Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:392

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-02-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
14/01262
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:905, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Art. 77w Sr. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn door het multidisciplinaire team van de Raad opgemaakte rapport geadviseerd verdachte een gedragsmaatregel a.b.i. art. 77w Sr (GBM) op te leggen. De psycholoog heeft in zijn separaat opgemaakte rapport geconcludeerd dat het opleggen aan de verdachte van een GBM een te zware maatregel is. Het Hof heeft het advies van de Raad voor de Kinderbescherming gevolgd.

Het middel berust op de opvatting dat het onderhavige advies van de Raad voor de Kinderbescherming moet worden ondersteund door een separaat advies met een gelijkgerichte conclusie van een gedragsdeskundige. Die opvatting is onjuist. Tekst noch strekking van art. 77w.2 Sr rechtvaardigt die opvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/91 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01262 J

Zitting: 10 februari 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 17 december 2013 door het Gerechtshof Amsterdam wegens (zaak A) “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, (zaak B) 1. “medeplegen van opzetheling” en 2. primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie. Voorts heeft het Hof de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM)1 opgelegd voor de duur van 12 maanden en daarbij bepaald dat deze maatregel zal bestaan uit (i) het zich houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, (ii) het meewerken aan begeleiding door Spirit in het kader van IFA en aan behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, zolang Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam dat nodig acht, (iii) het volgen van onderwijs en het meewerken aan een zinvolle vrijetijdsbesteding en (iv) het zich niet meer schuldig maken aan strafbare feiten, subsidiair vier maanden (vervangende) jeugddetentie. Voorts heeft het Hof de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van een eerder aan verzoeker voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 40 uren afgewezen en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 14/01262J en 14/01259. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het Hof bij de oplegging van de GBM art. 77w, tweede lid, Sr heeft geschonden, nu het advies van de Raad voor de Kinderbescherming niet wordt “ondersteund” door het advies van een gedragsdeskundige.

5. Het Hof heeft de oplegging van de jeugdmaatregel GBM als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op een de verdachte betreffend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 14 februari 2013, op de de verdachte betreffende rapporten van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam van 29 januari 2013 en 9 september 2013 en op het psychologisch pro justitia rapport van 18 oktober 2013 en op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2013 ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte door de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming is medegedeeld.

Ten nadele van de verdachte weegt het hof mee dat hij, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 november 2013, eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld.

Het hof is, gelet op genoemde rapporten, in samenhang met hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is medegedeeld, van oordeel dat het recidiverisico zonder begeleiding en behandeling groot is en dat behandeling in het kader van een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige de beste manier is om de ontwikkeling van de verdachte ten goede te keren. Naar het oordeel van het hof geven de ernst van de begane misdrijven en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan aanleiding tot het opleggen van deze maatregel. Bovendien acht het hof deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Alles afwegende acht het hof, nu aan de wettelijke criteria is voldaan en gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, een jeugddetentie van na te melden duur in combinatie met de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige van na te melden duur passend en geboden.”

6. Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2013 is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal onder meer het volgende aan de orde geweest:

“De voorzitter deelt mede dat is binnengekomen een pro justitia rapport van 18 oktober 2013, opgemaakt door drs. M.C. Schipper, gezondheidszorgpsycholoog.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld en het niet eens te zijn met de opgelegde maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM).

De verdachte, door de voorzitter met inachtneming van het bepaalde in de desbetreffende artikelen van het Wetboek van Strafvordering ondervraagd, verklaart - zakelijk weergegeven - dat hij zich ten aanzien van de feiten op zijn zwijgrecht beroept.

Ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden verklaart de verdachte - zakelijk weergegeven - het volgende:

In het rapport van psycholoog Schipper van 18 oktober 2013 staat dat een GBM een te zware, niet passende maatregel is en dat ik op dit moment goed meewerk. Ik heb gesprekken bij de Waag gehad en heb contact met Spirit in het kader van IFA. Het contact met [betrokkene 1] in het kader van IFA is goed verlopen. Op dit moment heb ik geen contact met [betrokkene 1], omdat hij het resultaat van deze zitting wil afwachten. Het gaat om de vraag of mij al dan niet een GBM wordt opgelegd. [betrokkene 1] heeft toegezegd weer contact met me op te nemen als de uitkomst bekend is.

