Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:572

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-05-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
15/00613
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1844
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht, cassatie. Beoordeling verstek. Kennelijke misslag in aanduiding gerekwireerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/182 met annotatie van N. de Boer
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/00613

mr. G.R.B. van Peursem

1 mei 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[eiseres]

(hierna: [eiseres]),

eiseres tot cassatie

tegen

Seacon Logistics Group B.V.

(hierna ook: Seacon Group),

verweerster in cassatie,

1. Inzet van deze conclusie is het verzoek van [eiseres] bij akte van 10 april 2015 om herstel van de naam van de gedagvaarde partij (in plaats van de bij dagvaarding genoemde Seacon Logistics Group B.V. moet worden gelezen: Seacon Logistics B.V.) en verstekverlening tegen die partij (laatstgenoemde vennootschap Seacon Logistics B.V.). Reden voor dat verzoek is het bij wege van kennelijke vergissing opvoeren van de verkeerde gerekwireerde (Saecon Logistics Group B.V.) in de cassatiedagvaarding door een fout van de deurwaarder. In laatste feitelijke instantie zijn namelijk de vorderingen van Seacon Logistics Group B.V. tegen [eiseres] afgewezen (zodat [eiseres] daarvan behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen niet in cassatie hoeft te komen), maar de vordering van Seacon Logistics B.V. (hierna ook: Seacon Logistics) tegen [eiseres] toegewezen. Inhoudelijk gaat de zaak over beweerdelijk onjuist pensioenadvies door [eiseres] aan onder meer beide Seacon vennootschappen.

De vraag is of dit verzoek van [eiseres] gehonoreerd kan worden. Ik denk dat dat in de enigszins uitzonderlijke omstandigheden van dit geval zou moeten kunnen.

2. [eiseres] is bij dagvaarding van 15 oktober 2014 in cassatie gekomen van het arrest van hof ’s-Hertogenbosch van 15 juli 2014, waarin als gezegd de vorderingen van appellante Seacon Group tegen geïntimeerde [eiseres] zijn afgewezen, maar die van appellante Seacon Logistics tegen [eiseres] zijn toegewezen.1 De cassatiedagvaarding vermeldt Seacon Logistics Group B.V. als gerekwireerde.

3. Bij (geldig) herstelexploot van 26 januari 2015 – voor de dienende dag van 13 februari 2015 – is aangezegd dat voormeld exploot een misslag bevat doordat de deurwaarder bij de oproeping van Seacon Logistics abusievelijk in gemeld exploot heeft vermeld: “Seacon Logistics Group B.V.” en dat hiervoor dient te worden gelezen: “Seacon Logistics B.V.” en verder:

“dat de vermelding van Seacon Logistics Group B.V. in voornoemde cassatiedagvaarding op een kennelijke vergissing rust die voor verbetering vatbaar is, nu voor Seacon Logistics Group B.V. en haar 100% dochtermaatschappij Seacon Logistics B.V., waarvan Seacon Logistics Group B.V. tevens enig bestuurder is - mede in het licht van de inhoud van dit exploot, dat zich uitdrukkelijk richt tegen de toewijzing van de vordering van Seacon Logistics B.V. jegens mijn rekwirante in het in cassatie bestreden arrest en niet tegen de daarin vervatte afwijzing van de vordering van Seacon Logistics Group B.V. - aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de gerekwireerde abusievelijk met Seacon Logistics Group B.V. was aangeduid, terwijl dit evident Seacon Logistics B.V. moest zijn, zodat (ook) een redelijke uitleg van voornoemd exploot moet leiden tot de slotsom dat Seacon Logistics B.V. in cassatie is gedagvaard, terwijl Seacon Logistics B.V. niet in haar belangen of verdediging kan zijn geschaad door deze kennelijke misslag, die hierbij wordt gerectificeerd; (…).”

Vervolgens is Seacon Logistics opgeroepen om op de dienende dag van 13 februari 2015 vermeld in het eerste exploot te verschijnen.

4. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn uitgebracht aan de enig bestuurder van Seacon Group, alsmede de advocaat van Seacon Group in hoger beroep. (Alleen) Seacon Group is in cassatie op de aangezegde rechtsdag ter terechtzitting van de Hoge Raad verschenen.

