaat Grdzelidze kan verklaren omtrent de dreigende flagrante schending van de artikelen 3 en 6 EVRM en de omstandigheid dat de opgeëiste persoon in Georgië geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat.

41. Deze stellingen – hoewel niet eerder dan bij pleidooi ingenomen – worden evenwel niet nader onderbouwd. Niet wordt duidelijk gemaakt waaruit de voltooide schending(en) zou(den) bestaan, en op welke punten de getuigen hierover relevant zouden kunnen verklaren. Noch wordt onderbouwd op welke wijze de gewenste verklaringen een noodzakelijke toevoeging kunnen bieden aan de bescheiden die reeds in het kader van de uitleveringsprocedure aan de rechtbank (als producties) zijn overgelegd.

42. Het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2014 wijst uit dat de raadsman zijn pleitnotities aldaar heeft aangevuld en nader heeft geconcretiseerd op welke punten (met name) de Georgische getuige/advocaat Grdzelidze kan verklaren. Deze concretiseringen leveren geen aanknopingspunt voor een vermoeden dat de opgeëiste persoon zelf reeds zou zijn gemarteld voor dezelfde feiten als die aanleiding hebben gegeven tot het uitleveringsverzoek. Op dit punt was het horen dus niet noodzakelijk te achten in het kader van een door de rechtbank te nemen beslissing aangaande dit verweer ex art. 3 EVRM.

43. De in het vooruitzicht gestelde getuigenverklaringen omtrent een vermeende schending van de onschuldpresumptie delen dit lot; zij laten namelijk geen licht schijnen op het ontbreken van een effectief rechtsmiddel in Georgië.

44. Voor zover er verklaringen in het vooruitzicht gesteld zijn die betrekking hebben op een vermeende politieke exceptie kan ook dat geen noodzaak tot verhoor bewerkstelligen, nu niet nader is onderbouwd in het kader van welke (politieke) exceptie (o.g.v. art. 10, respectievelijk 11 Uw) de verklaringen van toegevoegde waarde kunnen zijn. Daarbij zij nog opgemerkt dat het horen in het kader van een op art. 10 Uw gebaseerd verweer reeds niet als noodzakelijk is te beschouwen, daar beslissingen op dat terrein zijn voorbehouden aan de minister van Veiligheid en Justitie.

45. Tot slot kunnen de aangeboden verklaringen omtrent de detentieomstandigheden in gevangenis no. 9 ook geen ander oordeel meebrengen. Nu de beoordeling van een verweer over een dreigende schending van art. 3 EVRM, is voorbehouden aan de minister van Veiligheid en Justitie, is het horen van de getuige reeds hierom niet noodzakelijk voor enige door de uitleveringsrechter te nemen beslissing.

46. Dat het openbaar ministerie – zoals in het middel wordt benadrukt – een nader verhoor omtrent de detentieomstandigheden in het kader van het door de uitleveringskamer aan de minister uit te brengen advies niet onwenselijk heeft geacht, kan hieraan niet afdoen.17

47. Nu uit bovenstaande naar mijn inzicht moet volgen dat het verhoor van de twee Georgische advocaten evident niet noodzakelijk is te achten voor enige, door de uitleveringsrechter te nemen beslissing, meen ik dat de eerste deelklacht niet tot cassatie kan leiden. De tweede deelklacht, inhoudende dat de afwijzing van het getuigenverzoek onbegrijpelijk is nu de rechtbank het verzoek niet heeft getoetst aan het noodzaakcriterium, kan, op dezelfde gronden als hierboven weergegeven, eveneens niet tot cassatie leiden.

48. Het middel faalt.

49. Het tweede middel keert zich tegen de afwijzing van het verzoek om een 3D-reconstructie te mogen tonen, vergezeld van een toelichting van een deskundige in een powerpointpresentatie, en dit op grond van het volgende tevergeefs.

