Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:812

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14/03600
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1869, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Niet tijdig leggen van beslag. Schade. Causaal verband. Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/03600

mr. J. Spier

Zitting 29 mei 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

Nederlandse Ski Vereniging

(hierna NSV)

tegen

1. [verweerder 1]

(hierna [verweerder 1])

2. [verweerster 2]

(hierna tezamen [verweerders])

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de navolgende feiten uit worden gegaan.1

1.2

[verweerder 1] heeft NSV als advocaat rechtsbijstand verleend in haar geschil met [A] (hierna: [A]). NSV heeft tegen [A] een vordering bij de Rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakt, die ertoe strekte dat [A] zou worden veroordeeld tot nakoming van de tussen NSV en [A] gesloten sponsorovereenkomst, door betaling aan NSV van € 45.378,02 per jaar. In reconventie vorderde [A] terugbetaling van

€ 90.756,04 op grond van de stelling dat NSV de sponsorovereenkomst niet deugdelijk was nagekomen. De Rechtbank heeft in haar vonnis van 3 maart 2004 de conventionele vordering toegewezen en de reconventionele vordering afgewezen. Bij arrest van 18 mei 2006 heeft het Hof Amsterdam het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 18 april 2008 verworpen.

1.3

Op 17 februari 2005 heeft [B] (hierna: [B]), een aan [A] gelieerde rechtspersoon, ten laste van NSV conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [A] op al hetgeen [A] verschuldigd mocht zijn aan NSV. Dit beslag is in een geding tussen NSV en [B] opgeheven bij vonnis van de Rechtbank Den Haag van 5 september 2007.

1.4

Nadat (eerdere) opdrachten van 13 oktober 2004 en 11 oktober 2007 van [verweerder 1] aan het door hem ingeschakelde deurwaarderskantoor om tot executie over te gaan op verzoek van [verweerder 1] waren aangehouden, heeft [verweerder 1] bij brief van 23 april 2008 het deurwaarderskantoor verzocht de executie in te zetten. Bij deze brief zond [verweerder 1] een overzicht van onroerende zaken die ten name van [A] waren gesteld waarop volgens [verweerder 1] beslag kon worden gelegd.

1.5

Het deurwaarderskantoor is niet tot beslaglegging overgegaan. Op 19 mei 2008 zijn de objecten waarop [verweerder 1] beslag had willen leggen overgedragen aan een derde.

1.6

Verhaal van de vordering van NSV op [A], in hoofdsom groot € 136.134, is niet mogelijk gebleken. [A] is op 6 maart 2012 in staat van faillissement verklaard.

2 Procesverloop

2.1

Op 12 mei 2011 heeft NSV [verweerders] gedagvaard voor de Rechtbank ’s Gravenhage. Zij heeft gevorderd [verweerders] te veroordelen tot vergoeding van de schade die NSV door hun nalaten heeft geleden. NSV begroot deze schade op € 136.134 in hoofdsom (gemiste sponsorgelden), € 10.213 wegens onverhaalbare proceskostenveroordelingen en € 39.185,80 wegens door NSV gemaakte kosten ter incasso van haar vordering op [A] en € 6.988,32 buitengerechtelijke kosten.2

2.2

[verweerders] hebben de vordering bestreden. Zij hebben tevens een reconventionele vordering ingesteld; deze speelt in cassatie geen rol meer.

2.3

De Rechtbank heeft in haar eindvonnis van 20 juni 2012 de vorderingen in conventie en reconventie afgewezen.3

2.4

NSV is van het vonnis in hoger beroep gekomen. [verweerder 1] heeft verweer gevoerd. Het Hof Den Haag heeft in zijn arrest van 1 april 2014 het vonnis bestreden bekrachtigd. Het Hof wijst er in rov. 1.8 op dat [verweerders] erkennen dat de deurwaarder toerekenbaar tekort is geschoten en dat dit voor hun rekening komt. Het Hof overweegt vervolgens:

“2.1 Met grief I komt NSV op tegen het oordeel van de rechtbank, dat een eventuele fout van [verweerder 1] in de periode vóór april 2008 niet relevant is, omdat een dergelijke fout in beginsel geen schade kan hebben veroorzaakt die niet in dezelfde mate zou zijn veroorzaakt door de fout van april 2008. NSV voert als toelichting op deze grief aan dat in de periode 2004-2008 sprake is geweest van een aanmerkelijke afname van verhaalsobjecten.

