Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:568

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
15/00853
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1227, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Verzoek machtiging tot voortgezet verblijf; art. 15 Wet Bopz. Persoonlijkheidsstoornis. Alcoholverslaving. Gevaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/00853

Mr. F.F. Langemeijer

20 maart 2015

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Nederland

In deze Bopz-zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf verleend. De klachten hebben betrekking op de stoornis van de geestvermogens, het gevaar en de mogelijkheden voor hulpverlening buiten een psychiatrisch ziekenhuis.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Op 14 november 2014 heeft de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland aan de rechtbank Overijssel verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 e.v. Wet Bopz). Betrokkene verbleef onvrijwillig in het forensisch psychiatrisch centrum Veldzicht. Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 5 november 2014 gevoegd van de waarnemend geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, en een kopie van het behandelingsplan.

1.2.

Op 27 november 2014 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en zijn advocaat gehoord, alsmede de behandelend psychiater en behandelend psycholoog. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden.

1.3.

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel dat ten aanzien van betrokkene sprake is van een relevante stoornis van de geestvermogens. Onder verwijzing naar de geneeskundige verklaring en de ter terechtzitting verschafte inlichtingen overwoog de rechtbank:

“Betrokkene kampt al jaren met verslavingsproblematiek en heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis. In het kader van de persoonlijkheidsstoornis heeft betrokkene oordeel- en kritiekstoornissen die onder invloed van alcohol tot uitbarsting komen en zijn handelen op dat moment volledig in beslag nemen. Bij trajecten die mislopen raakt betrokkene in paniek en laat hij tevens depressieve kenmerken zien. De antisociale stoornis in combinatie met alcoholafhankelijkheid en –gebruik bepaalt het gedrag van betrokkene zodanig dat deze combinatie betrokkene na te noemen gevaar doet veroorzaken.”

In het kort betogen de middelonderdelen 1.1 en 1.2 dat de geconstateerde alcoholverslaving, noch de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis toereikend is om te kunnen spreken van een relevante ‘stoornis van de geestvermogens’ als bedoeld in de Wet Bopz. Onderdeel 1.3 ziet op de vraag of de combinatie van de alcoholverslaving en de persoonlijkheidsstoornis een voor de toepassing van deze wet relevante stoornis van de geestvermogens kan opleveren en, daarnaast, op het vereiste gevaar.

2.2.

Onderdeel 1.1 klaagt onder a, samengevat, dat de rechtbank heeft miskend dat een alcoholverslaving niet tot vrijheidsbeneming op grond van de Wet Bopz kan leiden tenzij deze gepaard gaat met (andere1) psychische stoornissen van een zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen van betrokkene daardoor wordt beïnvloed en wel in die mate, dat aan betrokkene het door deze stoornis veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene in overwegende mate beheerst. Volgens de toelichting op deze klacht moet het dan gaan om psychische stoornissen van een zodanige ernst als vorenbedoeld, niet slechts om een of meer persoonlijkheidsstoornissen. Onder b wordt geklaagd dat uit de door de rechtbank gegeven motivering niet blijkt dat een psychische stoornis – niet zijnde een persoonlijkheidsstoornis – het gedrag van betrokkene overwegend beheerst, buiten de periode waarin hij alcohol gebruikt. Onder c volgt de gevolgtrekking die betrokkene hieraan wil verbinden.

2.3.

Wat betreft de persoonlijkheidsstoornissen, verwijst de toelichting op deze klachten naar de parlementaire geschiedenis van de Wet Bopz, in het bijzonder naar de volgende passage:

“(…) stoornissen welke als stoornissen van de persoonlijkheid gelden, kunnen tot toepassing van [lees: de wet] geen aanleiding geven. De personen die als gevolg van dergelijke persoonlijkheidsstoornissen tot sociaal minder wenselijke gedragingen kunnen komen, zullen niet middels de rechterlijke machtiging op grond van het ontwerp van eventueel gevaarlijk handelen kunnen worden afgehouden. Hun geestvermogens zijn niet in zo ernstige mate gestoord te achten dat hun handelen (vrijwel) geheel onder invloed van hun stoornis tot stand komt.”2

2.4.