5. [eiseres] geeft bij akte van 10 april 2015 de volgende onderbouwing van haar stelling dat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat het per abuis in de cassatiedagvaarding vermelden van Seacon Group in plaats van Seacon Logistics enige onzekerheid heeft (kunnen) doen ontstaan over de vraag tegen wie het cassatieberoep zich richtte:

i) uit de cassatiedagvaarding volgt dat alleen wordt opgekomen tegen toewijzing van de vordering van Seacon Logistics tegen [eiseres];

ii) de dagvaarding is uitgebracht aan de enig bestuurder van Seacon Group2. Seacon Group is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Seacon Logistics. De kennis en wetenschap van de (enig) bestuurder van Seacon Group kan daarom ook aan Seacon Logistics worden toegerekend,

iii) de cassatiedagvaarding is op de voet van art. 63 Rv ook betekend aan de advocaat die voor beide vennootschappen in hoger beroep optrad en moet daarom worden geacht ook Seacon Logistics binnen de cassatietermijn te hebben bereikt;

iv) de omissie is tijdig hersteld door het uitbrengen van een herstelexploot, waarna Seacon Logistics ruimschoots de gelegenheid had om (tijdig) in cassatie te verschijnen en verweer te voeren;

v) althans is volgens [eiseres] de aanvankelijk gemaakte (evidente) vergissing tijdig en op aanvaardbare wijze hersteld door rectificatie van de onjuiste partijaanduiding in het herstelexploot, nu die vergissing voor Seacon Logistics kenbaar was, zij daardoor niet wordt benadeeld of in haar verdediging wordt geschaad en rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden.

[eiseres] heeft daarom primair verzocht dat verstek kan worden verleend aan Seacon Logistics B.V. en subsidiair, onder verwijzing naar het Montis/Goossens II-arrest3, verzocht de aanduiding van verweerster in cassatie (ter rolle) te wijzigen in Seacon Logistics – in de plaats van Seacon Group –, zo nodig onder oproeping van Seacon Logistics.

6. Voor de cassatiedagvaarding gelden, behoudens de uitzonderingen in art. 407 lid 2-4 Rv, ook de inhoudsvereisten die art. 45 lid 3 Rv aan een exploot stelt (art. 407 jo 111 Rv). Art. 45 bepaalt in lid 3 onder d dat het exploot de naam vermeldt van degene voor wie het exploot is bestemd. Wordt geen enkele naam vermeld, dan kleeft aan het dagvaardingsexploot een gebrek dat volgens art. 120 lid 1 Rv met nietigheid is bedreigd. Die nietigheid kan op grond van art. 120 lid 2 Rv echter worden hersteld. Als wel een naam wordt vermeld maar deze is niet juist weergegeven, dan heeft dit in beginsel geen nietigheid van de dagvaarding maar eventueel niet-ontvankelijkverklaring tot gevolg4.

7. Wie als eisende of verwerende partij optreedt, moet worden bepaald aan de hand van uitleg van de dagvaarding. Op de uitleg van de dagvaarding zijn ingevolge art. 3:59 BW art. 3:33 BW en art. 3:35 BW van overeenkomstige toepassing5. Aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot en meer in het bijzonder aan de omschrijving van de identiteit en de hoedanigheid van degene op wiens verzoek het wordt uitgebracht stelt de Uw Raad – in verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij – strenge eisen6. Volgens Snijders staat bij de beoordeling van dit soort kwesties de vraag centraal wat betrokkenen hebben begrepen of althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen7. Bij die uitleg kan een rol spelen dat door betekening op de voet van art. 63 Rv aannemelijk is dat het exploot de juiste partij heeft bereikt8. In geval van een vergissing in de aanduiding van de verwerende partij is herstel mogelijk, indien de vergissing voor de verwerende partij kenbaar was, deze door de vergissing en rectificatie niet wordt benadeeld en rectificatie tijdig is geschied9. In Montis/Goossens II10 rov. 5.5.2 is de ratio voor deze deformaliseringstendens als volgt verwoord:

“De ratio van de deformaliseringstendens die hieraan ten grondslag ligt, is dat fouten en vergissingen niet tot fatale gevolgen behoren te leiden, mits de wederpartij door het herstel hiervan niet onredelijk in haar belangen wordt geschaad.”

Dat is in onze zaak ook richtinggevend.

