Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:401

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-02-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
14/05472
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:926, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz. Recht op schadeloosstelling na overschrijding beslistermijn door rechter, art. 35 Wet Bopz, art. 5 lid 5 EVRM. Immaterieel nadeel als gevolg van onzekerheid over rechtmatigheid gedwongen verblijf in psychiatrisch ziekenhuis (HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR1996:ZC2229, NJ 1997/682). Is art. 4 ATW van toepassing op beslistermijn? Vervolg op HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1260.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/05472 Mr. F.F. Langemeijer

13 februari 2015 Conclusie inzake:

[de betrokkene]

tegen

de advocaat-generaal bij het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden

In deze zaak gaat het om een verzoek om schadevergoeding op grond van art. 35 Wet Bopz en, in dat kader, om de beslistermijn in Bopz-zaken.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende1:

1.1.1.

Bij beschikking van 11 december 2012 heeft de rechtbank te Zutphen een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis voor het tijdvak tot en met 11 maart 2013.

1.1.2.

Bij beschikking van 12 maart 2013 heeft de toenmalige rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, een onderzoek bevolen door een deskundige naar de stoornis van betrokkene en het eventueel daaruit voortvloeiende gevaar. De rechtbank heeft een deskundige benoemd.

1.1.3.

Het deskundigenbericht is ter griffie van de rechtbank ingekomen op 11 april 2013.

1.1.4.

Bij beschikking van 30 mei 2013 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor het tijdvak tot en met 12 maart 2014. De rechtbank heeft het verzoek van betrokkene om een schadevergoeding2 afgewezen.

1.1.5.

Bij beschikking van 15 november 20133 heeft de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep voor zover dit was gericht tegen de afwijzing van de verzochte schadevergoeding. De Hoge Raad heeft de beschikking van de rechtbank van 30 mei 2013 vernietigd voor zover de rechtbank de verzochte machtiging had verleend voor het tijdvak tot en met 12 maart 2014. De Hoge Raad wees de zaak terug naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Daarbij heeft hij het volgende overwogen:

“3.3.2. Op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf dient de rechtbank volgens art. 17 lid 2 Wet Bopz te beslissen binnen een termijn van vier weken nadat het verzoekschrift is ingediend. Aan overschrijding van deze termijn verbindt art. 48 lid 1 Wet Bopz het gevolg dat de geneesheer-directeur betrokkene op diens verzoek ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleent.

Indien op verzoek van betrokkene een deskundige wordt benoemd, dient de rechtbank haar beslissing op het verzoek van de officier van justitie aan te houden totdat het deskundigenbericht is ingekomen. De Wet Bopz bepaalt evenwel niet binnen welke termijn de rechtbank beslist nadat het deskundigenbericht is ingekomen (…). Niettemin is de rechter ook in een dergelijk geval gehouden, mede gezien art. 5 lid 4 EVRM, te bevorderen dat op korte termijn wordt beslist, teneinde het uit een oogpunt van rechtsbescherming onaanvaardbare gevolg te voorkomen dat (zeer) geruime tijd verstrijkt voordat wordt geoordeeld over het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf (vgl. HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1040). Daarbij is van belang dat art. 48 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat de geneesheer-directeur betrokkene op diens verzoek geen ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleent, indien de rechter de beschikking niet binnen de gestelde termijn heeft gegeven ten gevolge van het horen van een deskundige op verzoek van betrokkene.

Op grond van het vorenstaande heeft in een geval als het onderhavige te gelden dat de rechtbank op het verzoek van de officier van justitie dient te beslissen binnen vier weken nadat het deskundigenbericht ter griffie is ingekomen.

3.3.3.

Uit het voorgaande volgt dat het onderdeel slaagt voor zover het erover klaagt dat de rechtbank niet op het verzoek van de Officier van Justitie heeft beslist binnen vier weken nadat het deskundigenbericht ter griffie is ingekomen. (…)”

1.1.6.

Bij tussenbeschikking van 28 november 2013 heeft de rechtbank Gelderland de officier van justitie in de gelegenheid gesteld een nieuwe geneeskundige verklaring over te leggen en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.1.7.

Bij beschikking van 13 december 20134 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 11 maart 2014. Inmiddels is het voortgezet verblijf verlengd tot en met 11 maart 2015.

1.2.

