Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:595

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-05-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
14/06152
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1751, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigening. Hoor en wederhoor, art. 19 Rv, art. 2 Ow.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/06152

Mr. F.F. Langemeijer

8 mei 2015

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Provincie Noord-Holland

In deze onteigeningszaak wordt hoofdzakelijk geklaagd over een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Bij Koninklijk Besluit van 28 januari 2014, nr. 2014.000177, gepubliceerd in de Staatscourant van 11 februari 2014, nr. 3395, is op verzoek en ten name van de Provincie Noord-Holland een aantal onroerende zaken aangewezen ter onteigening ten algemenen nutte op de voet van art. 72a Onteigeningswet (Ow). Deze aanwijzing geschiedde ten behoeve van het project [A]”, kort gezegd voor de aanleg van de rondweg [plaats] vanaf de rotonde “[B]” tot de brug over de Ringvaart en de grens met de gemeente [plaats], met bijkomende werken. Onder de aangewezen onroerende zaken bevinden zich zes perceelsgedeelten waarvan [eiser] (thans eiser tot cassatie) in het Koninklijk Besluit is aangewezen als eigenaar1.

1.2.

Op verzoek van de Provincie heeft de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 19 maart 2014 een deskundigenonderzoek bevolen voor de opneming van de ligging en de gesteldheid van deze onroerende zaken en daartoe drie deskundigen benoemd.

1.3.

Op 10 juni 2014 heeft de Provincie [eiser] gedagvaard voor de rechtbank en gevorderd, voor zover thans van belang, dat de rechtbank vervroegd de onteigening van de aangewezen perceelsgedeelten zal uitspreken. De Provincie heeft [eiser] een schadeloosstelling aangeboden van € 1.034.934,-.

1.4.

Bij tussenvonnis van 6 augustus 2014 heeft de rechtbank in het incident tot tussenkomst de hypotheekhouders (Coöperatieve Rabobank Alkmaar e.o. en Rabohypotheekbank N.V.) toegelaten als tussenkomende partij en de hoofdzaak naar de rol verwezen opdat [eiser] en de interveniënten zich zouden uitlaten over de eis.

1.5.

[eiser] heeft het aanbod niet aanvaard. Hij heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de gevorderde onteigening en daarbij onder meer aangevoerd:

- dat geen noodzaak tot vervroegde onteigening bestaat, noch in de dagvaarding is gesteld;

- dat de Provincie heeft nagelaten het volgens art. 17 Ow vereiste deugdelijk overleg te voeren over verkrijging in der minne van de te onteigenen perceelsgedeelten;

- dat het ontwerp van het te nemen onteigeningsbesluit en de op grond van art. 63 lid 2 Ow vereiste stukken niet ter inzage hebben gelegen en dat evenmin is voldaan aan het vereiste dat de terinzagelegging bekend wordt gemaakt.

1.6.

Bij “akte inhoudende reactie op de conclusie van antwoord”, gedateerd 27 augustus 2014, heeft de Provincie inhoudelijk gereageerd op alle door [eiser] gevoerde verweren2. Bij deze akte heeft de Provincie elf producties aan de rechtbank overgelegd. De producties 1 – 9 bevatten voornamelijk correspondentie over de schadeloosstelling; productie 10 is een afschrift van het door de aangewezen deskundigen inmiddels op 22 augustus 2014 uitgebrachte voorlopig rapport3.

1.7.

Bij vonnis van 29 oktober 2014 heeft de rechtbank de vervroegde onteigening van de aan [eiser] toebehorende perceelsgedeelten uitgesproken. De rechtbank verwierp het verweer omtrent de noodzaak tot vervroegde onteigening (rov. 2.4 – 2.6), het verweer over het ontbreken van voorafgaand overleg als bedoeld in art. 17 Ow (rov. 2.7 – 2.9) en het formele verweer over de terinzagelegging (rov. 2.10 – 2.11).

1.8.

[eiser] heeft – tijdig4 – beroep in cassatie ingesteld tegen dit vonnis5. De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen de in cassatie niet verschenen hypotheekhouders is verstek verleend. [eiser] en de Provincie hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 klaagt over schending van art. 19 Rv, omdat de rechtbank vonnis heeft gewezen zonder aan [eiser] gelegenheid te geven om inhoudelijk te reageren op de (op 17 september 2014) door de Provincie genomen ‘akte inhoudende reactie op de conclusie van antwoord’ en op de daarbij overgelegde elf producties. Een daartoe strekkend verzoek van de advocaat van [eiser] d.d. 19 september 20146 zou door de rechtbank zijn geweigerd.

