Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:477

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-03-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
13/04822
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1340, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Beperking voeren woord tot verdediging. Art. 311, lid 2, Sv. 2. Herhalen inhoud pleitnota eerste aanleg en het op voorhand toesturen van de pleitnota in hoger beroep. Ad 1. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251, inhoudende dat de raadsman van de verdachte die overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv het woord voert, in beginsel het recht heeft daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. Anders dan in het middel wordt betoogd, betekent dit niet dat de raadsman het recht heeft gedurende onbeperkte tijd het woord ter verdediging te voeren. Voor zover aan het middel ten grondslag ligt de opvatting dat het beperken van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd in strijd is met het "recht op het voeren van pleidooi, zoals geregeld in art. 311 Sv", onderscheidenlijk de opvatting dat zo een beperking steeds in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, derde lid onder c, EVRM, faalt het middel omdat deze opvattingen - in hun algemeenheid - onjuist zijn. Een begrenzing van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd brengt immers niet zonder meer mee dat de raadsman de hem krachtens art. 311, tweede lid, Sv en art. 6, derde lid onder c, EVRM toekomende verdedigingsrechten niet voldoende heeft kunnen uitoefenen. I.c. heeft het Hof geoordeeld dat de raadslieden redelijkerwijze alle ruimte hebben gehad om al hetgeen naar voren te brengen dat zij meenden ter verdediging van de belangen van verdachte naar voren te moeten brengen en dat de verdachte aldus door de beperking van de spreektijd voor pleidooi niet in zijn belangen is geschaad. Door aldus te oordelen heeft het Hof het recht van de verdediging op het houden van pleidooi niet geschonden. Daarbij heeft de HR in het bijzonder in aanmerking genomen dat volgens de vaststellingen van het Hof de verdediging op de verschillende terechtzittingen in hoger beroep ampel het woord heeft gevoerd over inhoudelijke en procedurele aangelegenheden alsmede dat de beperking van de spreektijd tevoren aan de verdediging is kenbaar gemaakt. Ad 2. Naar aanleiding van 's Hofs overwegingen met betrekking tot het herhalen van de inhoud van de pleitnota in eerste aanleg en het op voorhand toesturen van de pleitnota in hoger beroep, merkt de Hoge Raad op dat uitgangspunt in strafzaken is dat de rechter dient te beraadslagen en te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Dat brengt mee dat verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen. Geen rechtsregel verplicht de rechter dan ook te beslissen op verweren of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die aldaar niet uitdrukkelijk zijn voorgedragen. Dat neemt niet weg dat de verdediging het initiatief kan nemen om het voordragen van verweren en onderbouwde standpunten ter terechtzitting te bekorten door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van de stukken van het geding, zoals de pleitnota die in eerste aanleg is voorgedragen, de pleitnota die door een raadsman van een tegelijkertijd terechtstaande medeverdachte is voorgedragen (en ook in het dossier van de verdachte is gevoegd) alsook een pleitnota die op voorhand aan de rechter en de andere procespartijen is toegezonden. Voorop dient evenwel te staan dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen. (Vgl. HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6159, NJ 2011/356 met betrekking tot de schriftelijke voorbereiding in een ontnemingszaak.) Het is de rechter die daarop dient toe te zien en die daarom zal moeten instemmen met vorenbedoelde bekorting van het pleidooi, waarvan moet blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Overige middelen: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04822

Zitting: 3 maart 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 3 juli 2013 de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ten aanzien van feit 5. Het Hof heeft de officier van justitie voor het overige wel ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Voorts heeft het Hof verdachte wegens het onder 1 bewezenverklaarde “van het plegen van opzetheling een gewoonte maken”; het onder 2 bewezenverklaarde “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”; het onder 3 bewezenverklaarde “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren, een zodanige administratie opzettelijk niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”; het onder 4 bewezenverklaarde “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” en de onder 6 bewezenverklaarde” bedrieglijke bankbreuk” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep is blijkens een aan de cassatie-akte gehechte bijlage beperkt ingesteld in die zin dat het zich alleen richt tegen het arrest van het Hof van 3 juli 2013 voor zover ten laste van verdachte gewezen. Het cassatieberoep richt zich volgens die bijlage (dus) niet tegen de gegeven deelvrijspraken (zoals gegeven met betrekking tot feit 1 en met betrekking tot de onderdelen A t/m G van feit 2) en ook niet tegen de tussenuitspraak van het Hof van 27 september 2012 en het arrest van 3 juli 2013 voor zover het openbaar ministerie bij die tussenuitspraak en dat arrest niet-ontvankelijk is verklaard. De vrijspraken van de onderdelen A t/m G van feit 2 hebben betrekking op zelfstandige strafrechtelijke verwijten, zodat de bedoelde beperking in zoverre toelaatbaar is. Dat geldt niet voor de andere deelvrijspraken, zodat aan de beperking in zoverre voorbij kan worden gegaan.1

3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.

4 Middel 1

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof de verdediging op de zitting van 22 mei 2013 in hoger beroep ten onrechte of althans onvoldoende gemotiveerd beperkt heeft in de duur van het pleidooi.

4.2.

Het gaat hier om een langslepende zaak. De eerste zitting bij de Rechtbank Almelo vond plaats op 12 juli 2004, de eerste zitting in hoger beroep op 21 november 2007.2 In de loop van de procedure is, ook door de verdediging, heel wat papierwerk geproduceerd. Aan het eind van de zitting in hoger beroep van 13 juni 2012 heeft de voorzitter blijkens het proces-verbaal van die zitting medegedeeld dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zou plaatsvinden op de zitting van 26 september 2012 en 3 oktober 2012.

4.3.

Het proces-verbaal van de zitting van 26 september 2012 vermeldt onder meer het volgende:

“De voorzitter deelt mede dat de raadsman heeft aangegeven dat hij meer dan een dag nodig heeft voor pleidooi. Bij de rechtbank heeft de raadsman uitgebreid gepleit en veel bijlagen bij zijn pleitnota gevoegd. Daarvan heeft het hof ook kennisgenomen. In de tussenliggende periode zijn er vrijwel geen nieuwe stukken aan het dossier toegevoegd, behoudens de getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris. Het hof is van oordeel dat drie uur voldoende tijd is om te pleiten in deze zaak. De voorzitter verwijst daarbij naar beslissingen van de Hoge Raad (LJN BD 2361) en het Gerechtshof Den Bosch (LJN BU6079).

De advocaat-generaal geeft desgevraagd te kennen ongeveer een uur nodig te hebben voor zijn requisitoir.

De voorzitter deelt mede dat in beginsel 3 oktober 2012 de inhoudelijke behandeling van de zaak zal worden voortgezet, waarbij ook gerekwireerd en gepleit zal worden, afhankelijk van de te nemen beslissingen op de nog voorliggende verzoeken van de raadsman. Aanstaande woensdag zal in ieder geval het onderzoek worden hervat. De datum van de terechtzitting van 3 oktober 2012 is reeds aan verdachte en de raadsman aangezegd.

(…)

De voorzitter deelt mede dat, indien de raadsman een omvangrijke pleitnota voor de inhoudelijke behandeling, hij deze eventueel op voorhand aan het hof kan toezenden.

De raadsman geeft te kennen dat hij zich daarover zal beraden en dat hij niet kan toezeggen of dat voor de terechtzitting van 3 oktober 2012 zal lukken.”

4.4.

Ter zitting van 3 oktober 2012 is de inhoudelijke behandeling voortgezet, maar niet afgerond, mede doordat de verdachte onwel werd. Tijdens die zitting heeft de verdediging verzocht om meer pleittijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het proces-verbaal vermeldt hierover het volgende:

“Mr De Bree geeft te kennen voor de onderbreking nogmaals het woord te willen voeren met het verzoek om meer pleittijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak.

De voorzitter verwijst naar zijn brief van 1 oktober 2012 aan mr Speijdel, inhoudende: “Waar het gaat om een herhaling van in eerste aanleg gevoerde verweren, kan volstaan worden met een aanduiding van het verweer waarop een uitdrukkelijke beslissing verlangd wordt en met verwijzing naar de pleitnota bij de rechtbank voor de motivering ervan (voortbouwend appel). Deze werkwijze is door de Hoge Raad goedgekeurd. Voor wat betreft niet eerder gevoerde verweren waarop uitdrukkelijk een beslissing wordt verlangd, geldt hetzelfde. Een korte presentatie ervan ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende. Voor nadere motivering kan verwezen worden naar de reeds toegezonden (of nog over te leggen) pleitnota.”

De voorzitter deelt mede dat voor het hof inmiddels circa zes terechtzittingen hebben plaatsgevonden en dat door de verdediging is gesteld dat verdachte een einde wenst te maken aan deze zaak. Gelet op de materie en de relatief beperkte complexiteit van de zaak en het feit dat het een voortbouwend appel betreft, is naar het oordeel van het hof drie uur pleittijd voldoende.

Mr De Bree geeft te kennen dat hij zijn verzoek wenst toe te lichten en voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht (bijlage 3).

(…)

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

(…)

Op p. 3 van de pleitnota van De Bree staat dat door het beperken van de verdediging in de spreektijd sprake is van beknotting van het verdedigingsrecht in inhoudelijke zin. Daar ben ik het niet mee eens. Net als van een officier van justitie mag van een raadsman worden verwacht om in een reële tijd zijn punten/verweren naar voren te brengen die van belang zijn. Overtuigend is naar mijn smaak een betoog waarin op kernachtige wijze de punten aan de orde worden gesteld die voor de beoordeling van de door de rechter te beoordelen vragen van belang zijn. Ik acht de verdediging daartoe in staat. Onderaan pagina 4 van de pleitnota van De Bree wordt verwezen naar de Hoge Raad. Het is mij niet bekend dat verweren/verzoeken niet kernachtig geformuleerd zouden mogen worden. Ik verzoek het hof vast te houden aan het ingenomen standpunt om de spreektijd van de verdediging te beperken tot drie uur.

(…)

Het Hof zal op 19 december 2012 te 9.00 uur het onderzoek hervatten. Op 19 december 2012 zal worden gerekwireerd en gepleit en zal de inhoudelijke behandeling van de zaak worden afgerond. De voorzitter zegt de verdachte en de raadsman aan om op genoemd tijdstip zonder nadere oproeping ter terechtzitting te verschijnen.

De voorzitter deelt mede dat, mocht om wat voor reden dan ook de behandeling op 19 december 2012 geen doorgang kunnen vinden, het geruime tijd zal duren voor de zaak in dezelfde combinatie behandeld kan worden.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee dat het hof bij het eerder ingenomen standpunt blijft, met dien verstande dat mr Speijdel en mr De Bree samen in totaal drie uur hebben om te pleiten. Het betreft relatief eenvoudige feiten. De omvang van het dossier is wel groot maar dat komt mede doordat het dossier uit veel kopieën bestaat. Gelet op het voortbouwend appel en de jurisprudentie hoeven in hoger beroep geen stukken te worden voorgedragen die in eerste aanleg aan de orde zijn geweest. Als één van de raadslieden de punten/verweren in eerste aanleg noemt die in hoger beroep worden gehandhaafd is dat voldoende. Ten aanzien van nieuwe verweren kan kort worden aangeduid waarop deze zien. De voorzitter geeft de raadslieden in overweging om de pleitnota op voorhand aan het hof te doen toekomen.3

4.5.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 19 december 2012 is de verdachte op die zitting niet verschenen en hebben de advocaten van de verdachte een aanhoudingsverzoek gedaan. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens geschorst tot de zitting van 6 februari 2013. Op de zitting van 6 februari 2013 is de verdachte, omdat hij ziek was, wederom niet verschenen. Zijn raadslieden hebben - met een beroep op het aanwezigheidsrecht van verdachte - een verzoek tot aanhouding van de zaak gedaan. In reactie op dit verzoek heeft de voorzitter allereerst een opsomming gegeven van het verloop van de strafzaak in hoger beroep en benadrukt dat niet alleen de stress die de lange duur van het proces bij de verdachte veroorzaakt een reden is om de zaak “zo snel mogelijk op een ordentelijke wijze” af te doen, maar dat ook het belang van een behoorlijke rechtspleging en de organisatie van de rechtspleging een voortvarende afdoening vereisen. Vervolgens wijst het Hof het aanhoudingsverzoek toe en benadrukt het nogmaals dat er voor het pleidooi drie uur spreektijd zal worden uitgetrokken. Daartoe wordt het volgende overwogen, zo blijkt uit het slot van het proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2013:

“Dit alles afwegende wijst het hof het verzoek toe met dien verstande dat het onderzoek nog éénmaal zal worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen ook zelf de verdediging te voeren. Het hof zal daartoe de zaak aanhouden tot 22 mei 2013 te 9.00 uur. Langer uitstel van de zaak is niet meer verantwoord, gelet op de andere in het geding zijnde belangen. De ochtend zal benut worden voor de verdere behandeling van de feiten, hetgeen gelet op de omvang van de zaak voldoende tijd is. In de middag zal er één uur voor het requisitoir en drie uur voor het pleidooi zijn. Het verdient de aanbeveling om voorafgaand aan de zitting de pleitnota aan het hof te doen toekomen, indien de toegemeten tijd anders niet toereikend zal zijn. Het hof is bekend met de inhoud van de pleitnota met bijlagen in eerste aanleg.”

4.6.

Op de zitting van 22 mei 2013 wordt de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep voortgezet en ook feitelijk tot een einde gebracht.4 Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat beide raadslieden van verdachte, mr. De Bree en mr. Speijdel, vóór de terechtzitting een pleitnota aan het Hof hebben toegezonden. Verder blijkt uit dat proces-verbaal dat de verdachte en de raadslieden “het woord tot verdediging” hebben gevoerd en dat de raadslieden dat hebben gedaan overeenkomstig hun pleitnota’s die aan het Hof zijn overgelegd en aan het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013 zijn gehecht. Het proces-verbaal vermeldt hierover het volgende:

“De verdachte en de raadslieden voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadslieden het woord voeren overeenkomstig hun pleitnota’s welke aan het hof zijn overgelegd en aan dit proces-verbaal zijn gehecht (bijlagen III en IV).

Na zijn pleidooi merkt mr. De Bree nog op, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij waar de documenten 125 en 126 (pleitnota voetnoot 51) vandaan komen. Ik heb dat niet kunnen vinden, maar alles is in beslag genomen maar niet alles is in het dossier gevoegd. Misschien behoren deze stukken bij de in beslag genomen stukken die niet in het dossier zijn gevoegd.

De raadslieden voeren wederom het woord, waarbij mr. De Bree het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht (bijlage V).”

4.7.

Aan het proces-verbaal van 22 mei 2013 zijn drie pleitnota’s gehecht. Twee daarvan (bijlagen III en IV) zijn lijvige documenten van respectievelijk 47 en 68 pagina’s. 5 Bijlage III betreft de pleitnota van Mr. Speijdel waarin een uitgebreid niet-ontvankelijkheidsverweer wordt gevoerd en een kort strafmaatverweer. Bijlage IV betreft de pleitnotities van mrs. Speijdel en De Bree tezamen. In deze pleitnotities wordt uitgebreid op elk feit (en het bewijs daarvoor) ingegaan. Onderdeel6 van het in bijlage III gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer vormt het betoog dat de verdediging in hoger beroep ten onrechte is beknot in het spreekrecht.7 Dit betoog luidt als volgt:

“F.

Ten aanzien van de beperking duur pleidooi:

Bij brief d.d. 19-09-2012 heeft de verdediging eigener beweging uw hof laten weten dat de verdediging "...in principe (meer dan) een volle dag nodig zal hebben voor het voeren van pleidooi."