Betrokkene is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden alsnog5 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Gelderland van 30 mei 2013 voor zover zijn verzoek tot schadevergoeding is afgewezen. De advocaat-generaal in het ressortsparket is ter zitting van het hof verschenen. Het hof heeft de beschikking van 30 mei 2013, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd bij beschikking van 31 juli 20146.

1.3.

Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. Namens de advocaat-generaal in het ressortsparket is in cassatie een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

In dit stadium is uitsluitend nog het verzoek om schadevergoeding aan de orde. Het hof neemt, in het voetspoor van de hiervoor aangehaalde beschikking van de Hoge Raad, tot uitgangspunt dat de rechtbank een beslissing op het verzoek om een voortgezette machtiging had behoren te nemen uiterlijk vier weken na de dag waarop het deskundigenbericht ter griffie was ontvangen (11 april 2013 plus vier weken). De redengeving van het hof valt uiteen in twee elementen. In de eerste plaats stelt het hof vast dat, met inachtneming van het bepaalde in de Algemene Termijnenwet, niet donderdag 9 mei 2013, maar maandag 13 mei 2013 de dag was waarop deze beslistermijn verstreek (rov. 5.3). Omtrent de zeventien dagen die dan overblijven tussen het verstrijken van de beslistermijn en de datum waarop de rechtbank haar beschikking heeft uitgesproken (30 mei 2013) overwoog het hof samengevat:

a. dat de enkele omstandigheid dat een procedureel verzuim is begaan niet voldoende is: betrokkene dient aannemelijk te maken dat hij enige schade heeft geleden;

b. dat de mededeling van de raadsman ter zitting dat verzoeker in onzekerheid heeft verkeerd en heeft geleden onder alle procedures niet toereikend is;

c. dat de mededeling van betrokkene ter zitting dat hij het niet eens is met de verleende machtiging en graag een ‘spaarpotje’ zou hebben voor als hij niet langer in de inrichting behoeft te verblijven, niet toereikend is;

d. dat het niet gaat om een vrijheidsbeneming die achteraf beschouwd niet had behoren plaats te vinden of die langer heeft geduurd dan zonder dit procedureel verzuim: uiteindelijk is zelfs een machtiging verleend tot en met 11 maart 2015.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval kan worden volstaan met de constatering in rechte dat na ontvangst van het deskundigenbericht op 11 april 2013 niet tijdig is beslist (rov. 5.5).

2.2.

Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.5 en, naar ik aanneem, tegen de daarop voortbouwende gevolgtrekking in rov. 5.6. De klacht houdt in dat de rechtbank miskent dat in dit geval de schending van art. 5 lid 4 EVRM vaststond. Weliswaar is juist dat de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf uiteindelijk is toegewezen, maar dit neemt volgens het middelonderdeel niet weg dat betrokkene te lang op de beslissing heeft moeten wachten en in onzekerheid heeft verkeerd. Art. 35 Wet Bopz, in verbinding met art. 5 lid 5 EVRM, geeft een recht op vergoeding. De toelichting op deze klacht wijst op de compensatie die in het strafrecht (in de vorm van strafvermindering) en in het vreemdelingenrecht (in geld) wordt gegeven voor een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Voorts wijst de toelichting op een rapport van de toenmalige Europese Commissie voor de rechten van de mens d.d. 10 februari 1993 (P.J.B. tegen Nederland; appl. no. 15672/89)7.

2.3.

Art. 5 lid 5 EVRM bepaalt dat een ieder, die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, recht heeft op schadeloosstelling. Mede ter uitvoering van deze verdragsbepaling is in art. 35 Wet Bopz geregeld dat indien degene ten aanzien van wie door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een der machtigingen als bedoeld in hoofdstuk II van deze wet, nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen, vervat in dit hoofdstuk, niet in acht heeft genomen, de rechter op verzoek aan de betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent ten laste van de Staat.

2.4.

In de memorie van toelichting is ten aanzien van art. 35 Wet Bopz vermeld:

“In artikel 35 van het wetsvoorstel is derhalve een bepaling opgenomen die voorziet in de mogelijkheid van een eenvoudige procedure ter verkrijging van schadevergoeding van de Staat in de gevallen dat een tot de rechter of de officier van justitie gericht voorschrift dat betrekking heeft op de procedure inzake het verlenen van een der machtigingen als bedoeld in de Wet BOPZ (…) niet in acht is genomen en deze niet-in-achtneming nadeel voor de betrokkene tot gevolg heeft gehad. (…)