2.2.

In cassatie moet worden uitgegaan van het feit dat de Provincie een “akte inhoudende reactie op de conclusie van antwoord” heeft genomen en de daarbij behorende producties aan de rechtbank heeft overgelegd zonder dat [eiser] door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld zich over deze stukken uit te laten7. In de regel is de conclusie van antwoord in de procedure tot vervroegde onteigening het laatste gedingstuk; daarna kunnen partijen een datum voor pleidooi vragen. In de praktijk komt het wel voor dat op verzoek van partijen in plaats van een pleitzitting wordt volstaan met een wisseling van akten8.

2.3.

Art. 2 Ow verklaart de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing op het onteigeningsgeding, voor zover daarvan niet is afgeweken in deze wet. Art. 19 Rv bepaalt dat de rechter partijen over en weer in de gelegenheid stelt hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel ten nadele van een der partijen niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Het in art. 6 lid 1 EVRM vervatte beginsel van hoor en wederhoor leidt tot hetzelfde resultaat. Dit beginsel is ook van toepassing in de onteigeningsprocedure9.

2.4.

In haar schriftelijke toelichting heeft de Provincie (onder 2.4), in reactie op dit middelonderdeel, het bijzondere karakter van de onteigeningsprocedure benadrukt. Daaruit vloeit volgens de Provincie voort dat de rechter zelfstandig, onafhankelijk van de reactie van [eiser], de juistheid van deze nadere stellingen van de Provincie beoordeelt: de rechtbank heeft volgens de Provincie blijk gegeven van een juiste taakopvatting door de stellingen van de Provincie te bespreken en niet zonder meer uit te gaan van de juistheid daarvan. Zo beschouwd, zou [eiser] geen belang hebben bij zijn klacht.

2.5.

Dit argument van de Provincie gaat niet op. Weliswaar is juist dat de rechter in een onteigeningsprocedure, zo nodig ambtshalve, controleert of aan de wettelijke vereisten voor de gevorderde onteigening is voldaan10; dit neemt niet weg dat de gedaagde belang behoudt bij zijn recht om zich uit te laten over alle bescheiden en andere gegevens die door de eisende partij in de procedure ter kennis van de rechtbank zijn gebracht. Het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, zoals ook neergelegd in art. 19 Rv, omvat het recht van partijen om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken11. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de grondslag van dit recht mede het vertrouwen dat rechtzoekenden dienen te kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak. Hieruit volgt dat het voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag in beginsel niet van belang is of – en zo ja, in welke mate – gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn geweest op de beslissing van de rechter. Het is niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie12. Dit is slechts anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak. Van deze laatst genoemde uitzondering is in het onderhavige geval geen sprake: de rechtbank heeft haar beslissing immers mede gebaseerd op deze stukken van de Provincie.

2.6.

Het beginsel van hoor en wederhoor brengt niet mee dat een partij onbeperkt het recht heeft om telkens nieuwe stukken of nieuwe stellingen in te brengen. In iedere procedure komt een moment waarop de rechter het debat sluit. Dan is, onvermijdelijk, één van de partijen als laatste aan het woord geweest en mag de rechter beslissen dat één gelegenheid tot reageren op de stellingen van de wederpartij voldoende is geweest13. In de praktijk kunnen zich echter gevallen voordoen waarin het belang van het naar voren brengen van bepaalde informatie pas in de loop van het debat duidelijk wordt voor de partij die het aangaat. Bij de beoordeling of een nieuwe ronde moet worden ingelast, is de aan partijen kenbaar gemaakte procesorde van belang. Zo verzet het beginsel van hoor en wederhoor zich ertegen dat einduitspraak wordt gedaan zonder aan een partij die op grond van de processuele gang van zaken mocht verwachten nog in de gelegenheid te worden gesteld een essentieel, maar nog onvoldoende toegelicht onderdeel van haar stellingen of verweren nader te adstrueren, deze gelegenheid te bieden14.

2.7.