Op de zitting d.d. 26-09-2012 heeft uw hof de tijd voor het t.z.t. te voeren pleidooi beperkt tot maximaal 3 uren. Dit gebeurde in een situatie dat mr. De Bree nog geen raadsman van cliënt was en cliënt ten tijde van die beperking dus van één raadsman was voorzien. Op genoemde zitting heeft uw hof blijkens p. 9 van het pv van de zitting die beslissing aldus gemotiveerd:

“De voorzitter deelt mede dat de raadsman heeft aangegeven dat hij meer dan een dag nodig heeft voor het pleidooi. Bij de rechtbank heeft de raadsman uitgebreid gepleit en veel bijlagen bij zijn pleitnota gevoegd. Daarvan heeft het hof ook kennisgenomen. In de tussenliggende periode zijn er vrijwel geen nieuwe stukken aan het dossier toegevoegd, behoudens de getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris. Het hof is van oordeel dat drie uur voldoende tijd is om te pleiten in deze zaak. De voorzitter verwijst daarbij naar beslissingen van de Hoge Raad (LJN BD 2361) en het Gerechtshof Den Bosch (LJN BU6079).”

De verdediging is blijkens het pv van die zitting niet met die beperking door het hof accoord gegaan. Bij brief d.d. 28-09-2012, twee dagen na voornoemde zitting, heeft de verdediging het hof verzocht de beslissing te heroverwegen en de verdediging de benodigde tijd van een dag voor het voeren van pleidooi te vergunnen. De verdediging heeft in die brief opgemerkt dat de verwijzingen naar de beslissingen van de HR en het Hof Den Bosch geen hout snijden. Dat zal hieronder nog eens worden gemotiveerd.

Bij brief d.d. 01-10-2012 heeft mr. De Bree zich gesteld als mede-raadsman van cliënt.

Bij brieven d.d. 01-10-2012 werd mr. De Bree en mij medegedeeld dat de uitbreiding van het aantal raadslieden niet leidt tot enige verruiming van de spreekduur van maximaal 3 uren.

Op 03-10-2012 heeft de verdediging bij monde van mr. De Bree nogmaals gepleit voor verruiming van de duur van het pleidooi (zie p. 9 en 10 van het pv van die zitting).8

Het hof bleef echter bij de beslissing tot beperking van de duur van het pleidooi tot maximaal 3 uren (zie p.11, 4e alinea van het pv van genoemde zitting).

Er kan derhalve op basis van de stukken worden geconcludeerd dat:

- het hof zonder enig overleg met de verdediging heeft bepaald dat de duur van het te voeren pleidooi maximaal drie uren bedraagt;

- de verdediging tegen die beperking van meet af aan bezwaar heeft gemaakt;

- de uitbreiding van het aantal raadslieden niet tot verruiming van de spreektijd heeft geleid;

- door de verwijzing naar de eerder gehanteerde pleitnota's het hof er op voorhand van uitgaat dat de door de verdediging te voeren verweren c.q. te verrichten verzoeken slechts een nodeloze herhaling van eerder gevoerde verweren c.q. gedane verzoeken bevat dan wel een nodeloos uitgebreide toelichting op nieuwe verweren c.q. verzoeken.

Deze omstandigheden dienen mede in aanmerking te worden genomen bij het, langs de lat van wet en jurisprudentie, beoordelen van de beslissing van het hof tot beperking op voorhand van de duur van het pleidooi. Bedoelde toets aan de hand van wet en jurisprudentie zal ik zo dadelijk uitvoeren.

Vooraf merk ik nog op dat de verdediging adequate time and facilities moet hebben om verdediging te voeren alsmede dat verweer op zitting gevoerd dient te worden. De herhaalde suggestie van de voorzitter van Uw Kamer, dat de verdediging op voorhand stukken kan inbrengen en zodoende het pleidooi beknopt kan houden vindt geen steun in het recht. Immers, wil de verdediging een verweer voeren waar het gerechtshof op heeft te responderen (de zogenoemde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten), dan volgt uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het verweer ter zitting moet worden gedaan en het moet betreffen een standpunt duidelijk door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie dat ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Schriftelijke niet ter zitting voorgedragen stukken waarin verweren zijn vervat voldoen niet aan dat criterium.

De onderhavige zaak betreft een gecompliceerde, met een groot aantal verwijten en subverwijten, een zeer omvangrijk dossier (vele ordners) alsook een procesverloop dat inmiddels meer dan elf jaren duurt en waarin zich, (met name) ook in hoger beroep, vele (proces)incidenten hebben voorgedaan. Gelet op het feit dat behandeling bij Uw Hof de laatste feitelijke instantie is, is het voor de verdediging noodzakelijk, mede gelet op de benoemde responsieverplichting, deugdelijk en vastgelegd verweer te voeren. De omvang daarvan overstijgt de duur van 3 uren. De beslissing tot beknotting van het verdedigingsrecht gaat de ordebevoegdheid van de voorzitter te buiten. In casu is het echter, blijkens de pv's van de zittingen, geen beslissing van de voorzitter maar van het hof. Ook dan betreft het echter een ongeoorloofde inhoudelijke beknotting van verdedigingsrechten waardoor de verdediging de in belangrijke mate de mogelijkheid is ontnomen - in het licht van het omvangrijke dossier- effectief en adequaat verweer te voeren, waaronder tevens valt het voeren van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in deze complexe zaak. De omstandigheid dat de verdediging op voorhand gedeelten van het verweer naar hof en AG heeft gestuurd is enkel tot stand gekomen door deze - naar inzicht van de verdediging - ontoelaatbare beperking van de spreektijd. Immers, de verdediging nam uiteraard de beslissing van het hof tot beperking van de spreektijd serieus en wist dat het pleidooi na 3 uren zou worden afgekapt. Hetgeen de verdediging bij pleidooi naar voren wenst te brengen uiteraard in een normaal, voor de luisteraar te volgen spreektempo) overstijgt ruimschoots de 3 uren. De verdediging had derhalve de mogelijkheid om ofwel principieel niet een gedeelte van het voorgenomen pleidooi naar uw hof te sturen maar dan na 3 uren te worden afgekapt en alsdan op vele punten op geen enkele wijze haar standpunt naar voren hebben kunnen brengen ofwel te pogen, hopelijk, de schade nog enigermate te kunnen beperken en noodgedwongen de instructie van uw hof te volgen. Daarmee wordt de mogelijkheid alles ten verwere en in het licht van een adequate verdediging naar voren te brengen doorkruist. Zulks op ontoelaatbare wijze. Het weerhoudt de verdediging ervan (nadere) uitdrukkelijk onderbouwde standpunten aan te voeren ten aanzien van:

- de ongeloofwaardigheid van [betrokkene 1]; de verdediging had daar minutieus alle verhoren willen doorlopen teneinde die ongeloofwaardigheid aannemelijk te maken en de betrouwbaarheid en bruikbaarheid voor het bewijs aan te kunnen vechten;

- de ongeloofwaardigheid van [betrokkene 2]; daarvoor geldt hetzelfde als [betrokkene 1];

- het voeren van een bewijsverweer ten aanzien van de criminele herkomst; de verdediging had uitdrukkelijk onderbouwd aannemelijk willen maken dat de gelden van [betrokkene 2] niet van criminele herkomst waren door het voorhanden zijnde bewijs te bespreken (onder meer zoals ten grondslag gelegd aan de SBV rapportages);

- bij feit 1 had de verdediging ook (nader) bewijsverweer willen voeren door middel van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ziend op de vraag of cliënt wetenschap heeft gehad, zoals hem verweten wordt. In dat verband had de verdediging het voorhanden zijnde bewijs willen bespreken teneinde op basis daarvan gemotiveerd de conclusie te trekken dat het voorhanden zijnde bewijs noopt tot de conclusie dat het hem aan wetenschap ontbroken heeft;

- het voeren van een bewijsverweer ten aanzien van de verweten omvang; subsidiair had de verdediging bij feit 1 de administratie van cliënt willen bespreken teneinde aannemelijk te kunnen maken - uitdrukkelijk onderbouwd - dat er met de ontvangsten door [A] B.V. niet 700.000 NLG was gemoeid maar een substantieel lager bedrag;

- bij feit 2 had de verdediging op alle subonderdelen nader bij het bewijs willen stilstaan teneinde bewijsverweren te kunnen voeren en deze te voorzien van nadere uitdrukkelijk onderbouwde standpunten;

- bij feit 6 had de verdediging de gelegenheid willen benutten uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in te nemen ten aanzien van de bewijsuitsluiting van het tapmateriaal; alsook terzake een bewijsverweer te kunnen onderbouwen ziend op de verweten bedrieglijke verkorting van derden zowel ten aanzien van de schilderijen als ten aanzien van de Renault Clio.

Door de beslissing van uw hof tot beperking van de spreektijd is de verdediging daartoe niet in staat gesteld. Met betrekking tot de geldende jurisprudentie en wetgeving terzake de huidige beslissing tot beperking van de duur van het pleidooi merk ik op als volgt. De verwijzing naar Hoge Raad (LJN BD 2361) en hof Den Bosch (LJN BU6079) gaat niet op en wel om de volgende redenen.

Ad HR, LJN BD 2361: Het betrof hier een procedure bij de HR en dus een procedure bij een instantie waar het geding in beginsel schriftelijk plaats vindt en niet mondeling. Zie ook Van Dorst, cassatie in strafzaken, p. 80: "Van de gelegenheid tot pleidooi wordt overigens zelden gebruik gemaakt." Een wezenlijk andere procedure dus dan bij een hof. Het betrof voorts een procedure waarin reeds eerder een veelheid aan wrakingsverzoeken in de cassatiefase was ingediend, en die verzoeken volgens de HR kennelijk ver onder de maat waren en wel zodanig dat er volgens de HR sprake was van misbruik van het wrakingsmiddel. Al die omstandigheden wijken wezenlijk af van de omstandigheden in de zaak van vandaag.

Ad hof Den Bosch (LJN BU6079): Allereerst merk ik op, dat deze beslissing een beslissing van de wrakingskamer betreft en dus niet aan een controlerende toets in cassatie kan worden onderworpen. In deze zaak was er een regie-zitting op 06-07-2011 en daarop is afgesproken dat op de volgende zitting, op 28-10-2011, door de verdediging maximaal 2 uren zou worden gepleit. Op de regie-zitting noch daarna heeft de verdediging zich tegen die beperking verzet. Pas toen de verdediging op de zitting d.d. 28-10-2011 na - meer dan - 2 uren spreektijd werd afgekapt verzette de verdediging zich middels een wrakingsverzoek.

In de zaak [verdachte] heeft de verdediging ongevraagd en heel bijtijds aangekondigd hoe lang het te voeren pleidooi in beginsel zou duren en vervolgens, na de beknotting van de spreektijd, zich van meet af aan en herhaald verzet tegen die beknotting. Bovendien heeft de wrakingskamer van het hof Den Bosch de beknotting van de spreektijd als zodanig niet beoordeeld laat staan goedgekeurd:

"Met betrekking tot de aangevoerde gronden voor de wraking stelt de wrakingskamer voorop dat in deze wrakingszaak niet ter beoordeling staat of de strafkamer van het hof al dan niet terecht heeft geoordeeld dat een beperking van de tijdsduur voor het houden van een pleidooi mogelijk is. Ter beoordeling staat slechts of de leden van de strafkamer van het hof, door aldus te beslissen of in de motivering van de beslissing, blijk hebben gegeven van een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de dienaangaande bij verzoeker bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is."

De wet kent geen regeling welke voorziet in een beperking van de duur van het pleidooi, anders dan de regeling in art. 272 lid 1 Sv. Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, p. 627 zegt er over:

"Krachtens zijn bevoegdheid ex art. 274 lid 1 (bedoeld zal zijn: art. 272 lid 1 - RFS) kan de voorzitter ook een raadsman die te lang irrelevant pleit, het woord ontnemen. Het geval zal echter evident moeten zijn, wil hij tot zo'n drastische maatregel overgaan. De raadsman dient immers tot op grote hoogte zelf te kunnen bepalen hoe lang zijn pleidooi duurt."

Corstens heeft het dus over te lang irrelevant pleiten (enige tijd irrelevant pleiten mag dus ook nog), over het feit dat het evident moet zijn alsmede dat de maatregel drastisch is. Dit alles ziet dan ook nog enkel toe op de constatering van een en ander ter zitting maar niet op een op voorhand vastgestelde beknotting van het spreekrecht. De onderhavige beslissing van het hof tot beknotting van het spreekrecht van de verdediging is in de visie van de verdediging onjuist en ontoelaatbaar. De verdediging persisteert dan ook bij het door haar ertegen gemaakte bezwaar. Daarnaast vormt die beslissing in de optiek van de verdediging een bouwsteen in het niet- ontvankelijkheidsverweer aangaande alle feiten.”9

4.8.

Het Hof is in het bestreden arrest op alle onderdelen van het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer ingegaan om vervolgens tot verwerping van dat verweer te komen. Daartoe overwoog het Hof – onder het kopje “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie” - ten aanzien van het betoog dat de verdediging ten onrechte is beknot in de spreektijd ten behoeve van pleidooi het volgende:

“Met betrekking tot het beperken van de duur van het pleidooi overweegt het hof het volgende. Op de terechtzitting van 26 september 2012 heeft de voorzitter (op grond van artikel 272, eerste lid, Sv) beslist dat de verdediging drie uur de tijd kreeg om te pleiten. Het hof acht die gegeven tijd voor pleidooi in de onderhavige zaak redelijk. Het houdt daarbij rekening met de volgende omstandigheden:

- op eerdere zittingen in hoger beroep heeft de verdediging al ampel (vele uren lang) het woord gevoerd over inhoudelijke en procedurele aangelegenheden;

- het stelsel van het voortbouwend appel gaat er van uit dat de procedure in hoger beroep beperkter van opzet is dan de procedure in eerste aanleg;

- de beperking van de spreektijd is ruim te voren aan de verdediging kenbaar gemaakt;

- in het dossier bevindt zich een zeer uitgebreide pleitnota die in eerste aanleg is voorgedragen en waarvan het hof kennis heeft genomen. Verweren die in die pleitnota zijn opgenomen kunnen in hoger beroep uitdrukkelijk worden herhaald, zonder dat is vereist de hele pleitnota nogmaals voor te dragen. Het hof heeft de verdediging daarop gewezen;

- in hoger beroep is de verdediging in de gelegenheid gesteld om vóór de terechtzitting van 22 mei 2013 haar pleitnota aan het hof toe te sturen. De verdediging heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt doordat beide raadslieden een groot gedeelte van hun pleitnota’s vooraf hebben toegestuurd aan het hof. Ter terechtzitting kon in belangrijke mate worden volstaan met een korte samenvatting van die delen van de pleitnota's.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdediging redelijkerwijze alle ruimte heeft gehad om naar voren te brengen hetgeen zij meende ter verdediging van de belangen van verdachte naar voren te moeten brengen en dat verdachte aldus door de beperking van de spreektijd voor pleidooi niet in zijn belangen is geschaad. Daarbij wijst het hof er ook op dat een aantal door mr. Speijdel genoemde beperkingen waarover hij zich had willen uitlaten maar niet heeft kunnen uitlaten wegens de gestelde begrenzingen in tijd, wel degelijk door mr. De Bree naar voren zijn gebracht.”