8. In Montis/Goossens II is geoordeeld dat voortaan11 bij de beoordeling of de aanduiding van een procespartij kan worden gewijzigd nadat de procedure in een volgende instantie is aangevangen, de volgende regels gelden:

1. Een procedure in een volgende instantie dient in beginsel plaats te vinden tussen partijen uit de vorige instantie.

2. Indien een procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt, kan een verschenen partij wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden.

3. Het verzoek is toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad (vgl. art. 122 lid 1 Rv).

4. Indien de wederpartij niet in de door het rechtsmiddel ingeleide procedure is verschenen, beveelt de rechter dat zij wordt opgeroepen teneinde zich over het verzoek tot wijziging uit te laten.

In rov. 5.5.3 van dit arrest wordt aangegeven dat bij dit uitdrukkelijk terugkomen op de strengere regels uit HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7324, NJ 2005/222, m.nt. H.J. Snijders onder NJ 2005/224:

“(…) mede in aanmerking (wordt) genomen dat het hier meestal gaat om louter formele fouten en dat met herstel daarvan in de regel geen materiële belangen van de wederpartij worden geschaad. (…)

Lewin12 en Winters13 menen dat deze regels van overeenkomstige toepassing zijn voor degene die niet de aanduiding van zichzelf, maar van de wederpartij wil wijzigen; dan zou “haar aanduiding” in regel 2 moeten worden vervangen door “de aanduiding van een partij”. Daar lijkt mij veel voor te zeggen.

9. Ik meen dat in het licht van deze deformaliseringstendens de onjuiste aanduiding van verweerster in cassatie in de gegeven omstandigheden voor gedekt kan worden gehouden en kom daartoe als volgt.

10. Of genoemde Montis/Goossens-uitspraak onverkort van toepassing is op onjuiste vermelding van de gerekwireerde, is niet helemaal zeker, maar ik zou dat wel willen bepleiten. Het gaat hier niet om een geval dat al wel eerder is beslist, waarbij de wederpartij als een en dezelfde entiteit verkeerd is aangeduid (bijvoorbeeld in geval van omwisseling van twee woorden) of een partijwisseling, maar om een volledig andere rechtspersoon. De gedagvaarde vennootschap Seacon Group wordt hier vervangen door een andere vennootschap Seacon Logistics, een andere entiteit. Je kan dan betogen dat de cassatieprocedure niet tegen Seacon Logistics aanhangig is (gemaakt), terwijl overigens sprake is van afzonderlijke rechtsverhoudingen tussen deze beide vennootschappen en [eiseres].

11. Een formele visie is dan dat [eiseres] tijdig een nieuwe dagvaarding had moeten uitbrengen. Het herstelexploot is in die visie immers niet de rectificatie van een gebrek in een al lopende procedure, maar dient er in feite toe een geheel nieuwe beroepsprocedure te starten. Met een herstelexploot kan dat niet worden bewerkstelligd. Dagvaarding van de juiste (rechts)persoon ligt immers in de risicosfeer van aanlegger. Bovendien is aannemelijk dat de deurwaarder14 voor dit soort beroepsfouten is verzekerd. Dit is een pleitbare route, die uiteindelijk zal kunnen leiden tot een zogenoemde “procedure in een procedure”, die dan zal moeten uitmaken of en in hoeverre [eiseres] financiële genoegdoening zal kunnen krijgen voor de beroepsfout van de deurwaarder. Een mij niet meteen aansprekende weg.