In haar schriftelijke toelichting (onder 2.6 – 2.10) zinspeelt de Provincie op deze regels, waar zij betoogt dat het spoedeisend karakter van de onteigeningsprocedure, zoals dit onder meer tot uitdrukking komt in art. 24 Ow, rechtvaardigt dat de rechtbank [eiser] geen gelegenheid heeft gegeven om een antwoordakte te nemen: bij conclusie van antwoord had [eiser] volgens de Provincie al voldoende gelegenheid gehad om inhoudelijk in te gaan op de vraag of de Provincie heeft voldaan aan haar onderhandelingsplicht ingevolge art. 17 Ow. [eiser] heeft toen volstaan met een eenvoudige ontkenning dat de Provincie de in art. 17 Ow bedoelde verplichting tot onderhandelen is nagekomen. Hierdoor zag de Provincie, naar haar zeggen, zich genoodzaakt om de nodige feiten daaromtrent aan te voeren in de op 17 september 2014 genomen akte en om de desbetreffende correspondentie aan de rechtbank over te leggen.

2.8.

Niet de rolbeslissing van 1 oktober 2014 staat in dit cassatieberoep ter discussie, maar de omstandigheid dat de rechtbank voor het vonnis van 29 oktober 2014 gebruik heeft gemaakt van feiten die de Provincie in haar akte heeft aangevoerd en van producties die de Provincie bij die akte heeft overgelegd15. Dit gebruik blijkt reeds uit rov. 2.3: “De provincie heeft deze verweren gemotiveerd weersproken”. Zo heeft de rechtbank in rov. 2.7, waar zij het aan art. 17 Ow ontleende verweer van [eiser] bespreekt, verwezen naar stellingen van de Provincie in deze akte over serieuze pogingen die zij heeft gedaan om de gronden van [eiser] in der minne te verkrijgen. In dit verband verwees de rechtbank naar de, ter onderbouwing van die stellingen, door de Provincie overgelegde producties 1 – 9 en naar het door de Provincie als productie overgelegde voorlopig deskundigenrapport. In rov. 2.8 is de rechtbank nader ingegaan op deze correspondentie en in rov. 2.9 heeft de rechtbank aan dit een en ander de gevolgtrekking verbonden dat dit verweer van [eiser] moest worden verworpen. De slotsom is, dat de rechtbank inderdaad in het nadeel van [eiser] gebruik heeft gemaakt van stellingen en documenten waarover hij zich in deze procedure niet heeft kunnen uitlaten. De door de Provincie nog aangevoerde omstandigheid dat [eiser] pleidooi had kunnen vragen, doet hieraan niet af. Op het moment in de procedure waarin de vraag naar een eventuele pleitdatum aan de orde was (te weten: na de conclusie van antwoord in eerste aanleg) kon [eiser] nog niet weten welke stellingen de Provincie in haar akte zou gaan aanvoeren en welke producties de Provincie daarbij zou overleggen. Toen [eiser] overeenkomstig art. 2.11 Procesreglement een verzoek deed op die akte te mogen reageren, is hem dat geweigerd. Onderdeel 1 slaagt.

2.9.

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel, in rov. 2.22, dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het petitum van de inleidende dagvaarding. Het hof heeft de tekst daarvan verbeterd gelezen en de aanduiding “KB van 25 november 2013, nummer 2013002337” verstaan als: “KB van 28 januari 2014, nummer 2014/000177”. [eiser] klaagt dat het hof ten onrechte hem geen gelegenheid heeft geboden zich over de voorgenomen verbetering uit te laten.

2.10.

