Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:436

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-02-2015
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
13/04046
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:954, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Benadeelde partij. Tijdige voeging in e.a.? Gelet op de aan de HR toegezonden stukken is ’s Hofs oordeel dat de b.p. zich t.z.v. haar vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade tijdig in e.a. in het strafgeding heeft gevoegd, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04046

Zitting: 17 februari 2015 (bij vervroeging)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem wegens 1 primair “medeplegen van poging tot doodslag”, 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, 4. “wederspannigheid”, 5. “bedreiging met zware mishandeling” en 6. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5448,20. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Verder bevat het arrest enige bijkomende beslissingen als in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover deze een bedrag van € 448,20 te boven gaat, en wel omdat uit de stukken van het geding niet met voldoende zekerheid blijkt dat de bij brief van de raadsvrouw van de benadeelde partij [betrokkene 1] gedane aanvullende vordering ad € 5000,-- aan immateriële schade tijdig bekend is geweest bij de Officier van Justitie en de Rechtbank.

4. Bij formulier als bedoeld in art. 51g Sv is door de benadeelde partijen opgave gedaan van materiële schade ad € 448,20 ([betrokkene 1]) en € 576,00 ([betrokkene 2]). Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 19 november 2012, alwaar de benadeelde partijen in persoon en niet voorzien van rechtsbijstand waren verschenen, is door de voorzitter melding gemaakt van genoemde opgaven. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt niet in dat aan de benadeelde partijen de gelegenheid is geboden het woord te voeren overeenkomstig het bepaalde in art. 334 lid 3 Sv. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de Officier van Justitie noch verdachtes raadsman noch verdachte zich uitgelaten over genoemde vorderingen. De Rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 368,20 en de benadeelde partij [betrokkene 2] niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

“De voorzitter deelt mede dat de benadeelde partij [[betrokkene 1]; WHV] haar vordering heeft gehandhaafd en deelt voorts mede de korte inhoud van de brief van de raadsvrouw van de benadeelde partij van 3 juli 2013, inhoudende een aanvulling op de vordering.

De voorzitter deelt voorts mede dat de benadeelde partij door middel van het schadevoegings-formulier een schadevergoeding van € 448,20 materiële schade had gevorderd.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft de vordering van de benadeelde partij aangevuld per brief van 16 november 2012 met een vordering van € 5.000,= immateriële schade. Deze brief is op 16 november 2012 per fax binnengekomen bij het parket.

De behandeling in eerste aanleg zou plaatsvinden op 19 november 2012.

Het openbaar ministerie heeft echter verzuimd om deze brief voor te leggen aan de rechtbank, waardoor de vordering betreffende de immateriële schade niet is meegenomen bij de behandeling in eerste aanleg.
(..)

De advocaat-generaal voert het woord overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir, die aan het hof is overgelegd en in kopie aan het verkort proces-verbaal is gehecht. Daarna leest de advocaat-generaal de vordering voor en legt die aan het hof over. De advocaat-generaal merkt-zakelijk weergegeven- op:

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij merk ik op dat vermeerdering in hoger beroep niet is toegestaan. Ik zie niet in het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg staan dat de brief van de raadsvrouw van 16 november 2012 bij de officier van justitie of de rechtbank bekend was. De beslissing van de rechtbank dient mijns inziens te worden gevolgd.

De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota welke aan het hof is overgelegd en aan het verkort proces-verbaal is gehecht.
(…)

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij merk ik op dat mijn cliënt het recht heeft om daar bij twee instanties verweer tegen te voeren. Fouten van het openbaar ministerie kunnen niet ten nadele van mijn cliënt werken.”

6. In het bestreden arrest heeft het Hof overwogen voor zover hier van belang:

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. In het schadevoegingsformulier is een schadevergoeding van € 448,20 materiële schade gevorderd. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft deze vordering aangevuld per brief van 16 november 2012 met een vordering van € 5.000,= immateriële schade. Deze brief is op 16 november 2012 per fax binnengekomen bij het parket. Nu de behandeling in eerste aanleg zou plaatsvinden op 19 november 2012 is de vordering betreffende de immateriële schade tijdig binnengekomen. De totale vordering van de benadeelde partij in eerste aanleg bedraagt derhalve € 5.448,20. Het openbaar ministerie heeft echter verzuimd om deze brief voor te leggen aan de rechtbank, waardoor de vordering betreffende de immateriële schade niet is meegenomen bij de behandeling in eerste aanleg. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 368,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, ziet het hof geen reden om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze betrekking heeft op de door de benadeelde partij gevraagde schadevergoeding voor immateriële schade en zal derhalve uitgaan van de totale vordering.