Bij de Waag kan ik goed praten over alles. Over school bijvoorbeeld. Eerst wilde ik dat eerlijk gezegd niet, maar heb het toch gedaan.

U houdt mij voor dat uit het psychologisch rapport naar voren komt dat uit de afgenomen tests bleek dat ik op zwakbegaafd niveau functioneer, met een disharmonisch intelligentieprofiel, waarbij ik bijvoorbeeld een goed geheugen voor cijfers en letters heb, maar andere dingen moeilijk kan onthouden. De psycholoog die dat heeft opgeschreven kwam maar een paar keer langs. Ik vond het een beetje moeilijk, maar niet echt. Het valt wel mee.

Het ging goed bij [betrokkene 1]. De begeleiding zou nu eigenlijk al zijn afgelopen, als deze zaak er niet bij was gekomen. Maar ik wil het liefst geen GBM, dat is ook de reden dat ik in hoger beroep ben gegaan. Het ergste van de GBM vind ik dat ik mijn vrijheid kwijtraak.

[betrokkene 2] deelt als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming – zakelijk weergegeven - het volgende mede:

De Raad was bezig met het opmaken van een nieuw rapport, naar aanleiding van het recente psychologische onderzoek. De Raad vernam helaas pas vanochtend dat de zitting vandaag was.

Het onderzoek van de Raad bevond zich wel in de afrondende fase. Wij hebben de informatie uit de bestaande rapporten gebruikt. Daarnaast hebben we contact gehad met Bureau Jeugdzorg en met [betrokkene 1] van Spirit. Met het oog op de behandeling van vandaag hebben we vanochtend bij elkaar gezeten en een visie gevormd. De Raad onderschrijft nog steeds het vorige advies. De GBM biedt naar de mening van de Raad het best passende kader. De verdachte heeft veel baat bij structuur en duidelijkheid. Dat is wat de GBM kan bieden, net als strak toezicht.

Vanaf september 2013 is de verdachte de afspraken bij de Waag niet meer nagekomen. Daaruit blijkt dat het voor de verdachte bij het ontbreken van een dwingend kader toch lastig is om het vol te houden. Langdurige en intensieve begeleiding is noodzakelijk.

Het is belangrijk dat een hulpverlener een goed contact met de verdachte opbouwt, omdat de verdachte wantrouwend is richting hulpverlening. Daar is tijd voor nodig en de GBM biedt daarvoor de ruimte. Binnen het kader van een GBM kan behandeling bij de Waag worden uitgevoerd en daarnaast kan de verdachte praktische ondersteuning worden geboden.

De Raad kan zich vinden in de vorm waarin de rechtbank de GBM heeft opgelegd.

Uit het huidige raadsonderzoek is naar voren gekomen dat het op school niet goed gaat. Er is veel verzuim. De school kan zich slecht een beeld vormen van de verdachte. Dat is recente informatie.

Ook op dat gebied is het belangrijk dat er een strakker kader komt. Het is een risicogebied.

Het voordeel van de GBM is dat er een time-out mogelijkheid is. Dat kan bij de verdachte goed werken, juist rekening houdend met zijn verstandelijke beperking. Bij een GBM is de kans kleiner dat de zaak terug wordt gemeld en de verdachte in detentie terechtkomt. Bij de GBM zoals door de Raad voorgesteld en door de rechtbank opgelegd blijft de verdachte gewoon thuis wonen.

Ik weet dat psycholoog Schipper adviseert dat een GBM te zwaar is, omdat het risico bestaat dat de verdachte zou worden overvraagd. De Raad denkt juist dat de GBM veel duidelijkheid en helderheid biedt. Er is één centrale contactpersoon, in persoon van de jeugdreclasseerder.

Daarnaast is er behandeling bij de Waag en contact met IFA. Er zijn dus niet teveel verschillende mensen die zich met hem bemoeien.

De voorwaarden zijn bij de GBM en de voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden hetzelfde. Het kader van de GBM is echter strakker en sturender. De Raad denkt dat hij dat nodig heeft, omdat hij zelf niet gemotiveerd is. De Raad is niet bang dat de GBM te complex en te veeleisend is. De Raad denkt juist dat de GBM veel helderheid en duidelijkheid verschaft. En het voordeel is dat kan worden gewerkt met een time-out, waardoor de hulpverlening door kan lopen. Als het fout gaat bij een voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden, wordt de zaak teruggemeld en stopt de hulpverlening.

