Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:807

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
14/03220
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2814, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Appel)procesrecht. Ontvankelijkheid in hoger beroep, apparaatsfout (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359). Verschoonbare termijnoverschrijding in dagvaardingsprocedure (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894), ratio uitzondering op strikte handhaving rechtsmiddelentermijnen. Toegang tot elektronisch roljournaal, positie gemachtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 14/03220

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 29 mei 2015

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerder 2]

3. [verweerster 3]

4. [verweerder 4]

Het gaat in deze pachtzaak om de vraag of appellant, die na het verstrijken van de appeltermijn in hoger beroep is gekomen, een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding toekomt.

1. Feiten 1 en procesverloop 2

1.1 Eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) is de broer van verweerders in cassatie onder 1 tot en met 4 (hierna: [verweerders] ).

[eiser] heeft, toen vader [de vader] nog leefde, samen met hem een veehouderijbedrijf geëxploiteerd, in welk kader [eiser] bij overeenkomst van 11 maart 1985 de hoeve aan de [a-straat 1] te [plaats] , met bijbehorende grond van vader [de vader] heeft gepacht.

Deze pachtovereenkomst is goedgekeurd door de grondkamer bij beslissing van 17 april 1985.

1.2 In de laatste levensjaren van de ouders van partijen hebben [eiser] al dan niet samen met zijn zoon [de zoon] aan de ene zijde, en [verweerders] aan de andere zijde, herhaaldelijk getracht afspraken te maken over een mogelijke verkoop van de door [eiser] gepachte hoeve met bijbehorende grond, zo mogelijk al dan niet samen met [eiser] privé in eigendom toebehorende, aanpalende percelen en/of een zich daarop bevindende stal.

Deze besprekingen over de jaren heen hebben niet tot overeenstemming geleid tussen partijen. Inmiddels zijn de ouders van partijen overleden en zijn [eiser] en [verweerders] als hun erfgenamen tevens gezamenlijk de verpachters van [eiser] als pachter.

1.3 Bij inleidende dagvaarding van 7 juli 2011, hersteld bij exploot van 11 juli 2011, heeft [eiser] [verweerders] gedagvaard voor de pachtkamer van de rechtbank Roermond3 en daarbij de rechtbank verzocht om:

a) zijn zoon, [de zoon] , aan te merken als medepachter met betrekking tot de gepachte hoeve;

b) te bepalen dat verpachters binnen twee weken na het door de pachtkamer te wijzen vonnis, althans binnen een door de pachtkamer te bepalen termijn, dienen zorg te dragen voor vervanging van twaalf kozijnen met ramen van de grupstal;

c) te bepalen dat hij gerechtigd is tot een vermindering van de pachtprijs van € 2.270,-- per half jaar in verband met vermindering van het pachtgenot ten gevolge van het gebrek aan de ramen in de grupstal, althans een zodanige pachtvermindering als de pachtkamer in goede justitie mag vermenen te behoren;

d) verpachters te veroordelen in de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde van eiser daaronder begrepen.

1.4 Verweerders in cassatie onder 1 tot en met 34 hebben bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie verweer gevoerd en (in reconventie) gevorderd:

i) dat de pachtkamer [eiser] zal veroordelen in de kosten van het herstel van de twaalf kozijnen en ramen op de voet van art. 7:352 BW vanwege aan hem toe te rekenen achterstallig onderhoud aan het gepachte en

ii) bij niet nakoming van deze veroordeling, binnen een daartoe in goede justitie te bepalen termijn, tot ontbinding van de pachtovereenkomst wegens zeer ernstige wanprestatie zijdens de pachter gepleegd jegens verpachters.

1.5 De pachtkamer heeft bij vonnis van 3 april 2012 een comparitie van partijen bevolen5, die blijkens het (eind)vonnis van 4 december 2013 heeft plaatsgevonden op 11 juni 2012. Er is ofwel geen proces-verbaal opgemaakt van deze zitting, ofwel ontbreekt dit stuk in beide procesdossiers.

1.6 De pachtkamer heeft op 4 december 2013 (eind)vonnis gewezen waarin de rechtbank in conventie [verweerders] heeft veroordeeld om binnen vier weken na het wijzen van het vonnis de twaalf kozijnen met ramen in de grupstal te (doen) vervangen door nieuwe ramen en in conventie en reconventie het meer of anders gevorderde heeft afgewezen en de proceskosten heeft gecompenseerd.

1.7 [eiser] is bij exploot van 17 januari 2014 van de vonnissen van 3 april 2012 en 4 december 2013 in hoger beroep gekomen bij de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

Hij is vervolgens door het hof in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de tijdigheid van het hoger beroep6.

