Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:804

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-03-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
14/02409
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1458, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht, art. 416.2 Sr. Uit de bewijsvoering kan niet volgen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door X door misdrijf verkregen geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02409

Zitting: 31 maart 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 25 april 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken’, veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

  2. Mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In het eerste middel wordt gesteld dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte als strafbaar feit heeft gekwalificeerd, omdat het bewezenverklaarde niet inhoudt dat de verdachte ‘wist’ dat het in de tenlastelegging bedoelde geld door misdrijf was verkregen, terwijl dit voor een veroordeling ter zake van het in artikel 416 lid 2 Sr strafbaar gestelde feit wel is vereist.

  4. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 31 mei 2010 tot en met 31 augustus 2011, te Amersfoort opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene 1], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand, door middel van het door die [betrokkene 1] opzettelijk niet

voldoen aan de inlichtingenverplichting, uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.”

5. Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven.

6. De tenlastelegging is toegesneden op de delictsomschrijving uit artikel 416, tweede lid, Sr. Artikel 416 Sr luidt:

“1. Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

b. hij die opzettelijk uit winstbejag een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een door misdrijf verkregen goed overdraagt.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekt.”

7. De tenlastelegging en de bewezenverklaring houden in dat de verdachte ‘opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld’. Het bestanddeel ‘opzettelijk’ is hier gebezigd in de betekenis die het op grond van artikel 416 lid 2 Sr toekomt. Het opzet omvat dus alles wat daarna in de tenlastelegging en bewezenverklaring is opgenomen, ook de omstandigheid dat voordeel wordt getrokken uit ‘hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld’.1 De door het hof gekozen kwalificatie is passend bij de bewezenverklaring.

8. Het uitgangspunt dat aan het middel ten grondslag ligt, namelijk dat het voor de kwalificatie van het strafbare feit van art. 416 lid 2 Sr noodzakelijk is dat in de tenlastelegging en de daarop volgende bewezenverklaring woordelijk is opgenomen dat verdachte wist dat het geld, waarmee artikelen voor het gezamenlijke huishouden werden aangeschaft, door (het nader omschreven) misdrijf was verkregen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Verdachtes wetenschap dat het geld uit misdrijf afkomstig is, is reeds in het begrip ‘opzettelijk’ begrepen.2

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. In het bijzonder zou niet blijken dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen met door misdrijf verkregen geld is aangeschaft.

11. ‘Opzettelijk’ als bedoeld in artikel 416 lid 2 Sr heeft - zoals hiervoor al gezegd - betrekking op alles wat daarna in de tenlastelegging en bewezenverklaring is opgenomen, dus ook op de omstandigheid dat voordeel werd getrokken uit ‘hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld’. Uit de bewijsmiddelen zal dus moeten volgen dat de verdachte wist, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat hetgeen voor het gezamenlijke huishouden werd aangeschaft, werd bekostigd met geld dat uit het nader omschreven misdrijf was verkregen.3

12. Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de gemeente Amersfoort,

opgemaakt op 20 september 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 20-21 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 2]:

U vraagt mij naar de bovenbuurvrouw op nummer [001] van de [a-straat] in Amersfoort. Daar woont [betrokkene 1] met haar twee kinderen. Over het afgelopen jaar zie ik af en toe haar fiets hier voor de flat in het portiek staan. Af en toe haalt ze haar post op.

Ik kan verklaren dat zij over dit jaar 201 1 en vorig jaar 2010 hooguit één à twee keer in de week hier is. Ze heeft een vriend, [verdachte]. Ik heb van de buurtbeheerder gehoord dat [verdachte] op de [b-straat] zou wonen. Afgelopen zomer, de maanden juni en juli, heb ik [betrokkene 1] helemaal niet gezien. De weekenden is zij er nooit. Haar kliko staat achter mijn tuin. Zij gebruikt hem niet.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de gemeente Amersfoort, opgemaakt op 20 september 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 25-26 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 3]:

