Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:524

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
15/00681
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1738, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating (art. 288 lid 1 sub b Fw). Goede trouw. Goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/00681

Mr. L. Timmerman

Zitting: 17 april 2015

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoeker tot cassatie (hierna: “[verzoeker]”) heeft, nadat op 9 oktober 2013 zijn faillissement was aangevraagd, op 9 januari 2014 de rechtbank Limburg, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 april 2014 dit verzoek afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 22 mei 2014 het vonnis bekrachtigd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 september 20141 het cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

1.2

Op 29 oktober 2014 heeft [verzoeker] bij voornoemde rechtbank een nieuw verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. De rechtbank heeft bij vonnis van 6 januari 2015 dit verzoek afgewezen.

1.3

Vaststaat dat [verzoeker] een totale schuldenlast heeft van € 335.824,82, waarbij het gaat om 168 schuldeisers. Het betreffen schulden aan onder andere de SNS Bank, de Rabobank, Infomedics en ter zake van afrekeningen inzake bewinden (waarin [verzoeker] bewindvoerder was) over de periode 2008 tot en met 2011.2

1.4

De afwijzing door de rechtbank is gebaseerd op art. 288 lid 1 sub b Fw, ingevolge welke bepaling een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (onder meer) slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

1.5

[verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank bij het hof ‘s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen.

1.6

Bij arrest van 5 februari 2015 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.7

[verzoeker] heeft tegen voornoemd arrest cassatieberoep ingesteld bij verzoekschrift, (tijdig3) ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 13 februari 2015.

1.8

Namens [verzoeker] is aangegeven (op p. 1 van het verzoekschrift tot cassatie) dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die op 28 januari 2015 bij het hof heeft plaatsgevonden, is opgevraagd en dat [verzoeker] zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt nadere cassatiemiddelen in te dienen na ontvangst van dit proces-verbaal. Bij faxbrief van 17 maart 2015 van de advocaat van [verzoeker] zijn namens [verzoeker] (tijdig4) nadere cassatiemiddelen ingediend en zijn reeds ingediende cassatiemiddelen aangevuld.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

Het cassatieberoep omvat 12 middelen, aangeduid als onderdelen 1-12. Onderdelen 1-10 zijn opgenomen in het verzoekschrift tot cassatie. Onderdelen 11 en 12, alsmede aanvullingen op onderdelen 3, 4, 7, 8 en 9 zijn opgenomen in voornoemde faxbrief van 17 maart 2015.

2.2

Onderdeel 1 heeft betrekking op de door [verzoeker] in hoger beroep aangevoerde strijd met de goede procesorde vanwege de late ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Het hof overweegt in dit verband (in rov. 3.6.1) dat [verzoeker] ter zitting in hoger beroep heeft ingestemd met het voorstel van het hof dat indien tijdens de zitting in hoger beroep zou blijken dat [verzoeker] zich op een concreet punt belemmerd zou voelen in zijn rechten, hij kon aangeven dat hij het noodzakelijk achtte zich nader te beraden over de inhoud van bedoeld proces-verbaal en het hof hem alsdan daartoe ruimschoots in de gelegenheid zou stellen. Vervolgens stelt het hof vast dat [verzoeker] zich gedurende de zitting niet (nader) in de hiervoor bedoelde zin heeft uitgelaten en oordeelt het hof dat onder deze omstandigheden van strijd met de goede procesorde geen sprake is.

2.3

Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] niet met voornoemd voorstel van het hof heeft ingestemd. Het middel voert tevens aan dat er brieven bij de rechtbank en het hof bekend waren, die aan de kennisneming van [verzoeker] zijn onthouden en dat sprake was van een complottheorie in verband met zijn klacht over een rechter, zodat sprake is van een motiveringsgebrek. De klacht kan niet slagen, omdat de overweging van het hof van feitelijke aard is en daarom voorbehouden is aan de rechter in feitelijke instanties. De overweging van het hof strookt overigens ook met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep en is voldoende gemotiveerd, zodat het middel faalt.