12. Ik meen dat in de omstandigheden van dit geval deze route niet de voorkeur verdient. Ik kom daartoe door uitleg van de cassatiedagvaarding en zie een parallel in de Koks Nilo (Milieu) zaak (Koks Nilo B.V. in cassatie gedagvaard in plaats van Koks Nilo Milieu B.V., die overigens inmiddels na fusie anders heet, zodat die nieuwe entiteit in beginsel gedagvaard had moeten worden, maar geen van beide fouten leidt daar tot niet-ontvankelijkheid) in het voetspoor van de even daarvoor gewezen Philip Morris/Van de Graaf Waalwijk uitspraak15. De teneur van deze rechtspraak is dat wanneer bij uitleg van de dagvaarding duidelijk moet zijn geweest dat sprake is van een vergissing, dit waar mogelijk geen ongewenste rechtsgevolgen behoort te krijgen. Dan ontbreekt een rechtens te respecteren belang bij niet-ontvankelijkheid. Waar het op aankomt is wat de (advocaat in feitelijke instanties van de) wederpartij uit de cassatiedagvaarding heeft moeten begrijpen. Seacon Group en Seacon Logistics zijn gezamenlijk in hoger beroep gegaan en werden bijgestaan door dezelfde advocaat. Seacon Group is de in cassatie gedagvaarde partij; de dagvaarding is daartoe uitgebracht aan zowel de (enig) bestuurder van Seacon Group, als de advocaat van Seacon Group (tevens advocaat van Seacon Logistics) in appel. In de cassatiedagvaarding wordt behalve op het voorblad telkens gesproken over “Seacon”16. Maar uit het lichaam van de cassatiedagvaarding17 en de geformuleerde klachten volgt in mijn optiek zonder meer dat het cassatieberoep zich alleen richt tegen de door het hof jegens [eiseres] toegewezen vorderingen van Seacon Logistics – en dus niet tegen de afgewezen vorderingen van Seacon Group jegens [eiseres]. Dat valt redelijkerwijs niet anders te begrijpen. Zo Seacon Group zelf al niet meteen bij eerste beschouwing van de cassatiedagvaarding zal hebben gezien dat formeel de verkeerde partij is gedagvaard waar materieel de andere partij moet zijn bedoeld18, is in dit geval de dagvaarding ook uitgebracht aan de advocaat van Seacon Group en Seacon Logistics. Deze heeft de vergissing wel meteen geconstateerd of had deze redelijkerwijs behoren te constateren: casseren tegen een gewonnen zaak ligt – behoudens een foutieve proceskostenveroordeling – niet voor de hand. Dat het appel voor Seacon Group een gewonnen zaak was, was niet voor redelijke twijfel vatbaar19. Verder is die vergissing tijdig opgemerkt en is het herstelexploot wederom (ook) ten kantore van die advocaat betekend, zodat gewoon verweer kan worden gevoerd.

13. In de gegeven omstandigheden – mede vanuit de door Uw Raad op dit punt ingezette deformaliseringstendens20 – meen ik te kunnen concluderen dat de dagvaarding geacht moet worden (ook) Seacon Logistics binnen de cassatietermijn te hebben bereikt, waarbij de omissie tijdig – voor de dienende dag – is hersteld door het uitbrengen van een herstelexploot. In die omstandigheden staat het [eiseres] in beginsel vrij om de partijnaam aan de zijde van de wederpartij in overeenstemming te brengen met de redelijkerwijs beoogde materiële procesrechtelijke wederpartij Seacon Logistics. Seacon Logistics heeft hier wel een belang bij een uitkomst in andere zin, maar in de gegeven omstandigheden acht ik dat geen in rechte te honoreren belang, zodat ik haar niet onredelijk in haar verdedigingsbelang geschaad acht, maar dan dient daarbij mogelijk wel het navolgende in acht te worden genomen (neerkomend op de subsidiaire route uit [eiseres]’ verzoek).

14. Er doet zich namelijk nog de complicatie voor dat Seacon Logistics niet in cassatie is verschenen. Zij is bij herstelexploit wel opgeroepen (zodat denkbaar is dat meteen verstek kan worden verleend, dat immers nog kan worden gezuiverd), maar ik geef niettemin in overweging om [eiseres] overeenkomstig genoemde Montis/Goossens-uitspraak te bevelen tot (hernieuwde) oproeping van Seacon Logistics over te gaan om zich over onderhavig verzoek uit te kunnen laten, alvorens eventueel tot de door mij bepleite honorering van [eiseres]’ verzoek over te gaan. Dat wordt, dunkt mij, verlangd door het beginsel van hoor en wederhoor.

De conclusie strekt ertoe dat Uw Raad [eiseres] beveelt tot oproeping van Seacon Logistics B.V. over te gaan om te kunnen worden gehoord op het verzoek tot naams- (en entiteits-) wijziging van de in cassatie gedagvaarde partij.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda heeft bij eindvonnis van 6 maart 2013 de vorderingen in deze zaak integraal afgewezen.

2 Zie bijlage 2 bij de aanbiedingsbrief van [eiseres] van 9 februari 2015. Opgemerkt zij dat deze bestuurder ook voor Seacon Group als managing director staat vermeld met als inhoud volmacht: “Het ondertekenen van handelsdocumenten waaron- der EUR-certificaten, certificaten van oorsprong”.