50. Ik herhaal nogmaals de overwegingen waarin de rechtbank het verzoek heeft samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft verzocht om een 3D reconstructie te tonen, vergezeld van een toelichting van een deskundige in een PowerPointpresentatie.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat deze reconstructie een belangrijke rol zal toekomen in het kader van de te voeren onschuldexceptie. Voorts zou de reconstructie aantonen dat de waarnemingen van de getuige waarop het Georgische OM zich in de zaak tegen de opgeëiste persoon baseert, niet waar kunnen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn het tonen van een 3D reconstructie en het geven van een Power Pointpresentatie geen geëigend middel voor het vestigen van de overtuiging dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Het verband tussen art. 28, tweede en vierde lid, juncto artikel 26, derde lid, van de Uitleveringswet brengt mee dat een onschuldbewering alleen dan zal opgaan indien de rechtbank onverwijld - dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Het gaat dus om “evidente” onschuld: de opgeëiste persoon kán niet gedaan hebben wat de verzoekende staat hem verwijt, bijvoorbeeld omdat hij een onaantastbaar alibi heeft. Een onderzoek als thans verzocht is naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek dat niet in het uitleveringsgeding maar in het strafgeding thuishoort. Het oordeel omtrent waardering van bewijs of de betrouwbaarheid van een getuige is bij uitstek aan de feitenrechter, die wel over het dossier beschikt, voorbehouden en niet aan de uitleveringsrechter. Dat de 3D reconstructie zou kunnen aantonen dat de OP het feit fysiek niet kan hebben gepleegd, is op geen enkele wijze onderbouwd.

De rechtbank wijst het verzoek tot het tonen van de 3D reconstructie en de PowerPointpresentatie daarom af. Dat brengt met zich mee dat de rechtbank de als deskundige gepresenteerde Mastruko niet zal horen.”

51. Het middel voert aan dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het verzoek door te overwegen dat het tonen van een 3D-reconstructie naar zijn aard geen geëigend middel zou zijn om de overtuiging te vestigen dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon. Nu de Uitleveringswet geen beperking bevat ten aanzien van de wijze waarop een onschuldexceptie moet worden gevoerd – ik begrijp: het onschuldverweer is vorm vrij –, is dit oordeel onbegrijpelijk, aldus het middel.

52. Het middel berust evident op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. De hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank wijzen duidelijk uit dat de rechtbank de 3D-reconstructie geen geëigend middel vindt omdat “het een onderzoek behelst dat niet in het uitleveringsgeding maar in het strafgeding thuishoort”. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de rechtbank hier geoordeeld dat een dergelijk onderzoek “de waardering van het bewijs of de betrouwbaarheid van een getuige” met zich brengt, een beoordeling die de bevoegdheid van de uitleveringsrechter verre overstijgt. Ik refereer hier weer aan mijn bespreking van het derde middel. Voor zover het middel nog aanvoert dat de uitleveringsrechter naar aanleiding van een onschuldverweer gehouden is de schuldvraag te onderzoeken en derhalve de opgeëiste persoon niet op voorhand het recht had mogen ontzeggen of limiteren om deze presentatie te tonen zonder eerst de inhoud ervan te kennen, stelt het een eis die het recht niet kent.

53. Het middel faalt evident.

54. Het vierde middel keert zich met een motiveringsklacht tegen “meerdere (impliciete) oordelen van de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is op de uitlevering van de opgeëiste persoon en dat de uiteindelijke beslissing tot uitlevering aan de minister van Veiligheid en Justitie is18.

55. Ter onderbouwing van het middel wordt aangevoerd dat dit oordeel onbegrijpelijk is nu:

i) de rechtbank in haar advies aan de minister van Veiligheid en Justitie heeft aangegeven dat Nederland geen ‘langdurige en intensieve uitleveringsrelatie’ heeft met Georgië, en

ii) de rechtbank meer vertrouwen had moeten hebben in het oordeel van vijf andere Europese verdragslanden die om dezelfde reden als waarop de opgeëiste persoon in casu de ontoelaatbaarheid van de uitlevering bepleitte, uitlevering van voormalige Georgische overheidsfunctionarissen hebben afgewezen, dan in een onafhankelijke rechtspraak in Georgië.

56. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

57. Ten eerste meen ik dat de klacht te vaag is. Niet wordt nader gespecificeerd tegen welk (rechts)oordeel van de uitleveringsrechter (als respons op welk verweer) de klacht zich richt. Primair zou hieruit dan ook kunnen volgen dat bij gebrek aan een stellige en duidelijke klacht het middel niet als een cassatiemiddel in de zin der wet kan worden geaccepteerd.19

58. Het middel berust bovendien op een miskenning van de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Veiligheid en Justitie.

59. Het vijfde middel keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM, maar slechts van een mogelijke dreigende schending.