1.8 Bij akte van 18 februari 2014 heeft [eiser] gesteld dat hij er niet mee bekend was dat het vonnis op 4 december 2013 is gewezen, dat hij het vonnis pas op 9 januari 2014 heeft ontvangen en dat hij dus als gevolg van een apparaatsfout, die hem niet kan worden toegerekend, niet de mogelijkheid heeft gehad om tijdig hoger beroep in te stellen7.

1.9 [verweerders] hebben zich in hun “antwoordakte tijdigheid appel” van 4 maart 2014 – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is omdat geen sprake is geweest van een apparaatsfout, voorts dat in de onderhavige dagvaardingsprocedure geen sprake kan zijn van de uitzondering op de regel zoals geformuleerd in HR 28 november 20038 omdat die uitspraak een verzoekschriftprocedure betrof en tot slot dat de gemachtigde van [eiser] door de rol (beter) te bewaken, er achter had kunnen komen dat op 4 december 2013 (bij vervroeging) vonnis was gewezen9.

1.10 Het hof heeft [eiser] bij arrest van 15 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en hem in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

1.11 [eiser] heeft – tijdig10 – cassatieberoep ingesteld.

[verweerders] hebben verweer gevoerd in cassatie.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna nog een conclusie van repliek en van dupliek zijn genomen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat uit drie onderdelen bestaat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“3.4 Anders dan appellant heeft bepleit, kunnen deze omstandigheden geen uitzondering op strikte handhaving van de beroepstermijn rechtvaardigen. Door de Hoge Raad is slechts eenmaal een dergelijke uitzondering wegens een apparaatsfout aanvaard (zie het hiervoor genoemde arrest11 van 28 november 2003) maar die uitspraak had betrekking op een verzoekschriftprocedure waarin de appellant door een fout van (de griffie van) het gerecht niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de rechtsmiddelentermijn was toegezonden of verstrekt. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat in een verzoekschriftprocedure, door het ontbreken van een rol, voor een procespartij dan wel haar advocaat niet eenvoudig is na te gaan wanneer een uitspraak volgt, indien de rechter niet heeft medegedeeld op welke datum die uitspraak wordt gedaan, en dat het daarnaast door het ontbreken van een uitspraak ter rolle ook niet mogelijk is eenvoudig te achterhalen dát uitspraak is gedaan.

3.5

In dit geval is evenwel sprake van een dagvaardingsprocedure, waarbij het vonnis ter rolle is uitgesproken. Anders dan in een verzoekschriftprocedure had appellant, die werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, ter rolle kunnen zien dat uitspraak werd gedaan. Dat aan DAS op 5 november 2013 was bericht dat op 8 januari 2014 vonnis zou worden gewezen, maakt dat niet anders. Het had DAS, als professionele rechtsbijstandverlener, bekend moeten zijn dat het regelmatig voorkomt dat op een andere dan de aangezegde datum vonnis wordt gewezen en DAS had daarmee dan ook rekening moeten houden en dit, juist ook gelet op de relatief korte appeltermijn in pachtzaken, behoren te bewaken. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om voornoemde in een verzoekschriftprocedure aanvaarde uitzonderingsmogelijkheid zich ook te laten uitstrekken tot een geval als het onderhavige.”

2.2

Onderdeel 1 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft bedoeld te oordelen dat alleen in verzoekschriftprocedures – en dus niet in een dagvaardingsprocedure – een apparaatsfout een uitzondering kan rechtvaardigen op de regel dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Indien het hof heeft bedoeld te overwegen en te beslissen dat ook in een dagvaardingsprocedure een apparaatsfout onder bepaalde omstandigheden een uitzondering op de overschrijding van de beroepstermijn kan rechtvaardigen, klaagt onderdeel 2 dat het hof in dat geval ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, deze uitzonderingsmogelijkheid alleen heeft getoetst aan de voorwaarden door de Hoge Raad geformuleerd voor de verzoekschriftprocedure. Volgens onderdeel 3 is het hof bij zijn oordeel dat de omstandigheden van dit concrete geval geen uitzondering rechtvaardigen op de regel dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden, (deels) van onjuiste feiten uitgegaan waardoor dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

2.3

In de toelichting op de eerste twee onderdelen wordt onder meer een beroep gedaan op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) inzake de verenigbaarheid van beperkingen aan de toegang tot de appelprocedure met het recht op toegang tot de rechter in art. 6 EVRM12, op de rechtsstelsels in de ons omringende landen, waarin net als in Nederland het uitgangspunt is dat appeltermijnen van openbare orde zijn en ambtshalve door de rechter moeten worden bewaakt, maar die een verdergaande soepelheid op het aanvaarden van een uitzondering daarop kennen dan in de beschikking van de Hoge Raad van 28 november 2003 besloten ligt13, en voorts op de bestuursrechtspraak14 en de strafrechtspraak15.