Mogelijk is echter dat immateriële schade is geleden door het procedureel verzuim. De schade kan bij voorbeeld daarin bestaan dat ten gevolge van het niet-horen door de rechter de betrokkene de indruk heeft kunnen krijgen dat aan zijn zienswijze niet de nodige aandacht is besteed. Ook termijnoverschrijding door de officier van justitie kan onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot het toekennen van schadevergoeding. Het nadeel kan bestaan in een onredelijk lange termijn van onzekerheid voor de betrokken patiënt. Uiteraard zal niet elke onregelmatigheid in de procedure nadeel toebrengen aan de betrokkene. Dit staat van geval tot geval ter beoordeling van de rechter. (…)

Aangezien de kwalificatie slachtoffer in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag [lees: het EVRM], slechts van toepassing kan zijn, indien enig nadeel is geleden, moet worden aangenomen dat deze verdragsrechtelijke aanspraak op schadevergoeding slechts ontstaat in de gevallen dat enig nadeel, daaronder begrepen immateriële schade, voor de betrokkene uit het niet in acht nemen van een nationaal voorschrift is voortgevloeid.”8

2.5.

Voor toekenning van een vergoeding op grond van art. 5 lid 5 EVRM is vereist dat de betrokkene enig nadeel heeft geleden door een schending van een in artikel 5 beschermd recht; dat nadeel kan immaterieel van aard zijn. Deze uitleg vindt steun in een uitspraak van het EHRM van 27 september 1990. In die zaak, waarin de verdragsschending was gelegen in de afwezigheid van een griffier ter zitting, overwoog het EHRM dat zonder geleden schade weliswaar sprake kan zijn van een slachtoffer (‘victim’ ) van schending van een in het EVRM beschermd recht, “but there can be no question of ‘compensation’ where there is no pecuniary or non-pecuniary damage to compensate” 9. Het EHRM overwoog in die zaak dat de afwezigheid van de griffier voor klager enige frustratie kan hebben opgeleverd, maar niet in die mate dat toekenning van een schadevergoeding gerechtvaardigd was:

“The sole breach found by the Court in this case lay in the absence of a registrar at the hearing before the President of the District Court. It may have left the applicant with a certain feeling of frustration, but not to the extent of justifying the award of compensation; the finding of a violation of Art. 5 constitutes in itself just satisfaction in this respect.” (rov. 41).

De nakoming van art. 5 lid 5 EVRM door de verdragsstaten luistert nauw10.

2.6.

In de nationale rechtspraak kwam art. 35 Wet Bopz aan de orde in een geval waarin de rechtbank op 26 juli 1994 een machtiging tot voortgezet verblijf had verleend. De Hoge Raad had op 28 oktober 1994 deze beschikking vernietigd wegens schending van art. 8 lid 1, in verbinding met art. 17 lid 1, Wet Bopz. Op 23 november 1994 verleende de rechtbank wederom een machtiging tot voortgezet verblijf. De patiënt verzocht op de voet van art. 35 Wet Bopz een schadevergoeding op de grond dat hij als gevolg van de genoemde schending nadeel heeft geleden, te weten immateriële schade doordat hij gedurende de periode van 26 juli 1994 tot 23 november 1994 in het onzekere had verkeerd omtrent de rechtmatigheid van zijn gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, waardoor bij hem spanningen en frustraties zijn ontstaan. De Hoge Raad overwoog in die schadevergoedingszaak11:

“3.3 (…) Voorop moet worden gesteld dat bij de toekenning 'naar billijkheid' van schadevergoeding op de voet van art. 35 Bopz de rechter niet gebonden is aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW. Zulks vloeit voort uit de strekking van art. 35, waarmee mede beoogd is te voldoen aan art. 5 lid 5 EVRM, dat bepaalt dat een ieder die het slachtoffer is geweest van een detentie in strijd met de bepalingen van art. 5 leden 1 – 4 EVRM recht heeft op schadeloosstelling, en waarvan moet worden aangenomen dat het tenminste recht geeft op een billijke genoegdoening als bedoeld in art. 50 EVRM12.

Dit brengt mee dat, daargelaten of art. 6:106 BW dit zou toelaten, in elk geval op de voet van art. 35 Bopz een vergoeding kan worden toegekend ter zake van het nadeel, bestaande in het gedurende een bepaalde periode in onzekerheid verkeren als in het verzoek van de betrokkene bedoeld, waardoor in die periode spanningen en frustraties zijn ontstaan.