De inhoud van de GBM kan gedurende de looptijd steeds worden bijgesteld. Op die manier kan de jeugdreclasseerder in overleg met de Waag en IFA vorm geven aan [het] behandeltraject.”

7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2013 kan worden afgeleid dat Schipper (kennelijk) geen deel uitmaakte van het multidisciplinaire team van de Raad voor de Kinderbescherming en dat deze gedragsdeskundige separaat een pro justitia rapport heeft opgemaakt met als conclusie dat een GBM in het geval van verzoeker een te zware jeugdsanctie is vanwege “het risico van overvraging” bij verzoeker en met het advies om de begeleiding en behandeling van verzoeker voort te zetten en te laten plaatsvinden in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf.2 Deze conclusie heeft de Raad voor de Kinderbescherming niet tot een ander inzicht gebracht. De Raad voor de Kinderbescherming blijft op de door [betrokkene 2] genoemde argumenten bij zijn eerder advies om ten aanzien van verzoeker juist wel de GBM op te leggen.

8. Op het punt van de voor verzoeker meest passende jeugdsanctie lopen de meningen van de Raad voor de Kinderbescherming en Schipper uiteen en kan inderdaad worden vastgesteld dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming niet wordt ondersteund door de gedragsdeskundige Schipper.

9. Daarmee zeg ik, anders dan de steller van het middel, echter nog niet dat dus in het onderhavige geval een het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunend oordeel van een gedragsdeskundige ontbreekt. Een blik door de ramen van de papieren muur3 laat namelijk zien dat bij de totstandkoming van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming tenminste twee gedragsdeskundigen betrokken zijn geweest. Ik noem als eerste drs. M.S. Vreeburg, toen GZ-psycholoog i.o. Zij heeft het eerdere advies, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming ook na het uitbrengen van het rapport van de gedragsdeskundige Schipper blijft, ondertekend. Voor zover de aanduiding i.o. hier niet voldoende gewicht in de schaal zou leggen, merk ik op dat dit advies mede is ondertekend door de GZ-psycholoog drs. J. Hessels onder wier verantwoordelijkheid Vreeburg haar werk in deze zaak heeft gedaan. Daarbij merk ik op dat het rapport-Schipper is opgemaakt nadat de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg was afgesloten en dat (niettemin) ook de Rechtbank de GBM had opgelegd, daarbij expliciet verwijzend naar de adviesrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming en de hoedanigheid van de opstellers daarvan (vonnis van 2 april 2013, p. 15).4

10. Het voorgaande betekent dat het bepaalde in art. 77w, tweede lid, Sr wel degelijk is nageleefd en dat het middel feitelijke grondslag mist.

11. Het middel mist reeds om die reden het beoogde doel.

12. Dat neemt niet weg dat in het middel een interessante rechtsvraag besloten ligt, die naar mijn mening tot enige beschouwingen ten overvloede uitdaagt: kan een tot een GMB strekkend advies van de Raad voor de Kinderbescherming ook zonder ondersteuning van een gedragsdeskundige door de rechter worden opgelegd? Ook al doet deze situatie zich in de onderhavige zaak niet voor, ik veroorloof mij de vrijheid om op die rechtsvraag nader in te gaan.

13. Volgens de tenlastelegging zijn de door verzoeker begane feiten gepleegd in (zaak A) november 2011 en in (zaak B) april en mei 2012. Sindsdien is art. 77w Sr enkele malen gewijzigd, laatstelijk bij Wet van 27 november 2013 (Stb. 485). Toen is aan het tweede lid een (derde) volzin toegevoegd, die er nu even niet toe doet. Art. 77w, tweede lid, Sr luidde ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten:

“2. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de raad voor de kinderbescherming, dat wordt ondersteund door ten minste een gedragsdeskundige. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.”