Op nummer [001] van de [a-straat] woont [betrokkene 1] met haar twee kinderen. Althans daar hoort zij te wonen. Zij woont echter bij haar vriend. Ongeveer twee jaar geleden heeft zij mij zelf verteld dat zij bij [verdachte] woont. Het laatste jaar is haar brievenbus constant te vol. Soms komt ze alleen even de post ophalen en gaat ze weer weg. Ik weet dat [verdachte] op de [b-straat] woont.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de gemeente Amersfoort, opgemaakt op 28 september 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 31 en 32 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4]:

Op nummer [002] van de [b-straat] in Amersfoort woont [betrokkene 1] en haar vriend [verdachte]. Deze woning is eigenlijk van [verdachte]. In de weekenden zie ik ze wel eens samen weggaan met de auto van [verdachte]. Ik zie ze wel eens terugkomen met boodschappen op zaterdag.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de gemeente Amersfoort, opgemaakt op 27 september 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 35 en 36 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaringen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] of een van hen:

Op 27 september 2011 sprak ik, verbalisant, bovengenoemde personen in hun woning aan de [b-straat] [003] te Amersfoort. Zij verklaarden mij het volgende. Op nummer [002] woont een vrachtwagenchauffeur. Verder een vrouw met twee kinderen. De vrouw is erg vaak hier. Soms zie ik haar wel de hele week. Ze doen altijd samen boodschappen. De situatie, zoals beschreven, bestaat al een jaar of vier.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek, opgemaakt op 3 november 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 6-12 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Uitkering:

Verdachte [betrokkene 1] ontving in de periode van 31 mei 2010 tot en met 31 augustus 2011 een WWB uitkering van de gemeente Amersfoort naar de norm van een alleenstaande ouder. [betrokkene 1] was gehouden op grond van artikel 17 van de WWB gehouden het college van Burgermeesters en Wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand.

Wijzigingsformulieren:

Uitkeringsgerechtigden krijgen eenmalig een wijzigingsformulier uitgereikt. Daarmee kunnen zij tussentijdse wijzigingen in hun situatie melden. Op aanvraag van een klant worden nieuwe wijzigingsformulieren verstrekt.

Onderzoek wijzigingsformulieren:

In de periode van 31 mei 2010 tot en met 31 augustus 2011 heeft [betrokkene 1] geen enkel wijzigingsformulier ingeleverd waarop melding is gemaakt door haar van haar samenwoning met [verdachte].

Dossieronderzoek:

Ik verbalisant, heb een onderzoek ingesteld in het bij de gemeente Amersfoort aanwezige digitale dossier van verdachte [betrokkene 1]. Daarbij zag ik, verbalisant, het volgende:

Op 31 mei 2010 vraagt [betrokkene 1] een WWB uitkering aan bij de gemeente Amersfoort. Ik zag dat [betrokkene 1] een formulier aanvraag bijstandsuitkering WWB heeft ingevuld en ondertekend. Ik zag dat [betrokkene 1] op dit formulier opgeeft te wonen op de [a-straat] [001] te Amersfoort en aldaar samen te wonen met haar twee kinderen.

GBA:

Door mij, verbalisant, werd een onderzoek ingesteld in het geautomatiseerde bestand van de GBA van de gemeente Amersfoort.

Hierbij zag ik, verbalisant, dat:

Woon/leefsituatie:

Huidige bewoning: [betrokkene 1] woont sinds 8 juni 1999 aan de [a-straat] [001] te Amersfoort.

Suwi-net:

Bij raadpleging van het Suwi-net zag ik, verbalisant, dat [verdachte] in de periode van 1 februari 2010 tot en met 6 februari 2011 een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen. Met ingang van 7 februari 2011 tot en met 7 augustus 2011 is hij werkzaam bij [A] in Barneveld.