De vaststelling van het bedrag van een dergelijke vergoeding dient te geschieden met inachtneming van de algemene regels betreffende de begroting van schade. Deze begroting dient, in de bewoordingen van art. 6:97 BW, plaats te vinden op de wijze die het meest met de aard van de schade in overeenstemming is. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een genoegdoening ter zake van het in de hiervoor bedoelde periode in onzekerheid verkeren en de daaruit voortvloeiende spanningen en frustraties. Een hierop gerichte vergoeding laat zich slechts intuïtief schatten en een dergelijke schatting behoeft in beginsel geen nadere motivering. Ook gelden hier niet de gewone regels van stelplicht en bewijslast.

Vergelijking met wat gebruikelijk is bij de toepassing van art. 89 Sv., kan daarbij niet als richtlijn dienen. Deze bepaling richt zich immers, voor zover hier van belang, op vergoeding van de schade die het gevolg is van een achteraf onjuist gebleken toepassing van voorlopige hechtenis. In een geval als het onderhavige gaat het echter niet om een vrijheidsbeneming die achteraf bezien niet had behoren plaats te vinden of die langer heeft geduurd dan zonder schending van de betrokken voorschriften zou zijn geschied, maar om de door de betrokkene aan zijn verzoek ten grondslag gelegde stelling dat hij gedurende een bepaalde periode in onzekerheid heeft verkeerd over wat in het verzoek is aangeduid als 'de rechtmatigheid' van zijn vrijheidsbeneming, waarmee kennelijk is bedoeld de onzekerheid omtrent de vraag of de rechter de gevorderde machtiging tot voortgezet verblijf uiteindelijk al of niet zou verlenen, welke verlening uiteindelijk wèl heeft plaatsgevonden. (…).

Voorts dient er rekening mee te worden gehouden dat in het enkele feit dat de rechter vaststelt dat inderdaad van een schending van de betrokken voorschriften sprake is geweest, reeds een zekere genoegdoening is gelegen, zoals ook uitgangspunt is van de rechtspraak van het EHRM op grondslag van art. 50 EVRM (Brogan e.a., 30 mei 1989, serie A no. 152–B, blz 45, par. 9; B. v. Austria, 28 maart 1990, serie A no. 175, blz. 20, par. 59; Wassink, 27 september 1990, serie A no. 185A, NJ 1991, 625, par. 41).(…)”

2.7.

In de rechtspraak over de schadevergoeding in geval van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, komt dezelfde gedachte terug: ook al heeft de betrokkene geen materiële schade geleden en ook al is er overigens geen sprake van immateriële schade (als bedoeld in art. 6:106 lid 1 BW), de omstandigheid dat het verdragsrechtelijk beschermde recht op een berechting binnen redelijke termijn is geschonden kan toch hebben geleid tot spanning of frustratie door het uitblijven van een rechterlijke beslissing en de daaruit voortvloeiende onzekerheid over het eigen lot. Naarmate de rechterlijke beslissing, waarop gewacht wordt, dieper ingrijpt in het persoonlijk leven kan de impact van het uitblijven van een rechterlijke beslissing groter zijn. De Hoge Raad heeft hieromtrent overwogen:

“Volgens vaste rechtspraak van het EHRM over art. 6 EVRM is immers uitgangspunt dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, hetgeen een grond vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade (zie onder meer EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, ECLI:NL:XX:2006:AX7382 (Riccardi Pizzatie tegen Italië)). Dit is ook voor het nationale recht de maatstaf (vgl. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360), en betekent dat geen stelplicht ter zake van zodanige schade rust op de partij die zich op schending van art. 6 EVRM beroept.”13

2.8.

In de rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam kwam art. 35 Wet Bopz onder meer aan de orde in een beschikking van 6 maart 201214. Het hof wees een verzoek om schadevergoeding af, hoewel sprake was van een termijnoverschrijding. Volgens het hof leidt het enkele feit dat sprake is geweest van een termijnoverschrijding niet zonder meer tot de aanwezigheid van nadeel. In dit verband achtte het hof van belang dat tussen de betrokken partijen niet in geschil was dat de gedwongen opname van de betrokkene in de betreffende periode noodzakelijk en gerechtvaardigd was, gelet op zijn stoornis en het daaruit voortvloeiend gevaar: er was daarom geen sprake van een achteraf onjuist gebleken vrijheidsberoving, zoals bedoeld in artikel 5 EVRM. Daarnaast was naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene als gevolg van de termijnoverschrijding in zodanige spanning en onzekerheid heeft verkeerd dat aanleiding bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding. Daarbij speelde het beperkte realiteitsbesef van de betrokkene als gevolg van zijn ziektebeeld een rol, alsook het feit dat ontslag uit de instelling niet in de lijn der verwachting lag, gelet op zijn ziekteverloop.

