Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:809

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
15/01399
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1733, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Executiegeschil. Kracht van gewijsde vonnis in kort van geding. Auteursrechtelijk beschermd werk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 15/01399

Mr A. Hammerstein

Zitting: 29 mei 2015

Conclusie (art. 80a RO)

[eiser] ,

hierna: [eiser]

tegen

1. Team10 B.V.,

2. [verweerster 2],

3. [verweerster 3],

4. [verweerster 4],

hierna gezamenlijk: Team10 c.s.

1. [eiser] verzorgde onder de naam Team10 hardlooptrainingen. Hij is bestuurder en enig aandeelhouder van [A]. Nadat de eenmanszaak van [eiser] in 2012 in financiële problemen was geraakt hebben de bestuurders van verweerders in cassatie onder 2-4, [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], zich bereid verklaard om [eiser] financieel te ondersteunen. In dat kader is onder meer afgesproken dat de eenmanszaak zou worden omgezet in een besloten vennootschap, waarvan [eiser] en [betrokkene 3] via hun vennootschappen bestuurders zouden worden. Op 12 juli 2012 is Team10 B.V. opgericht en is tussen de aandeelhouders van Team10 B.V. een aandeelhoudersovereenkomst gesloten en tussen [A] en Team10 B.V. een managementovereenkomst. Aandeelhouders van Team10 B.V. zijn [A] en verweerders in cassatie onder 2-4. Kort na de oprichting van Team10 B.V. is binnen het bestuur van Team10 B.V. onenigheid ontstaan en is het besluit genomen [A] als bestuurder te ontslaan. Tevens is voorgesteld tijdelijk geen managementfee uit te keren. [eiser] had bezwaar tegen dit voorstel. Bij brief van 10 januari 2013 heeft Team10 B.V. de managementovereenkomst opgezegd met [A] en eveneens de trainingsovereenkomst met [eiser]. Team10 c.s. hebben vervolgens in maart 2013 een kort geding aanhangig gemaakt tegen [eiser] waarin zij onder meer vorderden dat [eiser] (Holding) zich zou houden aan de non-actiefstelling en aan het concurrentiebeding, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van 5 april 2013 heeft de voorzieningenrechter deze vorderingen toegewezen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 100.000,-. Op 30 september 2013 hebben Team10 c.s. bij deurwaardersexploit aanspraak gemaakt op een bedrag van € 100.000,- aan verbeurde dwangsommen.1

2. [eiser] heeft in dit kort geding, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, de veroordeling van Team10 c.s. gevorderd tot het staken van executiemaatregelen en tot het zich onthouden van inbreuken op zijn intellectuele eigendomsrechten. Het hof heeft, in navolging van de voorzieningenrechter, deze vorderingen bij arrest van 14 oktober 2014 afgewezen. [eiser] heeft tegen dit arrest tijdig cassatieberoep ingesteld. Team10 B.V. c.s. zijn in cassatie niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

3. De klachten van de middelen rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. In een executiegeschil kan alleen de executie zelf voorwerp van geschil zijn, niet meer de hoofdzaak waarin vonnis is gewezen. Het vonnis geeft de executant de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. Er kunnen geen inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis meer worden aangevoerd. De rechter kan slechts staking van de executie bevelen als de executant misbruik van zijn executiebevoegdheid zou maken door de tenuitvoerlegging door te zetten (art. 3:13 BW).2