2.4

Ik behandel de onderdelen gezamenlijk.

2.5

Na het bestreden arrest en het uitbrengen van de cassatiedagvaarding heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen over verschoonbare termijnoverschrijding in dagvaardingszaken16. Gelet op deze en eerdere rechtspraak gelden de volgende uitgangspunten en regels in zowel dagvaardings- als in verzoekschriftprocedures:

(i) Rechtsmiddeltermijnen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt. Aan rechtsmiddeltermijnen dient dan ook strikt de hand te worden gehouden17.

(ii) Op laatstgenoemd uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten18.

(iii) Een termijnoverschrijding is verschoonbaar indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt19.

(iv) Niet verschoonbaar is een termijnoverschrijding indien tijdens de mondelinge behandeling waarbij partijen, voorzien van rechtsbijstand, aanwezig waren, door de voorzitter is medegedeeld dat op een bepaalde datum uitspraak zal worden gedaan, en dit ook daadwerkelijk gebeurt20.

(v) De (proces)advocaat moet op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die verbonden zijn aan overschrijding daarvan21.

(vi) Er kan evenwel sprake zijn van een bijzondere situatie, waarin een uitzondering gerechtvaardigd is op de gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding van een processuele termijn22.

2.6

In de onderhavige zaak heeft [eiser] in zijn onder 1.8 genoemde akte het volgende gesteld:

- Omdat het wijzen van het vonnis uitbleef en de rechtbank gewoonte had om geen rolberichten meer te sturen, heeft de gemachtigde van [eiser] contact opgenomen met de griffie van de rechtbank Roermond en geïnformeerd naar de stand van zaken. De griffier heeft haar vervolgens medegedeeld dat het vonnis op 30 oktober 2013 gewezen zou worden.

- Op 10 oktober 2013 ontving de gemachtigde van [eiser] een brief van de rechtbank gedateerd 8 oktober 201323. Hierin werd haar medegedeeld dat de zaak ter rolle was doorgehaald.

- De gemachtigde van [eiser] heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het telefoongesprek met de griffier een week eerder, bij brief van 11 oktober 201324 verzocht om de zaak weer op de rol te plaatsten en vonnis te wijzen.

- Bij brief van 5 november 201325 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van [eiser] bericht dat de zaak ter zitting van 8 januari 2014 voor vonnis stond.

- Op 9 januari 2014 heeft de gemachtigde van [eiser] bij de griffie van de rechtbank geïnformeerd of er vonnis was gewezen op 8 januari 2014. Hierop werd haar door de griffier medegedeeld dat het vonnis al op 4 december 2013 (bij vervroeging) was gewezen. De griffier heeft vervolgens een kopie van het vonnis per fax verzonden aan de gemachtigde26.

- De gemachtigde van [eiser] heeft op 10 januari 2014 de griffie van de rechtbank telefonisch bericht dat zij het vonnis van 4 december 2013 nimmer heeft ontvangen en verzocht om een bewijs waaruit blijkt dat het vonnis naar haar is verstuurd. De griffier heeft vervolgens per ommegaande haar de (ongedateerde) begeleidende brief bij het vonnis van 4 december 2013 per fax27 doen toekomen.

- Op 14 januari 2014 heeft de gemachtigde van [eiser] een grosse28 van het vonnis van 4 december 2013 ontvangen.

2.7

[eiser] heeft dus onder meer gemotiveerd gesteld dat hij niet eerder dan op 9 januari 2014 kennis heeft genomen van het 4 december 2013 gewezen vonnis.

In hun antwoordakte hebben [verweerders] aangevoerd dat hun gemachtigde het vonnis op 5 december 2013 per post heeft ontvangen, dat hen uit navraag bij de griffie van de rechtbank Roermond is gebleken dat er op 2 december 2013 begeleidende brieven zijn aangemaakt naar beide partijen en dat het gebruikelijk is dat deze brief tezamen met het vonnis op de dag van de uitspraak aan beide partijen wordt toegezonden. Zij hebben voorts gesteld dat hun gemachtigde op de rol van 6 december 2013 heeft geconstateerd dat er vonnis is gewezen op 4 december 2013.

2.8

In appel hebben partijen derhalve gedebatteerd over de vraag of de rechtbank het vonnis van 4 december 2013 daadwerkelijk op of omstreeks 4 december 2013 aan de gemachtigde van [eiser] heeft verstuurd29.

