Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:598

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-05-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
15/01417
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1849, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating (art. 288 lid 1 Fw). Hardheidsclausule, art. 288 lid 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/01417

Mr. L. Timmerman

Zitting 8 mei 2015

Conclusie inzake:

[verzoekster],

verzoekster tot cassatie

(hierna: [verzoekster]).

1. Inleiding

1.1 De rechtbank Noord-Holland heeft [verzoeksters] verzoek van 5 december 2014 tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bij vonnis van 22 januari 2015 afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank had [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen. [verzoekster] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 maart 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd en daartoe in rov. 2.3 en 2.4 het volgende overwogen:

“2.3 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen. De financiën van [verzoekster] en haar partner zijn onvoldoende op orde dan wel inzichtelijk en de kans is te groot dat tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zullen ontstaan. [verzoekster] en haar partner zijn samen pleegouder van een jongen van vijf jaar ten behoeve van wie zij een pleegkindvergoeding ontvangen. Deze vergoeding wordt gestort op de rekening waarvan ook alle vaste lasten en boodschappen worden betaald, terwijl deze gelden strikt gescheiden behoren te blijven, althans duidelijk en inzichtelijk moet zijn hoe deze gelden worden besteed. Voorts blijkt uit de bankafschriften dat meerdere keren per dag kleine bedragen worden gepind, hetgeen de financiën eveneens onoverzichtelijk maakt. Verder staat vast dat [verzoekster] en haar partner vlak voor hun verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling een eindafrekening van Essent hebben ontvangen, die zij niet konden voldoen, omdat zij daarvoor geen reserve hadden opgebouwd. De gestelde positieve ontwikkeling, te weten dat [verzoekster] en haar partner zich bereid hebben getoond de pleegkindvergoeding te scheiden van hun overige inkomsten en zich hebben aangemeld bij Budgetbeheer teneinde meer overzicht te krijgen in hun financiën, is weliswaar een stap in de goede richting, maar - gezien het feit dat [verzoekster] en haar partner op 6 maart 2015 hun eerste intake gesprek hebben gehad - nog van te recente datum, zodat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de persoonlijke situatie van [verzoekster] reeds zodanig is gestabiliseerd dat op grond daarvan nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldoende is gewaarborgd. Daarvoor zijn de veranderingen nog van te korte duur en onvoldoende bestendig.

2.4 [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw. Een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan alleen op vorenbedoelde grond worden gehonoreerd, als sprake is van in dat artikel genoemde gevallen en ook overigens aan alle andere in dat artikel gestelde vereisten is voldaan. Nu het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen vanwege het niet voldoen aan het vereiste in artikel 288, eerste lid, onder c, Fw en deze afwijzingsgrond niet behoort tot de in artikel 288, derde lid, Fw, bedoelde gevallen, komt het hof aan toepassing van de hardheidsclausule niet toe.”

1.2 Met een op 25 maart 2015 ingekomen verzoekschrift en derhalve binnen de daarvoor gestelde termijn heeft [verzoekster] tegen het zo-even genoemde arrest beroep in cassatie ingesteld. Op 14 april 2015 is een aanvullend cassatieverzoekschrift ingediend naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting bij het hof.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel telt twee onderdelen. Onderdeel 1 richt zich tegen de overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen (rov. 2.3). Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen en zijn oordeel niet toereikend heeft gemotiveerd (rov. 2.4).

2.2 Ik beoordeel de onderdelen tegen de volgende achtergrond. Art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw bepaalt dat een verzoek tot toelating slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De ratio van deze bepaling is het beperken van de toegang tot de schuldsaneringsregeling tot de schuldenaren die ‘er klaar’ voor zijn: schuldenaren die ten tijde van het verzoek de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden onder controle hebben gekregen en zich, eventueel met hulp van derden, in een stabiele leefsituatie bevinden om aan hun saneringsverplichtingen te kunnen voldoen. Het is aan de schuldenaar om aan de hand van voldoende gegevens en bescheiden voldoende aannemelijk te maken dat aan het vereiste van art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw is voldaan (vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 19). Het betreft hier een imperatieve afwijzingsgrond. Dat betekent dat wanneer de rechter van oordeel is dat niet aan art. 288 lid 1 aanhef en onder c is voldaan – welk oordeel een overwegend feitelijk karakter draagt, aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden en in cassatie slechts op een toereikende motivering kan worden getoetst – het verzoek moet worden afgewezen. Alleen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen, kan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in afwijking van art. 288 lid 1 aanhef en onder b (het vereiste van de ‘goede trouw’) en art. 288 lid 2 aanhef en onder c (de afwijzingsgrond ‘onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen’) toch worden toegewezen op grond van de hardheidsclausule in art. 288 lid 3 Fw.

2.3 De in rov. 2.3 door het hof gegeven motivering bestaat uit drie kernoverwegingen:

(i) [verzoeksters] financiën zijn onvoldoende op orde danwel inzichtelijk (besteding pleegkindvergoeding onvoldoende duidelijk/inzichtelijk, pingedrag maakt financiën onoverzichtelijker);

(ii) De kans dat tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zullen ontstaan is te groot (kort vóór indiening van het toelatingsverzoek heeft [verzoekster] een eindafrekening van Essent ontvangen die zij niet kan betalen); en

(iii) De gestelde positieve ontwikkeling (aanmelding bij Budgetbeheer) is nog van te korte duur en onvoldoende bestendig.