4.9.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013 blijkt niet dat de raadslieden het woord is ontnomen omdat zij de hen toebemeten spreektijd overschreden. Uit dat proces-verbaal blijkt evenmin dat de raadslieden ter zitting om meer spreektijd hebben verzocht. Het moet er daarom voor worden gehouden dat zij zich – onder protest – naar de door de voorzitter van het Hof bepaalde orde hebben gevoegd. Dat protest was vreemd genoeg verpakt in een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Tegen de verwerping van dat beroep keert het middel zich niet. Dat zou ook weinig zin hebben gehad omdat niet valt in te zien waarom een (ontoelaatbare) beperking van het pleidooi zou moeten leiden tot de bedoelde niet-ontvankelijkheid. Het gaat hier om een (mogelijk) vormverzuim dat, als het niet in feitelijke aanleg is rechtgezet doordat het protest daartegen alsnog is gehonoreerd, leidt tot de nietigheid van het onderzoek ter zitting en aldus een grond voor cassatie van de bestreden uitspraak oplevert. Ik meen dat de weinig adequate wijze waarop de verdediging haar protest tegen de beperking van haar spreektijd heeft gepresenteerd, niet wegneemt dat zij zich overduidelijk tegen die beperking heeft verzet, zodat niet gezegd kan worden dat de verdachte zijn recht om in cassatie over die beperking te klagen, heeft verspeeld.

4.10.

Het middel strekt ten betoge dat een vooraf bepaalde beperking van de spreektijd “rechtens ontoelaatbaar” is. Een dergelijke beperking zou in strijd zijn met art. 6 EVRM en/of de beginselen van een goede procesorde en/of de artt. 272, 311, 331 en/of 415 Sv. Het middel zet aldus vol in op de cassatiegrond schending van het recht. Weliswaar wordt aan het slot van het eigenlijke middel gesteld dat de bedoelde beperking “althans in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd” is, maar deze motiveringsklacht wordt in de toelichting niet uitgewerkt. Voor zover in de toelichting op het middel ingegaan wordt op de argumentatie die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer, is dat om de opvatting van (de voorzitter van) het Hof te bestrijden dat een beperking van de spreektijd vooraf op zich toelaatbaar is. Van een zelfstandige motiveringsklacht, inhoudende dat de (op zich toelaatbare) beperking van de spreektijd er in het onderhavige geval toe heeft geleid dat de verdedigingsrechten van de verdachte zijn geschonden, is dus geen sprake. Ik meen mij daarom te mogen beperken tot de vraag of het recht is geschonden doordat de duur van het pleidooi op voorhand is beperkt.

4.11.

Voorafgaand aan de eigenlijke beantwoording van de opgeworpen rechtsvraag eerst het volgende. De vraag is hoe de in het middel genoemde artikelen 272 en 311 Sv zich tot elkaar verhouden. Op grond van art. 311, tweede lid, Sv moet de verdachte – nadat de officier van justitie aan het woord is geweest en zijn vordering heeft overgelegd –in de gelegenheid worden gesteld hierop te antwoorden. Meestal gebeurt dit door een raadsman (art. 331 Sv). De raadsman, die op grond van art. 311, tweede lid, Sv het woord voert, heeft in beginsel het recht daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is deze regel van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting.10 De zinsnede “in beginsel” duidt erop dat deze medaille ook een keerzijde heeft. Soms heeft de raadsman niet het recht om aan te voeren wat hemzelf dienstig voorkomt in het belang van de verdediging. Aan de artikelen 124 en 272 Sv ontleent de voorzitter van de strafkamer de bevoegdheid om maatregelen te treffen teneinde de orde op de terechtzitting te handhaven. Zo kan de voorzitter bijvoorbeeld de raadsman het woord ontnemen als die zich tijdens zijn pleidooi herhaaldelijk bedient van ongepaste uitlatingen jegens de rechterlijke macht11 of als hij in nodeloze herhalingen vervalt.12 Een beperking van het pleidooi die de inhoud daarvan raakt, is echter in beginsel ontoelaatbaar.13 Alleen evident irrelevante vertogen mogen, naar wordt aangenomen, worden afgebroken.14

4.12.

De vraag is als gezegd hoe de handhaving van de orde ter zitting door de voorzitter van de strafkamer zich verhoudt tot de naleving van het zittingsvoorschrift dat vervat is in art. 311 lid 2 Sv. Tot het jaar 2010 leek de Hoge Raad zich over die vraag niet erg druk te maken. Illustratief is HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4663, in welke zaak de voorzitter van het Hof de raadsvrouw in haar pleidooi had beperkt door te bepalen dat zij alleen mocht spreken over de toerekeningsvatbaarheid en de detentieongeschiktheid van de verdachte. De Hoge Raad overwoog dat de “gang van zaken” erop neerkwam dat “het Hof” de raadsvrouw in haar pleidooi had beperkt. De voorzitter en het Hof werden dus eenvoudig met elkaar vereenzelvigd. Dat leidde tot een strenge toetsing van de beperking van het spreekrecht. De Hoge Raad overwoog dat het Hof bij zijn beslissing om de raadsvrouw te beperken in haar pleidooi kennelijk is uitgegaan van de vooronderstelling dat de pleitnota slechts een nodeloze herhaling bevatte van een eerder overgelegde pleitnota. Volgens de Hoge Raad had het Hof, alvorens die beslissing te nemen, “de juistheid van die vooronderstelling dienen te verifiëren.” De bewijslast wordt in deze benadering bij het Hof gelegd. Dat moet duidelijk maken dat voor de beperking van het pleidooi goede grond bestaat.

4.13.

In HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897 (NJ 2010, 303 m.nt. Buruma) woei de wind plotseling uit een andere hoek. In deze zaak had de voorzitter van het Hof de raadsman het woord ontnomen omdat die zich met een zekere hardnekkigheid ongepast bleef uitlaten over de rechterlijke macht. De Hoge Raad overwoog, in lijn met de conclusie van A-G Jörg, dat het hier om een “beslissing” van de voorzitter ten behoeve van de handhaving van de orde ging en dat dit een “handeling” was waartegen geen beroep in cassatie openstaat. Dat leidde tot de conclusie dat het cassatieberoep in zoverre niet-ontvankelijk was. Uit hetzelfde vaatje werd getapt in HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:911, waarin het Hof de verdachte, die zelf zijn verdediging voerde, het woord had ontnomen omdat die het enkel over “zijn cortex” wilde hebben. Ook nu stelde de Hoge Raad dat tegen de beslissing van de voorzitter geen beroep in cassatie openstond. Een verschil was dat niet meer van een “handeling” werd gesproken en dat het cassatieberoep niet partieel niet-ontvankelijk werd verklaard. De Hoge Raad oordeelde nu dat het middel, voor zover zich dat richtte tegen de beslissing van de voorzitter, onbesproken moest blijven.15

4.14.

Er is nog een ander verschil, dat van groter belang is. De Hoge Raad liet het middel als gezegd alleen onbesproken voor zover dat zich tegen de voorzittersbeslissing richtte. De Hoge Raad beoordeelde het middel wel voor zover het klaagde “dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is omdat de verdachte niet overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv het woord heeft kunnen voeren”. Met die beoordeling was de Hoge Raad overigens snel klaar. Hij oordeelde kortweg dat het middel in zoverre feitelijke grondslag miste. Dat verschil is vermoedelijk terug te voeren op de wijze waarop de klacht in de schriftuur aan de vork wordt gestoken. Als het middel alleen over de voorzittersbeslissing klaagt, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat tegen die beslissing geen cassatie openstaat. Als het middel (tevens) over schending van art. 311 Sv klaagt, beoordeelt de Hoge Raad het middel (in zoverre) wel inhoudelijk.

4.15.

De vraag is of sprake is van een koerswijziging en zo ja, hoe die moet worden begrepen. Het verschil met de rechtspraak van vóór 2010 is niet, dat niet meer over schending van art. 311 lid 2 Sv kan worden geklaagd. Dat blijkt immers uit het arrest uit 2014, waarin de Hoge Raad een klacht van die strekking inhoudelijk beoordeelde. Als het gevolg van de ordehandhaving door de voorzitter is dat de verdachte of zijn raadsman niet overeenkomstig dat artikellid het woord heeft kunnen voeren, kan over dat gevolg worden geklaagd. Dat lijkt praktisch gesproken op hetzelfde neer te komen, zodat alleen sprake is van het zetten van een puntje op de i van de cassatietechniek. Toch is er denk ik meer aan de hand. De zuiverheid in de leer die de Hoge Raad is gaan betrachten, leidde er in 2010 toe dat een inhoudelijk oordeel over de toelaatbaarheid van de beperking van het pleidooi geheel achterwege bleef. In 2014 werd wel een inhoudelijk oordeel gegeven, maar dat bestond enkel uit de niet nader toegelichte constatering dat het middel feitelijke grondslag ontbeerde. Van de indringende toetsing waarvan het onder 4.12 besproken arrest uit 2009 blijk gaf, lijkt dus weinig meer over te zijn. Ik vermoed dat in zoverre inderdaad van een koerswijziging kan worden gesproken. Die bestaat eruit dat de Hoge Raad meer afstand is gaan nemen als het gaat om de vraag hoe in feitelijke aanleg invulling is gegeven aan het voorschrift van art. 311 lid 2 Sv.

4.16.

Hoewel het arrest uit 2014 zo gelezen kan worden dat de Hoge Raad voortaan enkel nog toetst of de verdachte of zijn raadsman het woord hebben gekregen, is dat naar ik aanneem niet de bedoeling. Dat “de verdachte niet overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv het woord heeft kunnen voeren” wil zeggen dat tekort is gedaan aan zijn recht om in beginsel alles aan te voeren wat hij in het belang van zijn verdediging acht. Wel lijkt het zo te zijn dat, nu de voorzittersbeslissing als zodanig niet meer op begrijpelijkheid wordt getoetst, de bewijslast niet langer bij het hof ligt. In haar conclusie die voorafging aan het arrest uit 2014 meende mijn ambtgenoot Spronken dat art. 311 Sv was geschonden omdat het Hof te lichtvaardig had aangenomen dat hetgeen de verdachte over zijn cortex kwijt wilde, niets met het tenlastegelegde uitstaande had. Een nadere motivering, waaruit bleek dat dit was geverifieerd, was volgens haar op haar plaats geweest. De Hoge Raad daarentegen lijkt de betrekkelijk theoretische mogelijkheid dat verdachtes cortex in een relevant verband tot het tenlastegelegde stond, onvoldoende reden te hebben gevonden om te casseren. Dat duidt erop dat de Hoge Raad alleen nog wegens schending van art. 311 lid 2 Sv wenst te casseren als op grond van de in cassatie vaststaande feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat het gevolg van de voorzittersbeslissing is geweest dat de raadsman niet in de gelegenheid is geweest om alles naar voren te brengen wat hij in redelijkheid in het belang van de verdediging dienstig kon achten. De bewijslast wordt zo als het ware bij de verdachte gelegd die in cassatie over schending van art. 311 Sv klaagt. Het effect lijkt in elk geval te zijn dat de klacht alleen succes heeft als de schending van dat artikel min of meer evident is. Als dat niet zo is, mist de klacht feitelijke grondslag.

4.17.

Als de hier gegeven duiding van de wijziging in de benadering door de Hoge Raad van klachten over een beperking van het pleidooi door de voorzitter van de strafkamer juist is (wat de tijd nog zal moeten leren), rijst de vraag waarom voor deze ‘terugtred’ is gekozen. Op het gevaar af in pure speculatie te vervallen, opper ik de volgende drie elkaar niet uitsluitende mogelijkheden. Een eerste mogelijkheid is dat het feit dat de wet schending van art. 311 lid 4 Sv met nietigheid bedreigt, een rol heeft gespeeld. Volgens de logica van de Wet vormverzuimen is voor enige relativering van deze formele nietigheid geen plaats.16 Dit is bij de essentiële nietigheid die de Hoge Raad aan schending van art. 311 lid 2 Sv verbindt, anders. Van het verschil in regime blijft praktisch gesproken niets over als alleen in duidelijke gevallen een schending wordt aangenomen. Een tweede mogelijkheid is dat de (gedachte achter) art. 80a RO een rol heeft gespeeld. Bij de gedachte dat de verdachte voldoende belang moet hebben bij zijn klacht past minder goed dat op alle slakken zout wordt gelegd. In dit verband is misschien een vergelijking met de andere koers die de Hoge Raad is gaan varen met betrekking tot klachten over de afwijzing van getuigenverzoeken, niet te gewaagd. Bij die koerswijziging beriep de Hoge Raad zich expliciet op art. 80a RO. 17 Mogelijk moet dit zo begrepen worden dat de Hoge Raad alleen nog casseert als de afwijzing van het getuigenverzoek tot gevolg heeft gehad dat het proces ‘as a whole’ niet eerlijk is geweest.18 Hetzelfde geldt wellicht m.m. voor een beperking van de spreektijd. De derde mogelijkheid die ik wil noemen, is dat de Hoge Raad meer gewicht is gaan toekennen aan het belang van een goede organisatie van de rechtspleging en van een evenwichtige benutting van de schaarse zittingscapaciteit waardoor een vlotte doorstroming van zaken wordt bevorderd. De erkenning van dat belang heeft wellicht geleid tot een groter begrip voor voorzitters die oeverloze pleidooien pogen in te dammen.

4.18.

Maar wat er van dit alles ook zij, enkele conclusies met betrekking tot de voorliggende zaak kunnen uit het voorgaande wél worden getrokken. De eerste is dat het middel, voor zover het zich keert tegen beslissing die de voorzitter van het Hof heeft genomen, buiten bespreking moet blijven. Dat het Hof zich blijkens de verwerping van het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer achter de beslissing van de voorzitter heeft geschaard, zoals in de toelichting op het middel met juistheid wordt opgemerkt, maakt dat niet anders. De tweede conclusie is dat het middel wel bespreking behoeft voor zover het met een beroep op art. 311 lid 2 Sv en art. 6 EVRM klaagt over een schending van het recht op een behoorlijke verdediging. Nu het daarbij om een rechtsklacht gaat, is voor terughoudendheid bij de beoordeling ervan geen reden. De opgeworpen rechtsvraag moet eenvoudig beantwoord worden.

4.19.

Het gaat daarbij om een vraag die voor de praktijk van de strafrechtspleging van groot belang is. Het vooraf toemeten van spreektijd zoals in de onderhavige zaak gebeurde, is bepaald geen zeldzaamheid meer. Dat heeft alles te maken met het feit dat de gerechten zich er in toenemende mate van bewust zijn geworden dat zittingstijd (vanwege de daarmee gemoeide personele inzet) kostbaar is en dat het belang van een voortvarende behandeling van strafzaken een goede organisatie van de rechtspleging vereist, waarvan planning en regievoering in de individuele strafzaak een belangrijk aspect is. Illustratief is hetgeen de (wrakingskamer van de) Rechtbank ’s-Gravenhage overwoog naar aanleiding van een wrakingsverzoek dat door de raadsman van de verdachte was gedaan omdat de strafkamer te strak zou vasthouden aan de vooraf toebemeten spreektijd:19

“De wrakingskamer stelt voorop dat het bewaken en handhaven van de zittingstijd en de toegekende tijd voor het requisitoir en het pleidooi – zeker in megazaken – zonder meer noodzakelijk is.”

De Rechtbank vond het alleen nodig om voorop te stellen dat het handhaven van de toegekende spreektijd noodzakelijk is. Dat vooraf spreektijd wordt toegekend, was voor de Rechtbank kennelijk zo vanzelfsprekend dat de noodzakelijkheid daarvan niet behoefde te worden benoemd. Men trapt tenslotte ook geen open deuren in.

4.20.

