Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:688

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-05-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
15/01249
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1752, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Internationaal privaatrecht. Verzoek tot verlenging termijn ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Vervolg op HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:443, NJ 2014/437. Vormen Europese arrestatiebevelen tegen ouders beletsel voor eerlijk proces, art. 6 EVRM? Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter. Begrip ‘gewone verblijfplaats’ kinderen, art. 8 en 10 Brussel II-bis. Maatstaf, HvJEU 22 december 2010, ECLI:EU:C:2010:829, NJ 2011/500.Beoordelingsruimte in cassatie, HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4107, NJ 2013/434.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/01249

Mr. P. Vlas

Zitting, 22 mei 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

1) [de vader]

2) [de moeder]

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen

Deze zaak heeft betrekking op het geding na verwijzing op grond van de beschikking van de Hoge Raad van 28 februari 2014.1 In het geding na verwijzing is aan de orde de vraag of de Nederlandse rechter op grond van de Verordening Brussel II-bis2 internationaal bevoegd is te oordelen over een verzoek tot verlenging van kinderbeschermingsmaatregelen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De relevante feiten zijn in cassatie als volgt.3 Verzoeksters tot cassatie (hierna: de ouders) hebben een affectieve relatie, waaruit zijn geboren: [A], op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats], [B], op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] en [C], op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen). De vader heeft de minderjarigen erkend. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarigen.

1.2

Bij beschikking van 25 november 2011 heeft de rechtbank Groningen de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en aan Bureau Jeugdzorg Groningen (hierna: BJZ) een machtiging verleend om de minderjarigen met spoed uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 14 december 2011 heeft de rechtbank Groningen de beschikking van 25 november 2011 bekrachtigd, de definitieve ondertoezichtstelling uitgesproken met ingang van 25 februari 2012 voor de duur van een maand en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

1.3

Bij beschikking van 1 maart 2012 heeft het hof Leeuwarden onder meer de beschikking van 14 december 2011 bekrachtigd, waarbij het hof het bevoegdheidsverweer van de ouders heeft verworpen op de grond dat de minderjarigen ten tijde van de inleiden van de procedure hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Bij beschikking van 4 januari 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de ouders tegen de beschikking van 1 maart 2012 met toepassing van art. 81 RO verworpen.4

1.4

De termijnen voor de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen zijn vervolgens steeds verlengd.

1.5

De ouders hebben de minderjarigen tijdens een begeleid bezoekmoment op 28 september 2012 zonder toestemming van BJZ meegenomen en daarmee aan het toezicht van BJZ onttrokken. Sindsdien verblijven de minderjarigen op een voor BJZ onbekende plaats. De ouders stellen dat zij sinds 28 september 2012 in Duitsland verblijven.

1.6

Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd tot 8 april 2013 en de beslissing op het verzoek van BJZ voor het overige aangehouden. Bij beschikking van 26 maart 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland het verzoek van BJZ tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen (voor het overige) afgewezen.

1.7

Bij beschikking van 27 juni 2013 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van 26 maart 2013 vernietigd en de duur van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd met één jaar, ingaande 25 februari 2013.

1.8

Tegen de beschikking van 27 juni 2013 hebben de ouders cassatieberoep ingesteld. Bij de reeds genoemde beschikking van 28 februari 2014 heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd, omdat het hof een onjuiste peildatum heeft gehanteerd bij het boordelen van de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het verzoek van BJZ tot verlenging van de termijn voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.

1.9

De Hoge Raad heeft overwogen dat op grond van art. 8 lid 1 Brussel II-bis voor een maatregel inzake ouderlijke verantwoordelijkheid internationale bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de EU-lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Dit brengt mee dat het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter had dienen te onderzoeken aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het inleiden van het onderhavige geding, dat wil zeggen 7 januari 2013 (rov. 3.5.2). In het geding na verwijzing dient volgens de Hoge Raad tevens te worden onderzocht of sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen naar Duitsland zoals bedoeld in art. 10 Brussel II-bis, en, zo ja, of de Nederlandse rechter ingevolge deze bepaling zijn internationale bevoegdheid heeft behouden. Indien zou komen vast te staan dat de Nederlandse rechter ingevolge art. 10 Brussel II-bis zijn internationale bevoegdheid heeft behouden, dient vervolgens te worden onderzocht of er grond is om op de voet van art. 15 Brussel II-bis het gerecht in Duitsland te verzoeken zijn bevoegdheid uit te oefenen teneinde de behandeling van de zaak van de Nederlandse rechter over te nemen (rov. 3.6). De overige klachten van het cassatiemiddel van de ouders zijn door de Hoge Raad verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch.

