Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:454

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
14/06504
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1684, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid. Cassatieverzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad, art. 426a lid 1 Rv. Beroep op art. 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 14/06504

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 10 april 2015

Conclusie inzake:

1. [verzoeker 1]

2. [verzoekster 2]

tegen

Stichting de Alliantie1

1. Feiten 2

1.1 [verzoeker 1] en [verzoekster 2] (hierna: [verzoeker] c.s.) huren van Stichting de Alliantie een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de woning), feitelijk sinds 1 september 1999 en per schriftelijke huurovereenkomst sinds 22 oktober 2001.

1.2 Over de huurprijs en de staat van het gehuurde hebben partijen al verschillende procedures gevoerd.

Procesverloop

Procedure in eerste aanleg

1.3 De onderhavige kortgedingsprocedure is ingeleid door Stichting de Alliantie bij dagvaarding van 6 mei 2014. Stichting de Alliantie heeft daarbij – samengevat – veroordeling van [verzoeker] c.s. gevorderd tot het verlenen van medewerking aan in de dagvaarding genoemde noodzakelijke werkzaamheden aan de woning en de daartoe noodzakelijke inspectie, waaronder het onbelemmerd verschaffen van de toegang tot de woning, op straffe van een dwangsom, alsmede tot tijdelijke ontruiming van de woning voor de duur van renovatiewerkzaamheden die de verhuurder dient uit te voeren op last van de gemeente. Stichting de Alliantie heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij herstel van de reeds geconstateerde en bij nadere inspectie mogelijk nog te constateren gebreken aan de woning, niet alleen omdat zij daartoe door het Stadsdeel is aangeschreven, maar ook om haar eigendom te behoeden voor verdere achteruitgang en ten behoeve van de veiligheid van haar huurders.

1.4 [verzoeker] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd3.

1.5. Vervolgens heeft de kantonrechter bij vonnis van 10 juni 2014 [verzoeker] c.s. veroordeeld

(i) om de werkzaamheden aan de woning en de daarvoor noodzakelijke inspectie van de woning toe te laten en om daaraan onvoorwaardelijk en volledige medewerking te verlenen, waaronder begrepen het onbelemmerd toegang verschaffen tot de woning aan medewerkers van de Alliantie, het stadsdeel Amsterdam Zuid en de door de Alliantie voor bedoelde werkzaamheden in te schakelen opdrachtnemers;

(ii) tot betaling van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat zij na betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk mochten nalaten om aan deze veroordelingen te voldoen tot een maximum van € 100.000,-;

(iii) om, voor het geval zij niet de onder (i) genoemde veroordeling voldoen, binnen drie dagen na de betekening van het vonnis voldoen aan deze veroordeling, het gehuurde tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden, te ontruimen, zo nodig bewerkstelligd door een gerechtsdeurwaarder;

Tot slot heeft de kantonrechter [verzoeker] c.s. veroordeeld in de proceskosten, de veroordelingen uitvoerbaar bij voorbaat verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Appelprocedure 4

1.6 Bij op 8 juli 2014 bij de griffie van het gerechtshof Amsterdam ingekomen beroepschrift (aangeduid als appeldagvaarding) hebben [verzoeker] c.s. meegedeeld dat hoger beroep wordt ingesteld van het in kort geding gewezen vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van l0 juni 2014. [verzoeker] c.s. hebben in dit beroepschrift geen advocaat gesteld en hebben verzuimd geïntimeerde bij deurwaardersexploot op te roepen tegen een geldige roldatum.

1.7 Bij brief van 15 juli 2014 heeft de griffe van het gerechtshof [verzoeker] c.s. bericht dat het hoger beroep niet in behandeling zal worden genomen nu dit hoger beroep niet is ingesteld bij deurwaardersexploot en nu geen advocaat is gesteld. In deze brief heeft de griffie ten onrechte medegedeeld dat binnen drie maanden na de datum van het vonnis van de kantonrechter alsnog op de juiste wijze hoger beroep kon worden ingesteld.

1.8 [verzoeker] c.s. hebben zich bij op 18 juli 2014 ingekomen faxbericht tot de president van het gerechtshof gewend met het verzoek het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. De president heeft dit verzoek doorgeleid naar de rolraadsheer.