60. De bestreden uitspraak houdt hieromtrent het volgende - voor zover hier van belang - in:

“6.7.1 Voor wat betreft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de dreigende schendingen van de in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde rechten, brengt de rechtbank in herinnering dat het oordeel omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten - voorzover niet neerkomende op een voltooide schending van artikel 3 ten aanzien van zijn persoon, dan wel een dreigende flagrante inbreuk op enig hem in artikel 6 EVRM gegarandeerd recht - ingevolge bestendige rechtspraak nog steeds is voorbehouden aan de minister (vgl HR 25 mei 2004, NJ 2005, 243, recent herhaald in HR 02 juli 2013, ECLI:NL:HR:20I3:146).

6.7.2 De rechtbank stelt vast dat niets is aangevoerd omtrent een voltooide schending van artikel 3 EVRM ten aanzien van de opgeëiste persoon zelf, zodat dit onderdeel geen verdere bespreking behoeft. Hetgeen ter zitting is aangevoerd, te weten dat wegens de detentieomstandigheden, het gebrek aan medische behandeling en het gebruik van geweld door de Georgische autoriteiten, de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een schending van artikel 3 EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, ziet op een mogelijke dreigende schending van artikel 3 EVRM en is, zoals onder 6.7.1 geschetst, ter beoordeling aan de minister, zodat ook dit punt niet verder wordt besproken.

6.7.3 Ten aanzien van het betoog dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM herhaalt de rechtbank dat het bij uitstek aan de Georgische rechter is - en niet aan de uitleveringsrechter - om een oordeel te vellen over de (on)betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal. Daarbij weegt de rechtbank mee de omstandigheid dat uit rapporten van onder meer Human Rights Watch en het United States State Department blijkt dat in Georgië de ontwikkelingen in de rechtsgang voorzichtig positief zijn te noemen.

Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM is betoogd dat getuigen onder ontoelaatbare druk zijn gezet om verklaringen tegen de opgeëiste persoon af te leggen, onder dreiging met marteling wanneer geen de autoriteiten welgevallige verklaring zou worden afgelegd. Bovendien zou bewijs zijn verkregen door middel van marteling van getuigen in de zaak tegen onder meer de opgeëiste persoon. In dit verband is erop gewezen dat de belastende getuige [betrokkene 1] letsel heeft opgelopen ten tijde van zijn verhoor in de zaak tegen de opgeëiste persoon en enkele dagen later is overleden. Uit het omtrent [betrokkene 1] opgemaakte sectierapport is inderdaad letsel af te leiden. Reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat dit letsel van de zijde van de Georgische autoriteiten en in verband met de zaak tegen de opgeëiste persoon aan [betrokkene 1] is toegebracht, kan naar het oordeel van de rechtbank geen causaal verband worden vastgesteld. De rechtbank merkt hierbij op voorbij te gaan aan hetgeen door het openbaar ministerie omtrent het sectierapport is aangevoerd, nu het zijn standpunt dat geen sprake kan zijn van marteling heeft onderbouwd door te verwijzen naar de uitkomsten van een sectie op een geheel andere persoon.

Gelet op het voorgaande biedt hetgeen in de onderhavige zaak is aangevoerd onvoldoende steun voor de vaststelling dat zich in casu een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM voordoet.”

61. Ter onderbouwing voert het middel aan dat de vermeende marteling van een essentiële getuige ([betrokkene 1]) in de Georgische strafzaak van de opgeëiste persoon gelijk is te stellen aan een (voltooide) schending van art. 3 EVRM ten aanzien van de opgeëiste persoon zelf, nu de verklaringen van de gemartelde getuige worden gepresenteerd als bewijs.

62. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. Uit vaste rechtspraak volgt immers:

“Indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon (cursivering DA) in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, dient de verzochte uitlevering door de rechter ontoelaatbaar te worden verklaard.”20

63. Het middel faalt.

64. Het zesde middel klaagt dat de rechtbank het verweer, inhoudende dat er sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, tweede lid, EVRM ten aanzien van de opgeëiste persoon, ongemotiveerd heeft verworpen.

65. In de toelichting wordt aangevoerd dat ter zitting het verweer is gevoerd dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, tweede lid, EVRM, in die zin dat in de media door de huidige ‘state officials’ uitlatingen zijn gedaan over de vermeende schuld van leden van het voormalige Saakashvili-bewind in het algemeen en over de opgeëiste persoon in het bijzonder. Op dit verweer strekkende tot een reeds voltooide schending van de onschuldpresumptie heeft de rechtbank in het geheel niet gerespondeerd, waardoor de uitleveringsbeslissing aan een motiveringsgebrek lijdt, aldus stelt het middel.

