Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:493

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-02-2015
Datum publicatie
21-04-2015
Zaaknummer
13/02134
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1090, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen. HR herhaalt recente rechtspraak over de kwalificatie van witwassen, i.h.b. ECLI:NL:HR:2015:888. Het Hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de in de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde genoemde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het Hof heeft vervolgens kennelijk niet aannemelijk geoordeeld dat vorenbedoelde voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Gelet op hetgeen onder 1 bewezen is verklaard en in aanmerking genomen dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen o.m. heeft vastgesteld dat de verdachte die dag t.z.v. winkeldiefstal is aangehouden, zij heeft verklaard dat zij “winkeldiefstal (heeft) gepleegd” en zij toen als passagier heeft gezeten in de auto waarin vorenbedoelde goederen zijn aangetroffen, is het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is dat deze voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf niet (zonder meer) begrijpelijk. HR merkt nog op dat de onder 3.3 bedoelde rechtsregels niet slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte het misdrijf waaruit de desbetreffende voorwerp(en) afkomstig zijn zelf heeft gepleegd, maar ook op het geval dat sprake is van medeplegen van dit misdrijf door de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02134

Zitting: 17 februari 2015 (bij vervroeging)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, en 2. “schuldwitwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 55 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 120 uren uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het arrest voor wat betreftonder 2 bewezenverklaarde ‘voorhanden hebben’ en het ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans dat de bewezenverklaring in zoverre onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.

4. Onder 2 is ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“zij op 4 mei 2011 te Amsterdam voorwerpen, te weten een hoeveelheid goederen (waaronder make-up en/of toilet artikelen en/of huishoud artikelen en/of speelgoed en/of sieraden) voorhanden heeft gehad (in een personenauto, gekentekend [001]), terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“5. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking personenauto, genummerd 2011112550-18, dossierpagina 016-017, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 4 mei 2011 te 19.45 uur heeft naar aanleiding van een aanhouding op heterdaad terzake winkeldiefstal met geweld een doorzoeking plaatsgevonden op het terrein van Wijkteam Meer Vaart te Amsterdam in een bij het incident in beslag genomen voertuig:

Object : personenauto

Merk/type: Fiat Brava 1.4 12v

Kleur: Blauw

Land: Nederland

Kenteken: [001]

Chassisnummer: [002]

Bouwjaar: 1997


Wij, verbalisanten, zagen dat er in de kofferbak van het voertuig vijf (5) tassen, wit rood van kleur, zogenaamde boodschappen tassen lagen. Drie (3) tassen waren volledig gevuld met goederen, twee (2) tassen waren leeg. Ook lag er in de kofferbak van het voertuig een witte plastic tas met goederen. Na onderzoek bleek dat alle goederen cosmetische artikelen betroffen.

In het personengedeelte van het voertuig zagen wij een plastic tas met het opschrift ETOS, gevuld met cosmetische artikelen. Daarnaast zagen wij een doos aangebroken tissues op de hoedeplank staan. In deze aangebroken doos tissues zagen wij een met de handgeschreven lijst met hierop diverse adressen geschreven. Daarnaast lagen er losse cosmetische artikelen in de passagiersruimte. Wij zagen tevens dat er een uitgeschakeld navigatiesysteem van het merk Tom-Tom in het dasboardkastje van het voertuig lag. Wij zagen dat er een laadsnoer van een navigatiesysteem aangesloten was op de sigaretten plug en dat deze niet verboden was met bovenstaand navigatiesysteem.

De tijdens de doorzoeking aangetroffen goederen zijn in beslag genomen.

6. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], surveillant van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van inbeslagneming, genummerd 2011112550-17, dossierpagina 069-082, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

De genoemde voorwerpen zijn niet onder een persoon aangetroffen. De inbeslaggenomen goederen zijn aangetroffen in het voertuig voorzien van kenteken [001] op naam van de verdachte [medeverdachte] geboren op [geboortedatum].