1.9 De rolraadsheer heeft bij rolbeslissing van 5 augustus 2014 bepaald dat de zaak als verzoekschriftprocedure wordt ingeschreven en als dagvaardingszaak zal worden voortgezet op de rol van 2 september 2014. De rolraadsheer heeft voorts [verzoeker] c.s. in de gelegenheid gesteld om Stichting de Alliantie bij deurwaardersexploot, waarin een advocaat wordt gesteld, en dat ook overigens voldoet aan de daaraan in de wet gestelde eisen, tegen deze roldatum op te roepen. Verder heeft de rolraadsheer [verzoeker] c.s. in de gelegenheid gesteld op deze roldatum vertegenwoordigd door een advocaat de zaak als dagvaardingsprocedure opnieuw aan te brengen. Tenslotte heeft de rolraadsheer bepaald dat door de griffie van het gerechtshof een afschrift van de rolbeslissing aan Stichting de Alliantie zal worden toegezonden en heeft hij iedere verdere beslissing aangehouden.

1.10 Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2014 zijn [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep op de grond dat zij geen gebruik hebben gemaakt van de hen geboden gelegenheid om de door hen als verzoekschriftprocedure aangebrachte, en ook als zodanig ingeschreven, zaak als dagvaardingsprocedure voort te zetten en de geconstateerde verzuimen in de wijze van aanbrengen van de zaak bij het hof te herstellen.

Procedure in cassatie

1.11 Bij een door henzelf ondertekend schriftuur van 1 december 2014 met als opschrift “Cassatiedagvaarding huurrecht” hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van 7 oktober 20145. In deze ‘dagvaarding’ is geen advocaat bij de Hoge Raad aangewezen die [verzoeker] c.s. in de cassatieprocedure zal vertegenwoordigen.

1.12. De griffie van de Hoge Raad heeft bij aangetekende brief van 4 december 2014 aan [verzoeker] c.s. de ontvangst van hun “cassatiedagvaarding huurrecht” bevestigd en hen erop gewezen dat voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat is vereist. Voorts is [verzoeker] c.s. gevraagd of zij hun zaak willen voortzetten, gelet op de gerede kans dat zij niet-ontvankelijk zullen worden verklaard indien zij zelf zonder procesvertegenwoordiging cassatieberoep instellen, en zij voorts bij het in behandeling nemen van hun beroep griffierecht zullen moeten betalen.

1.13 Bij fax van 17 december 2014 hebben [verzoeker] c.s. de Hoge Raad bericht de zaak te willen voortzetten.

Hierop heeft de griffie bij aangetekende brief van 29 december 2014 aan [verzoeker] c.s. bericht dat hun zaak in behandeling is genomen, dat het griffierecht is vastgesteld op € 319,- en dat zij binnenkort een nota met nadere gegevens over betaling zouden ontvangen.

[verzoeker] c.s. hebben zich vervolgens bij fax van 26 januari 2015 gericht tot de president van de Hoge Raad en hierin bezwaren geuit tegen de verschuldigdheid van een griffierecht van € 319,-.

1.14 [verzoeker] c.s. hebben op 25 februari 2015 het verschuldigde griffierecht betaald. Bij brief van 27 februari 2015 heeft de griffier van de Hoge Raad [verzoeker] c.s. bericht dat nu het griffierecht is betaald en de zaak in behandeling is genomen door de civiele kamer van de Hoge Raad, de president zich niet meer inhoudelijk kan uitlaten over de beoordeling van het op 1 december 2014 ingediende cassatieschriftuur.

1.15 Bij brief van 20 februari 2015 zijn [verzoeker] c.s. in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van deze brief alsnog een cassatieadvocaat zich te laten stellen in hun plaats teneinde het verzuim te herstellen dat kleeft aan de cassatieschriftuur van 1 december 2014.

Op 6 maart 2015 is deze termijn verstreken zonder dat een cassatieadvocaat zich voor [verzoeker] c.s. heeft gesteld.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

In dagvaardingsprocedures zijn eisers tot cassatie ingevolge art. 407 lid 3 Rv gehouden in het exploot van dagvaarding een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen die hen in het geding zal vertegenwoordigen. De wettelijke sanctie op niet-naleving van dit vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging is nietigheid, welk gebrek kan worden hersteld (zie de art. 120 e.v. Rv).