3 HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881, RvdW 2014/34, JBPr 2014/7, m.nt. Lewin.

4 Zie over de achtergrond van deze regel o.m. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/48 e.v.

5 Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765, NJ 2008/10 en HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435, NJ 2006/202, m.nt. H.J.Snijders. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/44.

6 Zie de rechtspraak vermeld in de vorige voetnoot.

7 Zie zijn noot onder HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435, NJ 2006/202.

8 Zie Rueb/Gras, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2013, p. 98, voetnoot 6, onder verwijzing naar HR 23 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7504, JBPr 2006/6, m.nt. K. Teuben en HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1955, JBPr 2006/5, m.nt. K. Teuben.

9 HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765, NJ 2008/10; HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587, NJ 1998/493. Zie ook HR 4 december 1998,ECLI:NL:HR:1998:ZC2798, NJ 1999/269; HR 9 juli 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0959, NJ 1990/748 en HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881, RvdW 2014/34, JBPr 2014/7, m.nt. Lewin (Montis/Goossens II).

10 HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881, RvdW 2014/34, JBPr 2014/7, m.nt. Lewin.

11 Daarmee werd uitdrukkelijk teruggekomen van HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7324, NJ 2005/222, m.nt. HJS onder NJ 2005/224, waarin nog dit werd overwogen: “3.4.2 In zijn arrest van 6 december 2002, nr. C01/110, RvdW 2002, 203RvdW 2002, 203 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het een appellant niet zonder meer vrijstaat na afloop van de appeltermijn alsnog een andere partij (in die zaak: een in eerste aanleg door zijn ouder(s) vertegenwoordigde minderjarige die ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding inmiddels meerderjarig was geworden) dan de reeds gedagvaarde partij(en) aan wie het hoger beroep is aangezegd (in die zaak: de ouders), in de procedure te betrekken. Anders zouden de regels van appelprocesrecht die erop neerkomen dat in beginsel a) alleen de partij aan wie het hoger beroep is aangezegd en die in hoger beroep is gedagvaard te gelden heeft als de wederpartij van de appellant en b) van een tijdig ingesteld hoger beroep alleen dan sprake zal zijn als het hoger beroep binnen de appeltermijn aan de wederpartij rechtsgeldig wordt aangezegd en deze tijdig wordt gedagvaard, op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. Bovendien, zo vervolgt genoemd arrest, moet een partij die niet tijdig en op een rechtsgeldige wijze in een hoger beroep is betrokken 'ervan kunnen uitgaan dat wat haar betreft deze mogelijkheid niet meer bestaat, tenzij zulks achterwege is gebleven als gevolg van omstandigheden die voor haar rekening behoren te komen. In zoverre bestaat slechts beperkte ruimte voor herstel van fouten'. De in genoemd arrest aan de orde zijnde fout kon slechts worden hersteld indien de appellant niet wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de in eerste aanleg door zijn ouders vertegenwoordigde minderjarige ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding inmiddels meerderjarig was geworden. 3.4.3 Aanvaarding van de mogelijkheid dat in een geval als het onderhavige alsnog de verkrijgende rechtspersoon als appellant in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon treedt, zou betekenen dat rechtsgevolg wordt toegekend aan handelingen van een niet meer bestaande procespartij en zou een doorkruising opleveren van de hiervoor in 3.4.2 onder b) vermelde regel van appel-procesrecht; een en ander ten nadele van de wederpartij die immers, indien zij niet tijdig op rechtsgeldige wijze in hoger beroep is betrokken, in beginsel ervan moet kunnen uitgaan dat daartoe wat haar betreft geen gelegenheid meer openstaat. Voor aanvaarding van die mogelijkheid bestaat, nu de verkrijgende rechtspersoon het geheel in eigen hand heeft te voorkomen dat de dagvaarding uit naam van de verdwijnende, niet meer bestaande, rechtspersoon wordt uitgebracht, slechts grond indien de wederpartij vóór het verstrijken van de appeltermijn wist of behoorde te weten dat de in de dagvaarding als appellant vermelde rechtspersoon als gevolg van fusie reeds ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding had opgehouden te bestaan.”