Ik, rapporteur, heb de volgende voorwerpen in beslag genomen:

(Zie de als bijlage II aangehechte lijst van in beslaggenomen goederen)

7. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van inbeslagneming, genummerd 2011112550-15, dossierpagina 059-062, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2011 heb ik, verbalisant, aangetroffen in de auto van de verdachte [medeverdachte] een papier, met daarop een lijst met adressen van Etos-winkels in Amsterdam.

(Zie de als bijlage III aangehechte lijst met deels afgevinkte adressen van Etos-winkels in Amsterdam)


8. het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2011112550-31, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant:

Op donderdag 23 juni 2011 stelde collega [verbalisant 4], werkzaam als digitaal rechercheur bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, een onderzoek in naar de aanwezige data en andere gegevens die zich in het hieronder genoemde navigatie apparaat bevonden.

Categorie omschrijving : Computer/bijz. electr. app. (4054742)

Object : Navigatiesysteem

Merk/type : Tomtom

Land : Nederland

Registratienummer : J64348102567

Uit dit onderzoek bleek onder andere dat de gebruiker van het navigatieapparaat een aantal adressen heeft geselecteerd danwel bezocht. Ik, verbalisant, heb gekeken naar locaties welke waren ingesteld in het navigatie apparaat. Ik heb gekeken of deze overeenkwamen met de adressen van Etos filialen welke op de lijst stonden die hij de verdachte [medeverdachte] in zijn auto was aangetroffen en in beslag was genomen (zie bijlage II achter deze aanvulling). Ik zag dat alle adressen op de lijst door de gebruiker van het navigatie apparaat meerdere malen was bezocht.

9. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 3], respectievelijk adspirant agent en hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 2011112550-20, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben aangehouden voor winkeldiefstal. Ik heb wel winkeldiefstal gepleegd. Ik was vandaag met [betrokkene 4] een vriend van mij en een man [betrokkene 5] en een vrouw [betrokkene 6] naar Amsterdam gekomen. Ik ging met [betrokkene 4] naar Amsterdam. [betrokkene 6] en [betrokkene 5] kwam ik tegen in Amsterdam. Zij zijn bij ons in de auto gestapt vlakbij het winkelcentrum waar wij zijn aangehouden. Wij zaten in een kleine blauwe auto. Ik ben wel betrokken bij de winkeldiefstal.”

6. Voorts heeft het Hof met betrekking tot het bewijs overwogen:

Ten aanzien van feit 2

Voorts heeft de raadsman bepleit dat zijn cliënte tevens dient te worden vrijgesproken van het haar onder 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij primair aangevoerd dat er geen bewijs is dat cliënte de wetenschap had van de goederen in de auto. Hij heeft subsidiair aangevoerd dat de goederen (mede) door cliënte begane misdrijf zijn verkregen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2013 moet uit de motivering kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van cliënte dan ook gericht moeten zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de goederen. Dit is in casu niet het geval.

Het hof stelt het volgende vast:

- naar aanleiding van de onder 1 tenlastegelegde diefstal met geweld is bij een doorzoeking op het terrein van Wijkteam Meer en Vaart te Amsterdam een personenauto aangetroffen met het kenteken [001];

- in de auto met het kenteken [001] (op naam van medeverdachte [medeverdachte]) zijn zowel in de kofferbak als in het personengedeelte verschillende (grote hoeveelheden) goederen aangetroffen, waaronder cosmetica-artikelen;

- in de auto is een lijst met adressen van Etos vestigingen in Amsterdam aangetroffen (deels afgevinkt) en een Tom Tom waarin deze adressen zijn voorgeprogrammeerd;

- verdachte heeft op de dag van het aantreffen van auto als passagier in die auto gezeten.