2.9.

In een beschikking van 24 april 201215 heeft het gerechtshof Amsterdam een verzoek tot schadevergoeding op grond van art. 35 Wet Bopz toegewezen. De betrokkene voerde aan dat een inbreuk op zijn rechten is gemaakt doordat hij onvrijwillig in een separeerruimte heeft gezeten van 1 april tot 13 april 2011 en dat hij in die periode in onzekerheid en frustratie heeft verkeerd. Het hof oordeelde dat een termijnoverschrijding vaststond en dat, achteraf bezien, geen sprake is geweest van een onjuist gebleken vrijheidsberoving. Het moest bovendien ervoor worden gehouden dat betrokkene gedurende deze periode op goede gronden was gesepareerd. Dat nam naar het oordeel van het hof niet weg dat betrokkene zich - met reden - gedurende dertien dagen gefrustreerd, gespannen en boos heeft gevoeld. Hij wenste te worden overgeplaatst, maar tegen hem was gezegd dat de mogelijkheid van een overplaatsing eerst op 1 april 2011 in het kader van de behandeling van de verlenging van de machtiging aan de orde zou komen. Door de aan het O.M. toe te rekenen te late indiening van het verzoek heeft de betrokkene in onzekerheid verkeerd of zijn machtiging tot voortgezet verblijf zou worden verlengd en wanneer een mogelijkheid van overplaatsing zich zou voordoen. Het hof kende voor dit geleden nadeel een schadevergoeding naar billijkheid toe van € 25,- per dag.

2.10.

In het algemeen rust op degene die schadevergoeding vordert een stelplicht ten aanzien van het bestaan van (materiële of immateriële) schade. De omstandigheid dat ‘een’ procedurevoorschrift niet is nageleefd, is op zich inderdaad niet voldoende om schadevergoeding toe te kennen. Wanneer echter vaststaat dat de beslistermijn is overschreden in een Bopz-zaak mag, net als bij een overschrijding van de redelijke termijn in art. 6 lid 1 EVRM, in beginsel worden verondersteld dat de betrokken persoon enig nadeel heeft geleden in de vorm van spanning en/of frustratie door het uitblijven van een rechterlijke beslissing over de vrijheidsbeneming of de voortzetting daarvan en de daaruit voortvloeiende onzekerheid over het eigen lot. Het oordeel van het hof, samengevat in alinea 2.1 onder a hiervoor, acht ik in zoverre rechtens onjuist.

2.11.

Het argument van het hof, samengevat in alinea 2.1 onder d, doet denken aan de rechtspraak in gevallen waarin schadevergoeding wordt verzocht nadat de bestuursrechter wegens een vastgestelde vormfout een besluit heeft vernietigd en het betrokken bestuursorgaan vervolgens – ditmaal zonder vormfout – een nieuwe beslissing heeft genomen met dezelfde materiële inhoud als het eerste besluit. Dan lukt het de betrokkene dikwijls niet om een oorzakelijk verband aan te tonen tussen de gemaakte vormfout en de gestelde schade: er wordt een vergelijking gemaakt met de denkbeeldige toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de fout niet zou zijn gemaakt. De rechter constateert dan dat de toestand waarin de betrokkene in werkelijkheid verkeert geen andere is dan die, waarin hij zou hebben verkeerd indien de fout niet zou zijn gemaakt en de juiste procedure zou zijn gevolgd.

2.12.

In de onderhavige schadeclaim zijn verschillende soorten schade onder een noemer gebracht. In de eerste plaats kan sprake zijn van een fout van de rechter of van de officier van justitie (in de vorm van het niet in acht nemen van een van de bepalingen in hoofdstuk II Wet Bopz) die tot gevolg heeft dat aan de betrokken persoon – achteraf beschouwd – te lang zijn vrijheid is ontnomen. Een onrechtmatige vrijheidsbeneming kan leiden tot materiële schade (bijv. inkomstenderving) of tot immateriële schade. Het hof heeft dit onderzocht, maar zulke schade niet toe te rekenen geacht omdat de vrijheidsbeneming uiteindelijk niet langer heeft geduurd dan het geval zou zijn geweest indien de fout niet zou zijn gemaakt en de rechtbank binnen vier weken na 11 april 2013 zou hebben beslist. Aan de toepassing van art. 5 lid 5 EVRM en aan de LOVS-normen komt het hof dan niet toe.