2.2

De grief kan reeds niet slagen omdat NSV nalaat aan te geven op welke concrete vermogensbestanddelen van [A], anders dan de op 19 mei 2008 overgedragen objecten, [verweerder 1] in de periode 2004-2008 beslag had kunnen laten leggen. Nu NSV dit niet heeft gedaan kan ook niet worden vastgesteld of het achterwege laten van beslag in die periode tot schade voor NSV heeft geleid. De enkele omstandigheid dat [A] in 2005 in het kader van een afstempeling van het aandelenkapitaal circa € 2,5 miljoen aan haar aandeelhouder zou hebben betaald wil niet zeggen dat het hier een voor beslag door NSV vatbare vordering betrof, voor zover NSV dat zou willen betogen. De rechtbank heeft dan ook terecht, wat er ook zij van de door haar gevolgde redenering, beslist dat niet relevant is of [verweerder 1] vóór april 2008 ook nalatig is geweest met beslaglegging of de advisering daaromtrent.

2.3

In grief V (....) vecht NSV het oordeel van de rechtbank aan dat beslaglegging op de (aandelen in de) onroerende zaken in april 2008 niet tot incasso van (een deel van) de vordering van NSV op [A] zou hebben geleid. NSV voert aan dat de 11 onroerende zaken (hierna: de onroerende zaken) die op 19 mei 2008 door [A] zijn overgedragen aan haar dochtervennootschap De Admiraliteit Holding B.V. (hierna: de Admiraliteit), een bepaalde waarde vertegenwoordigden en dat dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 februari 2011. In die uitspraak wordt volgens NSV overwogen dat de Admiraliteit aan Timpaan Vastgoed B.V. voor een koopsom van € 600.000 een paar percelen grond heeft overgedragen, waaronder perceel Alkmaar F7766, een van de onroerende zaken, alsmede een zelfstandig en eeuwigdurend recht van opstal tot het hebben van een ondergrondse parkeerkelder heeft verleend met betrekking tot de percelen F5790 en F7766. In zijn algemeenheid is volgens NSV weliswaar juist dat met hypotheek belaste onroerende zaken zonder overwaarde niet als verhaalsobject kunnen worden aangemerkt, maar de rechtbank had op grond van de, in appel betwiste, algemene stellingen van [verweerders], er niet van uit mogen gaan dat er geen overwaarde was. Bovendien waren verhaalsmogelijkheden aanwezig omdat onder de grond een commerciële parkeergarage werd geëxploiteerd. De overweging van de rechtbank dat [verweerder 1] niet had behoeven te weten dat [A] een parkeergarage exploiteerde en dat op de opbrengsten van die exploitatie beslag kon worden gelegd, is onbegrijpelijk, aldus NSV, omdat [verweerder 1] dit gezien de door hem in eerste aanleg overgelegde productie 14 heel goed wist.

2.4

Het hof stelt voorop dat stelplicht en bewijslast van het causaal verband, daaronder begrepen het sine qua non-verband, tussen het gestelde tekortschieten van [verweerder 1] en de door NSV geleden schade op NSV als eisende partij rust. Nu [verweerders] het causaal verband gemotiveerd betwisten met de stelling dat de onroerende zaken bij executie in april 2008 niets hadden opgeleverd, betekent dit dat NSV dient te bewijzen dat de onroerende zaken bij executie wel iets hadden opgeleverd. Het hof zal de grief tegen deze achtergrond beoordelen.