2.4

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.6.4, waarin het hof verwijst naar een aantal, in kracht van gewijsde gegane, rechterlijke beslissingen waarin is geoordeeld dat er gewichtige redenen aanwezig waren om [verzoeker] als bewindvoerder te ontslaan (in september 2011), (onder andere) omdat hij bewindvoerderssalaris in rekening had gebracht dat niet in rekening gebracht had mogen worden, en welke beslissingen tot zijn schulden hebben geleid. Het hof overweegt dat van een (gehele en inhoudelijke) herbeoordeling van die beslissingen in het kader van deze procedure geen sprake kan zijn. Vervolgens oordeelt het hof dat [verzoeker] tegenover de inhoud van deze beslissingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat (desondanks) sprake is geweest van goede trouw ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Het hof overweegt voorts dat hoewel [verzoeker] geen opzet wordt verweten, het hof het hiervoor vermelde op zichzelf staande reeds voldoende ernstig acht om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.

2.5

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof in strijd met het recht, “de toets van de ernst van het beweerdelijke verwijt”, althans onvoldoende gemotiveerd is en de mogelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw miskent. De door het middel genoemde toets vindt geen steun in het recht en mist dan ook feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof is voorts niet onvoldoende gemotiveerd en gaat (in rov. 3.6.7) wel degelijk in op de hardheidsclausule, zodat het middel faalt.

2.6

Het middel richt zich voorts met een motiveringsklacht tegen de overweging van het hof (in rov. 3.6.4) over het door [verzoeker] als bewindvoerder sluiten van overeenkomsten met betrekking tot een softwareapplicatie (Smart FMS), waarvan de kosten ten laste kwamen van de rechthebbenden op de onder bewind gestelde goederen. Het hof stelt vast dat in verschillende uitspraken5 is geoordeeld dat het sluiten van deze overeenkomsten buiten de grenzen van een normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen ex art. 1:438 lid 1 BW valt en dat niet gesproken kan worden van “een gewone beheersdaad” ex art. 1:441 lid 2 sub a BW, zodat sprake is van gewichtige redenen om [verzoeker] als bewindvoerder te ontslaan.

2.7

Het middel wijst erop dat naderhand aan art. 1:441 lid 1 BW een nieuwe zin is toegevoegd, luidende: “De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.”6 Het middel klaagt dat gezien deze wetswijziging het hof niet zonder nadere motivering had kunnen oordelen dat het ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder op zichzelf staand reeds voldoende ernstig is om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. Niet aannemelijk is echter dat de rechterlijke beslissingen die tot het ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder hebben geleid, tot een andere uitkomst zouden hebben geleid indien voornoemde bepaling toen al van kracht zou zijn geweest. Het sluiten van softwareapplicatieovereenkomsten zal namelijk niet “aan een goed bewind bijdragen” als bedoeld in art. 1:441 lid 1 BW. Het middel faalt dan ook wegens een gebrek aan belang.

2.8

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.6.2, waarin het hof in de laatste alinea overweegt dat de goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Fw niet verondersteld wordt, maar aannemelijk moet zijn en dat bij de schuldenaar de last ligt om dat aannemelijk te maken. Het middel klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door de bewijslast te stringent op [verzoeker] te leggen. Het middel wijst erop dat ex art. 288 lid 1 sub b Fw de schuldenaar de goede trouw slechts voldoende aannemelijk hoeft te maken. Het middel verwijst voorts naar de memorie van toelichting op art. 288 Fw7, waarin als voorbeelden voor het ontbreken van goede trouw worden genoemd sociale zekerheids- en belastingfraudes, bestuurlijke boetes en strafrechtelijke transacties, en naar Bijlage IV (landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling) bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (per 1 januari 2013), waarin onder 5.4.4 een aantal omstandigheden opgesomd wordt waarin in beginsel geen sprake is van een situatie als bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Fw. Het middel miskent echter dat voornoemde voorbeelden en omstandigheden onverlet laten dat (zoals het hof ook overweegt in rov. 3.6.3) ook onder andere omstandigheden sprake kan zijn van het ontbreken van goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Fw.8 Door te overwegen dat het aan de schuldenaar is om de goede trouw aannemelijk te maken, waarbij het hof in rov. 3.6.2, tweede volzin en rov. 3.6.4, bovenaan p. 6 van het arrest, tweede volzin expliciet overweegt dat het om voldoende aannemelijk maken gaat, geeft het hof voorts geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt.