Voor een machtiging tot voortgezet verblijf vereist de Wet Bopz een stoornis van de geestvermogens die de betrokken patiënt gevaar doet veroorzaken, welk gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (zie art. 15, lid 2, in verbinding met art. 1 en art. 2 Wet Bopz). De enkele constatering dat een persoon aan een psychische ziekte lijdt is niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘stoornis van de geestvermogens’. De ‘geestvermogens’, bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz, zijn in de parlementaire geschiedenis omschreven als: “de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen’. Zij worden bepaald door biologische, psychische en sociale factoren. Van een ‘ziekelijke stoornis’ van deze geestvermogens is sprake zodra deze tijdelijk of blijvend gestoord raken3. Het vaststellen van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens vergt een medisch onderzoek door een deskundige (psychiater). De eis van psychiatrisch onderzoek wordt zowel in de Wet Bopz als in de rechtspraak van het EHRM over de toepassing van art. 5, lid 1 onder e, EVRM gesteld.

2.5.

In de parlementaire geschiedenis, in het bijzonder in de nadere memorie van antwoord, in de toelichting op het middel aangehaald, heb ik niet kunnen vinden dat een persoonlijkheidsstoornis nooit een voor de toepassing van de Wet Bopz relevante ziekelijke stoornis van de geestvermogens zou kunnen opleveren, al dan niet in combinatie met verslaving aan alcohol. Sterker nog, de nadere memorie van antwoord vervolgt:

“Wel is het mogelijk dat door een samenloop van gebeurtenissen van verschillende aard een persoonlijkheidsstoornis zodanig ongunstig beïnvloed wordt, dat op een gegeven moment gezegd moet worden dat van een ernstige stoornis in de zin van de wet moet worden gesproken. Zo komen de stoornissen, genoemd onder b tot en met d, relatief frequent in samenhang met persoonlijkheidsstoornissen voor.”4

De regering betoogde slechts dat de geconstateerde aanwezigheid van een neurotische stoornis5 of van een persoonlijkheidsstoornis6 niet zonder meer meebrengt dat de betrokkene in zijn (hiervoor bedoelde) geestvermogens gestoord is. In dit geval heeft de opsteller van de geneeskundige verklaring op basis van het onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater verklaard van oordeel te zijn dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens en dat dit ook nog het geval zal zijn na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging.

2.6.

Een aantal jaren later, in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet verplichte ggz7, is een andere formulering gekozen:

“Aansluiting is ook gezocht bij de ontwikkeling in de tijd van het ‘stoornis-begrip’ in de Wet bopz. ‘De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen’, aldus de wetgever in 1979 (Kamerstukken II, 1979/80, 11 270). De gedachte van de wetgever was dat betrokkene als het ware willoos werktuig in handen van de stoornis zou moeten zijn, waarbij de toerekenbaarheid voor het gevaar is vervallen, wil er sprake kunnen zijn van een geestesstoornis (zie ook de uitgebreide toelichting op het stoornisbegrip in R.H. Zuijderhoudt, Stoornis en de Wet bopz, praktijkreeks Bopz, nr. 8). Deze gedachte bracht mee dat gevaar dat voortvloeide uit middelenafhankelijkheid (verslaving) of een persoonlijkheidsstoornis niet als een geestesstoornis kon worden gekwalificeerd, tenzij de stoornis ‘de gevaarvolle daden overwegend zou beheersen’. Aangezien tegenwoordig verslaving als een ziekte wordt opgevat en ook meer geneeskundige verklaringen voor persoonlijkheidsstoornissen worden uitgeschreven, is het oorspronkelijke onderscheid dat de wetgever aanbracht tussen ‘echte’ psychiatrische ziektebeelden zoals psychotische aandoeningen en andere stoornissen vervaagd. Dit hangt ook samen met het ruimere arsenaal aan interventies op het terrein van de zorg die op grond van het wetsvoorstel mogelijk zijn.”