Voor de behandeling in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij melding gemaakt van andere schadeposten, te weten de door de benadeelde partij gemaakte ziektekosten, welke € 3.507,36 bedragen. Omdat vermeerdering van de vordering in hoger beroep op grond van de wettelijke regeling niet is toegestaan, moet de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op de door de benadeelde partij gemaakte ziektekosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.”

7. Tot de stukken van het geding, die de griffier van het Hof op de voet van het bepaalde in art. 434, lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad heeft doen toekomen bevindt zich een fax-bericht van de raadsvrouw van de benadeelde partij, waarbij de vordering van de benadeelde partij wordt vermeerderd met immateriële schade ad € 5000,--. Daarop staat vermeld “Officier van Justitie Utrecht 16 nov. 2012”. Het oordeel van het Hof dat de brief, houdende aanvulling van de vordering, op 16 november 2012 per fax is binnengekomen bij het parket is dus niet onbegrijpelijk.

8. Subsidiair voert verdachtes raadsman aan dat het Hof de benadeelde partij niet ontvankelijk had moeten verklaren in haar aanvullende vordering omdat door de handelwijze van het Hof aan de verdachte een instantie wordt ontnomen en nalatigheid van de Officier van Justitie niet voor rekening van de verdachte mag komen.

9. Deze opvatting deel ik niet. Heeft de rechter in eerste aanleg verzuimd op een vordering van een benadeelde partij te beslissen, dan zal de rechter in hoger beroep dat alsnog moeten doen1, ook al leidt dat er toe dat die vordering maar in één instantie aan de orde komt. Dezelfde situatie doet zich voor wanneer zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is verzuimd een vordering van de benadeelde partij te behandelen en daarop te beslissen en de zaak wordt teruggewezen of verwezen; ook dan komt die vordering maar in één instantie aan de orde. In het onderhavige geval gaat het in de ogen van de verdachte om vermeerdering van een vordering. Dat maakt dit niet anders. In het civiele procesrecht is vermeerdering van een eis in hoger beroep toegestaan ook al betekent dit dat die vordering, voor zover vermeerderd, maar in één feitelijke instantie aan de orde komt (vgl. art. 130 jo. 353 Rv).2 Een algemeen recht tot behandeling van een (gehele) civiele vordering in twee feitelijke instanties kent ons recht dus niet. De omstandigheid dat de onderhavige aanvulling van de vordering niet in eerste aanleg is behandeld en dat daarop is niet in eerste aanleg is beslist behoeft dus niet aan ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij voor zover deze voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg is aangevuld, in de weg te staan.

10. Het voorgaande betekent inderdaad dat een nadelig gevolg van een verzuim van het openbaar ministerie – behandeling van de vordering in één feitelijke instantie – voor rekening van de verdachte komt. Daar staat tegenover dat de benadeelde partij dit gevolg ook draagt en bovendien de door het middel voorgestane niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij meebrengt dat de benadeelde partij andere gevolgen van dit verzuim zou moeten dragen. Die andere gevolgen bestaan hierin dat de benadeelde partij de vordering voor wat betreft de immateriële schade bij de civiele rechter moet aanbrengen en dus in zoverre niet kan profiteren van de aanzienlijke voordelen van behandeling van de vordering in het strafgeding, zoals besparing van kosten van het geding en versterking van de toewijzing van de vordering met een schadevergoedingsmaatregel met in voorkomende gevallen (vgl. art. 36f lid 7 Sr) een door de Staat te betalen voorschot op het toegewezen bedrag. Deze gevolgen wegen mijns inziens zwaarder dan het door verdachte te lijden verlies van instantie, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat de benadeelde partij dit gevolg ook lijdt.

11. Ten slotte merk ik op dat noch verdachte noch zijn raadsman in hoger beroep bij wege van subsidiair verweer de aanvullende vordering heeft bestreden.

12. Het middel faalt.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:557 (niet gepubliceerd), waarin de omstandigheid dat de rechter in eerste aanleg had verzuimd over de vordering van de benadeelde partij te beslissen er niet aan in de weg stond dat het Hof over die vordering voor het eerst in hoger beroep besliste. Zie voorts HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1812.

2 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/168. H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel, vierde druk, Kluwer Deventer 2009, p. 10 reppen van de spanning tussen het beginsel van twee volledige instanties en het beginsel van de devolutieve werking, met name bij de behandeling in appel van nova, zoals o.m. vermeerdering van eis.