2.13.

Betrokkene heeft aangevoerd dat hij, als een gevolg van de overschrijding van de beslistermijn, te lang (in de redenering van het hof: 17 dagen te lang) in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de beslissing van de rechtbank over toe- of afwijzing van het verzoek van de officier van justitie om een machtiging tot voortgezet verblijf. Aan deze onzekerheid is een einde gekomen toen de rechtbank op 30 mei 2013 die machtiging verleende. Met het beëindigen van die onzekerheid op 30 mei 2013 was nog geen vergoeding gegeven voor de spanning en frustratie welke de betrokkene in het verleden, gedurende deze periode van 17 dagen, heeft ervaren door het uitblijven van de rechterlijke beslissing.

2.14.

In de derde plaats kan sprake zijn van een overschrijding van de door art. 6 lid 1 EVRM vereiste ‘redelijke termijn’. Bij beoordeling daarvan wordt zowel gelet op de afzonderlijke fasen van de procedure (in dit geval: de overschrijding van de beslistermijn van vier weken) als op de duur van de procedure in zijn geheel. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in art. 6 EVRM is in dit geding niet aan de orde: dat kan samenvallen met, maar is niet hetzelfde als, het in art. 35 Wet Bopz genoemde niet in acht nemen van een der bepalingen van Hoofdstuk II Wet Bopz.

2.15.

Het hof is van oordeel dat betrokkene uiteindelijk geen nadeel heeft geleden door het feit dat hij als gevolg van de overschrijding van de beslistermijn van vier weken na 11 april 2013) onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis is gehouden. Indien de Hoge Raad de bestreden beschikking zo verstaat dat het hof geen rekening heeft gehouden met de tijdelijke onzekerheid of frustratie die betrokkene gedurende deze 17 dagen heeft ondervonden, zou de beslissing niet in stand kunnen blijven. Volgens de Hoge Raad laat een genoegdoening ter zake van het in de hiervoor bedoelde periode in onzekerheid verkeren zich slechts intuïtief schatten (zie alinea 2.6 hiervoor). Indien de bestreden beschikking zo wordt opgevat dat het hof het door de onzekerheid tijdelijk geleden nadeel erkent, maar niettemin gronden van billijkheid aanwezig acht om de schadevergoeding op nihil te begroten, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, zou het hof zijn gebleven binnen de beoordelingsvrijheid die de feitenrechter toekomt. Dit laatste haal ik er niet uit. Het hof relativeert de betekenis van de stelling van de raadsman en eindigt met de constatering dat “in het onderhavige geval” kan worden volstaan met de constatering door de rechter van de termijnoverschrijding. Anders dan in de zaak waarop de uitspraak van de Hoge Raad van 13 december 1996 betrekking had, is in de onderhavige zaak geen enkele vergoeding aan betrokkene gegeven. Zou achter die beslissing de gedachte steken dat de overschrijding te gering is geweest om enigerlei vergoeding te rechtvaardigen (onzekerheid op niet meer dan 17 dagen), dan zou die gedachte blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de beschermende functie van de termijnregel in de Wet Bopz en omtrent de maatstaf in art. 35 Wet Bopz. Deze conclusie zal daarom strekken tot vernietiging van de bestreden beslissing en verwijzing16.

Beslistermijn

2.16.

Onderdeel II komt op tegen de vaststelling, in rov. 5.3, dat de beslistermijn van vier weken met 17 dagen is overschreden. Betrokkene houdt belang bij deze klacht, ongeacht het lot van onderdeel I. In het voetspoor van de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2013 is het hof ervan uitgegaan dat de rechtbank uiterlijk vier weken na de ontvangst van het deskundigenrapport behoorde te beslissen. Het hof constateert dat 9 mei 2013 (vier weken na 11 april 2013) was aangemerkt als een erkende feestdag. Op grond van art. 1 lid 1, in samenhang met art. 3 lid 1, van de Algemene Termijnenwet is de beslistermijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Vrijdag 10 mei 2013 was op grond van het ‘Besluit gelijkstelling met een algemeen erkende feestdag 2011-2013’ gelijkgesteld met een erkende feestdag, zodat de rechtbank uiterlijk op maandag 13 mei 2013 haar beslissing diende te geven.