14. In het oorspronkelijk wetsvoorstel was nog niet opgenomen de zinsnede dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming moet worden ondersteund door ten minste één gedragsdeskundige. De Memorie van Toelichting zegt daarover het volgende:

“De raad adviseert de rechter in het algemeen over een passende reactie op het strafbare feit. De maatregel betreft het gedrag van de jeugdige. De rechter geeft in zijn uitspraak aan waar de maatregel uit bestaat. Het advies van de raad zal daarvoor de vereiste informatie moeten bevatten. Wanneer de problematiek van de jeugdige aanleiding geeft ter invulling van de gedragsmaatregel een vorm van jeugdzorg in de zin van de Wet op de jeugdzorg te overwegen, pleegt de raad overleg met het bureau jeugdzorg. Het bureau jeugdzorg wordt hierdoor in staat gesteld – indien het een vorm van jeugdzorg aangewezen acht – overeenkomstig de Wet op de jeugdzorg voorafgaand aan de uitspraak van de rechter een indicatiebesluit af te geven. Als een andere vorm van begeleiding of training wenselijk wordt geacht, zal de raad hierover overleg plegen met de jeugdreclassering omdat deze belast is met de voorbereiding en ondersteuning daarvan. De raad kan vervolgens mede op basis van deze inbreng de rechter adviseren.”5

Vragen van leden van de PvdA-fractie worden in de Nota naar aanleiding van het Verslag door de minister van Justitie als volgt beantwoord:

“Deze leden [van de PvdA-fractie, AG] constateren dat het wetsvoorstel voorziet in een procedure met het vereiste dat de rechter alvorens de maatregel op te leggen een met redenen omkleed advies inwint bij de raad voor de kinderbescherming. Zij vragen of het advies aan de rechter door de raad voor de kinderbescherming door een multidisciplinair team wordt opgesteld, opdat vervolgens in het oordeel van de rechter het beste kan worden aangesloten bij de persoon van de dader. Gelet op de zwaarte van de gedragsmaatregel (diverse programma’s gedurende minimaal een half jaar tot maximaal één jaar) zal het raadsadvies door een multidisciplinair team worden opgesteld. Dit betekent een grotere inzet van gedragsdeskundigen en juridisch deskundigen dan bij andere jeugdstrafzaken. De werkwijze om te komen tot een advies voor oplegging van de PIJ-maatregel kan model staan voor de raadsadvisering bij de gedragsmaatregel. Voor de PIJ-maatregel is bepaald dat de rechter deze jeugdmaatregel pas oplegt na advisering door minimaal twee gedragsdeskundigen. Bij de gedragsmaatregel acht ik advisering door één gedragsdeskundige in beginsel toereikend.

De leden aan het woord stellen vragen hoe wordt omgegaan met jeugdigen die blijven ontkennen of niet mee willen werken aan het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming. De voorgestelde regeling gaat niet uit van een bekentenis van het strafbare feit, noch van de instemming of bereidheid van de jeugdige voordat de maatregel kan worden opgelegd. Ook bij een jeugdige die het feit ontkent of die niet heeft meegewerkt kan de rechter derhalve overgaan tot het opleggen van de maatregel (vanzelfsprekend mits het feit bewezen is en de jeugdige hiervoor strafbaar). Wanneer de jeugdige evenwel niet heeft willen meewerken aan het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming kan afgevraagd worden of de rechter over voldoende informatie beschikt om weloverwogen de gedragsmaatregel op te leggen. Omdat de maatregel gericht is op gedragsbeïnvloeding zal een zekere bereidheid tot deelname gewenst zijn. Tot welke juridische conclusie het ontbreken van de bereidheid tot medewerking zal leiden is aan de rechter. Hij zal moeten beoordelen of er ondanks zo’n weigering ruimte is voor oplegging van de nieuwe maatregel of dat de zaak met een van de bestaande sancties, bijvoorbeeld jeugddetentie of de PIJ-maatregel, moet worden afgedaan.