Een dagvaarding bevat de eis en de gronden daarvan; zie art. 111, lid 2 onder d, Rv. Voor zover de eis en de daartoe aangevoerde gronden niet op elkaar aansluiten, kan dit gebrek de nietigheid van het exploot van dagvaarding meebrengen (art. 121 Rv). Doet de in het geding verschenen gedaagde een beroep op de nietigheid van het exploot, dan verwerpt de rechter dat beroep indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad (art. 122 lid 1 Rv). Bij de beoordeling of de gedaagde onredelijk in zijn belangen is geschaad is met name van belang of de gedaagde zich naar behoren heeft kunnen verdedigen tegen hetgeen van hem werd gevorderd. Indien de gedaagde geen beroep heeft gedaan op de nietigheid van het exploot van dagvaarding en de rechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, staat het de rechter in beginsel vrij, kennelijke schrijf- en rekenfouten in de gedingstukken verbeterd te lezen. Dat is in een onteigeningsprocedure niet anders16. Het gaat om een gedingstuk waarover [eiser] zich heeft kunnen uitlaten, te weten de inleidende dagvaarding. Door de verbeterde lezing werd [eiser] niet in zijn verdedigingsbelang geschaad; dat stelt middelonderdeel 2 ook niet. De rechtbank heeft geoordeeld dat het hier gaat om een kennelijke verschrijving, d.w.z. een verschrijving die ook voor [eiser] als zodanig kenbaar is. Die kwalificatie is in cassatie onbestreden en bovendien niet onbegrijpelijk17: ook [eiser] ging ervan uit dat de Provincie onteigening vorderde van het tracé waarop het Koninklijk Besluit van 28 januari 2014 betrekking had18. Bij het verbeterd lezen van een verschrijving van dit kaliber is de rechter niet gehouden om partijen tevoren in de gelegenheid te stellen zich over het voornemen tot verbetering uit te laten. De grens ligt daar, waar sprake zou zijn van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing of andere gevallen waarin de wederpartij wel in zijn verdedigingsmogelijkheden is of kan zijn geschaad, bijvoorbeeld indien de wederpartij als gevolg van (het niet tijdig onderkennen van) de verschrijving ‘op het verkeerde been is gezet’19.

2.11.

Wellicht heeft de steller van het middel voor ogen gehad dat de rechter, alvorens over te gaan tot het verbeteren van een kennelijke schrijf- of rekenfout in een rechterlijke uitspraak, van deze bevoegdheid geen gebruik maakt zonder partijen eerst in de gelegenheid te hebben gesteld zich over de voorgenomen verbetering uit te laten; zie art. 31 lid 1 Rv. Daarbij gaat het echter om gevallen waarin het te verbeteren vonnis is uitgesproken: zonder de in art. 31 lid 1 Rv neergelegde hoorplicht zou de (weder)partij geen enkele gelegenheid hebben om haar mening over de noodzaak tot verbetering aan de rechter kenbaar te maken. Bij een voorgenomen verbeterde lezing van een kennelijke verschrijving in de inleidende dagvaarding is die gelegenheid er wel geweest. Onderdeel 2 faalt.

2.12.

Onderdeel 3.1 klaagt over een onjuiste rechtsopvatting bij de verwerping van het standpunt van [eiser]20 dat de Provincie geen spoedeisend belang had bij de gevorderde vervroegde onteigening. [eiser] herhaalt de klacht van onderdeel 1, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over de akte van de Provincie. Bij deze klacht mist hij belang, omdat de rechtbank in rov. 2.6 het standpunt van de Provincie heeft verworpen en, met aanvulling van de rechtsgronden, om een andere reden dit verweer van [eiser] verwierp. Onderdeel 3.2 behelst de klacht dat de verwerping van dit verweer ontoereikend is gemotiveerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt volgens de klacht niet in te zien waarom, gelet op de door [eiser] in eerste aanleg aangevoerde omstandigheden, de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de Provincie belang heeft bij vervroegde onteigening.

2.13.

Anders dan voor een voorziening in kort geding (art. 254 Rv), is voor een onteigeningsvonnis geen spoedeisend belang vereist. Het middelonderdeel doelt klaarblijkelijk op de stelling dat de Provincie geen belang had bij een (vervroegde21) uitspraak over de onteigening omdat volgens [eiser] niet te verwachten is dat het plan ten behoeve waarvan de onteigening is gevorderd zal worden uitgevoerd binnen de ‘beoogde tijdsperiode’; in dit verband heeft [eiser] gewezen op een vermelding in het Koninklijk Besluit van 28 januari 2014, die luidde:

“Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de start van de werkzaamheden ter uitvoering van het onteigeningsplan is gepland eind 2013 en dat de rondweg in 2015 in gebruik wordt genomen. Hiermee wordt aannemelijk gemaakt dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.”22

2.14.

Nu het Koninklijk Besluit eenmaal genomen is, vervalt de onteigeningstitel niet door het enkele verstrijken van de geplande datum voor de aanvang van de werkzaamheden. De rechtbank heeft dan ook tot het oordeel kunnen komen dat de Provincie belang behoudt bij haar vordering tot onteigening. Onderdeel 3.2 leidt om deze redenen niet tot cassatie.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Zie voor nadere gegevens omtrent deze percelen: rov. 2.2 van het tussenvonnis van 6 augustus 2014.