66. De pleitnotities d.d. 28 oktober 2014, die volgens het proces-verbaal van de betreffende zitting zijn voorgedragen, houden omtrent het verweer aangaande de reeds voltooide schending van de onschuldpresumptie van art. 6, tweede lid, EVRM het volgende in:21

“4.2.4. Schending onschuldpresumptie art. 6 (2) EVRM

93. Een andere reeds voltooide schending betreft die van art. 6(2) EVRM. Doorslaggevend hiervoor is de verklaring d.d. 24 oktober 2014 van parlementslid Akaki Minashvili:

“Vast majority of the ongoing cases against opposition leaders and former official solely rely on witness testimonies with very thin merits. In many cases more than dozens of witnesses declared that had testified under pressure. At the same time, attack on judiciary started. The government sees the changes in de composition of the High Council of Justice as a way to influence the judiciary in the future. As Justice Minister Tea Tsulukiani admitted at the meeting with Krysztof Lisek, member of the European parliament that “[the government] is not rushing forward with criminal proceedings against opposition representatives because the current judges would not punish them. First we need te reform the judiciary”.”

94. Dit leidt tot de conclusie dat voldaan is aan het criterium, zoals dit is geformuleerd in het arrest van 10 december 2009 van het EHRM inzake Shagin t. Oekraïne:

“The Court underlines that Article 6 § 2 of the Convention cannot prevent the authorities from informing the public about criminal investigations in progress, which would run counter to the principles of the freedom of expression enshrined in Article 10 of the Convention. However, it requires that they do so with all the discretion and circumspection necessary if the presumption of innocence is to be respected (see Allenet de Ribemont, cited above, § 38). At the same time, the investigation and police authorities cannot be held responsible for the actions of the media (see Y.B. and Others v. Turkey, nos. 48173/99 and 48319/99, § 48, 28 October 2004).”

95. David Abesadze wees ons er bovendien op dat in de zaak van 2011 - voor de officiële beschuldiging op 6 maart 2013 - [de opgeëiste persoon] in de media al was veroordeeld en dat over [betrokkene 5] al werd vermeld dat hij op borg zou vrijkomen. Zo is het ook exact verlopen.”

67. De bestreden uitspraak houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

(…)

“Voor wat betreft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de dreigende schendingen van de in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde rechten, brengt de rechtbank in herinnering dat het oordeel omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten - voorzover niet neerkomende op een voltooide schending van artikel 3 ten aanzien van zijn persoon, dan wel een dreigende flagrante inbreuk op enig hem in artikel 6 EVRM gegarandeerd recht - ingevolge bestendige rechtspraak nog steeds is voorbehouden aan de minister (vgl HR 25 mei 2004, NJ 2005, 243, recent herhaald in HR 02 juli 2013, ECLI:NL:HR:20I3:146).

(…)”

68. Kennelijk heeft de rechtbank het verweer zoals in de pleitnotities van de verdediging opgenomen onder de punten 93 tot en met 95 opgevat als een verweer strekkende tot een dreigende schending van art. 6, tweede lid, EVRM (onschuldpresumptie). Gelet op de onderbouwing van dit verweer, is dit oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk. De verdediging heeft immers niet afdoende onderbouwd waaruit de schending van de onschuldpresumptie jegens de opgeëiste persoon precies heeft bestaan. De productie waarnaar in de pleitnotities wordt verwezen (de opmerkingen van parlementslid Akaki Minashvili), houden niets in omtrent uitlatingen die rechtsreeks zien op de (on)schuld van de opgeëiste persoon.