Ook het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch moest zich over een wrakingsverzoek buigen dat verband hield met de maximering van de spreektijd.20 Hier had de voorzitter, nadat de ochtendzitting was uitgelopen doordat de raadsman de hem toegemeten spreektijd van twee uur overschreed, na de lunch meegedeeld dat de raadsman nog vijftien minuten kreeg, waarop de raadsman het Hof wraakte. De wrakingskamer overwoog als volgt:

“De wrakingsgronden zien in wezen op ordemaatregelen die door de voorzitter van de strafkamer zijn genomen. Ordemaatregelen staan ter beschikking aan de voorzitter van de meervoudige strafkamer die de leiding heeft van het onderzoek en die de orde op de zitting bepaalt. De beslissing van de voorzitter van de strafkamer om de spreektijd van de procespartijen te maximeren strekt ter bevordering van een efficiënt verloop van het strafgeding. Op zichzelf geeft een dergelijke beslissing geen blijk van enige vooringenomenheid jegens de procespartijen. Dat zou anders kunnen zijn indien zonder goede grond slechts één partij een beperking krijgt opgelegd, of indien de beperking van de spreektijd zo rigoreus is dat binnen de toegemeten tijd geen reëel requisitoir of reële verdediging kan worden gevoerd.

De beslissing tot het beperken van de spreektijd maakt op zichzelf geen inbreuk op het recht van de raadsman om in zijn pleidooi aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. In het onderhavige geval hebben zowel het openbaar ministerie als de verdediging een beperking van de spreektijd opgelegd gekregen.

In het onderhavige geval is voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor een spreektijd van ten hoogste twee uren (volstrekt) ontoereikend zou zijn om een reëel pleidooi te houden. Er is derhalve geen sprake van een situatie waarbij de verdediging onaanvaardbaar wordt beknot in haar spreektijd. De beslissing om de spreektijd voor het pleidooi te beperken tot twee uren is op zichzelf dan ook geen grond voor het oordeel dat door die beslissing de rechterlijke onpartijdigheid van de voorzitter schade zou kunnen lijden. De op de terechtzitting van 28 oktober 2011 gegeven beslissing van de raadsman, nadat hij ruim twee uren had gepleit, daarenboven nog ten hoogste vijftien minuten extra kreeg, is evenmin een omstandigheid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

In dit verband wijst het hof er op dat de maximale spreektijd voor het pleidooi reeds in juli 2011 aan de verdediging is medegedeeld, dat de raadsman niet voorafgaande aan de terechtzitting van 28 oktober 2011 heeft verzocht om extra spreektijd en dat de raadsman op deze terechtzitting herhaaldelijk is gewaarschuwd dat hij zijn spreektijd dreigde te overschrijden.

Gelet op vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek van de voorzitter – en daarmede de overige twee leden – ongegrond moet worden geacht en derhalve dient te worden afgewezen.”

Ook volgens het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch mocht de voorzitter de raadsman dus beperken in zijn spreektijd mits de raadsman binnen de aan hem gegunde spreektijd “reële verdediging” kan voeren. Een dergelijke beslissing maakt naar het oordeel van het Hof “op zichzelf” geen inbreuk op het recht van de raadsman om in zijn pleidooi aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt.

4.21.

Over het principe lijkt dus bij de gerechten in feitelijke aanleg tot op zekere hoogte consensus te bestaan. De gedachte lijkt daarbij overigens wel te zijn dat een zekere soepelheid geboden is, zowel bij het toemeten van spreektijd als bij het handhaven daarvan. Ik sluit niet uit dat in den lande verschillen van inzicht bestaan over de vraag wat een soepele hantering van het principe precies inhoudt. Zo rekende het Hof ’s-Hertogenbosch in zijn boven weergegeven uitspraak het de voorzitter als pluspunt aan dat hij de raadsman herhaaldelijk waarschuwde dat hij zijn spreektijd dreigde te overschrijden. In haar hiervoor genoemde vonnis lijkt de Rechtbank ’s-Gravenhage daar anders over te denken. “De wijze waarop de voorzitter tijdens de pleidooien”, zo overwoog de Rechtbank, “veelvuldig de raadslieden heeft onderbroken, hen gemaand heeft op de tijd te letten en heeft vastgesteld met hoeveel minuten de toegekende spreektijd was overschreden, getuigt naar het oordeel van de wrakingskamer van een rigide en zelfs bijna kinderachtige manier van hanteren van het tijdschema”. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat het verschil in oordeel zijn verklaring vindt in de bijzonderheden van het geval.

4.22.

Over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het principe dient te worden gehanteerd, gaat deze conclusie niet. Het is het principe zelf dat centraal staat. Eén uitwerkingsvraag evenwel is ook van principiële betekenis. Dat is de vraag of en zo ja, in hoeverre bij het toemeten van spreektijd rekening moet worden gehouden met de wensen van de verdediging. Het Hof ’s-Hertogenbosch nam in aanmerking dat de raadsman niet voorafgaande aan de terechtzitting heeft verzocht om extra spreektijd. In de zaak waarover de Rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde, was vooraf door geen van de raadslieden geprotesteerd tegen de gemaakte planning en was door hen niet om extra spreektijd verzocht. Dat bracht de wrakingskamer er kennelijk toe om van “de gemaakte tijdsafspraken” te spreken. Dat laatste roept de vraag op of uit het feit dat de verdediging geen bezwaar maakt, mag worden afgeleid dat zij met de beperking van haar spreektijd heeft ingestemd en dat daarom sprake is van een vorm van zelfbinding waaraan zij kan worden gehouden. Mij lijkt dat dubieus. De werkelijkheid wordt geweld aangedaan als het toemeten van spreektijd wordt voorgesteld als een vrijwillige keuze van de verdediging. Tekenend is dat het Hof en de Rechtbank spreken van een “verzoek’ om extra spreektijd en niet van de mededeling dat extra spreektijd nodig is. Een verzoek kan afgewezen worden, hetgeen impliceert dat de gemaakte planning in principe aan de verdediging wordt opgelegd. Maar wat daarvan ook zij, in de onderhavige zaak kan de rechtvaardiging van de vooraf bepaalde spreektijd in elk geval niet gezocht worden in de instemming van de verdediging. De raadslieden hebben immers van meet af aan luid en duidelijk geprotesteerd tegen de beperkte tijd die zij kregen voor hun pleidooi. De rechtsvraag staat daarmee op scherp. Is het toelaatbaar om de spreektijd van de raadsman op voorhand te maximaliseren, ook als hij daartegen bezwaar maakt?

4.23.

Een ondubbelzinnig antwoord op die vraag heb ik in de rechtspraak van de Hoge Raad niet kunnen vinden. Wel is het zo dat de Hoge Raad zelf de raadsman die zijn middelen wenst toe te lichten, tegenwoordig in beginsel niet meer spreektijd gunt dan twintig minuten (art. VIII Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008). In handhaving van die regeling ziet de Hoge raad geen been. In dit verband kan gewezen worden op HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2361, waarin de wrakingskamer van de Hoge Raad oordeelde over een wrakingsverzoek dat (onder meer) was gedaan omdat de voorzitter het pleidooi na 65 minuten had afgebroken, terwijl vooraf een uur de tijd voor het pleidooi was gegeven. De Hoge Raad overwoog “ten overvloede” dat de voorzitter door aldus te handelen zijn taak als voorzitter op alleszins redelijke wijze had uitgeoefend. Veel zegt dit echter niet. Want de vraag is natuurlijk of de Hoge Raad wat hij zichzelf toestaat, ook aan de feitenrechter zal toestaan. Dat is niet de vraag omdat de Hoge Raad vergeleken kan worden met Jupiter en de feitenrechter met het rund, maar omdat de aard van de cassatieprocedure nu eenmaal anders is dan de strafprocedure in feitelijke aanleg. Ik kom daar nog op terug.

4.24.

De steller van het middel leidt uit de hiervoor onder punt 4.11 en 4.12 besproken jurisprudentie af dat een beperking op voorhand van de spreektijd principieel ontoelaatbaar is. De redenering is daarbij dat uit die jurisprudentie zou blijken dat een beperking van het pleidooi alleen toelaatbaar is als blijkt dat de raadsman in nodeloze herhalingen valt, onwelvoeglijke uitlatingen doet of volslagen irrelevante vertogen houdt. En omdat alleen tijdens het pleidooi kan blijken dat een dergelijke grond voor beperking zich voordoet, is de conclusie dat een beperking van de spreektijd vooraf niet mogelijk is. Op die redenering valt wel iets af te dingen. In de eerste plaats kan worden opgemerkt dat de bedoelde jurisprudentie betrekking heeft op gevallen waarin tijdens het pleidooi een grond voor beperking opdoemt. Dat maakt dat voorzichtigheid moet worden betracht met het trekken van conclusies ten aanzien van gevallen waarop die jurisprudentie niet ziet. In de tweede plaats kan worden opgemerkt dat die jurisprudentie haar wortels lijkt te hebben in een procescultuur die aan het veranderen is. Ook daarop kom ik nog terug.

4.25.

Soortgelijke opmerkingen kunnen worden gemaakt bij de literatuur waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan. Een expliciete afwijzing van het op voorhand inperken van de spreektijd heb ik daarin niet aangetroffen. De meeste schrijvers laten zich daarover niet uit en sluiten zich eenvoudig aan bij wat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt te kunnen worden afgeleid.21 Een uitzondering daarop vormt het – door de steller van het middel niet genoemde – artikel van T. Kraniotis, ‘De duur van het pleidooi: een verkenning’, Strafblad 2013, p. 149-162. Zijn conclusie is dat de spreektijd vooraf kan worden beperkt, mits “de inperking volstrekt neutraal” is en dus volledig los staat van de (verwachte) inhoud van het pleidooi. Ik wijs voorts op een artikel van A.E. Harteveld en A.L.J. van Strien, ‘Innovatie van het strafproces in hoger beroep’, Strafblad 2013, m.n. p. 84-85. De schrijvers zien, onder meer met een beroep op het voortbouwende karakter van het appel, mogelijkheden voor het stellen van regels over de lengte van het requisitoir en het pleidooi.

4.26.

In zijn al genoemde bijdrage laat Kraniotis zien dat niet alleen de Hoge Raad, maar ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het Hof van Justitie EU, het EHRM en het United States Supreme Court vrij rigoureuze beperkingen kennen van de spreektijd die aan de procespartijen wordt toegekend. De schrijver onderkent daarbij dat de waarde van deze rechtsvergelijking beperkt is vanwege het eigensoortige karakter van de desbetreffende procedures. Al die procedures hebben gemeen dat zij een overwegend schriftelijk karakter hebben, of althans dat er ruime mogelijkheden voor de partijen zijn om wat zij van belang achten in schriftelijke vorm aan het gerecht voor te leggen. Ik denk dat juist daarin de sleutel ligt voor het antwoord op de voorliggende rechtsvraag. Een beperking van de spreektijd levert in deze procedures geen beperking op van de mogelijkheid om alles aan de rechter voor te leggen wat de desbetreffende procespartij in het belang van zijn zaak dienstig acht. De procespartijen kunnen dat alles immers ook schriftelijk naar voren brengen. Tegen die achtergrond is de vraag al gauw wat de meerwaarde van een mondeling pleidooi is.

4.27.

Het Nederlandse strafproces heeft van oorsprong een oraal karakter. Het onmiddellijkheidsbeginsel in zijn oorspronkelijke vorm herinnert daar nog aan. Alleen wat op de zitting zelf mondeling werd uitgesproken, telde. In die orale traditie kan ook het pleidooi niet anders dan mondeling zijn. Bij een begrenzing van de duur van het pleidooi dreigt daardoor ‘onmiddellijk’ het gevaar dat de mogelijkheid wordt beperkt om al het nodig geachte aan de rechter voor te leggen. Tegen de achtergrond van een orale procescultuur valt dan ook goed te begrijpen dat een inperking van het pleidooi alleen toelaatbaar wordt geacht als evident is dat van het recht op pleidooi een ongepast gebruik wordt gemaakt.

4.28.

Het orale karakter van het Nederlandse strafproces staat al sinds de afschaffing van de jury op de tocht. Die afschaffing maakte immers dat de noodzaak om alle bewijs mondeling op de zitting te presenteren, wegviel. Van alle procesdeelnemers wordt tegenwoordig verwacht dat zij voorafgaande aan de zitting het dossier hebben bestudeerd. Het in extenso voorlezen van de stukken uit het dossier wordt daardoor als een zinloze activiteit ervaren. Vandaar dat de wet toelaat dat met een korte mededeling van de inhoud van die stukken wordt volstaan, waarbij de praktijk laat zien dat dit ‘voorhouden’ van stukken vaak een uiterst summiere aangelegenheid is. In het requisitoir en het pleidooi is het orale karakter van het strafproces het langst bewaard gebleven. Maar ook daarin is verandering gekomen. Het begon ermee dat de geprofessionaliseerde strafrechtsadvocatuur het pleidooi op schrift begon te stellen en voor of na de mondelinge voordacht daarvan aan de rechter overlegde. Vroeg of laat komt dan de gedachte op of die mondelinge voordracht nog wel nodig is. Is het in zijn geheel voorlezen van de pleitnota niet, net zoals het voorlezen van de stukken uit het dossier, een zinloze formaliteit die de kostbare zittingstijd verspilt? Tekenend is dat in 2010 in een in opdracht van de Raad voor de rechtspraak vervaardigd rapport werd voorgesteld om het pleidooi maar door één van de drie rechters te laten aanhoren.22 Bij het voorgaande komt dat het pleidooi niet meer de enige gelegenheid is om het standpunt van de verdediging naar voren te brengen. Ik noem de – eveneens vaak op schrift gestelde – preliminaire verweren en gemotiveerde onderzoekswensen, de appelschriftuur en – in ontnemingszaken – de schriftelijke voorronde (art. 511d lid 1 Sv). Vermelding in dit verband verdient dat in de op 3 februari 2015 in consultatie gegeven Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering23 wordt voorgesteld om ook in gewone strafzaken de mogelijkheid te bieden om een schriftelijke voorbereidingsronde in te lassen (p. 69) en tevens om het vooraf indienen van op schrift gestelde grieven in appel ook voor de verdachte verplicht te maken (p. 77).

4.29.

Het is tegen de achtergrond van deze voortschrijdende ‘verschriftelijking’ van het strafproces dat de opgeworpen rechtsvraag beantwoord moet worden. Ik meen dat tegen een op voorhand begrensde spreektijd geen principiële bezwaren bestaan mits gewaarborgd is dat de raadsman al hetgeen hij voor de verdediging van de verdachte dienstig acht in elk geval in schriftelijke vorm aan de rechter kan voorleggen. Dat betekent in het bijzonder dat de rechter bereid moet zijn de pleitnota in haar geheel als voorgedragen te beschouwen, ook als onderdelen daarvan niet in extenso mondeling zijn voorgedragen. Die invulling van het in art. 311 lid 2 Sv gegeven recht op pleidooi komt in de regel niet in strijd met art. 6 EVRM omdat immers van een werkelijke beknotting van het verdedigingsrecht geen sprake is. Evenmin staat, anders dan de raadslieden in feitelijke aanleg aanvoerden, de jurisprudentie van de Hoge Raad aan een dergelijke werkwijze in de weg. Het is inderdaad zo dat alle verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ter terechtzitting moeten zijn voorgedragen, maar het gaat daarbij niet om een krampachtig hoog houden van de oraliteit van de procesvoering. Waar het wel om gaat, is dat op de terechtzitting door de verdediging duidelijkheid moet worden geschapen over de vraag welke verweren zij wenst te voeren en te handhaven. De Hoge Raad heeft er dan ook geen bezwaar tegen als een in eerste aanleg gevoerd verweer met (expliciete) instemming van het Hof als herhaald en ingelast wordt beschouwd.24 Met de fictie dat het verweer in hoger beroep mondeling is voorgedragen, wordt hier dus genoegen genomen. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de Hoge Raad er bezwaren tegen heeft als de pleitnota met instemming van het Hof als in haar geheel voorgedragen wordt beschouwd, ook als dat in feite niet het geval zou zijn.25

4.30.

