Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:444

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-02-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
13/02746
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1243, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BM7508 m.b.t. het feit dat van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet kan worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het Hof heeft het beroep op noodweer verworpen, omdat naar diens oordeel voor verdachte de reële mogelijkheid bestond om, nadat het eerdere conflict met het latere slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich te onttrekken aan verder agressief gedrag van het latere slachtoffer. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de situatie voorafgaand aan het incident (waarbij zowel door verdachte als door het latere slachtoffer is geschoten), welke vaststellingen inhouden dat buiten het partycentrum sprake was van een ruzie waarbij onder meer verdachte en het latere slachtoffer waren betrokken, dat verdachte na afloop van die ruzie samen met een ander naar zijn auto is gelopen, dat verdachte vervolgens is teruggelopen in de richting van het partycentrum en bij de auto van een derde is gaan staan en dat het slachtoffer vervolgens in de richting van verdachte is gelopen, daarbij verbaal tekeer ging en een wapen bij zich had. De HR neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, dat het slachtoffer zelf, terwijl verdachte zich eerst naar zijn auto en vervolgens naar de auto van een derde had begeven, in de richting van verdachte is gelopen en dat uit ’s Hofs vaststellingen niet zonder meer volgt dat verdachte reeds op het moment dat hij naar zijn auto liep, wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg. Tegen die achtergrond is niet begrijpelijk het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake was van een dreigende aanranding waaraan verdachte zich had moeten onttrekken. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02746

Zitting: 10 februari 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 26 april 2013 door het Gerechtshof Den Haag wegens “Doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van het beslag en de vordering van de benadeelde partij en heeft het een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te ’s-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ik begin met het derde middel. Dat middel klaagt dat het Hof in het arrest noch in een aanvulling op het arrest de bewijsmiddelen heeft opgenomen waarop de bewezenverklaring is gestoeld.

4. Nadat de raadsman een afschrift van het dossier had ontvangen, heeft hij de griffie van de Hoge Raad verzocht hem ook de aanvulling op het arrest houdende de bewijsmiddelen toe te zenden. Uit een aantekening op dit schriftelijk verzoek moet worden opgemaakt dat de griffie de raadsman telefonisch heeft medegedeeld dat er geen aanvulling op het arrest is in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier.

5. Daar heeft de raadsman het echter bij gelaten. Ik heb geen stukken gezien waaruit kan worden opgemaakt dat de raadsman vervolgens een verzoek bij de rolraadsheer heeft ingediend om aanvulling. De rolraadsheer had bij het Hof navraag kunnen doen omtrent dit ontbrekende stuk. Nu de raadsman deze gang niet heeft gevolgd - die beschreven staat in het Procesreglement, art. IV.31 - kan het middel niet tot cassatie leiden.2

6. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt erover dat het Hof, ondanks een ter terechtzitting gevoerd verweer, de verklaringen die [betrokkene 5] als getuige bij de politie heeft afgelegd toch tot het bewijs heeft gebezigd.

7. Het hof heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:

“Nadere bewijsoverweging

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die op 5 september 2010 de schoten heeft gelost die hebben geleid tot het overlijden van [slachtoffer]. Het hof acht daarbij onder andere redengevend de verklaringen die de getuige [betrokkene 5] bij de politie heeft afgelegd. De raadsman heeft betoogd dat die verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat - zakelijk weergegeven – door de politie aan de getuige [betrokkene 5] vragen zijn gesteld die de getuige onaanvaardbaar hebben beïnvloed en waardoor de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen zijn aangetast. Volgens de raadsman levert dit bovendien een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op.

Het ingenomen standpunt deelt het hof niet en het hof verwerpt het gevoerde verweer.

Uit de politieverhoren van de getuige [betrokkene 5] blijkt van een willens en wetens sturen van de antwoorden door de verhorende verbalisanten niet. Door die verbalisanten zijn open vragen aan de getuige gesteld en de getuige heeft hierop uitgebreide en gedetailleerde antwoorden gegeven. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de getuige door de vraagstelling van de politie zodanig is gestuurd dat hij een wezenlijk andere en daarmee onbetrouwbare verklaring zou hebben afgelegd.

Met de rechtbank acht het hof de verklaringen van de getuige [betrokkene 5] bij de politie voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te worden gebezigd, nu de inhoud van die verklaringen niet op zichzelf staan, maar hun bevestiging vinden in de verklaring die de verdachte zelf ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd alsmede in de verklaringen van andere getuigen. Daarbij komt dat de getuige [betrokkene 5] zich uit eigen beweging bij de politie heeft gemeld en meermalen op belangrijke onderdelen uitvoerig en consistent heeft verklaard. Het hof ziet dan ook geen reden om die verklaringen van het bewijs uit te sluiten.