2 Volgens de in cassatie overgelegde rolkaart en volgens de schriftelijke toelichting namens de Provincie, blz. 3, heeft de Provincie deze akte in werkelijkheid genomen ter zitting van 17 september 2014.

3 Productie 11 heeft betrekking op de rechtsbijstand tijdens de plaatsopneming; een kwestie die in cassatie niet aan de orde is.

4 Zie art. 52 lid 2 en art. 53 lid 1 in verbinding met art. 54l lid 1 Ow.

5 De akte van cassatie vermeldde ook het tussenvonnis van 6 augustus 2014. De cassatiedagvaarding maakt op blz. 4 duidelijk dat over dat vonnis niet wordt geklaagd.

6 Dit verzoek heb ik in het procesdossier niet aangetroffen.

7 De als bijlage bij de cassatiedagvaarding overgelegde rolkaart van de rechtbank vermeldt, nadat de Provincie op 17 september 2014 een akte met producties had genomen, een verzoek van gedaagde tot uitlaten ex art. 2.11 Procesreglement. Op 1 oktober 2014 is als rolbeslissing genoteerd: “akte niet akk; vonnis”.

8 H.J.M. van Mierlo, De verhouding tot het commune procesrecht, in: Kluwers Module Grondzaken, 2010, blz. 16.

9 Zie J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel e.a., Handboek Onteigening, 2013, blz. 86 – 88 en de daar vermelde rechtspraak; laatstelijk HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1689. Zie ook: W.J. Bosma, Verloop van de procedure, in: Kluwers Module Grondzaken, 2012, nr. 263.

10 Zie J.E.F.M. den Drijven-van Rijckevorsel e.a., Handboek Onteigening, 2013, blz. 37.

11 HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637, rov. 3.2.3.

12 Vgl. EHRM 18 februari 1997 (Nideröst-Huber/Zwitserland), NJ 1997/590, rov. 29: “it is for them to say whether or not a document calls for their comments”. In gelijke zin: EHRM 21 februari 2001 (appl. no. 33499/96, Zieger/Zwitserland), rov. 38: “The observations of the opposing party equally contained a reasoned opinion on the merits of the applicant’s public law appeal. In such cases, therefore, the parties to a dispute should be given the possibility to state their views as to whether or not a document calls for their comments”; EHRM 19 mei 2005 (appl.no. 63151/00, Steck-Risch e.a./Liechtenstein), NJ 2006/14, rov. 26 – 29.

13 Vgl. HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3721, NJ 2006/74.

14 HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0540, NJ 1993/79.

15 In de dagvaarding in eerste aanleg (punt 12) had de Provincie hierover niet méér gesteld dan dat haar pogingen om de desbetreffende perceelsgedeelte krachtens minnelijke overeenkomst te verkrijgen “tot op heden vruchteloos zijn gebleven”.

16 Vgl. HR 17 februari 1982, NJO 1982/3; Th.B. ten Kate, Procesregels naar de kern genomen, in: W.H. Heemskerk e.a. (red.), Een goede procesorde, 1983, blz. 73 – 77.

17 Elders in de inleidende dagvaarding (zie blz. 2, 3 en 7) werd uitsluitend het juiste Koninklijk Besluit genoemd (dat van 28 januari 2014).

18 Met dien verstande dat [eiser] in zijn conclusie van antwoord onder 4 verwijst naar een Koninklijk Besluit van 11 februari 2014; gelet op de context is kennelijk bedoeld het K.B. van 28 januari 2014 dat op 11 februari 2014 in de Staatscourant bekend is gemaakt.

19 De problematiek bij het corrigeren van een verkeerde naamsaanduiding van een procespartij laat ik onvermeld; zie daarover: HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881 (JBPr 2014/7 m.nt. G. Lewin), rov. 5.5.3, en laatstelijk de conclusie van mijn ambtgenoot Van Peursem in de aanhangige zaak 15/00613.

20 In de conclusie van antwoord in eerste aanleg onder 4.

21 Zie art. 54f, in verbinding met art. 64b en art. 72a lid 3 Ow.

22 De s.t. namens de Provincie herinnert onder 2.19 eraan dat de termijn van vijf jaar verband houdt met de termijn van twee jaar in art. 64a lid 4 (in verbinding met art. 72a lid 3) Ow en de termijn van drie jaar in art. 61 Ow.