Voor de duidelijkheid nog dit. Mijn standpunt is niet dat het requisitoir en het pleidooi eenvoudig kunnen worden vervangen door de overlegging van schriftelijke stukken. De raadsman zal in elk geval voldoende gelegenheid moeten krijgen om de kern van hetgeen hij wenst aan te voeren over het voetlicht te brengen.26 Een beperking van de tijdsduur die maakt dat de raadsman wordt belet om de hoofdlijnen van zijn pleidooi voor te dragen, acht ik dus onaanvaardbaar.27 Daarvoor zijn verschillende redenen aan te voeren. De mondelinge voordracht van de verweren maakt in de eerste plaats een ordentelijk debat op de zitting mogelijk. Repliceren en dupliceren is nu eenmaal niet goed mogelijk als men niet weet wat de tegenpartij heeft aangevoerd. In de tweede plaats brengt de eis van openbare gedingvoering mee dat het publiek moet weten waarom het in de strafzaak gaat. Het is daarbij ook een waarborg voor de verdachte dat hij zijn bezwaren tegen de tenlastelegging publiekelijk kan uiten. In de derde plaats kan een mondelinge voordracht van het pleidooi toegevoegde waarde hebben. Dat geldt in het bijzonder als de raadsman een begenadigd spreker is, die los weet te komen van het papier en zo nog eens in andere woorden de aandacht weet te vestigen op de essentiële punten van het betoog.

4.31.

Het laatste maakt duidelijk dat hier ook kansen liggen voor de verdediging. Het pleidooi kan aan kracht winnen als de raadsman zich kan concentreren op de hoofdlijnen van het betoog. Het pleidooi kan ook aan effectiviteit winnen doordat de aandacht van de rechters gemakkelijker kan worden vastgehouden.28 Ik besef uiteraard dat er pleidooien kunnen zijn die geen noemenswaardige kern bevatten en waarvan de lengte enkel lijkt te dienen om dat te verhullen. Een steekhoudend bezwaar tegen een beperking van de spreektijd levert dat echter niet op.

4.32.

Mijn conclusie is dat het middel faalt omdat het berust op de onjuiste opvatting dat het zonder instemming van de verdediging op voorhand beperken van de duur van het pleidooi als zodanig in strijd is met art. 6 EVRM en art. 311 lid 2 Sv.

5 Middel 3

5.1.

Ik houd bij de bespreking van de middelen 2, 3 , 4 en 5 de volgorde aan waarin de feiten waarop die middelen betrekking hebben, zijn tenlastegelegd en bewezenverklaard. Daarom bespreek ik eerst het derde middel, dat klaagt over de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde.

5.2.

Ten laste van verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 14 december 2001 in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, hierin bestaande dat verdachte op meerdere tijdstippen in voormelde periode telkens heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen geldbedragen, ontvangen van [betrokkene 2], terwijl verdachte telkens ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van voormelde geldbedragen wist dat deze door drugshandel waren verkregen;”

5.3.

Het Hof heeft dit feit als gezegd gekwalificeerd als gewoonteheling als bedoeld in art. 417 Sr. Het middel bevat de klacht dat de tenlastelegging niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, omdat art. 261 Sv zou meebrengen dat de feiten waaruit de gewoonte heeft bestaan elk afzonderlijk in de tenlastelegging moeten worden verwerkt. Wat daarvan ook zij, de klacht kan in elk geval niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk beroep op de nietigheid van de tenlastelegging niet met succes voor het eerst in cassatie kan worden gedaan.29

5.4.

Het middel bevat voorts de klacht dat de “gewoonte” niet uit de bewijsmiddelen blijkt. Aan de bewezenverklaring van feit 1 liggen de bewijsmiddelen 1 tot en met 14 ten grondslag, zo blijkt uit de aanvulling op het verkort arrest van het Hof.30 Voor de beoordeling van de klacht zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang:

“1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de periode van de ten laste gelegde feiten was ik directeur van [A] BV en [B]. Ik ben altijd directeur geweest, ook van de fiscale eenheid. Ik had de leiding binnen de onderneming. Ik gaf instructies aan het personeel.

2. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 22 mei 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Contante betalingen waren geen uitzondering. In die tijd werd er voor vier à vijf miljoen contante betalingen per jaar gedaan. Wij pakten dat geld aan, we brengen het naar de bank en we verantwoorden het in de administratie.

(…)

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Doos 3, persoonsdossier [betrokkene 1], twintigste verhoor, pagina 012101 e.v.), voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

[betrokkene 2] is een jarenlange relatie van [verdachte]. Dat weet ik uit de boekhouding. Ik weet van [betrokkene 2] dat hij op papier iets met paarden doet, maar dat hij zich in werkelijkheid ophoudt in het criminele circuit. Ik kwam er via justitie achter dat [betrokkene 2] vastzat voor de handel in verdovende middelen. Ik heb hier met [verdachte] over gesproken. Hij nam dit voor kennisgeving aan en daar bleef het bij. Van justitie kwam het verzoek om informatie te verstrekken over een aantal auto’s dat in gebruik was geweest door [betrokkene 2]. Ik heb toen de financiële administratie geraadpleegd en alle stukken daar bij gezocht. Vervolgens ben ik met deze informatie naar [verdachte] gegaan. Ik heb vervolgens de documenten samengesteld. [verdachte] wilde in eerste instantie niet de financiële rapportage er bij voegen. Hij wilde dit liever niet omdat dan het verhaal van de borgsommen wel eens duidelijk zou kunnen worden. Dan werd namelijk ook duidelijk dat de auto's verkocht waren in tegenstelling tot wat op de briefwisseling staat vermeld namelijk huur. [betrokkene 2] kon de auto’s niet verantwoorden en daarom werd het op deze wijze afgedaan. Ik heb nooit verhuurcontracten gezien. [betrokkene 2] was de klant van [verdachte] en hij was volledig op de hoogte van wie [betrokkene 2] was en hoe hij zijn geld verdiende. Overal waar in de stukken over huur werd gesproken, is het koop.

(…)

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (Doos 1, zakendossier [betrokkene 2] 1, pagina 001335 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:

In 1997 ben ik begonnen met de in- en verkoop van Skunk (het hof begrijpt: hennep). Dit is in de loop der jaren uitgegroeid tot een goede zaak. Ik verdiende hier veel geld mee. Ik verdiende op een gegeven moment zoveel geld met de handel in Skunk dat ik dat geld wat ik had niet meer kon verantwoorden. Ik kon dus goed rondkomen en ik had geld over om dure auto's te kopen. In 1999 kwam ik in het gedrang doordat ik te weinig legaal geld had maar wel genoeg illegaal geld. Ik ben al sinds 1988 klant bij [verdachte]. In 1999 raakte het witte geld op. Ik wilde toch auto's blijven kopen en rijden zodat ik op dat moment mijn zwarte geld ging uitgeven. Dat zwarte geld had ik verdiend met de handel in softdrugs. Ik kocht dus vanaf 1999 de auto's bij Auto [verdachte] BV met mijn zwarte geld, afkomstig van de handel in softdrugs. [verdachte] was op de hoogte van het feit dat ik in softdrugs handelde. Ik heb hem dit namelijk zelf verteld. Op 5 januari 1998 ben ik aangehouden voor het in bezit hebben van 550 kilogram THC bevattende producten. Ik reed toen in een Mercedes CL500 op naam van [verdachte]. Die auto werd in beslag genomen door de politie en deze werd later door [verdachte] bij de politie opgehaald. Zodoende wist hij waar ik mij mee bezig hield. De bedragen die ik contant betaalde varieerden van 20.000 tot 100.000 gulden. Nadat Hans Huuskes in 1997 overleed, deed ik zaken met [verdachte] zelf. Ik betaalde de bedragen voor de aankoop van de auto's aan [verdachte]. [verdachte] kwam met het voorstel om op zijn naam te gaan rijden. Ik kon de nieuwe auto die ik wilde kopen niet verantwoorden en ik had nog geld van hem van een Ferrari die op zijn privénaam stond. We spraken toen af dat ik op zijn naam zou gaan rijden. Met op zijn naam rijden, bedoel ik rijden op [A] BV. Ik bleef op zijn naam rijden. [verdachte] accepteerde dat ik langer op zijn naam reed, maar daar moest hij geld voor hebben. Ik betaalde 15.000 per jaar per auto voor het op naam rijden en daar bovenop een bedrag voor de verzekering, belasting en boetes. Ik wilde niet opvallen bij de politie. Daarom ging ik naar [A] BV om een auto om zijn naam te laten zetten. Op deze wijze kon ik voorkomen dat politie en justitie mij eerder zouden traceren en op deze wijze kon ik ook de eventuele inbeslagname van deze bemoeilijken dan wel onmogelijk maken. Voor de buitenwereld leek het of de auto van [verdachte] was maar in werkelijkheid was het mijn eigendom. Als ik na 1999 een auto bij [verdachte] kocht dan werd deze contant betaald. De auto werd op naam gezet van [A] BV. Hiervoor betaalde ik dan 15.000 gulden. Hiernaast betaalde ik geld voor de verzekering en voor de belasting en de bekeuringen. [verdachte] houdt alles bij in zijn computer, lk heb nooit iets ondertekend. [verdachte] en ik hadden afgesproken dat als er wat aan de hand zou zijn dat ik dan altijd nog een contract zou kunnen ondertekenen. Met aan de hand bedoel ik dat de politie vragen zou gaan stellen. Om eventueel later een contract op te maken, heb ik mijn handtekening op blanco formulieren gezet. [verdachte] had door middel van een kruisje op het papier aangegeven waar ik mijn handtekening moest plaatsen. Ik heb in totaal zo'n 20 vellen getekend. Hij stopte die in zijn map in zijn kantoor. Mijn ex-vrouw, [betrokkene 3], heeft ook blanco formulieren getekend bij [verdachte]. Ik heb alleen bij hem auto's gekocht. Ik heb nooit een auto gehuurd.

14. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verhaal van verhoor (Doos 1, zakendossier [betrokkene 2] 1, pagina 001090 e.V.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:

In 1999 heb ik een Mercedes 600SL ingeruild tegen een Porsche Carrera. Voor deze Porsche moest ik 330.000 gulden betalen. Ik heb 180.000 gulden contant in termijnen bijbetaald. Dit geld heb ik overhandigd aan [verdachte]. Ik gaf aan dat ik het geld niet kon verantwoorden. [verdachte] gaf aan mij aan dat dat geen probleem was en stelde voor om op zijn naam te rijden. In juni 2000 heb ik wederom een Porsche bij [verdachte] afgenomen. Naast de Porsche heb ik samen met een andere persoon een Mercedes E55 van [verdachte] gekocht. Hiervoor hebben wij 225.000 gulden contant betaald. Deze heb ik op 2 februari 2000 ingeruild voor een Mercedes S55 AMC Ik heb voor deze auto 450.000 gulden betaald. Voor de aankoop van de laatste twee Porsches en de twee Mercedessen heb ik aan contant geld (bij)betaald: Mercedes E55 225.000 gulden

Mercedes AMG 275.000 gulden

Porsche XS 180.000 gulden

Porsche 74 FP 50.000 gulden.

Totaal heb ik 730.000 gulden in de jaren 1999/2000 aan [verdachte] betaald. Ik heb nooit auto's gehuurd van [verdachte]. Het geld voor de Mercedessen is betaald uit de handel in softdrugs. Het geld voor de Porsches heb ik uit mijn eigen middelen betaald die ik ook niet legaal kan verantwoorden.”

5.5.

Kan hieruit – zoals het Hof heeft geoordeeld - worden afgeleid dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van opzetheling? Het middel neemt bij de beantwoording van die vraag (enkel) Scholtens aankoop van de twee Porsches en twee Mercedessen onder de loep en leidt uit de laatste zinnen van bewijsmiddel 14 af dat de Porsches niet zijn betaald van geld afkomstig uit de handel in drugs. En – zo concludeert de steller van het middel – het in een periode van bijna drie jaar tweemaal aannemen van een geldbedrag, waarvan de verdachte wist dat die geldbedragen door drugshandel waren verkregen, levert nog geen gewoonte van het plegen van opzetheling op.

5.6.

Het middel faalt reeds omdat het eraan voorbijziet dat het Hof heeft bewezenverklaard dat de geldbedragen door de drugshandel zijn verkregen, terwijl [betrokkene 2] met betrekking tot de Mercedessen spreekt van de handel in softdrugs. Zo in zijn verklaring al een tegenstelling moet worden gelezen in die zin dat het geld waarmee de Porsches zijn betaald niet afkomstig was uit de handel in softdrugs, volgt daar niet uit dat dat geld niet met de drugshandel was verdiend. Daar komt bij dat maar de vraag is of sprake is van een tegenstelling. Dat de Porsches “ook” niet legaal zijn te verantwoorden, sluit immers niet uit dat die Porsches “ook” met de handel in softdrugs zijn verdiend. De Porsche Carrera is, zo blijkt uit bewijsmiddel 14, in 1999 door [betrokkene 2] aangeschaft, terwijl uit de als bewijsmiddel 13 gebezigde verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat diens witte geld in 1999 opraakte en dat hij “op dat moment” zijn zwarte geld “afkomstig van de handel in softdrugs” is gaan uitgeven aan auto’s van [verdachte]. Gelet hierop heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in het slot van bewijsmiddel 14 geen tegenstelling gelezen.31 De klacht, die op een andere lezing van ’s Hofs arrest berust, faalt dus ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5.7.

Ook om andere reden mist de klacht feitelijke grondslag. Uit bewijsmiddel 14 blijkt dat [betrokkene 2] de 180.000 gulden die hij voor de Porsche Carrera moest bijbetalen, in termijnen heeft betaald. Het aantal keren dat verdachte zwart geld van [betrokkene 2] heeft aangenomen, is dus meer dan vier keer geweest. Ik laat daarbij nog buiten beschouwing dat [betrokkene 2] – zoals uit bewijsmiddel 13 lijkt te volgen – naast de koopsom nog apart 15.000 gulden per jaar per auto betaalde voor het rijden op naam van [verdachte] BV en tevens geld betaalde voor de verzekering, de belasting en de bekeuringen.

5.8.

Het middel klaagt ten slotte over het bewijs van het opzet. Dat het zwarte geld afkomstig was uit de handel in softdrugs en verdachte dit wist, volgt echter zonder meer uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1].32 Uit de verklaring van [betrokkene 2] kan worden afgeleid dat verdachte al sinds begin 1998 wist dat [betrokkene 2] in de drugshandel zat. Sterker nog, verdachte heeft er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat [betrokkene 2] buiten het zicht van de politie bleef. Zo liet verdachte de auto’s die [betrokkene 2] bij hem kocht steeds op zijn – verdachtes – naam zetten, om te voorkomen dat de politie [betrokkene 2] zou traceren. Ook deze klacht faalt derhalve.

5.9.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6 Middel 2

6.1.

Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het Hof van een verzoek dat de verdediging had gedaan. Het betreft het verzoek tot inzage in bepaalde bestanden, te weten de zogenaamde “Encase-bestanden”.

6.2.

De verdachte heeft ter zitting van 22 mei 2013 in hoger beroep een aantal keer gerefereerd aan het zogenaamde “Encaserapport”. Zo verklaarde hij:

“Ik heb vaak gevraagd om het Encaserapport. Dat wilden ze mij niet geven. Ik wilde aantonen dat de politie wel de informatie uit mijn computer had, waaruit bleek dat er sprake was van huurkoopovereenkomsten.’33

en even later:

“Wij moesten de eigendom aantonen van de auto’s die onder [betrokkene 4] in beslag waren genomen. De politie wilde die auto’s niet teruggeven op basis van de huurcontracten. De politie wilde ook het Encase-rapport niet geven. Vervolgens hebben wij Deloitte en Touche gevraagd onderzoek te doen. Als er door mij gerommeld zou zijn met de administratie, dan zouden de auto’s niet zijn teruggegeven. Ik wilde met Encase op dezelfde manier als de politie gegevens uitdraaien en er op wijzen dat daarbij ook gegevens van de auto’s van [betrokkene 4] voorkwamen.”34

6.3.