In verzoekschriftprocedures is de eis van verplichte vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad neergelegd in het eerste lid van art. 426a Rv, waarin is bepaald dat het beroepschrift in cassatie wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen kan worden hersteld doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient6.

2.2

Het ligt het meest voor de hand de op 1 december 2014 per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen “cassatiedagvaarding huurrecht” op te vatten als een verzoekschrift, nu het schriftuur geen exploot is in de zin van art. 45 Rv en niet voldoet aan de vereisten van de art. 45 en 111 Rv.

2.3

Zoals hiervoor vermeld, zijn [verzoeker] c.s. bij brief van 4 december 2014 door de civiele griffie van de Hoge Raad erop gewezen dat voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat is vereist en dat het op 1 december 2014 ter griffie ingekomen cassatieschriftuur niet aan dit vereiste voldoet.

2.4

Bij fax van 17 december 2014 hebben [verzoeker] c.s. hierop gereageerd met de stelling dat uit art. 6 lid 3 onder c EVRM het recht voortvloeit zich zelf te verdedigen, dat aan deze bepaling rechtstreekse werking toekomt in de Nederlandse rechtsorde op grond van artikel 94 Grondwet en dat zij op deze grondslag de zaak, die zij hebben gestart met de cassatiedagvaarding van 1 december 2014, willen voortzetten.

2.5

De stelling van [verzoeker] c.s. dat zij op grond van art. 6 lid 3 onder c EVRM het recht hebben om in cassatie in persoon te procederen is in de eerste plaats ongegrond nu het recht zich zelf te verdedigen zoals neergelegd in het derde lid van art. 6 EVRM, slechts van toepassing is in een strafrechtelijke procedure en niet in een civielrechtelijke procedure zoals de onderhavige. Daarnaast kan worden opgemerkt dat het EHRM verplichte procesvertegenwoordiging in een strafrechtelijke procedure in beginsel niet in strijd acht met art. 6 lid 3 onder c EVRM7.

2.6

Voor wat betreft de verenigbaarheid van het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in de civiele cassatieprocedure met het recht op toegang tot de rechter zoals neergelegd in art. 6 lid 1 EVRM, heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 23 oktober 19928, met verwijzing naar vaste rechtspraak van het EHRM9, geoordeeld dat art. 426a lid 1 Rv niet in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM.

2.7

Het is thans nog steeds vaste rechtspraak van het EHRM dat procesrechtelijke drempels die de toegang tot de rechter beperken, zoals het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging, in beginsel een toelaatbare beperking vormen op het recht op toegang tot de rechter zoals neergelegd in artikel 6 lid 1 EVRM. Het recht op toegang tot de rechter is volgens het EHRM niet absoluut. Dit geldt temeer in appelprocedures en cassatieprocedures omdat de lidstaten, op grond van art. 6 lid 1 EVRM, niet verplicht zijn om in appel- en cassatierechtspraak te voorzien binnen de nationale rechtsorde. Daar waar lidstaten wel een traditie van appel- en/of cassatierechtspraak hebben, genieten zij een ruime beleidsvrijheid bij de inrichting hiervan10. Deze ruime beleidsvrijheid geldt met name voor de inrichting van de cassatieprocedure en het stellen van meer formalistische eisen aan de toegang tot de cassatierechter omdat in het geval van cassatie al twee feitenrechters zich inhoudelijk over een zaak hebben kunnen buigen11. Het is voorts vaste rechtspraak van het EHRM dat de inrichting van de cassatierechtspraak, gezien haar aard, wel formalistisch mag zijn maar niet zo extreem formalistisch dat afbreuk wordt gedaan aan de rechtsbescherming van de rechtszoekende. De procesrechtelijke beperkingen van het recht op toegang tot de rechter moeten wel voorzienbaar zijn voor de rechtszoekende, een legitiem doel dienen en proportioneel zijn12.

2.8

In het onderhavige geval is aan het vereiste van voorzienbaarheid voldaan. [verzoeker] c.s., die bekend zijn met het vereiste van verplichte vertegenwoordiging door een cassatieadvocaat13, zijn bovendien bij brief van 4 december 2014, bij brief van 20 februari 2015 en nogmaals bij brief van 27 februari 2015 gewezen op het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie.