2.9

Onderdeel 4 is met een rechtsklacht en een motiveringsklacht gericht tegen rov. 3.6.4, waarin het hof in de laatste alinea het bewijsaanbod van [verzoeker] passeert, omdat de aard van de onderhavige procedure zich niet leent voor bewijslevering. Het middel klaagt dat het hof hiermee een grondbeginsel van goede procesorde heeft geschonden en dat gezien de (in rov. 3.6.2) op [verzoeker] gelegde bewijslast het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig is. Het middel gaat voorbij aan de eerdere overwegingen van het hof in rov. 3.6.4 ten aanzien van de rechterlijke beslissingen die tot het ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder en vervolgens tot zijn schulden hebben geleid en het oordeel van het hof dat [verzoeker] tegenover de inhoud van deze beslissingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat (desondanks) sprake is geweest van goede trouw ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Het hof komt tot de conclusie dat het het hiervoor vermelde op zichzelf staande reeds voldoende ernstig acht om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen en ziet daarom geen aanleiding voor nadere bewijslevering. Dit oordeel is niet onjuist, niet onvoldoende gemotiveerd en evenmin innerlijk tegenstrijdig. De overweging van het hof (in rov. 3.6.6) dat de door [verzoeker] overgelegde definitieve aangifte IB 2013 ontoereikend is, is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Het hof was gezien zijn eerdere overwegingen niet gehouden nadere bewijslevering toe te staan. Op grond van het voorgaande kan het middel niet slagen.

2.10

Onderdeel 5 is met een rechtsklacht en een motiveringsklacht gericht tegen rov. 3.6.6, waarin het hof vaststelt (zoals hierboven al aangegeven) dat de door [verzoeker] overgelegde definitieve aangifte IB 2013 ontoereikend is voor een oordeel over de goede trouw en dat de onderbouwing, al dan niet door middel van verificatoire bescheiden, ten aanzien van een aantal schulden ontbreekt. Het middel klaagt dat [verzoeker] in de gelegenheid had moeten worden gesteld aanvullend bewijs in te dienen, al dan niet door middel van een hersteltermijn van een maand ex art. 287 lid 2 jo. 285 lid 1 Fw, en dat het hof elementaire beginselen van een goede procesorde heeft geschonden. Het middel komt overeen met onderdeel 4 en kan niet slagen op dezelfde gronden als genoemd bij onderdeel 4 hierboven.

De door het middel genoemde hersteltermijn van een maand betreft overigens een termijn die de rechtbank ten tijde van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling aan de schuldenaar kan gunnen om bij het verzoekschrift ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken. De rechtbank is echter niet verplicht een dergelijke termijn te geven.9

2.11

Onderdeel 6 is gericht tegen rov. 3.6.5, waarin het hof ook ten aanzien van de schuld aan Infomedics oordeelt dat [verzoeker] tegenover het vonnis van de rechtbank Limburg van 4 december 2013, waarin is geoordeeld dat [verzoeker] als bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van deze schuld te goeder trouw is geweest. [verzoeker] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en vervolgens is de zaak door het hof ambtshalve geroyeerd, zodat van een onherroepelijke uitspraak geen sprake is. Het hof overweegt echter dat voor het hof niet te beoordelen is of met hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd de op basis van wederzijdse stellingen van partijen in die zaak uitgesproken oordelen van de rechtbank zouden kunnen worden weerlegd. Het middel richt zich tegen laatstgenoemde overweging en klaagt dat omdat de uitspraak niet onherroepelijk is en de schuld door [verzoeker] wordt betwist, het hof niet enkel op deze grond van de schuld aan Infomedics mag uitgaan.10 Niet onbegrijpelijk is dat het hof zijn oordeel over de goede trouw heeft gebaseerd op het vonnis van de rechtbank. Het gegeven dat dit vonnis niet onherroepelijk is, staat hier niet aan in de weg. Het oordeel van het hof is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

Het middel kan daarnaast evenmin tot cassatie leiden op de grond dat het oordeel van het hof ten aanzien van de schuld aan Infomedics geen zelfstandig dragend oordeel betreft.