Uit de aan het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013 gehechte pleitnotities blijkt dat mrs. R.F. Speijdel en R. de Bree – ten aanzien van de feiten 2I, 2J en 2K - het volgende naar voren hebben gebracht:35

2I/J/K: [betrokkene 4], huurovereenkomsten 21 maart 2000, 1 juli 1999, 3 januari 2000

VERWIJT

229. Het verwijt dat ten aanzien van deze overeenkomsten gemaakt wordt, is dat het gaat om valse documenten omdat een huurovereenkomst zou zijn gesuggereerd terwijl feitelijk sprake was van koop/verkoop.

VONNIS

230. De rechtbank is gekomen tot bewezenverklaring van de verwijten.

231. De rechtbank heeft de overeenkomsten tot het bewijs gebezigd, alsook onderdelen uit het proces-verbaal [betrokkene 4]. Daarin is onder meer gerelateerd over het kader van een doorzoeking in een onderzoek naar [betrokkene 4] bij [A] op 9 november 2000 in beslag genomen administratie en gegevens. Daarin wordt gerelateerd over berekeningen die met het programma Encase naar voren zijn gehaald uit de computergegevens en waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van koop. Dat zou dan moeten worden afgeleid uit berekeningen. De tekst van die gegevens luidt onder meer dat het gaat om huurkoop. Ook wordt daarin aangehaald de verklaring van [betrokkene 1], die de stelling betrekt dat sprake is van koop. Tevens wordt tot bewijs gebezigd het proces-verbaal uit het project Forba, een onderzoek ziend op [betrokkene 4], waarin wordt gerelateerd over de - kortweg - Encase-bevindingen. Tevens wordt gebezigd een verklaring van [betrokkene 1] over blanco brieven ondertekend door [betrokkene 4], alsmede een verklaring van [betrokkene 4] voor zover inhoudend dat hij in de betreffende auto's heeft gereden; hij niet ƒ 17.752,- heeft betaald; er in de Encase-bestanden wordt gesproken over auto's waarvan hij het bestaan niet eens wist; hij wel eens in verband met de reparaties blanco formulieren heeft getekend; hij de betreffende formulieren van de leaseovereenkomsten heeft ondertekend.

ANALYSE VAN HET BEWIJS

(…)

239. Ten aanzien van de Encase-documentatie is nog het volgende op te merken. Reeds in een vroeg stadium van deze zaak, die inmiddels uiteraard al 11 jaar beloopt, is door de verdediging verzocht alle Encase-documentatie te verkrijgen. De reden daarvan is eenvoudig, aan de Encase-gegevens en het relaas dat daarover te vinden valt in het dossier is weinig touw vast te knopen. De Encase bestanden bevatten vaak fragmenten van teruggehaalde bestanden die dan vervolgens ook nog niet op de juiste plaats staan; deze teruggehaalde documenten bevatten veelal niet een juist beeld van de werkelijkheid. Daarbij komt nog dat het voor een deel gaat om bestanden die kennelijk gewist waren uit de computer; bestanden die onder meer klad bestanden waren en derhalve niet zagen op reële situaties. Tot op heden is aan dat verzoek geen gehoor gegeven. Dat prangt omdat slechts met het gehele beeld van de Encase-documenten verweer kan worden gevoerd tegen onderdelen die ten laste worden ingebracht. De betrouwbaarheid van de huidige gegevens en het verbaal daarover, wordt door de verdediging betwist. Teneinde die gegevens te kunnen aanvechten is het noodzakelijk inzage te verkrijgen in het geheel van de Encase-bestanden. Als uw hof zou overgaan tot het bezigen van de Encase-bestanden als bewijs, verzoekt de verdediging derhalve toegang te krijgen tot alle Encase-bestanden teneinde het betrouwbaarheidsverweer nader te kunnen onderbouwen.

CONCLUSIE

240. De huurovereenkomsten met [betrokkene 4] zijn dienovereenkomstig in de administratie van [A] verwerkt. Dat de auto's in werkelijkheid aan [betrokkene 4] zouden zijn verkocht is een stelling die niet bewezen wordt. De betrokkenen zijn er duidelijk over dat het huur betrof en er is geen wettig en overtuigend bewijs dat het niet om huur zou gaan. Dat deze constructie [betrokkene 4] uitkwam moge zo zijn, het is niet een gegeven dat leidt tot berispelijke wetenschap bij [verdachte]. Dat dergelijke wetenschap aanwezig zou zijn geweest, is niet wettig en overtuigend bewezen.

241. Het verweer strekt tot vrijspraak.”

6.4.

Op het voorwaardelijke verzoek tot inzage in de Encase-bestanden heeft het Hof in het bestreden arrest als volgt gereageerd:

Ten aanzien van de feiten 2I, 2J en 2K

De verdediging heeft verzocht om toegang te krijgen tot alle Encase-bestanden. Het hof gebruikt deze bestanden niet voor het bewijs. Het toegang krijgen tot deze bestanden acht het hof derhalve niet noodzakelijk. Het hof verwerpt het verzoek.”

6.5.

Het middel klaagt dat dit oordeel om twee redenen onbegrijpelijk is. De eerste reden is dat het Hof – aldus de steller van het middel - “een deel van de Encase-informatie” wél voor het bewijs heeft gebruikt. De tweede reden is dat het Hof “in het geheel geen blijk heeft gegeven van enige inhoudelijke beoordeling” van het gedane verzoek, hetgeen gelet op het belang van de verdediging wel zou hebben gemoeten.

6.6.

Indien de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht, brengen de beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat de verdediging in beginsel ook de kennisneming van voor de beoordeling daarvan van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten niet mag worden onthouden.36 In het onderhavige geval heeft de verdediging verzocht om inzage in de informatie die met behulp van het EnCase programma is ontsloten om de betrouwbaarheid daarvan te beoordelen. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat het – aldus het Hof – de EnCase-bestanden niet voor het bewijs zou gebruiken.

6.7.

Ik begin met de tweede klacht van het middel. Het Hof is kennelijk bij de beoordeling van het verzoek uitgegaan van het belang van de verdediging zoals dat door de raadsman zelf is verwoord bij de onderbouwing van het gedane verzoek. Mede gelet op het feit dat de raadsman het verzoek voorwaardelijk deed voor het geval het Hof de EnCase-informatie voor het bewijs zou gebruiken, heeft het Hof kunnen oordelen dat de verdediging honorering van het verzoek alleen noodzakelijk achtte voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en relevantie van de EnCase-informatie en dus niet voor de beoordeling van het andere bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevond. Gelet daarop is geenszins onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat inzage in de EnCase-bestanden niet “noodzakelijk” is als de informatie uit die bestanden niet voor het bewijs wordt gebruikt. Dat het Hof geen oog heeft gehad voor het verdedigingsbelang mist daarbij feitelijke grondslag.

6.8.

Dan nu de tweede klacht. Die wordt onderbouwd door een verwijzing naar een passage uit het op p. 9 van de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddel 22. Dit bewijsmiddel luidt in zijn geheel als volgt:

“Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (Doos 1, zakendossier [betrokkene 4], pagina 004061 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

In een archiefruimte van het kantoor van [verdachte] werd aangetroffen een plastic mapje betreffende de Mercedes CLK200. Achter het huurcontract bevond zich een A4blad, waarop stond:

CLK 200 117.752

Inruil BMW 100.000

Bij betalen 17.752 nog te betalen door […]

Op de harde schijf werd eveneens een huurcontract aangetroffen inzake BMW 540i. Onder dit huurcontract staat de volgende berekening:

Sed 109.000

540 -145.000

Retour 36.000

Betaald 11.000

Restant 25.000

Ook het huurcontract met betrekking tot een BMW 540i sedan (kenteken [AA-00-BB]) is in de administratie aangetroffen.”

De in het middel bedoelde passage heeft betrekking op de op de harde schijf aangetroffen berekening onder een huurcontract “inzake BMW 540i”.

6.9.

Een blik achter de papieren muur leert dat deze aan de harde schijf ontleende informatie is ontsloten met behulp van het programma “EnCase”.37 De bedoelde passage is terug te vinden op p. 004067 van het zakendossier [betrokkene 4]. Dit politiedossier behoort tot de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden stukken. Bovenaan p. 004067 (voorafgaand aan onder meer de voor het bewijs gebruikte berekening) staat:

Inbeslaggenomen computergegevens

De gegevens van de harde schijf van de computer van [A] werden door een rechercheur van het Bureau Digitale & Analoge Techniek (DAT) van het KTR veilig gesteld. De informatie op de harde schijf werd door mij, verbalisant Kooijker, onderzocht met behulp van het programma EnCase en de relevante gevonden bestanden c.q. fragmenten werden door mij in een rapport opgenomen en vastgelegd. Een proces-verbaal van Bureau DAT en genoemd rapport worden bij dit proces-verbaal gevoegd.”

Bij de bedoelde passage staat vermeld: “ingescand tekstfragment afkomstig uit het EnCase Report, blz. 4”.

6.10.

Het lijdt dus geen twijfel dat een deel van bewijsmiddel 22 wél is ontleend aan het “EnCase Report”. Het middel wijst daar terecht op. De vraag is echter waartoe deze constatering moet leiden. Ik stel bij de beantwoording van die vraag voorop dat het belang van de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak wordt bepaald door het belang dat door de verdediging aan het gedane verzoek ten grondslag is gelegd. Dat belang is zoals onder 6.7 is uiteengezet, gelegen in de beoordeling van de informatie uit het EnCase Report indien die informatie voor het bewijs zou worden gebruikt. Dat betekent dat de verdachte alleen belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover die uitspraak op de aan het EnCase report ontleende informatie steunt.

6.11.

Het Hof heeft bewijsmiddel 22 blijkens het daarvoor geplaatste tussenkopje “in het bijzonder ten aanzien van de feiten 2I, 2J, 2K, 3 en 4” gebezigd. Ik zal eerst bezien of en zo ja welke consequenties het geconstateerde gebrek heeft voor de feiten 2I, 2J en 2K, waarop het door de verdediging gedane verzoek betrekking had. Daartoe geef ik voor een goed begrip weer wat onder 2 bewezen is verklaard:

“[A] BV op tijdstippen in de periode 1 januari 1999 tot en met 1 maart 2002 in Nederland, documenten te weten:

H: Leasecontract d.d. 31 augustus 2000 tussen [C] en [A] (p. 005251 jo Fiod verbaal 1/AH/O1)

I: Huurovereenkomst gedateerd 21 maart 2000 (Dossier [betrokkene 4], p. 004054)

J: Huurovereenkomst gedateerd 1 juli 1999 (Dossier [betrokkene 4], p. 004055)

K: Huurovereenkomst d.d. 3 januari 2000 (Dossier [betrokkene 4], p. 004056)

L: Orderbevestiging d.d. 14-12-2001 (Dossier [betrokkene 5], p. 8078)

M: Leasecontract d.d. 22 januari 2001 tussen [betrokkene 6] en [A] B.V. (05261)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid

H: te doen voorkomen dat de overeenkomst op of na 31 augustus 2000 ondertekend is, terwijl de handtekening van mevrouw [C] geplaatst is voorafgaand aan de overeenkomst.

I: een huurovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop

J: een huurovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop

K: een huurovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop

L: een transactie te vermelden die niet heeft plaatsgevonden

M: een leaseovereenkomst te suggereren terwijl er feitelijk sprake was van koop/verkoop, althans van een andere rechtsverhouding

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;”

De drie huurovereenkomsten uit het “Dossier [betrokkene 4]” waarop de feiten 2I, 2J en 2K betrekking hebben, vertonen samenhang. Het gaat blijkens de bewijsmiddelen 19, 20 en 21 om drie huurovereenkomsten gesloten door [betrokkene 4] met [A]. Uit deze bewijsmiddelen blijkt voorts dat deze overeenkomsten, hierna in chronologische volgorde weergegeven, betrekking hebben op drie verschillende auto’s.

- huurovereenkomst d.d. 1 juli 1999 (feit 2J; bewijsmiddel 20): BMW 540i Touring, cataloguswaarde 210.000 gulden, huurprijs 2.836,58 per maand, ingangsdatum 1 juli 1999, huurperiode 12 maanden;

- huurovereenkomst d.d. 3 januari 2000 (feit 2K, bewijsmiddel 21): BMW540i, kenteken [AA-00-BB], cataloguswaarde 210.000 gulden, huurprijs 2.836,58 per maand, ingangsdatum 1 juli 1999, huurperiode 6 maanden;

- huurovereenkomst d.d. 21 maart 2000 (feit 2I, bewijsmiddel 19): Mercedes CLK200, kenteken [CC-00-DD], cataloguswaarde 127.500 gulden, huurprijs 2.836,58 per maand, ingangsdatum 1 januari 2000, huurperiode 6 maanden.

De beide eerste huurovereenkomsten lijken betrekking te hebben op dezelfde auto, maar dat is blijkens het slot van bewijsmiddel 22 niet het geval. De auto met kentekennummer [AA-00-BB] is niet een BMW 540i Touring, maar een BMW 540i Sedan.

6.12.

Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de in bewijsmiddel 22 weergegeven berekeningen betrekking hebben op de drie hiervoor genoemde auto’s. Duidelijk is dat die berekeningen niet te rijmen zijn met de inhoud van de huurcontracten, zodat die berekeningen steun bieden aan de stelling dat die contracten vals zijn en dat in feite sprake was van verkoop. Het Hof heeft zich daarbij niet aan een nadere duiding van die berekeningen gewaagd. Ik vermoed, mede gelet op de chronologische volgorde van de verschillende transacties, dat [betrokkene 4] de in juli 1999 aangeschafte BMW 540i Touring in januari 2000 heeft ingeruild voor de BMW540i Sedan. Aangezien de Sedan 109.000 gulden moest kosten, en de Touring nog een restwaarde had van 145.000 gulden, kreeg [betrokkene 4] 36.000 gulden terug. In maart 2000 werd de BMW540i Sedan, die toen nog een restwaarde van 100.000 gulden had, ingeruild voor de Mercedes CLK200. Aangezien die meer kostte, moest [betrokkene 4] hier nog 17.752 bijbetalen. Of dit vermoeden juist is, kan in het midden blijven. Het Hof heeft zich begrijpelijk genoeg niet aan speculaties gewaagd. Waar het om gaat, is dat de berekeningen hoe dan ook steun bieden aan de bewezenverklaring die inhoudt dat in feite sprake was van koop en verkoop.

6.13.

Ik merk op dat de in het cassatiemiddel gewraakte passage uit bewijsmiddel 22 alleen betrekking heeft op de beide BMW’s en dus niet op de Mercedes CLK200. Dat betekent dat de bewezenverklaring van feit 2I niet op die passage steunt. Daarop berusten dus alleen de feiten 2J en 2K. Dat zijn twee van de in totaal zes onder 2 bewezenverklaarde gevallen van valsheid in geschrift.

6.14.