Het oordeel van de rechtbank dat een persoonlijkheidsstoornis zoals de onderhavige, in combinatie met de alcoholverslaving, is aan te merken als een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, is in het licht van het voorgaande niet rechtens onjuist, noch onbegrijpelijk.

2.7.

Wat betreft de tweede component, de alcoholverslaving, werd in HR 23 september 20058 het volgende overwogen:

“(…) dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.” (rov. 3.3.5)

In een beschikking van 10 oktober 2014 overwoog de Hoge Raad:

“(…) Mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming, kan verslaving aan middelen als drugs en alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het bij afhankelijkheid van verslavende middelen veelal gaat om verschijnselen van chronische aard, zodat een daarop gebaseerde vrijheidsbeneming naar haar aard eveneens van lange duur zou kunnen zijn (zie de hiervoor […] genoemde beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2005).” 9

2.8.

In de thans bestreden beschikking spreekt de rechtbank van oordeels- en kritiekstoornissen die onder invloed van alcohol tot uitbarsting komen en dan het handelen van betrokkene “volledig in beslag nemen”. Hoewel de rechtbank de in alinea 2.7 genoemde maatstaf niet met zoveel woorden heeft aangehaald – daartoe was zij niet verplicht −, moet m.i. worden aangenomen dat de rechtbank deze maatstaf wel voor ogen heeft gehad10. In de redenering van de rechtbank is sprake van een wisselwerking tussen de persoonlijkheidsstoornis, die tot oordeels- en kritiekstoornissen leidt, en de alcoholverslaving. Wanneer deze samenkomen ontstaat, in de redenering van de rechtbank, een situatie waarin de oordeels- en kritiekstoornissen het handelen van betrokkene “volledig in beslag nemen” en in combinatie met de alcoholverslaving zijn gedragingen zodanig bepalen “dat deze combinatie betrokkene na te noemen gevaar doet veroorzaken”. De rechtbank heeft niet de alcoholverslaving, maar de persoonlijkheidsstoornis en de daaruit voortvloeiende oordeels- en kritiekstoornissen tot uitgangspunt van de motivering genomen en komt, zo doende, langs een andere weg dan de in alinea 2.7 aangehaalde rechtspraak tot hetzelfde resultaat. De klachten van onderdeel 1.1 falen om deze reden.

2.9.

Onderdeel 1.2 is subsidiair voorgedragen en behelst een reeks motiveringsklachten. De klacht onder a houdt in dat de aangehaalde overweging niet impliceert dat de alcoholverslaving gepaard gaat met een psychische stoornis van een zodanige ernst dat door deze stoornis (en niet slechts door het gebruik van alcohol) de geestvermogens van betrokkene zo ingrijpend worden beïnvloed dat het door deze stoornis veroorzaakte gevaar hem niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden overwegend beheerst. Deze klacht gaat niet op, om dezelfde reden als besproken bij onderdeel 1.1. Anders dan de klacht onder b veronderstelt, behoefde de rechtbank – om haar beslissing begrijpelijk te doen zijn – niet in te gaan op de vraag of bij betrokkene sprake is van een aantasting van de fysiologische integriteit van de hersenen. Het antwoord op die vraag kan van belang zijn in gevallen waarin een ver voortgeschreden alcoholverslaving (bijvoorbeeld bij het syndroom van Korsakov) als grond voor vrijheidsbeneming wordt aangevoerd, zonder dat sprake is van samenloop met andere psychische aandoeningen die het uiteindelijk resultaat mede bepalen. In dit geval is de rechtbank, zoals gezegd, uitgegaan van een persoonlijkheidsstoornis die oordeels- en kritiekstoornissen tot gevolg heeft die, in combinatie met de alcoholverslaving, het handelen van betrokkene overheersen en betrokkene gevaar doen veroorzaken.