69. Alle middelen falen. Het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

70. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Ter illustratie verwijs ik naar HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698, waarin Uw Raad de afwijzing van een getuigenverzoek in stand liet, welke afwijzing als motivering inhield dat het horen van getuigen a décharge en het toetsen van hun geloofwaardigheid bij uitstek een taak is van de rechter in het (eventuele) uiteindelijke strafproces. De rechter in de uitleveringsprocedure beschikt immers niet over het strafdossier en kan derhalve de verklaringen van de door de raadsman verzochte getuigen niet toetsen. Vgl. voorts HR 18 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0714, NJ 1990/63, waarin Uw Raad het oordeel van de rechtbank in stand liet. Dat oordeel luidde dat uit de door de opgeëiste persoon overgelegde stukken niet onverwijld zijn onschuld kon blijken. Aan de hand van de (Italiaanse) processtukken – zo had de verdediging betoogd – konden tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen worden aangetoond. De rechtbank meende dat een dergelijke behandeling van de Italiaanse processtukken de grenzen van het uitleveringsrecht te buiten zou gaan: m.a.w. een dergelijk onderzoek zou te diepgaand zijn. Dat er in de uitleveringsprocedure in het kader van de onschuldexceptie maar een zeer beperkte ruimte is voor onderzoek wordt ook nog een geïllustreerd door HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2449, waarin het bevragen van één getuige omtrent het bij de Amerikaanse autoriteiten op te vragen serienummer van een wapen, als een te diepgaand onderzoek werd aangemerkt.

2 Vgl. vaste rechtspraak: o.m. HR 18 april 1989, NJ 1990/63, voorts mijn conclusie van 22 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1268, de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voor HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2449 (ECLI:NL:PHR:2011:BP2449), zijn conclusie van 24 november 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BJ9266, en zijn conclusie voor HR 8 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5834 (ECLI:NL:PHR:2003:AF5834).

3 Vgl. respectievelijk HR 28 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0842, NJ 1998/212 (thuis),
HR 3 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AB8543, NJ 1982/125 (detentie) en rechtbank Amsterdam
10 februari 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AV3966 (ziekenhuisopname).

4 Vgl. N. Keijzer, Handboek Strafzaken, 91.9.6.

5 A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 429.

6 Swart a.w., p. 432.

7 Swart a.w., letterlijk, p. 445.

8 Swart, a.w., p. 430-431.

9 Vgl. de conclusie van Van Dorst voor HR 28 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0842, NJ 1998/212, alsmede J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda-Quint BV 1990, p. 47

10 In HR 17 februari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7147, NJ 1981/536 oordeelde de Hoge Raad reeds (rov. 5) dat "in het Nederlandse stelsel van strafvordering het horen als getuige van een partij in het strafgeding, zoals een OvJ die tijdens het gerechtelijk vooronderzoek het OM vertegenwoordigde, niet past". Ik acht deze oude jurisprudentie enigszins verwarrend. Daarop kom ik terug.

11 Zie vorige voetnoot. Zie ook HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1070, NJ 1991/98.

12 Voor de goede orde: ik versta onder ‘deelnemers aan het onderzoek ter terechtzitting’ uitsluitend de aldaar als zodanig aanwezige rechters, de griffier, de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, de verdachte en de raadsman.

13 Zie HR 2 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9069, r.o. 6.3. Misschien kan HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1070, NJ 1991/98 ook worden beschouwd als exemplarisch voor deze tweede regel. Een soortgelijke regel geldt, dunkt mij, voor rechters en rechters-commissarissen, zie HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1336, NJ 2000/108 (4M).

14 De artt. 287 en 288 Sv zijn in art. 29 Uw niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

15 Vgl. N. Keijzer, Handboek Strafzaken, 91.9.6, en HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534, NJ 2004/595, r.o. 3.4.3.

16 Vgl. o.m. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, NJ 2013/263, HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0838, NJ 2011/206, HR 17 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9536, NJ 2003/635,
HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534, NJ 2004/595, r.o. 3.4.2.

17 De onderzoeksbevoegdheid van de uitleveringsrechter strekt zich m.i. niet uit over onderwerpen die het advies aan de minister van Veiligheid en Justitie raken. Zie HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, r.o. 3.2.3, en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter, ECLI:NL:PHR:2012:BW2489, onder nrs. 39 - 43.

18 Ik ben hier zo vrij geweest enigszins te parafraseren. De exacte tekst van het middel luidt: “(…) doordat de Rechtbank in de uitspraak van 14 november 2014 meerdere keren (impliciet) heeft benadrukt dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is op de uitlevering van rekwirant en dat de uiteindelijke beslissing tot uitlevering aan de minister is, (…)”.

19 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 187.

20 Vgl. o.m. HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0838, NJ 2011/206, en meer recentelijk HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, NJ 2013/263.

21 Hier weergegeven zonder de voetnoten.