Niet onbelangrijk is voorts dat het bij de gewraakte passage om steunbewijs gaat. Het bewijs van feit 2 berust ook op de bewijsmiddelen 1 t/m 12, waarvan een deel reeds is weergegeven bij de bespreking van het derde middel. In bewijsmiddel 11 gebruikt [betrokkene 1], de administrateur van [verdachte] Auto’s BV, “mevrouw [C]”(feit 2H) als “voorbeeld” om de gang van zaken binnen het bedrijf uit te leggen. Na gesteld te hebben dat het desbetreffende huurcontract “fake” was (“het is gewoon een kooptransactie”), verklaart [betrokkene 1]:

“[verdachte] handelde op deze manier, omdat zijn klanten de auto’s niet konden verantwoorden. Feitelijk was [verdachte] de administrateur en was ik slechts degene die registreerde en uitvoerde in zijn opdracht. De klanten waar het bij het toepassen van deze constructie om gaat zijn: [C], [betrokkene 6], [betrokkene 2]/[betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 2]. Daar waar operational leasenota’s of huurnota’s worden opgemaakt, kunt u er vanuit gaan dat er auto’s zijn verkocht.

De verklaring van [betrokkene 1] dat het bij alle huurovereenkomsten die met [betrokkene 4] zouden zijn gesloten in feite om een transactie van koop en verkoop gaat, vindt steun in bewijsmiddel 22. Dat zou ook het geval zijn als de gewraakte passage daaruit zou zijn weggelaten. Dat de verklaring in één geval blijkt te kloppen, vergroot immers de betrouwbaarheid van de gehele verklaring.

6.15.

Maar er is meer. De eerste berekening die in bewijsmiddel 22 wordt weergegeven, stond blijkens dat bewijsmiddel op een A4-blad dat zich bevond achter het in een plastic mapje aangetroffen huurcontract met betrekking tot de Mercedes CLK200. Een blik achter de papieren muur leert dat dit onderdeel van bewijsmiddel 22 is terug te voeren op p. 004065 van het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen (alwaar verslag wordt gedaan van het aantreffen en de inbeslagneming van onder meer een hangmap met de naam “[betrokkene 4]” waarin zich vier plastic hoesjes met stukken bevonden) en de volgende passage op p. 004066 van dat proces-verbaal:

“In het plastic mapje betreffende de MERCEDES CLK 200 zat achter het huurcontract:

- (…)

- een A-4 blad, waarop een berekening stond. Deze berekening wordt hieronder (ingescand) weergegeven.

540 sed 109000

540 com -145000

retour 36000 betaald

clk 200 117.752

inruil bmw 100.000

bij te betalen 17.752 nog te betalen door [betrokkene 4]”

Uit het voorgaande blijkt dat de berekening die in bewijsmiddel 22 aan het EnCase-rapport is ontleend, in essentie ook voorkomt op het A4-blad waaraan in bewijsmiddel 22 de eerste berekening is ontleend. Het is dan ook een beetje een raadsel waarom het Hof het EnCase-rapport heeft gebruikt en niet eenvoudig de gehele berekening zoals die op het A4-blad was te vinden. Mogelijk is sprake van een vergissing bij het uitwerken van het arrest. In elk geval geldt dat het belang van de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak op grond van de gesignaleerde tekortkoming uiterst beperkt is. Het gedane verzoek had immers geen betrekking op de in de administratie aangetroffen gegevens. Als het Hof, in plaats van de berekening die op de harde schijf stond, gebruik had gemaakt van de gehele berekening op het A4-blad, had de verdachte niets te klagen gehad.

6.16.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte eveneens onvoldoende belang heeft bij vernietiging van de betreden uitspraak ten aanzien van de feiten 3 en 4. De bewijsvoering ten aanzien van die feiten bouwt voort op onder meer de bewezenverklaring onder 2 van de zes gevallen van valsheid in geschrifte. Het is alleen daarom waarop het Hof bewijsmiddel 22 ook voor de feiten 3 en 4 heeft gebezigd.

6.17.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

7 Middel 4

7.1.

Het vierde middel klaagt over de motivering van het onder 3 bewezenverklaarde.

7.2.

Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:

“De fiscale eenheid [D] c.s. in de periode 1 januari 2000 tot en met 1 maart 2002 in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers werden boekingstukken buiten de boekhouding gelaten en werden boekingen bijgehouden in een schaduwboekhouding aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;”

Ik merk hier op dat onder feit 3 ook ten laste was gelegd dat valse facturen in de boekhouding waren opgenomen, maar daarvan heeft het Hof de verdachte vrijgesproken.38

7.3.

Ter zitting van 22 mei 2013 hebben de raadslieden van verdachte blijkens hun aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitaantekeningen ten aanzien van feit 3 primair bepleit dat de tenlastelegging nietig is. Over de verwerping van dat verweer klaagt het middel niet. Het middel klaagt evenmin over de verwerping van het verweer op een fiscale eenheid geen administratieplicht rust. Voor de beoordeling van het middel zijn daarom alleen de volgende onderdelen van de pleitaantekeningen van belang.39

FEIT 3, FISCALE ADMINISTRATIEPLICHT

(…)

A. Boekingstukken buiten de boekhouding gelaten

267. [verdachte] is van oordeel dat alle relevante stukken in de administratie waren opgenomen. Uit het dossier komt naar voren dat de verbalisanten selectief hebben geput uit de administratie van de ondernemingen van [verdachte]. Zoals bij de bespreking van feit 2 een aantal malen aan de orde is gekomen, komt het niet zelden voor dat een verwijt met betrekking tot een factuur lijkt te zijn gebaseerd op de omstandigheid dat aanvankelijk niet alle (correctie)facturen in het strafdossier waren opgenomen.

268. Wat daar ook van zij uit het reeds aangehaalde rapport van Schaap volgt dat de correcte facturen waren verwerkt in het boekhoudprogramma Exact. Vanzelfsprekend bestaat er geen plicht om onjuiste facturen als zodanig te verwerken. Dat laat overigens onverlet dat er wel een plicht kan bestaan die facturen te bewaren.

B. Boekingen werden bijgehouden in een ‘schaduwboekhouding’

269. In de eerste plaats zij erop gewezen dat [verdachte] betwist dat er sprake was van een schaduwboekhouding. Zoals reeds toegelicht, betrof het deels kopieën uit de financiële administratie (diskettes) en deels documenten die niet buiten de administratie zijn gehouden.

270. De term 'schaduw' dekt de lading dan ook niet. In de eerste plaats omdat, zoals de verdediging al aangaf, de stukken uit de administratie waren verwerkt in het boekhoudprogramma Exact.

271. De administratieplicht staat er niet aan in de weg dat er vrijheid bestaat om die administratie op verschillende locaties te bewaren. Het komt in de praktijk ook veelvuldig voor dat een gedeelte van de administratie zich bij een derde (bijvoorbeeld een belastingadviseur of accountant) bevindt. Dat mag ook zolang de administratie maar zodanig is ingericht en de gegevensdragers zodanig worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.

272. Op de administratieplichtige rust in dat kader de plicht om de benodigde medewerking te verlenen met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie. Die medewerking is evenwel nooit gevraagd. De administratie is niet ter inzage gevraagd door de Inspecteur maar is tijdens een doorzoeking gevonden.

273. Dat de administratie deels was opgeslagen op een onconventionele locatie maakt derhalve niet dat er strijdigheid bestaat met de verplichtingen ingevolge artikel 52 AWR. Tot de administratie behoren immers alle stukken tot de administratie waar deze zich ook bevinden. In die zin vormen de reguliere administratie en de plafondadministratie tezamen de administratie in de zin van artikel 52 AWR. Indien deze twee administraties gezamenlijk als compleet/voldoende moeten worden beschouwd is daarmee niet in strijd met artikel 52 AWR gehandeld.”

7.4.

De bewezenverklaring steunt op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen 1 t/m 24. Van belang is voorts de volgende overweging uit het verkorte arrest:

“Ten slotte oordeelt het hof, dat de wonderlijke plekken waar delen van de administratie zijn aangetroffen, ook bevestiging vormen voor de stelselmatige valsheden die onder regie van verdachte in de administratie zijn aangebracht. [betrokkene 1] verklaart hierover, dat er twee verborgen bergplaatsen waren; in het magazijn achter plafondplaten, en boven de WC van verdachte (waarvoor een PVC-pijp moest worden verwijderd). Bij de tweede huiszoeking is, nadat hierover was verklaard, ook de tweede bergplaats - leeg overigens – aangetroffen. In de bergplaats boven de WC werden datadragers bewaard inzake een aantal bijzondere klanten, waaronder [betrokkene 2] en [C]. Een dergelijke wijze van bewaren van documenten, waarbij men op de bril van de WC moet gaan staan, en een PVC-pijp verwijderen om erbij te komen, is zo ongebruikelijk, dat het hof ervan overtuigd is, dat hier belastende gegevens werden verborgen.”

Met betrekking tot feit 3 bevat het arrest voorts nog een overweging die, voor zover hier van belang, luidt:

“Aan de stelling, dat uit de verklaring van de deskundige Schaap blijkt, dat “de correcte facturen waren verwerkt in het boekhoudprogramma Exact” gaat het hof voorbij; diens onderzoek kon slechts vaststellen, òf bepaalde facturen op boekhoudkundig juiste wijze zijn ingeboekt, maar of die facturen werkelijkheidswaarde hadden en een juiste weergave vormden van de onderliggende rechtshandelingen, kon Schaap niet vaststellen. Het hof komt tot het oordeel, dat het daaraan ernstig schortte.”

7.5.

Op grond van art. 69 lid 1 AWR jo. art. 68 lid 1 onderdeel d AWR is “degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen” wegens misdrijf strafbaar als hij die administratie opzettelijk niet voert, indien dat feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Voor de vraag wat de bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen zijn, is art. 52 lid 1 AWR bepalend. Dat artikel luidt en luidde destijds:

"Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken."

7.6.

Het middel betoogt allereerst onder verwijzing naar het ter terechtzitting gevoerde verweer dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer is af te leiden dat boekingsstukken buiten de boekhouding werden gelaten en dat boekingen werden bijgehouden in een schaduwboekhouding. Deze klacht faalt. Uit in het bijzonder bewijsmiddel 7, voor zover inhoudende de verklaring van administrateur [betrokkene 1] dat verdachte hem “opdracht [heeft] gegeven om alle huurkoopconstructies op een schijfje te zetten en de gegevens in onze administratie te verwijderen” heeft het Hof kunnen afleiden dat boekingsstukken buiten de administratie werden gelaten. Anders dan het middel wil, doet daaraan niet af dat het Hof als bewijsmiddel 3 de verklaring van de verdachte heeft gebruikt, inhoudende onder meer dat “wij” al het contante geld aanpakken en verantwoorden in de administratie. Daarmee is immers niet gezegd dat het geld op zodanige wijze werd verantwoord dat de rechten en verplichtingen alsmede de overige voor de belastingheffing relevante gegevens van de beide bedoelde B.V’s uit de gevoerde administratie duidelijk bleken. Het verweer dat geen sprake was van een schaduwboekhouding maar van een op een aparte locatie bewaard onderdeel van de administratie, vindt zijn weerlegging in de geenszins onbegrijpelijke, onder 7.4 weergegeven bewijsoverweging.

7.7.

Het middel klaagt voorts dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het niet voeren van een administratie ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Ik stel voorop dat ten aanzien van feit 3, anders dan ten aanzien van feit 4, op dit punt geen verweer is gevoerd, zodat het Hof zijn oordeel daarover niet nader hoefde te motiveren. Ik merk voorts op dat de middelen niet klagen over de verwerping door het Hof van het ten aanzien van feit 4 gevoerde verweer. Ik volsta daarom met opmerking dat het oordeel van het Hof dat per tenlastegelegde belastingaangifte bezien moet worden of is voldaan aan het strekkingsvereiste (zodat niet van belang is of over de gehele tenlastegelegde periode te weinig belasting werd geheven), niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.40 Gelet daarop meen ik dat het Hof uit de bewijsmiddelen geredelijk de conclusie heeft kunnen trekken dat het objectief gezien waarschijnlijk was dat de niet-naleving van de administratieplicht ertoe zou leiden dat over de maanden waarin verkopen van auto’s niet als zodanig in de administratie werden verwerkt, te weinig belasting wordt geheven.

7.8.

Het middel faalt.

8 Middel 5

8.1.

Het vijfde middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde feit.

8.2.

Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 4 bewezenverklaard dat:

“De fiscale eenheid [D] c.s. op tijdstippen in de periode van 29 april 1999 tot en met 24 april 2001 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de maanden maart 1999 en juni 1999 en maart 2000 en juni 2000 en september 2000 en/of maart 2001 onjuist heeft gedaan, immers heeft die fiscale eenheid [D] cs telkens opzettelijk op de bij de belastingdienst te Enschede ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde kalendermaanden telkens een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;”

8.3.

Het Hof heeft een door de verdediging met betrekking tot feit 4 gevoerd verweer (zie de punten 279 t/m 291 van de pleitnotities van mrs. De Bree en Speijdel) als volgt samengevat en verworpen:

Strekkingsvereiste

De verdediging heeft betoogd dat het bestanddeel ‘terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting werd geheven‘ niet bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft hiertoe in het bijzonder aangevoerd dat er over de gehele looptijd geen nadeel is ontstaan. Nu in het kader van het strekkingsvereiste verschillende met elkaar samenhangende belastingaangiftes in ogenschouw moeten worden genomen, kan niet worden gezegd dat het in strijd met de werkelijkheid kwalificeren van een koopovereenkomst als huurkoop of lease ertoe strekt dat te weinig omzetbelasting wordt geheven, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof zal – anders dan de verdediging – per ten laste gelegde belastingaangifte bekijken of is voldaan aan het strekkingsvereiste. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat op elk van de ten laste gelegde aangiften een te laag bedrag aan omzetbelasting staat vermeld. Het vermelden van te weinig omzetbelasting op een belastingaangifte strekt er toe dat te weinig belasting wordt geheven. De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat de belastingdienst in de gehele ten laste gelegde periode (uiteindelijk) geen nadeel heeft ondervonden, maakt dat niet anders. Elke afzonderlijke aangifte dient op zichzelf immers juist te zijn.”

8.4.

Uit de aanvulling op het verkorte arrest blijkt dat de bewijsmiddelen 1 tot en met 26 in meer of mindere mate op de bewezenverklaring van feit 4 betrekking hebben. Een belangrijke verklaring in dit verband is die van [betrokkene 1], die (zo blijkt uit bewijsmiddel 4) van 15 mei 2000 tot 1 maart 2002 bij [A] te Deurningen heeft gewerkt. Het gaat om bewijsmiddel 12:

“Met betrekking tot de huurovereenkomsten kan ik zeggen dat de administratie niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. De huur is in werkelijkheid dus koop, wat betekent dat over de borgsommen, op het moment van ontvangst van de geldsom en de feitelijke overdracht van de auto, omzetbelasting afgedragen had moeten worden. De winst is dus ook niet juist weergegeven. Dit houdt in dat er te weinig vennootschapsbelasting is betaald. Ik heb de administratie altijd in opdracht van [verdachte] bijgewerkt, op de manier zoals hij dus aan mij opdroeg. [verdachte] weet ook dat hij (naar het hof begrijpt: meer) omzetbelasting en vennootschapsbelasting had moeten betalen en dat hij dat bewust niet heeft gedaan.

De aangifte omzetbelasting over de maand september 2000, op naam van Fiscale eenheid [D] heb ik ingevuld, in opdracht van [verdachte]. Ik heb deze aangifte ondertekend. Ik heb deze opgestuurd naar de belastingdienst, in opdracht van [verdachte]. Deze aangifte is niet juist. Er is in kolom 1a, leveringen en diensten belast met 17,5%, te weinig omzet aangegeven. In kolom 5g staat dus een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting.