1.10

In het geding na verwijzing heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 18 december 20145 zich op grond van de Verordening Brussel II-bis internationaal bevoegd geacht van het verzoek van BJZ tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen kennis te nemen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 26 maart 2013 vernietigd en opnieuw rechtdoende beslist dat de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen, zoals verzocht door BJZ, wordt verlengd tot 25 februari 2014.

1.11

In zijn beschikking heeft het hof overwogen dat art. 424 Rv meebrengt dat in het geding na verwijzing slechts de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de hand van de Verordening Brussel II-bis moet worden beoordeeld, alsmede de mogelijkheid om de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat te verwijzen. Het hof stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op 28 september 2012 – de dag waarop de ouders de minderjarigen tijdens een begeleid bezoekmoment zonder toestemming van BJZ hebben meegenomen – in Nederland lag en dat op dat moment de Nederlandse rechter internationaal bevoegd was (rov. 4.8.1). Het hof overweegt dat op 28 september 2012 sprake was van ongeoorloofde overbrenging in de zin van art. 10 Brussel II-bis, omdat de overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht dat BJZ krachtens rechterlijke beslissingen is toegekend en – kort gezegd – voldaan is aan de omschrijving van ongeoorloofde overbrenging in de zin van art. 2 sub 11 Brussel II-bis (rov. 4.8.2). Nu de minderjarigen onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, is ingevolge art. 10 Brussel II-bis de Nederlandse rechter ook na de overbrenging internationaal bevoegd gebleven. Dit kan onder de in art. 10 Brussel II-bis genoemde omstandigheden anders zijn, indien de minderjarigen nadien hun gewone verblijfplaats in Duitsland hebben verkregen (rov. 4.8.3). Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting kan het hof niet vaststellen dat – zoals de advocaat namens de ouders heeft betoogd – de ouders zich met de minderjarigen in een plaats in Duitsland hebben gevestigd teneinde daar hun permanente of gewone centrum van hun belangen te vestigen, met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven. Het hof kan zelfs niet met zekerheid vaststellen dat de ouders en de minderjarigen daadwerkelijk steeds in Duitsland (en niet in een andere (lid)staat) hebben verbleven sinds 28 september 2012. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Duitsland hebben verkregen (rov. 4.8.4). Daar komt nog bij dat, zelfs indien zou komen vast te staan dat de minderjarigen in Duitsland hun gewone verblijfplaats hebben verkregen, het hof van oordeel is dat aan de andere in art. 10 Brussel II-bis gestelde voorwaarden niet is voldaan. BJZ heeft immers niet berust in de overbrenging of het niet doen terugkeren van de minderjarigen (rov. 4.8.5).

1.12

Over de mogelijkheid van verwijzing van de zaak door de Nederlandse rechter naar de rechter van een andere lidstaat op grond van art. 15 Brussel II-bis, heeft het hof samengevat als volgt overwogen (rov. 4.10 e.v.). Ter zitting heeft het hof aan BJZ en de raadsman van de ouders voorgesteld om tezamen nader te onderzoeken of er ruimte is en mogelijkheden zijn voor een verwijzing van de zaak naar de Duitse rechter, waarbij ten minste als voorwaarden dienen te gelden dat de ouders hieraan hun medewerking verlenen en zij hun woonplaats en die van de minderjarigen aan BJZ en het hof bekendmaken. BJZ heeft verklaard hiermee te kunnen instemmen. De raadsman van de ouders heeft verklaard hiermee niet te kunnen instemmen (rov. 4.13). Het hof is niet in staat vast te stellen in welk land de minderjarigen op dit moment wonen, met welk land zij mogelijk een bijzondere band hebben zoals bedoeld in art. 15 lid 1 en lid 3 Brussel II-bis. Voor een verwijzing naar het gerecht van een andere lidstaat bestaan naar het oordeel van het hof reeds gelet hierop geen mogelijkheden (rov. 4.14).