2.5

Uitgangspunt is voorts dat, zoals NSV erkent, in zijn algemeenheid met hypotheek belaste onroerende zaken zonder overwaarde niet als verhaalsobject kunnen worden aangemerkt. Vast staat dat de onroerende zaken waren belast met drie hypothecaire inschrijvingen van € 3.403.351 (ten gunste van Westland/Utrecht), € 1.250.000 (ten gunste van ABN AMRO) en € 3.000.000 (eveneens ten gunste van ABN AMRO). Tegen deze achtergrond had het op de weg van NSV gelegen om, bijvoorbeeld aan de hand van taxatierapporten en de (resterende) omvang van de door hypotheek gedekte vorderingen, aan te tonen, althans voldoende onderbouwd te stellen, dat er sprake was van overwaarde zodat executie in april 2008 iets had opgeleverd, maar NSV laat dit na.

2.6

NSV voert slechts aan dat uit een uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 februari 2011 blijkt dat de onroerende zaken een bepaalde waarde vertegenwoordigen. In die uitspraak wordt overwogen dat de Admiraliteit aan Timpaan Vastgoed B.V. voor een koopsom van € 600.000 een paar percelen grond heeft overgedragen, waaronder perceel F7766 (deels), een van de onroerende zaken, en een eeuwigdurend recht van opstal heeft gevestigd op enkele andere percelen, waaronder de percelen F7766 (deels) en F5790, eveneens behorende tot de onroerende zaken. Uit deze feiten valt evenwel niet af te leiden dat executie van de percelen F7766 en F5790 tot enige opbrengst had geleid. De prijs van € 600.000 is immers de prijs voor alle percelen die worden overgedragen respectievelijk waarop een opstalrecht wordt gevestigd, maar slechts een deel van die percelen behoort tot de onroerende zaken, zodat niet valt na te gaan welk aandeel deze laatste zaken in de totaalprijs hebben gehad. Voorts zegt de hier bedoelde overeenkomst niets over de waarde van de onroerende zaken in april 2008, nu niet blijkt dat de onroerende zaken met de daarop rustende hypotheekrechten aan Timpaan Vastgoed werden overgedragen, terwijl dit laatste niet voor de hand ligt. Met die hypotheekrechten had NSV in april 2008 wel rekening te houden.

2.7

NSV voert voorts aan dat [verweerder 1], gezien de door hem overgelegde productie 14, heel goed wist dat [A] een parkeergarage exploiteerde. Dat [A] een parkeergarage exploiteerde blijkt echter niet uit deze productie (de Akte van uitgifte in erfpacht van 1 mei 2001). Hieruit blijkt hoogstens (onder 1.1) dat er een parkeergarage lag onder de percelen die in erfpacht uitgegeven werden, niet dat [A] deze exploiteerde en daar inkomsten uit genoot. NSV onderbouwt haar stelling ook op geen enkele wijze.

2.8

De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat executie van de onroerende zaken in april 2008 iets zou hebben opgeleverd. De grief faalt.

2.9

Nu blijkens het voorgaande het causaal verband tussen de aan [verweerder 1] verweten tekortkoming en de schade van NSV niet is aangetoond, heeft NSV geen belang bij de grieven II, III en IV die op deze toerekenbare tekortkoming betrekking hebben. Ook indien deze grieven gegrond zouden zijn kunnen zij immers niet tot toewijzing van de vordering van NSV leiden. Deze grieven falen dus bij gebrek aan belang.”

2.5

NSV heeft tijdig cassatieberoep doen bezorgen. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

3 Behandeling van het middel

3.1 ’

s Hofs oordeel komt erop neer dat NSV onvoldoende heeft gesteld waaruit valt af te leiden dat er concrete vermogensbestanddelen zouden zijn geweest waarop beslag had kunnen worden gelegd wanneer – kort gezegd – tijdig beslag zou zijn gelegd. Daarbij gaat het niet om de vraag of [A] vermogensbestanddelen had, maar om die of deze bekend waren of hadden moeten zijn. Immers kan geen beslag worden gelegd op de schuldeiser onbekende vermogensbestanddelen van de schuldenaar, gesteld al dat daarvan sprake was.

3.2

Onderdeel 1 behelst geen klacht.