De verklaringen die de getuige [betrokkene 5] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd acht het hof ongeloofwaardig. De getuige heeft bij die gelegenheden telkens weinig aannemelijke, steeds wisselende en daarmee inconsistente verklaringen gegeven voor het feit dat hij bij de politie belastend voor de verdachte heeft verklaard. Daarnaast liet het geheugen de getuige - naar eigen zeggen - op essentiële onderdelen in de steek, zodat het hof ook om die reden de bedoelde later afgelegde verklaringen niet betrouwbaar vindt.”

8. De selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. Ik kan in de motivering van het Hof dat en waarom het Hof de getuige [betrokkene 5] aan zijn bij de politie afgelegde verklaringen houdt geen onbegrijpelijkheid ontdekken.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer.

11. Het Hof heeft het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft - voor het geval het hof bewezen zou verklaren hetgeen de verdachte is ten laste gelegd - een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - betoogd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zijn vuurwapen op de verdachte gericht en heeft schoten in zijn richting gelost. Daartegen kon en mocht de verdachte zich verdedigen. De raadsman is van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 5 september 2010 zijn buiten partycentrum "Ons" te Zoetermeer met een vuurwapen schoten afgevuurd tengevole waarvan [slachtoffer] is overleden.

Die nacht vond in het partycentrum een feest plaats. Na afloop van het feest ontstond buiten het partycentrum een ruzie, waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2], het latere slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte waren betrokken. [slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd. [slachtoffer] was die avond heel boos en agressief. Na deze ruzie is de verdachte, samen met [betrokkene 1], naar zijn auto gelopen. [betrokkene 1] heeft een vest uit die auto gepakt en hierna is de verdachte terug gelopen en heeft hij bij de auto van [betrokkene 4] gestaan. Vervolgens is [slachtoffer] in de richting van de verdachte gelopen. [slachtoffer] ging verbaal tekeer tegen de verdachte en hij had een wapen bij zich. Vervolgens hebben zowel [slachtoffer] als de verdachte op elkaar geschoten, waarbij [slachtoffer] dodelijk is geraakt.

Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer het al dan niet plotselinge karakter van de aanranding, de plaats waar de aanranding plaatsvond en het gedrag van de verdachte voorafgaand aan de aanranding.

Het hof is van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt.

Hoewel ook het hof er van uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment met een vuurwapen schoten heeft gelost, bestond er naar het oordeel van het hof voor de verdachte de reële mogelijkheid om, nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verdere agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken.

Weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar 's hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd.

Immers, de agressie van [slachtoffer] was kennelijk gericht tegen de verdachte en niet tegen de andere aanwezige personen. De verdachte wist dat ook. De verdachte en [betrokkene 1] hebben op enig moment eerder die nacht aan [betrokkene 3] gevraagd om met [betrokkene 2] en [slachtoffer] te praten. [betrokkene 3] heeft toen ook daadwerkelijk gesproken met [betrokkene 2] en [slachtoffer], maar zij wilden niet naar hem luisteren.

Toen had de verdachte, gelet op de toestand van [slachtoffer], zich kunnen en ook moeten realiseren dat de situatie kon escaleren.

Dit klemt te meer, nu het hof - anders dan de verdediging heeft betoogd- op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] ervan uitgaat dat de verdachte op enig moment heeft gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had.

De verdachte is desondanks naar zijn auto gelopen en is daarna niet vertrokken hoewel hij daartoe wel in de gelegenheid was, maar hij is terug gelopen in de richting van het partycentrum waar [slachtoffer] zich bevond in het bezit van een vuurwapen, wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had, agressief was en ook een vuurwapen bij zich droeg.

Het verweer wordt verworpen.”