2.12

In onderdeel 7 klaagt het middel dat rov. 3.6.611, waarin het hof vaststelt (zoals hierboven al aangegeven) dat de door [verzoeker] overgelegde definitieve aangifte IB 2013 ontoereikend is voor een oordeel over de goede trouw, onbegrijpelijk is gelet op hetgeen ter zitting is verhandeld. Ter zitting heeft het hof namelijk verzocht om overlegging van de definitieve aangifte IB 2013 en heeft het hof (aldus nog steeds het middel) aangegeven dat dit voldoende was. Dit blijkt echter niet uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (van 28 januari 2015). Het middel mist dan ook feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof (in rov. 3.6.6) dat bij gebreke van de jaarstukken van de ondernemingen van [verzoeker] de definitieve aangifte IB 2013 ontoereikend is om inzicht te verkrijgen in het ontstaan van de schulden, is overigens niet onbegrijpelijk, zodat het middel ook op deze grond faalt.

2.13

Ook onderdeel 8 is weer gericht tegen rov. 3.6.6. Het middel klaagt (als ik het middel goed begrijp) dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat er geen zakelijke schulden zijn (maar alleen privéschulden), zodat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [verzoeker] onvoldoende inzicht heeft gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden. Het middel kan niet slagen, niet alleen omdat het nalaat de vindplaats te vermelden van het standpunt van [verzoeker] dat er geen zakelijke schulden zijn en niet vaststaat dat het hof de zakelijke schulden niet in aanmerking had moeten nemen, maar ook omdat dit oordeel van het hof geen zelfstandig dragend oordeel betreft.

2.14

Onderdeel 9 is gericht tegen rov. 3.6.7 en klaagt dat het hof ten onrechte en onvoldoende begrijpelijk oordeelt dat het beroep op de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw niet kan slagen. Ingevolge deze bepaling kan een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ondanks het ontbreken van goede trouw worden toegewezen (in afwijking van art. 288 lid 1 sub b Fw) indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. De toepassing van de hardheidsclausule behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de rechter en is daarmee voorbehouden aan de rechter in feitelijke instanties.

2.15

Het hof oordeelt in rov. 3.6.7 dat [verzoeker] onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke mede met zijn persoon samenhangende omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden hij thans onder controle heeft gekregen. Er zijn terzake ook geen stukken ingediend. De enkele omstandigheid (aldus het hof) dat hij geen bewindvoerder meer is, is in dit verband niet als een voldoende relevante factor te beschouwen. De door [verzoeker] genoemde omstandigheden, dat hij reeds op verschillende manieren heeft getracht om zijn schulden zoveel mogelijk te voldoen en dat hij toezegt er in de toekomst alles aan te zullen doen om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen, doen (zo besluit het hof) aan dit oordeel niet af. Het hof geeft hiermee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn oordeel is ook niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. In dit verband kan hetgeen het middel aanvoert, een herhaling van de stellingen van [verzoeker] in hoger beroep en zijn stellingen dat zijn schulden niet zijn ontstaan door psychosociale of verslavingsproblemen maar door rechterlijke beslissingen die tot zijn ontslag als bewindvoerder hebben geleid, dat hij geen nieuwe schulden heeft gemaakt en dat hij al twee jaar een stabiele leefsituatie heeft, niet tot cassatie leiden, zodat het middel faalt.