3.3.1

Onderdeel 2 vergt van het Hof dat het aan de hand van een (goot) aantal producties waarop in de processtukken zelf geen beroep wordt gedaan (in elk geval wordt geen vindplaats genoemd) zelf zou hebben moeten becijferen of sprake was van vermogensbestanddelen als bedoeld onder 3.1. Het zet aldus de zaken op hun kop. Het had op de weg van NSV gelegen om op dit punt nuttige stellingen te formuleren.

3.3.2

Zelfs als de gepropageerde zelfwerkzaamheid van het Hof kon worden gevergd, zou dat niet tot een andere uitkomst leiden. Het Hof had dan hooguit kunnen vaststellen dat er (mogelijk) relevante vermogensbestanddelen waren, maar niet welke dat waren. Dat laatste is evenwel een vereiste voor het leggen van beslag.

3.4

Het onderdeel mislukt ook omdat rov. 2.2, waartegen de klacht zich richt, inhoudt dat er geen schade was en niet dat het causaal verband ontbrak, zoals de ponens meent. Volledigheidshalve: in rov. 2.9 wordt wel gesproken over “het causaal verband”.

3.5

Onderdeel 3 biedt geen nieuwe gezichtspunten. Het mislukt dus eveneens.

3.6

Volgens onderdeel 4 geeft ‘s Hof oordeel voorts blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk waar het in rov. 2.3 - 2.8 - kort samengevat - overweegt dat uit de omstandigheid dat op 19 mei 2008 de door het Hof genoemde onroerende zaken zijn overgedragen aan de dochtervennootschap de Admiraliteit Holding B.V., “welke vennootschap vervolgens een deel van de onroerende zaken op haar beurt heeft verkocht aan De Timpaan B.V. voor een koopsom van € 600.000 belast zouden zijn geweest met drie hypothecaire inschrijvingen niet valt af te leiden dat “er sprake was van overwaarde zodat executie in april 2008 iets had opgeleverd””. Het Hof zou nalaten aan te geven waarom deze eventuele hypothecaire belasting aan beslaglegging in de weg moest staan en voorts om (kenbaar) bij zijn oordeelsvorming de door [verweerders] bij conclusie van antwoord in eerste instantie d.d. 20 juli 2010 overgelegde producties 14 en 16 te betrekken, omdat uit productie 14 blijkt dat [A] de enig beherende vennoot was van Kooimeerplein Alkmaar 5 C.V., destijds de eigenaar van de parkeerplaats en de daaronder liggende parkeergarage, terwijl uit productie 16 blijkt dat op 19 mei 2008 [A] Beleggingsmaatschappij N.V., een dochtervennootschap van [A] de betreffende onroerende zaken onbezwaard heeft overgedragen aan De Admiraliteit Holding B.V. op grond van welke omstandigheden vooralsnog bewezen, althans aannemelijk moet worden geacht dat die overgedragen zaken een marktwaarde hadden van € 600.000. In het licht hiervan is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dat het Hof [verweerders] niet met het bewijs heeft belast dat de aan De Admiraliteit Holding B.V. onbezwaard overgedragen onroerende zaken geen waarde hadden.

3.7

Ook deze klacht mislukt. Zij is onvoldoende begrijpelijk en voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Het Hof was niet gehouden om suo sponte te gaan grasduinen in één van de vele overgelegde producties zonder dat de conclusie van antwoord, waarop het onderdeel beroep doet, op een begrijpelijke wijze aangaf waarom die productie ertoe deed. Daar komt nog bij dat in cassatie niet wordt bestreden ’s Hofs oordeel dat de prijs van € 600.000 de prijs was voor alle percelen die werden verkocht of waarop een opstalrecht werd gevestigd, zodat niet duidelijk is welk aandeel de zaken van De Admiraliteit (een dochter van [A]) in de totaalprijs hebben gehad.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 1.1-1.6 van het in cassatie bestreden arrest van het Hof Den Haag van 1 april 2014.

2 Zie voor de grondslag van de vordering rov. 4.1 van het vonnis in prima.

3 Zie voor een samenvatting van haar oordeel rov. 1.9 van het arrest a quo.