12. Vooropgesteld dient te worden dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter strekkende tot verwerping van een noodweerverweer van feitelijke aard is. Dat neemt niet weg dat de feitenrechter voldoende inzicht moet geven in zijn gedachtegang en dat dit oordeel op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.3 Van de feitenrechter wordt verwacht alle omstandigheden van het geval nauwkeurig te analyseren en in zijn oordeel te betrekken.4 In dat verband spelen de specifieke omstandigheden van het geval een belangrijke rol. De verdachte kan uitleg geven waarom hij onder de gegeven omstandigheden juist op die wijze heeft gehandeld. Verzoeker evenwel heeft voor een andere proceshouding gekozen. Nadat hij aanvankelijk ontkend had op het Antilliaanse feest in een partycentrum in Zoetermeer te zijn geweest en zich daarna op zijn zwijgrecht beriep, erkent hij eerst op de terechtzitting van het Hof van 29 maart 2013 bij het partycentrum aanwezig te zijn geweest en beantwoordt hij enkele vragen van het Hof. Zijn gefaseerde lezing van de gebeurtenissen komt op het volgende neer. Het latere slachtoffer [slachtoffer] zocht bij de deur van het partycentrum ruzie met verzoeker die uitmondde in een woordenwisseling tussen hen beiden, waarbij [slachtoffer] schreeuwde. Daarna liep een ieder naar zijn eigen auto. Na de woordenwisseling liep verzoeker terug. Vervolgens praatte verzoeker nog een minuut of twee met een vrouw bij de auto. Daar hield [slachtoffer] een wapen op verzoeker gericht en schoot [slachtoffer]. Over de gang van zaken nadat het slachtoffer volgens verzoeker zou hebben geschoten, wenst verzoeker echter niet te verklaren. Dat hoeft een verdachte natuurlijk ook niet, maar hij moet zich daarbij dan wel realiseren dat het kan zijn dat een stilzwijgen het verweer er niet sterk(er) op maakt. Het handelen van de verdachte zal in dat geval enkel worden gereconstrueerd aan de hand van ander materiaal, bijvoorbeeld getuigenverklaringen, en worden beoordeeld volgens een geobjectiveerde toetsing ex tunc. Indien ook dergelijke verklaringen ontbreken, blijft er van een serieus te nemen noodweerverweer niet veel over.

13. In het onderhavige geval zijn er echter wel verklaringen door getuigen afgelegd. In de inhoud van deze verklaringen ligt besloten dat verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om de confrontatie te vermijden. Hij had zich makkelijk aan de situatie kunnen onttrekken, en zich daaraan ook moeten onttrekken door bij zijn auto aangekomen weg te rijden. Blijkens de gedingstukken zou niemand hem dat toen hebben verhinderd. In plaats daarvan is hij bij het partycentrum blijven hangen. Naar het Hof heeft vastgesteld waren er geen dringende redenen – bijvoorbeeld ter bescherming van anderen - om daar langer te blijven en mocht weggaan van verzoeker worden gevergd.5 Aangenomen mag worden dat verzoeker uit zijn auto zijn vuurwapen heeft gepakt en rustig is teruggelopen.6 Aldus heeft hij niet alleen niet aan het onttrekkingsvereiste voldaan, maar heeft hij tevens ook zelf – gewapend - de confrontatie opgezocht. Het oordeel van het Hof luidt dienovereenkomstig. Ik meen dat in de slotoverweging van het Hof besloten ligt dat verzoeker – door terug te lopen in de richting van het partycentrum en inmiddels in het bezit van zijn vuurwapen, wetende dat ook [slachtoffer] over een vuurwapen beschikte - die confrontatie heeft opgezocht. Wie als eerste heeft geschoten is niet duidelijk. Vaststaat wel dat in de romp van het slachtoffer minimaal drie en maximaal vijf schotletsels zijn aangetroffen7 en dat verzoeker naar hij heeft verklaard een schampschot net boven zijn rechterelleboog aan het schietincident heeft overgehouden.8 Voorts heeft de getuige [betrokkene 5] verklaard dat door het slachtoffer ook een keer is geschoten. [betrokkene 5] had toen echter al knallen gehoord en gezien dat het slachtoffer op de grond was gevallen. Volgens [betrokkene 5] was het slachtoffer weer opgestaan en weer gevallen en heeft het slachtoffer toen pas - liggend op de grond - in de richting van verzoeker geschoten, die op dat moment wegrende.

14. Het oordeel van het Hof dat verzoeker geen beroep op noodweer toekomt, is naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De vraag die de steller van het middel opwerpt, of verzoeker nadat hij bij zijn auto was geweest, in de richting van [slachtoffer] is gelopen, speelt eigenlijk geen rol bij het oordeel van het Hof dat hij zich daarvóór al aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken. Anders dan de steller van het middel wil, kan uit hetgeen het Hof heeft overwogen ondubbelzinnig worden afgeleid waarom het beroep op noodweer is verworpen.

15. Het middel faalt.

16. De middelen falen. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

17. Ambtshalve wijs ik er op dat op 7 september 2014 de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Op die datum verstreek de termijn van zestien maanden na het instellen van het beroep in cassatie. De Hoge Raad kan de opgelegde gevangenisstraf verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

18. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dat luidt: “Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in art. 437, tweede lid, onderscheidenlijk art. 447, vierde lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer.”

2 Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495 m.nt. Borgers.

3 Zie bijvoorbeeld HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0152, NJ 1997/627 m.nt. De Hullu en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391 m.nt. Buruma.

4 Noyon-Langemeijer-Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4 bij art. 41 Sr (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bij tot 24 maart 2012).

5 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650.

6 Vgl. wat betreft de mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse van 13 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD1728.

7 Zie het sectierapport zoals aangehaald in het vonnis van de rechtbank (blad 4), onder het kopje “Forensisch onderzoek”.

8 Zie het proces-verbaal der terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 maart 2013 (blad 9).