Het hof heeft een en ander niet nader onderzocht, maar in rechtsoverweging 3.5 geoordeeld dat de onderhavige procedure een dagvaardingsprocedure is en dat de professionele rechtshulpverlener van [eiser] (een juriste in dienst bij DAS Rechtsbijstand) daarom ter rolle had kunnen zien dat op 4 december 2013 vonnis was gewezen. Dat aan deze professionele rechtshulpverlener op 5 november 2013 was bericht dat op 8 januari 2014 vonnis zou worden gewezen, doet daaraan volgens het hof niet af.

2.9

Eerstgenoemd oordeel wordt bestreden in onderdeel 3, waarin tot uitgangspunt wordt genomen dat het elektronische roljournaal uitsluitend toegankelijk is voor advocaten30 die zijn ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten en dat nu de gemachtigde van [eiser] geen advocaat is, zij daarom geen toegang heeft gehad tot het elektronische roljournaal en aangewezen is geweest op schriftelijke correspondentie met de griffie van de pachtkamer.

2.10

Uit ambtshalve onderzoek bij de griffie van de rechtbank Roermond is gebleken dat (ook) in pachtzaken niet-advocaten geen toegang hebben tot het elektronische berichtenverkeer via het roljournaal en dat zij zijn aangewezen op schriftelijk correspondentie met de griffie van de rechtbank. Op deze regel wordt ook geen uitzondering gemaakt voor grote rechtsbijstandsverzekeraars zoals DAS Rechtsbijstand31.

2.11

Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat hij het vonnis pas op 9 januari 2014 heeft ontvangen en het standpunt van [verweerders] dat op of omstreeks 4 december 2013 een afschrift van het vonnis per post is verstuurd naar beide partijen, is op mijn verzoek bij de griffie van de rechtbank Roermond geïnformeerd of uit de administratie kan worden achterhaald of en wanneer het vonnis per post is verstuurd naar partijen. Daarnaast is een afschrift van de rolkaart opgevraagd. Ik heb het antwoord op deze vragen nog niet ontvangen.

2.12

Wat daar verder van zij, uit de bestreden rechtsoverwegingen van het hof valt geenszins op te maken of het hof zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat de gemachtigde van [eiser] geen recht heeft op toegang tot het elektronische berichtenverkeer via het roljournaal met de griffie van de rechtbank Roermond.

Het hof heeft voorts niet onderzocht of vastgesteld of in dit concrete geval de gemachtigde van [eiser] bij wijze van uitzondering recht had op toegang tot het roljournaal of anderszins rolberichten ontving32.

Daarnaast heeft het hof niet vastgesteld of, in het geval de gemachtigde van [eiser] geen toegang had tot het roljournaal, van haar gevergd mocht worden dat zij na elke roldatum sinds de brief van 5 november 2013 bij de griffie had dienen te informeren of de uitspraak bij vervroeging was uitgesproken.

Het hof heeft ook niet vastgesteld of een afschrift van het vonnis op of omstreeks 4 december 2014 per post is verstuurd naar [eiser] en in het verlengde daarvan tot slot niet onderzocht of de uitspraak van de rechtbank als gevolg van een niet aan [eiser] toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep aan hem is toegezonden of verstrekt33.

2.13

Het voorgaande brengt mee dat het middel in zoverre slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 april 2014 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 2 van het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Roermond van 3 april 2012. In appel heeft de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, geen feiten vastgesteld en slechts verwezen naar de inhoud van de in eerste aanleg gewezen vonnissen tussen partijen van 3 april 2012 en 4 december 2013.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1 van het vonnis van 3 april 2012 en rov. 7 van het vonnis van 4 december 2013. Zie voor het procesverloop in hoger beroep, rov. 2 van het arrest van 15 april 2014.

3 Door hem aangeduid als: de verpachters.

4 Verweerder in cassatie onder 4 is niet in rechte verschenen.

5 In rov. 5 van dit vonnis verzoekt de pachtkamer alle partijen om te willen bewerkstelligen dat de niet verschenen broer [verweerder 4] , die mogelijk als mede-erfgenaam goederenrechtelijke deelgenoot zal zijn, zo mogelijk op de te gelasten comparitie van partijen aanwezig zal zijn. Bij vonnis van 17 april 2012 heeft de pachtkamer bepaald dat deze comparitie zal plaatsvinden op 11 juni 2012. In rov. 8 van het (eind)vonnis van 4 december 2013 heeft de pachtkamer voor de goede orde de aanwezigheid van broer [verweerder 4] aan de orde gesteld en overwogen dat deze aanwezigheid slechts gegrond is op het bepaalde in het vonnis van 17 april 2012 en dat hierdoor niet ‘automatisch’ sprake kan zijn van zuivering van het verstek. Op de door broer [verweerder 4] ingezonden bescheiden wordt dan ook geen acht geslagen door de pachtkamer, zo wordt overwogen in rov. 8 van het vonnis van 4 december 2013.