4. Het hof kwam in rov. 3.5 tot de slotsom dat er voor het uitspreken van een verbod op executiemaatregelen geen reden is en heeft daartoe, kort gezegd, overwogen (i) dat niet in geschil is dat het vonnis van 5 april 2013, waarbij – op straffe van verbeurte van dwangsommen – de veroordelingen zijn uitgesproken die inzet zijn van het door [eiser] aanhangig gemaakte executiegeschil, inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan en dat derhalve voor zover [eiser] als gevolg van de niet naleving daarvan dwangsommen heeft verbeurd, daaraan in beginsel niet meer door een rechterlijke uitspraak kan worden getornd, (ii) [eiser] in genoemd vonnis is veroordeeld tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit het in de aandeelhoudersovereenkomst en managementovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding en hem is gelast om zich tot 11 oktober 2013 te onthouden van de in dat beding genoemde activiteiten, (iii) [eiser] niet bestrijdt dat hij (in ieder geval) in de periode na 1 september 2013 concurrerende activiteiten heeft verricht in de in genoemd vonnis bedoelde zin en daarmee (in beginsel) het in dat vonnis aan hem opgelegde verbod heeft overtreden, (iv) het betoog dat Team10 c.s. geen beroep toekomt op het non-concurrentiebeding bij gebrek aan relevant belang, nu de activiteiten van Team10 B.V. per 1 september 2013 zijn gestaakt, niet als juist kan worden aanvaard omdat (iv.a) een belang om [eiser] ook na 1 september 2013 aan het concurrentiebeding te houden Team10 c.s. niet kan worden ontzegd en (iv.b) daarbij komt dat Team10 c.s. betwisten dat Team10 B.V. haar activiteiten per 1 september 2013 geheel heeft gestaakt, (v) het betoog dat Team10 c.s. in de gegeven omstandigheden misbruik van recht maken door de dwangsomveroordeling te executeren moet worden verworpen, (vi) voor matiging van het bedrag van de verbeurde dwangsommen gelet op het karakter van de dwangsomveroordeling als prikkel tot nakoming geen plaats is.

5. Middel I richt zich tegen het bij 4 onder (i) bedoelde oordeel. Het betoogt in de kern dat een vonnis in kort geding naar aard en (rechts-)karakter geen kracht van gewijsde krijgt. Deze klacht faalt. Een vonnis dat ‘kracht van gewijsde’ heeft verkregen is een vonnis waartegen geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan en dat derhalve niet meer kan worden aangetast door één van deze rechtsmiddelen (verzet, hoger beroep of cassatie). Er is dan sprake van een onherroepelijk vonnis. Die uitspraak bepaalt dan de rechtsbetrekking tussen partijen. Dit geldt ook voor een vonnis in kort geding. Nu tegen bedoeld kortgedingvonnis van 5 april 2013 geen hoger beroep is ingesteld heeft het hof terecht geoordeeld dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.3

6. Middel II bouwt voort op middel I en ziet op het bij 4 onder (iv)-(vi) bedoelde oordeel. Het betoogt in de kern dat het hof geen rekening heeft gehouden met veranderde omstandigheden. Deze klacht deelt in het lot van middel I. Dit geding betreft in zoverre een geschil over de tenuitvoerlegging van het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 5 april 2013 waartegen geen inhoudelijke bezwaren meer kunnen worden aangevoerd. Een uitleg van de stellingen van partijen is bovendien voorbehouden aan het hof en kan in cassatie niet worden overgedaan. Het oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde, in het licht van de stellingen van partijen, geen nadere motivering.

7. Middel III is klaarblijkelijk gericht tegen rov. 3.6.3 waarin het hof overweegt dat door [eiser] niet zodanig aannemelijk is gemaakt dat het klantenbestand, het trainersbestand en de trainingsmethode Team10 zijn aan te merken als werk in de zin van de auteurswet dat een op een auteursrecht gegrond verbod om daarop inbreuk te maken in het kader van dit kort geding voor toewijzing in aanmerking komt. Het middel betoogt in de kern dat er wel sprake is van auteursrechtelijk beschermd werk. De klacht faalt. Het betreft hier een feitelijk oordeel dat is voorbehouden aan de feitenrechter en dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. In het licht van de stellingen van partijen behoefde dit oordeel geen nadere motivering.

8. Ik kom tot de slotsom dat het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet ontvankelijk verklaard kan worden.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

waarnemend advocaat-generaal.

1 Voor een gedetailleerde weergave van de feiten zie het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2013 rov. 2.1-2.14 in samenhang met het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 oktober 2014 rov. 2 en 3.1.

2 HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145 m.nt. W.H. Heemskerk; HR 8 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1087, NJ 1994/508 m.nt. H.J. Snijders.

3 Aan een vonnis in kort geding komt geen ‘gezag van gewijsde’ toe: ook als zij in kracht van gewijsde is gegaan behelst zij slechts voorlopige oordelen en beslissingen die nog ongedaan kunnen worden gemaakt in een bodemprocedure. Zie ook HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583, NJ 1995/213.