1.13

De ouders hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. BJZ heeft geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit zes klachten. Klacht 1 voert aan dat het hof een essentiële stelling van de ouders ten onrechte onbesproken heeft gelaten, te weten de stelling dat zij in het geding na verwijzing geen eerlijk proces hebben gehad omdat zij zelf de mondelinge behandeling van de zaak niet hebben kunnen bijwonen in verband met tegen hen uitgevaardigde Europese arrestatiebevelen.6

2.2

De klacht faalt bij gebrek aan belang. De klacht miskent het karakter van het geding na verwijzing door de Hoge Raad.7 Het hof heeft in rov. 4.4 terecht overwogen dat art. 424 Rv meebrengt dat in het geding na verwijzing slechts de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de hand van de Verordening Brussel II-bis moet worden beoordeeld, alsmede de mogelijkheid om de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat te verwijzen. De ouders hebben in het geding dat heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 28 februari 2014 reeds aangevoerd dat het feit dat zij door de tegen hen uitgevaardigde arrestatiebevelen niet persoonlijk ter zitting aanwezig kunnen zijn, een onaanvaardbare inbreuk is op een behoorlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Uw Raad heeft het beroep daartegen verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. In een andere procedure is door de ouders in kort geding onder meer gevorderd dat alle opsporingsactiviteiten worden beëindigd en alle arrestatiebevelen worden ingetrokken. De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen heeft bij vonnis van 14 december 2012 de vorderingen van de ouders afgewezen, welke beslissing is bekrachtigd bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 juni 2013. Het tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad op de voet van art. 80a lid 1 RO niet-ontvankelijk verklaard bij arrest van 8 november 2013.8

2.3

Klacht 2 heeft betrekking op de stelling van de ouders dat, aangezien de beslissingen van 25 november 2011 en 14 december 2011 van de rechtbank Groningen waarin de minderjarigen onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst niet aan de ouders zijn betekend, de tenuitvoerlegging van deze beslissingen in Duitsland onrechtmatig is geweest.9 Volgens de klacht heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het hof deze stelling in rov. 4.8.1 heeft verworpen met de overweging dat betekening geen (constitutief) vereiste is.

2.4

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Ook deze klacht miskent het karakter van het geding na verwijzing. Wat verder ook zij van het oordeel van het hof dat betekening niet een constitutief vereiste is, de klacht verliest uit het oog dat de onderhavige procedure tot verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen een zelfstandig geding betreft dat in procesrechtelijk zin los moet worden gezien van de procedures die hebben geleid tot de hiervoor genoemde rechterlijke beslissingen van 25 november 2011 en 14 december 2011.10 Ik verwijs naar de verwijzingsbeschikking van de Hoge Raad van 28 februari 2014, waarin is overwogen dat in casu sprake is ‘van een zelfstandig geding dat met een nieuw verzoekschrift is ingeleid’. Verweren van de ouders die verband houden met de eerdere procedures, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de in deze procedures gegeven beslissingen, kunnen niet worden gevoerd in de onderhavige procedure na verwijzing.

2.5

Klacht 3 bouwt in de kern voort op het voorgaande onderdeel en moet het lot daarvan delen.

2.6

Klacht 4 keert zich tegen rov. 4.8.1 voor zover het hof daarin heeft overwogen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op 28 september 2012 – de datum waarop de ouders de minderjarigen tijdens een begeleid bezoekmoment zonder toestemming van BJZ hebben meegenomen – in Nederland lag en dat op dat moment de Nederlandse rechter internationaal bevoegd was. Volgens de klacht (onder 4.2) heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd voor het bepalen van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op 28 september 2012.

2.7

Voor de beoordeling van de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 10 Brussel II-bis heeft het hof onderzocht of de minderjarigen onmiddellijk voorafgaande aan hun ongeoorloofde overbrenging op 28 september 2012 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Uit rov. 4.5.4 blijkt dat het hof is uitgegaan van de juiste – door het HvJEU in zijn rechtspraak ontwikkelde – maatstaf bij het bepalen van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen, te weten de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.11 De klacht treft daarom geen doel.