2.4 In onderdeel 1 meen ik de volgende vijf klachten te kunnen ontwaren:

(i) Onjuist althans onbegrijpelijk is dat het hof de financiële situatie van de partner van [verzoekster] bij de beoordeling van het verzoek heeft betrokken, aangezien [verzoekster] en haar partner niet gehuwd zijn en derhalve twee gescheiden economische eenheden vormen;

(ii) Met de overweging dat de pleegkindvergoeding op een aparte rekening gestort moet worden althans duidelijk inzichtelijk moet zijn hoe deze gelden worden besteed, miskent het hof dat uit de bankafschriften duidelijk zal zijn welke gelden worden besteed voor de bestrijding van de onderhoudskosten van het pleegkind, en dat het ondoenlijk is om een specificatie te maken welk gedeelte van de uitgaven (bijv. boodschappen) aan het pleegkind toegerekend moeten worden;

(iii) Door te overwegen dat [verzoekster] en haar partner voor hun toelatingsverzoek een eindafrekening van Essent hebben ontvangen die zij niet konden voldoen heeft het hof miskend dat [verzoeksters] partner geen deel uitmaakt van de onderhavige procedure en een afzonderlijke economische entiteit vormt, dat het handelen van de partner met betrekking tot de eindafrekening niet aan [verzoekster] verweten mag worden en dat de vordering van Essent niet op [verzoeksters] naam staat;

(iv) [verzoekster] kan geen enkel verwijt gemaakt worden ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in verband met de financiële afwikkeling na haar echtscheiding; zij is in de financiële problemen gekomen door het handelen van haar gewezen echtgenoot en andere externe oorzaken;

(v) de onder (iv) genoemde schulden zijn ouder dan vijf jaar en had het hof niet mogen meerekenen.

2.5 Klachten (i) en (iii) stuiten af op een gebrek aan feitelijke grondslag. Dat het hof gewag maakt van ‘[verzoekster] en haar partner’ heeft ermee te maken dat het hof (evenals de rechtbank) de onderhavige zaak gelijktijdig met het toelatingsverzoek van [verzoeksters] partner heeft behandeld (zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel van 10 maart 2015). Voor de veronderstelling dat het hof het handelen van [verzoeksters] partner op enigerlei wijze aan [verzoekster] heeft toegerekend biedt het arrest geen grond. Klacht (iii) faalt overigens ook omdat de stelling dat de eindafrekening van Essent niet op naam van [verzoekster] staat in feitelijke instanties niet is aangevoerd.

2.6 Tegen de overweging dat [verzoeksters] financiën onvoldoende op orde danwel inzichtelijk zijn voert klacht (ii) kort gezegd aan dat uit de bankafschriften wel degelijk kan worden opgemaakt hoe de pleegkindvergoeding besteed wordt. De klacht verbindt dus een andere feitelijke waardering aan de inhoud van de bankafschriften, maar dat levert nog geen grond op om ’s hofs oordeel als onbegrijpelijk te kwalificeren. [verzoekster] heeft in haar beroepschrift van 27 januari 2015 aangevoerd dat zij haar financiën wel degelijk op orde heeft. Die stelling is niet of nauwelijks aan de hand van gegevens en bescheiden onderbouwd, ook niet in het aanvullende beroepschrift van 2 maart 2015 of tijdens de mondelinge behandeling in appel. Tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd dat uit het enkele feit dat [verzoekster] in eerste aanleg niet precies kon vertellen hoeveel geld zij uitgeeft ten behoeve van haar pleegkind niet kan worden afgeleid dat zij hun administratie niet goed op orde heeft (zie het proces-verbaal van 10 maart 2015). Dat het hof dit kennelijk niet heeft gezien als een adstructie van de stelling dat [verzoekster] haar financiën op orde heeft, acht ik niet onbegrijpelijk. Over ’s hofs overweging dat [verzoeksters] pingedrag de financiën onoverzichtelijker maakt klaagt het onderdeel niet. Gezien het voorgaande meen ik dat de klacht geen doel treft.

2.7 Klachten (iv) en (v) gaan langs de overwegingen van het hof heen. Zij hebben betrekking op schulden die zijn ontstaan tijdens [verzoeksters] huwelijk met haar gewezen echtgenoot. Het hof refereert bij zijn overweging, dat de kans dat tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zullen ontstaan te groot is, alleen aan de eindafrekening van Essent. Over dat laatste wordt in het onderdeel gesteld dat de afrekening niet op [verzoeksters] naam staat althans haar niet regardeert. Als gezegd kunnen deze klachten niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag en omdat zij berusten op stellingen die in feitelijke instanties niet zijn aangevoerd. Voorts staan de klachten op gespannen voet met hetgeen [verzoekster] zelf tijdens de mondelinge behandeling in appel heeft aangevoerd, namelijk dat [verzoekster] en haar partner conform de afrekening nog een bedrag verschuldigd zijn aan Essent (zie p. 2 van het hiervoor genoemde proces-verbaal van 10 maart 2015). Hiermee faalt onderdeel 1 in zijn geheel.

2.8 Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarmee miskent het onderdeel dat, zoals ik hiervoor al opmerkte, art. 288 lid 3 Fw alleen van toepassing is indien een toelatingsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw (art. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw) of omdat er sprake is van een onherroepelijke veroordeling (art. 288 lid 2 aanhef en onder c Fw). Dat volgt uit de tekst van art. 288 lid 3 Fw en hangt tevens samen met de omstandigheid dat de hardheidsclausule een eis stelt die in wezen samenvalt met de toelatingseis van art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw (vgl. mijn conclusie vóór 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7494).

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep. Ik geef afdoening van deze zaak via toepassing van art. 81, lid 1 Ro in overweging.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G