6 In pachtzaken bedraagt de appeltermijn één maand na de dag van de uitspraak (art. 1019o lid 2 Rv).

7 Zie ook hierna onder 2.6.

8 ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465.

9 Zie ook hierna de onder 2.7 genoemde antwoordakte onder 13-18.

10 De cassatiedagvaarding is op 13 juni 2014 uitgebracht. Titel 16 van boek 3 Rv. bevat geen afwijkende cassatietermijn.

11 Bedoeld zal zijn: beschikking.

12 Verwezen wordt in dit kader naar EHRM 25 januari 2000, zaken 38366/97, 38688/97, 40777/98, 40843/98, 41015/98, 41400/98, 41446/98, 41484/98, 41487/98 en 41509/98, rov. 36 e.v. (Miragall Escolano/Spanje) en naar EHRM 12 november 2002, zaak 46129/99, rov. 46 e.v. (Zvolsky/Tsjechië).

13 Als voorbeeld wordt gewezen op een uitspraak van het Zwitserse Bundesgericht van 20 augustus 1991, BGE 117 la 297 (301).

14 Gewezen wordt op HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7954, AB 2010/244, CRvB 23 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0151, AB 2011/207 en ABRvS 21 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2131, AB 2011/299.

15 Gewezen wordt op HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462.

16 Zie ook de s.t. van partijen.

17 Zie laatstelijk HR 21 februari 2014, 13/03842, ECLI:NL:HR:2014:413, rov. 3.4.2; HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, rov. 3.4 (zie voor het vervolg van deze zaak: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015;189, rov. 3.1 t/m 3.3) en HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, rov. 3.4.2.

18 Zie HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894 en mijn conclusie vóór dat arrest onder 2.18-2.20 met verdere verwijzing naar rechtspraak en literatuur.

19 Zie de vorige noot.

20 Zie voor een en ander HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1097, NJ 2005/372, en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131.

21 Zie HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0721, NJ 2013/491; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014, 417, rov. 3.4.1 en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418, rov. 3.4.1.

22 Vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465; HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/ 417, rov. 3.4.1 en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418, rov. 3.4.1.

23 Opgenomen als prod. 1 bij de akte van 18 februari 2014.

24 Opgenomen als prod. 2 bij de akte van 18 februari 2014. Uit de brief van 11 oktober 2013 blijkt dat de gemachtigde van [eiser] op 8 oktober 2013 een rolbericht had ontvangen ( bedoeld is de brief van de griffie van 8 oktober 2013 (prod. 1 bij de akte van 18 februari 2014)) met de mededeling dat de zaak ter rolle was doorgehaald.

25 Opgenomen als prod. 3 bij de akte van 18 februari 2014.

26 Opgenomen als prod. 4 bij de akte van 18 februari 2014.

27 Opgenomen als prod. 5 bij de akte van 18 februari 2014.

28 Een kopie van het vonnis en de begeleidende brief zijn opgenomen als prod. 6 bij de akte van 18 februari 2014.

29 In de cassatiedagvaarding wordt gesteld dat om deze reden in cassatie (bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag) uitgangspunt zal moeten zijn dat de rechtbank het vonnis niet eerder dan op 9 januari 2014 aan de gemachtigde van [eiser] heeft verzonden.

30 Zie bijv. de memorie van toelichting op de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer, TK 2006-2007, 30 815, nr. 3, op p. 4, art. 1.2 onder k van het Landelijke procesreglement voor civiele dagvaardingsprocedures bij de rechtbanken, vierde versie, oktober 2014, art. 1.2 onder n van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, vierde versie, januari 2014 en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417, rov. 3.4.2 en A.I.M. van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg (BP&P nr. 1) 2011/3.1.2.

31 Op mijn verzoek heeft de griffie van de Hoge Raad deze informatie telefonisch verkregen van de griffie van de rechtbank Roermond. Door de griffie van de Hoge Raad is verzocht deze telefonisch verstrekte informatie schriftelijk te ontvangen. Tot heden is echter geen schriftelijk bericht ontvangen van de griffie van de rechtbank Roermond.

32 Zie de stelling van de gemachtigde van [eiser] dat zij “enige tijd geen rolberichten meer ontving” in de akte van 18 februari 2014 onder 3.

33 Zie ook bijv. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, rov. 3.6.