12 Zie zijn meergenoemde noot (onder 5) onder dit arrest.

13 Winters, Kroniek “Partijen”, TCR 2014-4, p. 119-127, i.h.b. p. 122, linker kolom, in fine.

14 Dat het een fout van de deurwaarder betreft wordt uiteengezet in de brief van de cassatieadvocaat van [eiseres] van 9 februari 2015 aan de griffier: “(...) De reden voor het uitbrengen van het herstelexploit is erin gelegen dat de door mij ingeschakelde deurwaarder een fout heeft gemaakt. Deze deurwaarder heeft, op eigen initiatief en zonder overleg met mij, de naam van de in cassatie te dagvaarden partij in het hem ter betekening toegezonden stuk gewijzigd (1). De cassatiedagvaarding vermeldt daardoor “Seacon Logistics Group B.V.” als gerekwireerde, in plaats van “Seacon Logistics B.V.”

15 HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1955, NJ 2006/559, JBPr 2006/5, m.nt. K. Teuben hierover in JBPr 2006/6, rov. 3.3: “3.3 Het in 3.2. weergegeven betoog faalt omdat het voor de procureur die in de vorige instanties voor Koks Nilo Milieu B.V. en na de vermelde fusie SITA Recycling Services West B.V. is opgetreden en voor diens opdrachtgever aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat met “Koks Nilo B.V.” zowel in de aanduiding van de procespartijen in het arrest van het hof als in de cassatiedagvaarding werd gedoeld op de wederpartij van de Gemeeente in de vorige instanties. Ook moet aanstonds duidelijk zijn geweest dat die wederpartij na de vermelde fusie, waarvan tijdens de procedure in hoger beroep klaarblijkelijk geen mededeling is gedaan aan het hof en aan de Gemeente, SITA Recycling Services West B.V. is. Een in rechte te respecteren belang bij het beroep op de onjuiste tenaamstelling in de cassatiedagvaarding ontbreekt da nook, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen (vgl. HR 27 mei 2005, nr. C04/290, RvdW 2005, 79).” Zie ook dit laatste arrest uit mei 2005 waarnaar wordt verwezen: HR 27 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3193, NJ 2006/598, m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2005/54, m.nt. B.T.M. van der Wiel, (Philip Morris/Van de Graaf Waalwijk) en de hiervoor genoemde bijzonder instructieve noot van Teuben in JBPr 2006/6, m.n. nrs. 8-13.

16 In het bestreden arrest zijn appellanten gezamenlijk, waaronder Seacon Group en Seacon Logistics, aangeduid als Seacon, maar in rov. 4.7 en het dictum is wel onderscheid gemaakt tussen Secon Logistics Group B.V. en Seacon Logistics B.V.

17 Vgl. o.m. 12 (“In het bestreden arrest heeft het Bossche Hof dit vonnis evenwel vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Seacon alsnog toegewezen.”) en onder II.a (“[eiseres] heeft zich in de onderhavige procedure, ter betwisting van de door Seacon gestelde toerekenbare tekortkoming en het causaal verband tussen het (vermeend) onjuiste pensioenadvies en de door Seacon gestelde schade, onder meer op het standpunt gesteld dat : (…).”).

18 De uitgereikte dagvaarding zal ongetwijfeld rechtstreeks naar de advocaat zijn gezonden.

19 Uit rov. 4.7, 2e alinea van het hofarrest volgt zonneklaar dat de vorderingen van Seacon Group tegen [eiseres] worden afgewezen: “Naar het oordeel van het hof heeft Seacon, tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiseres], onvoldoende concreet onderbouwd dat er ook een contractuele relatie bestaat tussen [eiseres] en ASV, Seacon Logistics Group en Container Trucking Venlo. Voorts kan niet worden geoordeeld dat [eiseres] in dezen onrechtmatig heeft gehandeld jegens ASV, Seacon Logistics Group en Container Trucking Venlo. (…)”. In het dictum is vervolgens onder meer voor recht verklaard dat [eiseres] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de tussen haar en Seacon Logistics bestaande opdrachtovereenkomst(en), de tussen Seacon Logistics en [eiseres] bestaande opdrachtovereenkomst(en) ontbonden, [eiseres] veroordeeld tot terug)betaling aan Seacon Logistics van de uit hoofde van deze overeenkomst(en) betaalde bedragen en schadevergoeding op te maken bij staat aan Seacon Logistics.

20 Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/58. Als een betekening aan het kantoor van de eigen procureur in vorige instantie al kan worden geheeld voor de dienende dag (HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1357, NJ 1995/269, m.nt. H.J. Snijders), dan lijkt mij dit een veel minder grote stap.