2.10.

De motiveringsklacht onder c is voorwaardelijk voorgedragen. Zij mist feitelijke grondslag omdat de voorwaarde niet is vervuld. De motiveringsklacht onder d treft geen doel omdat niet is vermeld dat, en waar, in het geding in eerste aanleg door of namens betrokkene een beroep op de desbetreffende passage in het behandelingsplan zou zijn gedaan. De rechtbank had geen reden om in de motivering van haar beslissing in het bijzonder op die passage in te gaan. De klacht onder e, gericht tegen de derde volzin van de bestreden overweging, miskent dat het de feitenrechter vrij stond om uit de beide, niet met elkaar overeenstemmende standpunten over de feiten een keuze te maken. Dat de rechtbank, onder verwijzing naar de geneeskundige verklaring en de ter zitting verschafte inlichtingen, tot deze vaststelling is gekomen, behoefde naar mijn mening geen nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn. De motiveringsklacht onder f, die voortbouwt op de eerdere klachten, behoeft geen zelfstandige bespreking. Onderdeel 1.2 faalt.

2.11.

Onderdeel 1.3 herhaalt (onder a) het standpunt dat art. 15 lid 2 Wet Bopz een stoornis van de geestvermogens vereist, die niet een persoonlijkheidsstoornis is. Daarvan uitgaande, wordt geklaagd dat ook de combinatie van een persoonlijkheidsstoornis en de alcoholverslaving de verleende machtiging tot voortgezet verblijf niet kan dragen. De klacht gaat eraan voorbij dat de rechtbank heeft uiteengezet dat en waarom juist in dit geval de uit de persoonlijkheidsstoornis voortvloeiende oordeels- en kritiekstoornissen, in combinatie met de alcoholverslaving, het handelen van betrokkene overheersen.

2.12.

Volgens de rechtbank gaat het om het gevaar dat betrokkene (a) maatschappelijk te gronde gaat, (b) zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen, (c) met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen en (d) een ander van het leven zal beroven of ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen. Het middelonderdeel klaagt (onder 1.3.b) dat het laatstbedoelde door de rechtbank aangenomen gevaar onbegrijpelijk is in het licht van de geneeskundige verklaring, het behandelingsplan en de verklaring ter zitting van de psychiater. Die informatie wettigt volgens betrokkene geen andere conclusie dan dat gedurende de afgelopen jaren geen sprake is geweest van agressie jegens andere personen of goederen. Voor zover betrokkene belang heeft bij deze klacht – zij betreft één van de vier door de rechtbank vastgestelde vormen van gevaar −, faalt zij. In rubriek 4 van de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, wordt het gevaar van agressieve incidenten genoemd. Het is toegelicht met de mededeling dat uit het dossier blijkt van “een groot aantal geweldsdelicten wanneer hij onder invloed is van drank en/of andere middelen”. De stelling dat niet is gebleken van agressieve incidenten tijdens het verblijf in het ziekenhuis kan een aanwijzing opleveren, maar is niet beslissend: in het ziekenhuis is betrokkene in een beschermde omgeving. De machtiging is gericht op het keren van gevaar in de toekomst; het gaat bij deze grond om de vraag of de actuele toestand van betrokkene grond biedt voor de verwachting van een reële kans op agressie in geval betrokkene buiten het ziekenhuis zal verblijven. De vaststelling en waardering van de feiten, die nodig is om dit risico te bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Klaarblijkelijk acht de rechtbank het gevaar nog niet geweken: de rechtbank verwijst naar het gedrag van betrokkene bij trajecten die mislopen. Onderdeel 1.3 faalt.

2.13.