Het legitieme doel van het vereiste van art. 407 lid 3 en art. 426a lid 1 Rv is erin gelegen dat voor de behandeling van een zaak in cassatie bijzondere regels gelden die een specifieke deskundigheid vergen van een advocaat die als procesvertegenwoordiger bij de Hoge Raad optreedt, zodat aan de Hoge Raad cassatiemiddelen worden voorgelegd die aan de eisen voldoen, waardoor de Hoge Raad zijn kerntaken optimaal kan vervullen14.

Tot slot maakt de omstandigheid dat het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging kosten meebrengt voor de procespartijen niet dat het een disproportioneel vereiste is nu op grond van art. 12 Wrb in beginsel15 gefinancierde rechtshulp kan worden verkregen voor het voeren van een civiele cassatieprocedure. Dit recht op gefinancierde rechtsbijstand geldt ook voor het verkrijgen van cassatieadvies, zelfs een ‘second opinion’ na een eerder negatief cassatieadvies komt in beginsel voor een toevoeging in aanmerking16.

2.9

M.i. dienen [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk te worden verklaard in het cassatieberoep dat zij hebben ingesteld bij schriftuur van 1 december 2014. Ik geef Uw Raad in overweging Stichting de Alliantie te informeren over het in behandeling nemen door de Hoge Raad van de onderhavige cassatiezaak en de uitkomst daarvan.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] c.s. in hun cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Stichting de Alliantie is in cassatie niet opgeroepen door [verzoeker] c.s. en voor zover kan worden nagegaan ook niet anderszins op de hoogte van het onderhavige cassatieberoep.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor de door de kantonrechter te Amsterdam vastgestelde feiten diens kortgedingvonnis van 10 juni 2014, rov. 1 a t/m h.

3 Weergegeven in rov. 3 van het in noot 2 genoemde kortgedingvonnis van de kantonrechter.

4 Zie de ambtshalve opgevraagde rolbeslissing van het gerechtshof Amsterdam van 5 augustus 2014 en rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2014.

5 Dit schriftuur is op 1 december 2014 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad.

6 Ingezet met de beschikking van de Hoge Raad van 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders.

7 Zie bijv. EHRM 25 september 1992, ECLI:NL:XX:1992:AD1747, NJ 1993/526.

8 ECLI:NL:HR:1992:ZC0736, NJ 1993/3.

9 De Hoge Raad verwijst in rov. 3 naar EHRM 9 okt. 1979, Serie A no. 32, Airey, par. 26; EHRM 24 nov. 1986, Serie A no. 109, Gillow, par. 69; EHRM 27 aug. 1991, Serie A no. 209, Philis, par. 59.

10 Zie Council of Europe, Practical Guide To Article 6 (civil limb), 2013, p. 12-14.

11 Zie bijv. EHRM 23 oktober 1996, ECLI:NL:XX:1996:AD2631, NJ 1998/343.

12 Zie bijv. EHRM 24 mei 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5285, AB 2006/257.

13 In het cassatieschriftuur van 1 december 2014 wordt verwezen naar een procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM9091, RvdW 2010/1059). Die uitspraak betrof de niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] c.s. in hoger beroep als gevolg van het niet tijdig indienen van grieven. Het cassatieberoep tegen deze niet-ontvankelijkheid is bij genoemd arrest verworpen door de Hoge Raad.

14 Zie Kamerstukken II, 2010–2011, 32 576, nr. 3, p. 3.

15 Art. 4 lid 3 Brt bepaalt dat indien de rechtsbijstand betrekking heeft op een beroep in cassatie de toevoeging wordt geweigerd indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 1.000,–. In art. 4 lid 7 is echter bepaalt dat in afwijking van het eerste tot en met vierde lid rechtsbijstand of een toevoeging kan worden verleend indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht.

16 Zie Werkinstructie Cassatie Civiel van de Raad voor rechtsbijstand, versie 3.00 (1 oktober 2014), http://kenniswijzer.rvr.org/werkinstructies-toevoegen/allerechtsterreinen/cassatie-civiel.html.