Alle aangiften omzetbelasting op naam van Fiscale Eenheid [D] zijn dus valselijk opgemaakt, indien het de maanden betreft waarin borgsommen zijn geboekt voor de hierboven genoemde [betrokkene 6], [C], [betrokkene 4] en [betrokkene 2]/[betrokkene 3]. Ik heb dit allemaal gedaan in opdracht van [verdachte]. De ander die mogelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft opgemaakt is [betrokkene 7]. Ook zij heeft gehandeld in opdracht van [verdachte].”

Ik volsta voor het overige met de weergave van de bewijsmiddelen die “in het bijzonder” op feit 4 betrekking hebben en de bewijsoverweging die daarop volgt:

“25. Geschriften als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, te weten aangiften voor omzetbelasting van de fiscale eenheid [D] over de maanden maart 1999, juni 1999, maart 2000, juni 2000, september 2000 en maart 2001 (Doos 4, ordner FIOD-documenten).

26. Het in de wettelijke vorm opgemaakte overzichtsproces-verbaal (Doos 4, ordner FIOD ambtshandelingen, pagina 25), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

De aangiften omzetbelasting over de maanden maart 1999, juni 1999, maart 2000, juni 2000, september 2000 en maart 2001 zijn respectievelijk op 29 april 1999, 30 juli 1999, 27 april 2000, 31 juli 2000 en 24 april 2001 binnengekomen bij de belastingdienst te Enschede.

Overwegingen hof:

Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat in de gehele bewezen verklaarde periode huurovereenkomsten – tussen de onderneming van verdachte enerzijds en [betrokkene 6], [betrokkene 8], [betrokkene 4], en [betrokkene 2]/[betrokkene 3] anderzijds – in de administratie van [verdachte] zijn opgenomen. Die huurovereenkomsten betroffen in werkelijkheid koopovereenkomsten. In alle maanden van de bewezen verklaarde periode zijn maandbedragen van die valse huurcontracten in de administratie opgenomen en/of koopsommen ten onrechte niet in die administratie opgenomen. Alle bewezen verklaarde aangiften over de omzetbelasting zijn opgemaakt en ingediend op grond van die onjuiste administratie. Het hof is van oordeel dat die aangiften daarmee telkens opzettelijk onjuist zijn gedaan omdat een onjuist bedrag aan omzetbelasting is opgegeven.”

8.5.

Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht is dat de aanvulling op het verkorte arrest niet de inhoud van bewijsmiddel 25 behelst. Die klacht faalt omdat het Hof de door de steller van het middel gemiste inhoud van de in bewijsmiddel 25 genoemde belastingaangiften niet voor het bewijs heeft gebruikt. De beperkte functie die in de bewijsconstructie aan bewijsmiddel 25 toekomt, is dat dit bewijsmiddel, in samenhang bezien met bewijsmiddel 26, bewijst dat over de in de bewezenverklaring genoemde maanden door de fiscale eenheid [D] aangifte omzetbelasting is gedaan. Men kan ook zeggen dat de inhoud van de bedoelde geschriften voor zover die voor het bewijs is gebruikt, namelijk dat door de genoemde fiscale eenheid over de desbetreffende maand telkens een aangifte omzetbelasting is ingevuld, door het Hof zakelijk is weergegeven. Zo gezien faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.

8.6.

De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring van feit 4 niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid omdat daaruit niet volgt dat elke in de bewezenverklaring van feit 4 genoemde aangifte op opzettelijk onjuist was gedaan doordat daarin een te laag bedrag aan belasting werd opgegeven. Die klacht slaagt. De overweging van het Hof dat in alle maanden van de bewezenverklaarde periode maandbedragen van valse huurovereenkomsten in de administratie zijn opgenomen, vindt geen steun in de bewijsmiddelen, terwijl daarmee bepaald niet is gezegd dat de opneming van die maandbedragen leidde tot een te laag bedrag aan opgegeven belasting. Wat uit de bewijsmiddelen wel kan worden afgeleid, is dat over de maanden waarin auto’s werden verkocht onder de valse vlag van een huurovereenkomst te weinig omzetbelasting weinig aangegeven. Dat de verdachte daarop telkens opzet had, heeft het Hof daarbij uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden, hetgeen geen nadere motivering behoefde aangezien de verdediging op dit punt geen verweer heeft gevoerd. Het probleem is echter dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de bedoelde transacties plaatsvonden in alle maanden die in de bewezenverklaring worden genoemd.41

8.7.

De vraag is wat hiervan de consequentie moet zijn. Met het oog daarop merk ik in de eerste plaats op dat de bewezenverklaring ten aanzien van twee van de zes genoemde maanden stand houdt. Uit bewijsmiddel 14 volgt dat [betrokkene 2] in juni 2000 een Porsche heeft gekocht over welke verkoop, zo volgt uit de andere bewijsmiddelen, geen omzetbelasting is aangegeven. En uit de dagtekening van de huurovereenkomst genoemd in bewijsmiddel 19 heeft het Hof in combinatie met bewijsmiddel 22 (vgl. punt 6.12) kunnen afleiden dat [betrokkene 4] in maart 2000 een Mercedes CLK200 heeft gekocht welke koop als huur werd voorgesteld. Uit de bewijsmiddelen kan, voeg ik daaraan toe, wel worden afgeleid dat in meer dan deze twee gevallen een onjuiste aangifte werd gedaan, maar voor zover al duidelijk is om welke maanden het daarbij ging, zijn dat niet maanden die in de bewezenverklaring worden genoemd.42 In aansluiting op dit laatste merk ik in de tweede plaats op dat het in wezen gaat om een ongelukkig uitgevallen tenlastelegging, waarover pas in cassatie wordt gevallen. In feitelijke aanleg is niet aangevoerd dat het bewijs ten aanzien van specifiek de in de tenlastelegging genoemde maanden ontbrak. Het probleem zou dan ook na verwijzing of terugwijzing eenvoudig opgelost kunnen worden door wijziging van de tenlastelegging (“althans aangiften voor de omzetbelasting over een of meer maanden vallende in de periode van 1 maart 1999 tot en met 24 april 2001”), zodat de verdachte met terug- of verwijzing weinig zal opschieten. Ik merk in de derde plaats op dat de onder 4 bewezenverklaarde feiten nauw verweven zijn met, en bijna inherent zijn aan, de feiten die onder 1, 2 en 3 zijn bewezenverklaard. Veel (extra) gewicht zal feit 4 bij de straftoemeting dan ook niet in de schaal hebben gelegd.

8.8.

Het voorgaande voert mij tot de slotsom dat de verdachte bij een partiële vernietiging van de bestreden uitspraak op de aangedragen grond onvoldoende belang heeft nu de aard en de ernst van al hetgeen in deze zaak ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, door een verbeterde lezing van het bewezenverklaarde niet zou veranderen, terwijl bovendien niet te verwachten valt dat na terug- of verwijzing een wezenlijk andere bewezenverklaring zal volgen.

8.9.

Het middel faalt.

9 Middel 6

9.1.

Het zesde middel klaagt over de motivering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf. Die zou zo zeer afwijken van de door de advocaat-generaal gevorderde straf, dat zich het geval voordoet dat de strafoplegging zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

9.2.

Ik zie dat, mede gelet op de door de Rechtbank opgelegde straf, anders. Het Hof maakt in de strafmotivering voldoende duidelijk waarom de ernst van de bewezenverklaarde feiten naar zijn oordeel een zwaardere straf rechtvaardigt dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Onbegrijpelijk is dat oordeel, gelet op de waarderingsvrijheid die het Hof toekomt, niet. De klacht dat het Hof geen aandacht heeft besteed aan de door de belastingfraude veroorzaakte (geringe) financiële schade, ziet eraan voorbij dat die belastingfraude blijkens de strafmotivering slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld bij de straftoemeting.

9.3.

Het middel faalt.

10. Alle middelen falen en kunnen, behalve het eerste middel, worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.

2 Zie voor een overzicht van het procesverloop in hoger beroep tot dan toe het proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2013 met daarin de beoordeling door het Hof van een door de verdediging gedaan aanhoudingsverzoek.

3 Zie p. 9-11 van het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober 2012.

4 Het onderzoek wordt onderbroken tot de zitting van 3 juli 2013, op welke zitting het onderzoek wordt gesloten en waarop meteen uitspraak wordt gedaan. Daaruit volgt dat het Hof in strijd met bepaalde in de artt. 422, 348 en 350 Sv heeft beraadslaagd en beslist voordat het onderzoek ter zitting was gesloten. De middelen klagen daarover niet.

5 In het dossier trof ik een kopie van handgeschreven aantekeningen van mr. De Bree aan met daarop een “geeltje” waarop staat “bijlage 5”. De handgeschreven aantekeningen - één A-4tje lang - zijn gedateerd op 22 mei 2013 en hebben betrekking op feit 3. Ik ga er vanuit dat in het proces-verbaal van de zitting met “bijlage V” deze aantekeningen worden bedoeld.

6 Mr. Speijdel spreekt zelf van een “bouwsteen in het niet-ontvankelijkheidsverweer” (zie p. 45 van de pleitnotities van mr. Speijdel zoals die (als bijlage III) aan het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013 zijn gehecht).

7 Zie onderdeel F van het niet-ontvankelijkheidsverweer.

8 De correspondentie tussen de voorzitter van de strafkamer van het Hof en de raadslieden - gedateerd respectievelijk 28 september 2012, 1 oktober 2012 en 3 oktober 2012 – over de beperking van de pleittijd behoort ook tot het aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden dossier.

9 Zie p. 39 tot en met 45 van de pleitnotities van mr. Speijdel zoals die zijn gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013.

10 Vgl. HR 23 maart 1993, LJN ZC9251, NJ 1993, 696 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4663.

11 HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897

12 HR 23 maart 1982, NJ 1982, 627, dat betrekking had op het laatste woord van de verdachte (art. 311 lid 4 Sv), maar verschil zal dat niet maken. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van dit artikellid meebrengt dat de verdachte daaraan niet het recht kan ontlenen “om gedurende onbeperkte tijd” te spreken (rov. 8).

13 Zie de jurisprudentie genoemd in voetnoot 10.

14 Corstens-Borgers, 8ste druk, p. 712.

15 De verklaring is vermoedelijk dat de cassatieakte bepalend is voor de vraag waartegen het beroep zich richt. De cassatieakte vermeldt doorgaans dat het zich richt tegen de einduitspraak en tegen eventuele tussenuitspraken van het hof. Aangezien de voorzittersbeslissing geen tussenarrest van het hof is, richt het beroep zich daar doorgaans niet tegen, zodat voor een partiële niet-ontvankelijkheid geen plaats is. Dat is alleen anders indien de cassatieakte expliciet vermeldt dat het beroep zich (ook) tegen de beslissing van de voorzitter richt.

16 Vgl. Minkenhof-Reijntjes, 11e druk, p. 358.

17 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers.

18 Kortheidshalve verwijs ik hier naar de punten 4.12 en 4.13 van de conclusie die ik op 6 januari 2015 nam in de zaak met nummer 13/05734. In deze zaak doet de Hoge Raad heden uitspraak: HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:474.

19 Rb ’s-Gravenhage 3 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0306.

20 Hof ‘s-Hertogenbosch 28 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6079.

21 Zie o.m. Taru Spronken, Verdediging, diss. 2001, p. 255; P.H.P.H.M.C. van Kempen, in Melai-Groenhuijsen, aant. 5.3 op art. 311; Corstens-Borgers, 8ste druk, p. 712. Ik merk op dat in deze laatste druk in een voetnoot wordt verwezen naar het na te noemen artikel van Kraniotis. Of dat betekent dat met diens standpunt wordt ingestemd, is de vraag, maar een krachtige afwijzing daarvan levert het in elk geval niet op.

22 Ik ontleen dit aan het artikel van C.J. van der Wilt, De mammon in de rechtszaal, in Trema 2011, p. 123. De auteur verwijst in voetnoot 12 naar: Projectteam Deloitte, ‘Samen sterk’. Eindrapportage onderzoek gerechtshoven. Opbrengstverhogende en kostenverlagende maatregelen ter verbetering van de financiële positie van de gerechtshoven, 25 november 2010.

23 Te vinden op www.rijksoverheid.nl.

24 Zie HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7780. en HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8914

25 Van die instemming behoeft daarbij niet expliciet te blijken. Voor de Hoge Raad is het proces-verbaal van de terechtzitting nu eenmaal de enige kenbron. Als dat vermeldt dat is gepleit overeenkomstig de overgelegde pleitnota, moet het er in cassatie voor gehouden worden dat die pleitnota geheel is voorgedragen.

26 Of met instemming van de raadsman met het enkel overleggen van de pleitnota kan worden volstaan, is een vraag die hier onbesproken kan blijven. Wel kan worden opgemerkt dat over een dergelijke handelwijze in de regel niet in cassatie kan worden geklaagd, omdat het ervoor gehouden zal moeten worden dat de pleitnota is voorgedragen (zie de vorige noot).

27 Het tijdschema mag voorts niet zo krap zijn dat de raadsman geen gelegenheid heeft om zijn – van tevoren opgestelde – pleitnota aan te vullen of aan te passen naar aanleiding van hetgeen op de zitting is voorgevallen. Het kan daarbij ook om details gaan.

28 Daarbij kan het raadzaam zijn de volledige pleitnota reeds van te voren aan de rechter en het OM te doen toekomen, zodat voor alle partijen duidelijk is welke onderdelen van de pleitnota niet volledig worden voorgedragen. Daardoor is ook verzekerd dat de rechters kennis hebben genomen van de gehele pleitnota als – direct na de zitting – wordt geraadkamerd.

29 Zie o.m. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1562.

30 Deze bewijsmiddelen dienen ook ter ondersteuning van enkele andere door het Hof bewezenverklaarde feiten.

31 Het Hof heeft de laatste zin van bewijsmiddel 14 kennelijk opgenomen omdat [betrokkene 2] daarin verklaart dat hij de Porsches “uit mijn eigen middelen” heeft betaald en dus niet, zoals van de zijde van de verdediging werd gesuggereerd, uit het legale vermogen van zijn toenmalige echtgenote. Zie voor de weerlegging van dit verweer p. 11 van het verkorte arrest.

32 Ik merk in dit verband op dat de verdachte ter zitting van 22 mei 2013 in hoger beroep heeft verklaard dat hij pas eind 2000 bekend werd met het “criminele verleden” van [betrokkene 2] (zie p. 2 van het desbetreffende proces-verbaal), maar kennelijk heeft het Hof deze verklaring als niet betrouwbaar terzijde geschoven.

33 Zie p. 4 van het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013.

34 Zie p. 5 van het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2013.

35 Zie p. 50-53 van de desbetreffende pleitnotities. Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten waarnaar in de pleitnotities wordt verwezen achterwege.

36 Vgl. HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5001, rov. 2.5.

37 Al googelend is mij gebleken dat “EnCase” een programma is bestemd voor deskundigen op het gebied van computeronderzoek. Met behulp van EnCase kunnen diverse media zoals harde schijven en CD rom’s worden doorzocht. Ook gewiste of hernoemde bestanden kunnen worden gereconstrueerd en inzichtelijk gemaakt in de oorspronkelijke vorm.

38 Die partiële vrijspraak is door het Hof niet gemotiveerd, maar vormt vermoedelijk de honorering van het verweer dat art. 52 AWR ook verplicht tot het bewaren van valse stukken.

39 Zie p. 56 tot en met 60 van de desbetreffende pleitaantekeningen. Omwille van de leesbaarheid laat ik ook hier de voetnoten achterwege.

40 Vgl. punt 24 van ECLI:NL:PHR:2008:BB8975 (conclusie die voorafging aan het met toepassing van art. 81 RO gewezen HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8975).

41 Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2954.

42 Zo is de valse aangifte over de maand september 2000, waarvan [betrokkene 1] in bewijsmiddel 12 spreekt, niet tenlastegelegd en bewezenverklaard.