2.17.

Het middelonderdeel klaagt dat dit oordeel in strijd is met art. 4, aanhef en onder c, van de Algemene Termijnenwet. Die bepaling houdt in dat deze wet niet geldt voor termijnen van vrijheidsbeneming17. Aan het slot van het cassatierekest is nog toegevoegd − zonder enige verdere uitwerking van dat standpunt − dat al zou de Algemene Termijnenwet van toepassing zijn, een beroep op art. 1 lid 1, in samenhang met art. 3 lid 1, ATW in strijd komt met art. 5 lid 4 EVRM.

2.18.

Het komt mij voor, dat het in cassatie bestreden oordeel niet betrekking heeft op een ‘termijn van vrijheidsbeneming’ als bedoeld in art. 4 Algemene Termijnenwet18. Het gaat in deze zaak om een tot de rechter gerichte beslistermijn. Op zo’n beslistermijn is in beginsel de verlengingsregeling van de Algemene Termijnenwet van toepassing19. De omstandigheid dat een overschrijding door de rechter van de beslistermijn tevens gevolgen heeft voor het voortduren van het feitelijk verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis, omdat de geneesheer-directeur in die situatie toepassing moet geven aan het bepaalde in art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz, maakt dit niet anders.

2.19.

De toepassing van art. 1 lid 1, in samenhang met art. 3 lid 1, ATW op de beslistermijn van vier weken (na ontvangst van het deskundigenrapport), in een geval waarin de betrokkene onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, acht ik in zijn algemeenheid niet onverenigbaar met art. 5 lid 4 EVRM. Dat artikellid bepaalt dat een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft voorziening te vragen bij het gerecht, opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt indien de detentie onrechtmatig is. In dit geval ligt er geen verzoek om invrijheidstelling van betrokkene, maar is het initiatief tot de procedure uitgegaan van de officier van justitie die een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. Ook dan geldt het vereiste van een spoedige rechterlijke beslissing20. De eisen ten aanzien van de te betrachten mate van spoed worden bepaald door de bijzondere omstandigheden van het geval21. Bij de toetsing aan art. 5 lid 4 EVRM let het EHRM niet alleen op de verschillende fasen van de procedure, maar ook op de totale duur van de procedure22. De slotsom is dat onderdeel II niet tot cassatie leidt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Zie de bestreden beschikking van het hof van 31 juli 2014, onder 3.1 - 3.4.

2 Betrokkene verzocht in eerste aanleg vergoeding van immateriële schade wegens de termijnoverschrijding, tot een bedrag van € 85,- voor iedere dag boven de vier weken tot aan de dag van de beslissing, zulks onder verwijzing naar de LOVS-normen (pleitnota 16 mei 2013, blz. 5).

3 ECLI:NL:HR:2013:1260, JVggz 2014/5 m.nt. W. Dijkers.

4 JVggz 2014/7 m.nt. W. Dijkers.

5 Vgl. HR 15 november 2013, reeds aangehaald, rov. 3.4: “Onderdeel II van het middel bestrijdt de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding. Aangezien tegen die beslissing hoger beroep openstond op grond van art. 358 lid 1 Rv, is betrokkene in zoverre niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Op grond van art. 340 Rv kan betrokkene alsnog hoger beroep instellen tegen de genoemde beslissing. De termijn van hoger beroep bedraagt ingevolge art. 358 lid 1 Rv drie maanden en vangt aan daags na de uitspraak in cassatie (zie HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7590).”

6 ECLI:NL:GHARL:2014:6136.

7 Op dit rapport was reeds een beroep gedaan in de appelschriftuur, punt 8. Ter onderbouwing van het verzochte bedrag werd t.a.p. aangevoerd dat het Comité van Ministers op 19 oktober 1994 naar aanleiding van dat rapport een vergoeding van f 2.000,- passend achtte in een geval, waarin 86 dagen lagen tussen het inleidend verzoek en de beslissing (nog onder vigeur van de vroegere Krankzinnigenwet). Rekening moet worden gehouden met de geldontwaarding sinds 1993. In het onderhavige geval, waarin er 294 dagen liggen tussen het inleidend verzoek en de uiteindelijke beslissing na verwijzing, maar de cassatietermijn (3 maanden) niet meetelt voor de redelijke termijn, kan volgens de raadsman van betrokkene worden uitgegaan van 200 dagen à € 25,-, in totaal € 5.000,-, dan wel van de LOVS-norm voor de dagvergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis na een vrijspraak (€ 85,- per dag), waarmee de schadevergoeding zou uitkomen op € 17.000,-.