Onderdeel 2 is gericht tegen de overweging dat het te duchten gevaar niet kan worden weggenomen door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank zou ten onrechte dan wel op onbegrijpelijke gronden tot dit oordeel zijn gekomen, nu betrokkene en zijn advocaat ter zitting hebben verklaard dat hij heeft gezorgd voor een plek in de dag- en nachtopvang van “De Hille”, waar hij een kamer kon krijgen alsmede steun van een maatschappelijk werker, een verpleegster en een huisarts, met ondersteuning vanuit het nabijgelegen Bavo Europoort11. Volgens de klacht heeft de rechtbank niet toereikend gerespondeerd op dit verweer.

2.14.

De rechtbank heeft, verwijzend naar de geneeskundige verklaring en het verhandelde ter terechtzitting, overwogen dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat deze standaardoverweging summier is, maar het gebruik daarvan is niet uitgesloten12. In de gegeven omstandigheden is de beslissing niet onbegrijpelijk. In de geneeskundige verklaring (rubriek 6), waarnaar de rechtbank verwijst, zijn de mogelijkheid van maatschappelijke dienstverlening en thuiszorg alsmede ambulante psychiatrische behandeling door de onderzoekende psychiater in zijn overwegingen betrokken, maar beschouwd als niet toereikend. De mogelijkheid van een plaatsing in De Hille is ter zitting aan de orde gesteld, waarna betrekkelijk uitgebreid tussen de rechter, de aanwezige behandelaars en betrokkene en zijn advocaat is gesproken over voorgenomen dagbesteding en hulpverlening. De rechtbank verwijst naar de ter zitting gegeven inlichtingen. In het licht daarvan moet worden aangenomen dat de voorgestelde mogelijkheid van verblijf in De Hille wel door de rechtbank in haar beslissing is meegenomen, maar niet toereikend is geacht om het gevaar te keren. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering. De periode van zes maanden, en de reden daarvoor, heeft de rechtbank kennelijk ontleend aan het slot van het behandelingsplan.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g

1 Het gaat in deze zaak niet om het zgn. syndroom van Korsakov (zie ook cassatierekest blz. 5).

2 Nadere memorie van antwoord, Kamerstukken II 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 15.

3 De omschrijving in art. 1 lid 1 Wet Bopz omvat naast de ziekelijke stoornis ook de ‘gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens’; tegenwoordig spreekt men van ‘verstandelijke handicap’.

4 Kamerstukken II 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 15. Met de verwijzing naar de stoornissen onder b – d (zie t.a.p. blz. 14) is achtereenvolgens bedoeld: psychogene opwindingstoestanden; bepaalde toestanden als gevolg van verslavingen; functionele psychosen.

5 De regering gaf het voorbeeld van hoogtevrees of een angststoornis.

6 Een persoonlijkheidsstoornis wordt in het woordenboek van Van Dale omschreven als een stoornis in de persoonlijkheid die normaal functioneren hindert. Voor een introductie tot het begrip persoonlijkheidsstoornis: W. Vandereycken en R. van Deth, Psychiatrie. Van diagnose tot behandeling, Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2004, hoofdstuk 17.

7 Kamerstukken II 2009-2010, 32 399, nr. 3, blz. 11 en 12.

8 HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/35 m.nt. W. Dijkers. Zie ook: HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, NJ 2007/541, BJ 2007/44 m.nt. W. Dijkers.

9 HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, JVggz 2014/37 m.nt. W. Dijkers.

10 De rechter heeft ter zitting gevraagd, en toen is besproken, of de alcohol, respectievelijk de stoornis, betrokkene in zijn macht had, of gedragingen aan betrokkene toegerekend kunnen worden en of betrokkene te beschouwen is als een ‘willoos werktuig’ van de stoornis in combinatie met alcohol: zie het proces-verbaal blz. 2, 3 en 4.

11 Zie het proces-verbaal, blz. 1 en 4. De Hille is een centrum voor dienstverlening met dag- en nachtopvang voor dak- en thuislozen.

12 Vgl. HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7233, NJ 1998/221 m.nt. JdB.