Het door de raadsman genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2013 is naar het oordeel van het hof niet van toepassing op het onderhavige geval. Naar het oordeel van het hof kan het, gelet op de omstandigheden waaronder de goederen zijn getroffen en de hoeveelheid goederen, niet anders zijn dan dat die goederen -middelijk of onmiddellijk- uit enig misdrijf afkomstig zijn. Aan verdachte is echter niet tenlastegelegd dat zij die goederen zelf heeft gestolen, noch is zulks feitelijk gebleken, zodat het hof niet aanneemt dat de goederen uit eigen misdrijf zijn verkregen. Het is dus niet nodig om vast te stellen dat de gedragingen van verdachte (kennelijk) ook gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de goederen.

Nu vaststaat dat verdachte in de auto heeft gezeten en de goederen die zich in het personengedeelte van de auto bevonden voor haar zichtbaar moeten zijn geweest, heeft verdachte naar het oordeel van het hof die goederen voorhanden gehad. Gezien de bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte redelijkerwijs kon en moest vermoeden dat de goederen in de auto van misdrijf afkomstig waren. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.”

7. Voor het voorhanden hebben van voorwerpen als bedoeld in art. 420bis Sr is een bepaalde mate van feitelijke zeggenschap over die voorwerpen vereist1 alsmede een meerdere of mindere mate van bewustheid van de aanwezigheid van die voorwerpen.2 Aan die laatste eis zal doorgaans zijn voldaan wanneer sprake is van een bepaalde mate van feitelijke zeggenschap over die voorwerpen. Het laat zich immers moeilijk denken dat men een bepaalde mate van feitelijke zeggenschap over voorwerpen heeft zonder dat men zich van de aanwezigheid van die voorwerpen in meerdere of mindere mate bewust is.

8. Met zijn overweging dat verdachte in de auto heeft gezeten en de goederen die zich in het personengedeelte van de auto bevonden voor verdachte zichtbaar moeten zijn geweest heeft het Hof, gelet op genoemde eisen voor “voorhanden hebben”, kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat verdachte minstgenomen in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die goederen. In aanmerking genomen dat het om een kleine auto ging en de goederen zich in het personengedeelte van de auto bevonden, ten dele in een tas met het opschrift Etos, ten dele los in de passagiersruimte, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Dat geldt temeer wanneer in aanmerking wordt genomen dat – zoals hierna zal worden uiteengezet –de gebezigde bewijsmiddelen erop wijzen dat verdachte samen met anderen op winkeldiefstaltocht was langs Etos-winkels.

9. Voorts kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte over de in het personengedeelte van de auto aangetroffen goederen een zodanige feitelijke zeggenschap had dat zij die goederen in de zin van art. 420quater Sr voorhanden had. Deze houden immers in dat:

- de voorwerpen zijn aangetroffen in het passagiersgedeelte van de auto waarin verdachte als passagier meereed;

- verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal bij de Etos (feit 1)

- die diefstal werd gepleegd onder meer met [betrokkene 4], de bestuurder en kentekenhouder van de auto;

- zich in de auto een lijst bevond van Etos-winkels en een navigatieapparaat waarop de adressen van Etos-winkels waren ingevoerd;

- zich in de auto verschillende tassen met cosmeticaproducten bevonden, producten die – naar van algemene bekendheid is – verkrijgbaar zijn bij Etos-winkels.

Deze omstandigheden beschouwd in onderling verband en samenhang wijzen erop dat verdachte samen met anderen op winkeldiefstaltocht langs Etos-winkels was en dat dus (ook) verdachte een zodanige feitelijke zeggenschap over bedoelde goederen had dat zij die goederen in de zin van art. 420quater Sr voorhanden had.

10. In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte samen met anderen op winkeldiefstaltocht was langs Etos-winkels, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen minstgenomen worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs kon en moest vermoeden dat de goederen in het passagiersgedeelte van de auto - van misdrijf afkomstig waren. Die goederen bestonden immers in een plastic tas met het opschrift ETOS, gevuld met cosmetische artikelen, en losse cosmetische artikelen, terwijl van algemene bekendheid is dat in Etos-winkels cosmetische artikelen worden verkocht.