2.8

Voor zover klacht 4 (onder 4.3) nog aanvoert dat het hof heeft miskend dat de ouders sinds november 2011 in Duitsland wonen en dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen daar is waar hun ouders hun gewone verblijfplaats hebben, faalt de klacht eveneens. Het middel verliest uit het oog dat de minderjarigen, voordat zij op 28 september 2012 door de ouders zonder toestemming zijn meegenomen, in een pleeggezin in Nederland verbleven op grond van uitvoerbaar bij voorraad verklaarde en onherroepelijk geworden beslissingen van de Nederlandse rechter strekkende tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening van pleegzorg.12 Anders dan het middel betoogt waren de ouders dus niet bevoegd om de gewone verblijfplaats van de minderjarigen zonder toestemming van BJZ te wijzigen. Nu de minderjarigen op 28 september 2012 geacht moeten worden hun gewone verblijfplaats in Nederland te hebben gehad, hebben de ouders, anders dan de klacht betoogt, de minderjarigen ongeoorloofd overgebracht naar (volgens de stelling van de ouders) Duitsland zoals bedoeld in art. 10 Brussel II-bis.

2.9

In klacht 5 wordt betoogd dat het hof in het kader van de beoordeling van de internationale bevoegdheid op grond van art. 10 Brussel II-bis ten onrechte niet heeft vastgesteld dat de minderjarigen vanaf 28 september 2012 hun gewone verblijfplaats in Duitsland hebben. Zoals ik onder 2.7 van deze conclusie heb aangegeven, heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd ter bepaling van de gewone verblijfplaats. De vaststelling van de gewone verblijfplaats is voor het overige nauw verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.13 De invulling die het hof in rov. 4.8.4 aan het begrip gewone verblijfplaats van de minderjarigen heeft gegeven, komt mij niet onjuist of onbegrijpelijk voor, aangezien niet althans onvoldoende is komen vast te staan dat de ouders zich met de minderjarigen in Duitsland hebben gevestigd teneinde daar het centrum van hun maatschappelijke belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven. Dat blijkt genoegzaam uit de motivering van het hof in rov. 4.8.4. De klacht faalt derhalve.

2.10

Klacht 6 betoogt dat het hof in rov. 4.8.5 blijk heeft gegeven van een rechtens onjuist oordeel ten aanzien van art. 10 Brussel II-bis. De klacht is gericht tegen een rechtsoverweging die niet dragend is voor het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter in het licht van art. 10 Brussel II-bis internationale bevoegdheid heeft behouden om te kunnen beslissen over de verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen.14 Ook deze klacht faalt.

2.11

Ik geef Uw Raad in overweging de zaak af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 ECLI:NL:HR:2014:443, NJ 2014/437, m.nt. Th.M. de Boer.

2 Verordening (EG) Nr. 2201/2003, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, PbEG L 338/1 van 23 december 2003.

3 Zie rov. 1 en 3 van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 18 december 2014.

4 ECLI:NL:HR:2013:BY7753.

5 ECLI:NL:GHSHE:2014:5382; RFR 2015/37.

6 Zie o.a. Memorie na cassatie en verwijzing, nr. 4-6.

7 Zie over de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na verwijzing o.a. HR 19 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BH7843, NJ 2009/291.

8 HR 8 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1135, RvdW 2013/1339; zie ook mijn conclusie in die zaak, ECLI:NL:PHR:2013:923.

9 Zie o.a. Memorie na cassatie en verwijzing, nr. 22 en 24 (waarin de ouders zich op het standpunt stellen dat de tenuitvoerlegging van de Nederlandse beslissingen in Duitsland, resulterend in de terugplaatsing van de minderjarigen vanuit Duitsland onder de hoede van BJZ, onrechtmatig is).

10 Zie ECLI:NL:HR:2014:443, NJ 2014/437, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.5.2.

11 Zie o.a. HvJEU 22 december 2010, C-497/10, ECLI:EU:C:2010:829, NJ 2011/500, m.nt. Th.M. de Boer; vgl. F. Ibili, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 8 Brussel II-bis, aant. 3 alsmede D. van Iterson, Ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderbescherming, Praktijkreeks IPR, deel 4, 2011, nr. 163.

12 Zie over de vraag of de minderjarigen in november 2011 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2013:BY7753, nr. 2.4-2.6, vóór HR 4 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7753, RvdW 2013/106.

13 Zie o.a. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4107, NJ 2013/434, m.nt. Th.M. de Boer.

14 Zie de aanvangszin van rov. 4.8.5 van de bestreden beschikking: ‘Daar komt bij dat, (…)’.