8 MvT, Kamerstukken II, 1988-1989, 21 239, nr. 3, blz. 9 en 10.

9 EHRM 27 september 1990 (Wassink/Nederland), NJ 1991/625 m.nt. E.A. Alkema, rov. 38. Zie voorts: J.H. Gerards e.a. (red.), SDU Commentaar EVRM, deel 1, Materiële bepalingen, 2013, aant. C.8 bij art. 5 EVRM.

10 Zo moet de vergoeding effectief en meer dan slechts symbolisch zijn; zie de vindplaatsen in voetnoot 9.

11 HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682 m.nt. J. de Boer; zie hierover ook W.H. van Boom, A&V 1997/2, blz. 46 - 47.

12 Thans: art. 41 EVRM.

13 HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525 m.nt. P.C.E. van Wijmen en W.D.H. Asser.

14 ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5395, rov. 4.2.

15 ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0872, rov. 4.5.

16 Zo de Hoge Raad de zaak zelf zou willen afdoen: het hof rekende in een andere, hiervoor aangehaalde zaak met € 25,- per dag. De Centrale Raad van Beroep rekent voor het nadeel van onzekerheid door schending van de redelijke termijn met een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan; vgl. CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, JIN 2009/250 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik; CRvB 1 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3318.

17 Zo kent het Wetboek van Strafrecht bijvoorbeeld een afzonderlijk begrip “maand” in art. 88, in verbinding met art. 21 Sr: altijd 30 dagen.

18 Vgl. de MvT op de Algemene termijnenwet (Kamerstukken II 1962-1963, 7112, nr. 3, blz. 4): “Onder c zijn slechts termijnen van vrijheidsbeneming zelf bedoeld, derhalve niet termijnen die met vrijheidsbeneming verband houden (…)”.

19 Onder de vroegere Krankzinnigenwet heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de Algemene Termijnenwet van toepassing was, met inbegrip van de ‘weekend-verlenging’ als bedoeld in art. 3 lid 1 ATW: zie HR 31 augustus 1984, NJ 1985/52; conclusie A-G Ten Kate voor HR 8 april 1988, NJ 1988/684; zie ook de MvT op een wijziging van de Wet Bopz: Kamerstukken II 1988-1989, 21 239, nr. 3, blz. 16; W.J.A.M. Dijkers en T.P. Widdershoven (red.), De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl./online, aant. C.II.19. De memorie van toelichting op het thans bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel Wet verplichte ggz vermeldt dat de Algemene termijnenwet in beginsel van toepassing is op de termijn van de (in dat wetsvoorstel voorgestelde) crisismaatregel, de termijn van tijdelijke verplichte zorg en de zorgmachtiging met een maximale geldigheidsduur van zes maanden of langer; die in die wet worden gesteld, maar “onverkort van toepassing is op de overige termijnen korter dan drie maanden die deze wet stelt voor bijvoorbeeld de behandeling van verzoeken door de commissie en de rechter”. (MvT, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 399, nr. 3, blz. 53).

20 EHRM 24 juli 2001 (Rutten/Nederland, appl.no. 32605/96), rov. 52.

21 EHRM 21 oktober 1986 (Sanchez Reisse/Zwitserland, appl.no. 9862/82), NJ 1988/555, rov. 55.

22 Zie voor de verlenging van een terbeschikkingstelling (art. 509o e.v. Sv): EHRM 24 juli 2001 (Rutten/Nederland, appl.no. 32605/96), reeds aangehaald, rov. 54-55: tijdig verlenging gevorderd, maar schending van art. 5 lid 4 EVRM na een procedure van 2 maanden en 17 dagen in eerste aanleg en meer dan 3 maanden in appel. Zie voorts: EHRM 2 september 1998 (Erkalo/Nederland, appl.no. 32605/96), NJ 1999/624 m.nt. G. Knigge, een atypisch geval waarin het inleidend verzoekschrift bij justitie zoek was geraakt. Het EHRM kwam niet meer toe aan de klacht over schending van art. 5 lid 4 EVRM, nadat het een schending had aangenomen van het eerste lid van art. 5 EVRM wegens de lange periode waarin de betrokken gedetineerde, na het verstrijken van de voorafgaande tbs-termijn, in de tbs-kliniek gedetineerd was gehouden (rov. 60).