11. Het bewezenverklaarde “voorhanden hebben” alsmede het bewezenverklaarde “redelijkerwijs moeten weten” kan dus uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel houdt in dat het oordeel van het Hof dat de in de passagiersruimte van de auto aangetroffen goederen niet van door verdachte zelf gepleegd misdrijf afkomstig zijn niet begrijpelijk is.

14. Het middel richt zich tegen de hiervoor onder 6 opgenomen overweging van het Hof.

15. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is omdat de door het Hof vastgestelde omstandigheden juist wel wijzen op betrokkenheid van verdachte bij het gronddelict.

16. In zijn arrest van 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001 overwoog de Hoge Raad:

“2.3. Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)


2.4.1. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

2.4.2. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, zoals is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn en dat het middel, dat blijkens de toelichting steunt op de opvatting dat het voorhanden hebben van enig uit misdrijf verkregen goed gericht moet zijn op het uit het zicht houden van dat voorwerp voor politie en justitie, faalt nu die opvatting geen steun vindt in het recht.”

17. In zijn noot bij HR 17 december 1013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014, 77 snijdt Borgers de vraag aan hoe gedetailleerd dient te worden vastgesteld dat het (grond)misdrijf door de verdachte is begaan wil de kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing zijn. Uit het hiervoor geciteerde arrest leidt hij af dat de door de Hoge Raad gecreëerde kwalificatieuitsluitingsgrond toepassing vindt indien op grond van hetgeen de verdachte aanvoert dan wel op grond van hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt, kan worden vastgesteld dat het in de tenlastelegging aangeduide voorwerp afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Daaraan zou ik willen toevoegen dat ook anderszins uit de stukken van het geding aannemelijk3 kan worden dat de voorwerpen waarop het witwassen betrekking heeft, uit door de verdachte zelf begaan misdrijf afkomstig zijn.

18. Het Hof legt er in zijn overweging sterk de nadruk op dat het niet heeft kunnen vaststellen dat het onderhavige witwassen betrekking had op goederen die de verdachte “zelf heeft gestolen”. Dat roept de vraag op of de toepassing van bedoelde kwalificatieuitsluitingsgrond beperkt is tot die gevallen waarin de verdachte het misdrijf waarvan de witgewassen goederen afkomstig zijn heeft gepleegd en dus niet van toepassing is in die gevallen waarin verdachte het misdrijf heeft medegepleegd, heeft uitgelokt, of daaraan medeplichtig is geweest. Die vraag zou ik ontkennend willen beantwoorden. De ratio van de kwalificatieuitsluitingsgrond is immers dat deze voorkomt dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft en/of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Voorts bevordert deze kwalificatieuitsluitingsgrond dat het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Een en ander geldt niet alleen voor de pleger van het grondmisdrijf, maar ook voor de in art. 47 Sr als pleger aangemerkte medepleger, doen pleger en uitlokker, alsmede voor de medeplichtige.

19. Nog verder gaat HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, rov. 2.4, waarin de onderhavige kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing werd geacht in een geval waarin het ging om het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig was uit een door de medeverdachte begaan misdrijf.

20. Zoals ik hiervoor onder 9 heb uiteengezet wijst de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen erop dat verdachte samen met anderen op winkeldiefstaltocht langs Etos-winkels was. Aan de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen vallen dus aanwijzingen te ontlenen dat verdachte diefstal van de in het in het passagiersgedeelte van de auto aangetroffen goederen heeft medegepleegd dan wel daaraan medeplichtig is geweest.