Onderzoek in de woning:

Op 28 september 2011 heb ik, verbalisant, in de woning van verdachte (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) aan de [a-straat] [001] te Amersfoort een onderzoek ingesteld naar het waterverbruik en de meterstand genoteerd. Deze was op 28 september 201 1 :

Water: 103m3 sinds 5 juli 2007

Het jaarverbruik van een eenpersoon huishouden bedraagt ongeveer 50m3.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdachte verhoor, opgemaakt op 14 september 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 17-18 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1]:

Dat ik een bijstandsuitkering van de sociale dienst Amersfoort ontvang vanaf 31 mei 2010 tot heden kan kloppen. [verdachte] werkt sinds 7 februari 2011 bij [B] in Barneveld. Zijn contract is per 7 augustus 2011 beëindigd. Hij heeft daarna vier weken thuisgelopen. Ik heb een sleutel van de woning van [verdachte]. [verdachte] heeft geen sleutel van mijn woning. Boodschappen doen we samen met zijn auto. We gaan dan met zijn auto naar de Boni in Leusden. We doen dan in een keer op zaterdag alle boodschappen. Ik doe de boodschappen voor doordeweeks. Die betaal ik zelf.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdachte verhoor, opgemaakt op 27 oktober 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 106-109 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben regelmatig op de [b-straat] [002] te Amersfoort om dingen voor [verdachte] te regelen.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdachte verhoor, opgemaakt op 27 oktober 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 111-115 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:

Ik ben werkloos geworden op 1 februari 2010. In de maand februari 2011 vond ik weer een baan. Ik huur de woning aan de [b-straat] [002] in Amersfoort. Ik woon daar inmiddels tussen de vijf en tien jaar. Ik weet dat [betrokkene 1] een uitkering ontvangt van de sociale dienst van Amersfoort. We hebben ongeveer een jaar of 10-12 een soort knipperlichtrelatie gehad. Vanaf halverwege 2010 begint het weer op een relatie te lijken. [betrokkene 1] heeft vanaf zo'n beetje juli 2010 sleutels van mijn woning.”

13. Het hof heeft daar nog de volgende bewijsoverweging aan gewijd:

“Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte, die een WW-uitkering

genoot van begin februari 2010 tot en met begin februari 2011 en daarna inkomsten uit werk ontving, een gezamenlijke huishouding met [betrokkene 1] heeft gevoerd in de tenlastegelegde periode. [betrokkene 1] deed samen met verdachte de boodschappen en zij betaalde de boodschappen voor doordeweeks. Verdachte wist dat [betrokkene 1] een uitkering genoot en moet hebben geweten dat er gevolgen voor de hoogte van die uitkering zouden zijn indien de uitkeringsinstantie op de hoogte zou zijn geweest van de gezamenlijk gevoerde huishouding.”

14. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte samenwoonde met [betrokkene 1] en dat zij voorzieningen deelden in hun huishouding, dat [betrokkene 1] een uitkering ontving en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Verder heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat [betrokkene 1] heeft nagelaten aan de uitkeringsinstantie te melden dat zij samenwoonde met verdachte. De bewijsmiddelen houden echter niets in waaruit blijkt dat verdachte wist dat [betrokkene 1] niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand, dat zij in dat verband onjuiste gegevens had verstrekt en op grond van die gegevens een uitkering had genoten die kan worden aangemerkt als door misdrijf verkregen. De omstandigheid dat verdachte wist dat [betrokkene 1] een uitkering genoot en op grond daarvan ‘moet hebben geweten’ dat het voeren van een gezamenlijke huishouding hiervoor gevolgen zou hebben is niet voldoende voor het aannemen van de aanmerkelijke kans dat er sprake was van bijstandsfraude.4

15. Het middel is terecht voorgesteld.

15. Het derde middel, waarin wordt geklaagd dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op de door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dat de verdachte niet wist dat [betrokkene 1] onjuiste gegevens had verstrekt aan de uitkeringsinstantie en dat de verdachte de facto geen financieel voordeel heeft gehad bij het samenleven met [betrokkene 1], behoeft - gelet op het slagen van het (hiermee samenhangende) tweede middel - geen bespreking.

15. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt en het derde middel behoeft geen bespreking. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 J. de Hullu, Materieel strafrecht 2010/2.3.

2 Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, artikel 416 Sr, aant. 7; J. de Hullu, Materieel strafrecht 2010/4.3.

3 Over voorwaardelijk opzet bij dit soort delicten: HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, NJ 1993, 491 , m.nt. Th.W. Van Veen, rov. 6.2.

4 Vergelijk: HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5729, rov. 2.3. en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3489, rov. 2.4.