2.16

In onderdeel 10 klaagt het middel, onder verwijzing (in voetnoot 4) naar een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 februari 201512, dat het hof “het criterium van beoogd misbruik van de WSNP” niet heeft getoetst, hetgeen onbegrijpelijk is. Het middel voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv daaraan te stellen eisen, aangezien het nalaat met bepaaldheid en precisie te vermelden tegen welke beslissing of overweging van het hof het is gericht.13 Bovendien is onduidelijk wat het middel met deze klacht beoogt; misbruik is in deze zaak niet aan de orde, zodat het hof dit niet behoefde te toetsen. Het middel faalt.

2.17

In onderdeel 11 (opgenomen in de faxbrief van de advocaat van [verzoeker] van 17 maart 2015) klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat er gehandeld is in strijd met de goede procesorde, waardoor [verzoeker] in zijn rechten is geschaad en geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Het middel voldoet bij gebreke van melding van een overweging van het hof wederom niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv daaraan te stellen eisen. Het middel verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg en naar brieven in het rechtbankdossier die [verzoeker] niet te zien had gekregen. Hiermee lijkt onderdeel 11 voort te bouwen op onderdeel 1 en kan het op dezelfde gronden niet tot cassatie leiden.

2.18

Onderdeel 12 (opgenomen in de faxbrief van de advocaat van [verzoeker] van 17 maart 2015) is gericht tegen rov. 3.6.6, laatste alinea, waarin het hof vaststelt dat de onderbouwing ontbreekt ten aanzien van een aantal schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het middel klaagt dat [verzoeker] nimmer vernomen heeft dat zijn aanvraag onvoldoende was en dat dit in strijd met het recht op een eerlijk proces is. Het hof heeft (aldus het middel) nagelaten [verzoeker] in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen, waardoor sprake is van schending van elementaire beginselen van een goede procesorde althans van een onbegrijpelijke motivering door het hof. Onderdeel 12 komt overeen met onderdelen 4 en 5 en kan niet slagen op dezelfde gronden als genoemd bij onderdeel 4 hierboven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Ik geef afdoening via art. 81, lid 1 Ro in overweging.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2825, RvdW 2014/1066.

2 Rov. 2.1 van het vonnis van de rechtbank Limburg, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 6 januari 2015 en rov. 3.1 van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2015.

3 Ingevolge art. 292 lid 5 Fw is de cassatietermijn acht dagen.

4 Bij brief van 9 maart 2015 had de Griffier van de Hoge Raad [verzoeker] hiervoor in de gelegenheid gesteld tot en met 17 maart 2015.

5 Zie HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7462, RvdW 2012/1170 (ook aangehaald door het middel in onderdeel 2, voetnoot 2).

6 Deze zin is op 1 januari 2014 aan het eerste lid toegevoegd om de ruime taakopvatting van de bewindvoerder tot uiting te brengen. Blijkens de memorie van toelichting moet de bewindvoerder proactief zijn en moet hij nagaan op welke voorzieningen de rechthebbende aanspraak kan maken en daarvoor tijdig de nodige aanvragen doen. (Koens, T&C Burgerlijk Wetboek, bijgewerkt tot 1 januari 2015, art. 1:441 BW, aant. 3)

7 MvT, Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 21.

8 Zie ook: Brief van de Minister van Justitie, Kamerstukken II, 2006-2007, 29 942, nr. 23, p. 2.

9 Engberts, T&C Insolventierecht, bijgewerkt tot 1 januari 2015, art. 287 Fw, aant. 2.

10 De eerste volzin van onderdeel 6 (bovenaan p. 12 van het verzoekschrift tot cassatie) luidt: “Het hof heeft miskend […] dat in deze procedure uitgegaan dient te worden van een schuld aan Infomedics.” Gelet op het vervolg van dit onderdeel ga ik ervan uit dat deze zin een verschrijving betreft.

11 Onderdeel 7 is gericht tegen “overweging 3.6”. Gelet op het vervolg van dit onderdeel ga ik ervan uit dat bedoeld is rov. 3.6.6.

12 Hof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:421.

13 HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, RvdW 2013/892.