21. Het voorgaande betekent dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit te gaan van een te beperkte opvatting van de onderhavige kwalificatieuitsluitingsgrond door daaronder niet ook medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan het grondmisdrijf te begrijpen dan wel dat het Hof zijn oordeel dat niet blijkt dat de witgewassen goederen afkomstig zijn van een door verdachte begaan misdrijf ontoereikend heeft gemotiveerd.

22. Het middel slaagt.

23. Zoals de motivering van de opgelegde straffen laat zien heeft het onderhavige feit bij bepaling van de hoogte van de opgelegde straffen geen rol van betekenis gespeeld. Weliswaar neemt het Hof in aanmerking dat verdachte blijkens een haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, maar dat geldt, zoals dit uittreksel laat zien, niet voor witwassen. Eventueel ontslag van rechtsvervolging ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tast dus de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aan. De vraag is of nu partiële vernietiging van het bestreden arrest bij gebrek aan voldoende belang (vgl. art 80a RO) achterwege kan blijven.4

24. MIjns inziens is dat niet het geval. Anders dan in bijv. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 gaat het in casu niet om straffeloosheid ten aanzien van een deel van het bewezenverklaarde witwassen maar ten aanzien van alle volgens de bewezenverklaring witgewassen goederen. Voorts ligt het in het onderhavige geval voor de hand dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen of medeplichtigheid van het grondmisdrijf terwijl niets erop wijst dat zij de in de criminele herkomst van de in de passagiersruimte aangetroffen, van misdrijf afkomstig goederen wilde verbergen of verhullen. In die omstandigheden verdient het mijns inziens de voorkeur dat de Hoge Raad de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit doelmatigheidshalve ontslaat van rechtsvervolging.5 Daardoor wordt voorkomen dat op verdachtes documentatie een veroordeling staat voor een feit ter zake waarvan niet ondenkbaar is dat zij van rechtsvervolging had dienen te worden ontslagen.

25. Het voorgaande betekent dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven voor wat betreft de veroordeling ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging. Omdat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde daardoor in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast6 kan de Hoge Raad – wederom doelmatigheidshalve – de straffen opleggen die bij de bestreden uitspraak zijn opgelegd.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde en de strafoplegging, tot ontslag van rechtsvervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en tot veroordeling tot straffen als opgelegd bij het bestreden arrest, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6053 t.a.v. art. 416 Sr.

2 Vgl.. HR 17 november 1998, LJN ZD1403, NJ 1999/152) en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804 t.a.v. art. 13 Wet wapens en munitie, HR 26 januari 1999, LJN ZD1169, NJ 1999/537 en HR 7-12-2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370 t.a.v. art. 26 Wet wapens en munitie.

3 Vgl. het hiervoor aangehaalde arrest onder 2.4.1 alsmede HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14, rov. 3.6, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, rov. 3.3, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, rov. 2.4, waar voor toepasselijkheid van de onderhavige kwalificatieuitsluitingsgrond steeds voldoende wordt geacht dat aannemelijk is dat de voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

4 O.a. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 (t.a.v. wegvallen van een deel van de witgewassen goederen), HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ6709 (t.a.v. wegvallen van vier bewezenverklaarde handelingen die niet kunnen worden aangemerkt als handelingen die "mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam"), HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5719, NJ 2006, 398 m.nt. Keijzer (t.a.v. opgeven valse naam bij oplichting).

5 In zijn noot bij HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014, 714 spreekt Keijzer er terecht zijn verbazing over uit dat de Hoge Raad in zijn arrest 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237, NJ 2014, 305 (zoals ook in HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2971, 2973 en 2974) de verdachte vrijspreekt van de onderdelen van de tenlastelegging van witwassen ten aanzien van de voorwerpen waarvan niet is vastgesteld dat de verdachte de criminele herkomst daarvan heeft getracht te verbergen of te verhullen. Het gaat hier immers om een kwalificatieuitsluitingsgrond.

6 Vgl. Oriëntatiepunten voor straftoemeting, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (toegankelijk via de website www.rechtspraak.nl).