(…)

De leden van de PvdA-fractie stellen een aantal vragen met betrekking tot de «vrijwilligheid» bij methoden van gedragsbeïnvloeding, waarbij medewerking van gezin of sociale omgeving is vereist. Op grond van het enkele feit dat anderen dan de jeugdige – zoals de sociale omgeving of het gezin – niet voldoende of helemaal niet meer willen meewerken, mag niet worden geoordeeld dat de jeugdige niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van de gedragsmaatregel. Voordat de maatregel wordt opgelegd, worden zoveel mogelijk de betrokkenheid en bereidwilligheid van anderen dan de jeugdige in kaart gebracht. De raad voor de kinderbescherming zal in het kader van zijn adviserende taak een inschatting maken en ook het bureau jeugdzorg zal – voor zover de maatregel jeugdzorg zal inhouden – dergelijke omstandigheden betrekken bij het opstellen van het indicatiebesluit. Aangenomen mag worden dat zowel de raad voor de kinderbescherming als het bureau jeugdzorg voldoende deskundigheid in huis hebben om deze inschatting adequaat te kunnen maken.”6

Bij Nota van wijziging wordt het oorspronkelijk wetsvoorstel als volgt gewijzigd:

“In artikel 77w, tweede lid, eerste volzin, wordt na de woorden «raad voor de kinderbescherming» ingevoegd: , dat wordt ondersteund door ten minste een gedragsdeskundige.

(…)

Voor de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is in artikel 77s, tweede lid, bepaald dat de rechter deze maatregel slechts oplegt na advisering door twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines.

Gelet op de aard en de zwaarte van de gedragsmaatregel ligt het voor de hand dat het advies van de raad voor de kinderbescherming wordt opgesteld door een multidisciplinair team waar ten minste één gedragsdeskundige deel van uitmaakt. Voor de duidelijkheid aan de praktijk en voor een helder onderscheid met de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, wordt thans voorgesteld in artikel 77w vast te leggen dat het advies van de raad voor de kinderbescherming wordt ondersteund door ten minste één gedragsdeskundige van de raad.”7

15. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming dient ingevolge art. 77w, tweede lid, Sr dus te worden ondersteund door ten minste één gedragsdeskundige. Waarom in de wettekst zelf zo nadrukkelijk het woord “ondersteund” is opgenomen en wat de toegevoegde waarde daarvan in de optiek van de wetgever is, heb ik in de wordingsgeschiedenis van deze wetsbepaling niet kunnen achterhalen. Hoe dit zij, het is in ieder geval een eis die enkel op de inhoudelijke consistentie - de innerlijke sterkte en samenhang - van het advies ziet. Ik neem dan ook aan dat de wetgever daarmee heeft willen bewerkstelligen dat het advies eenstemmig is8 en aan gezag wint nu het ook door een gedragsdeskundige, al dan niet deel uitmakend van het multidisciplinaire team, wordt onderschreven. De bedoeling van het advies is om met het oog op onder meer (naast de ernst van het feit) de jeugdige leeftijd en de persoonlijkheid van de verdachte de rechter zo goed mogelijk te informeren over de haalbaarheid en wenselijkheid van het toepassen van de GBM.

16. Maar wat als een dergelijke adhesiebetuiging ontbreekt? In dat geval is er sprake van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming – bijvoorbeeld strekkend tot oplegging van de GBM – dat kennelijk niet op instemming van een gedragsdeskundige heeft kunnen rekenen en in zoverre niet voldoet aan het in art. 77w, tweede lid, Sr verwoorde vereiste. Dat doet de vraag opkomen wat de consequentie daarvan zou moeten zijn.9 Dat de rechter dan de GBM niet zou kunnen opleggen? Zo een vergaand rechtsgevolg zou mede gelet op het sanctiestelsel voor jeugdigen (en overigens ook gezien dat voor volwassenen) wel heel bijzonder zijn om de hiernavolgende redenen.

17. Allereerst dwingen de tekst van art. 77w, tweede lid, Sr en de wordingsgeschiedenis van deze bepaling niet tot zo een rechtsgevolg, noch enige andere rechtsregel. En hoe waardevol en op deskundigheid gestoeld ook, het gaat hier uiteindelijk om niet meer dan een advies. De rechter heeft een eigen verantwoordelijkheid en is dan ook niet aan zo een advies gebonden.10 Het is om die reden dat de wetgever zich in dat opzicht van neutrale bewoordingen heeft bediend en wel aldus dat de rechter de maatregel slechts oplegt nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de Raad voor de Kinderbescherming, dat wordt ondersteund door ten minste één gedragsdeskundige. Met deze formulering heeft de wetgever kennelijk willen aanknopen bij die van art. 77s, tweede lid, Sr11: de rechter kan de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) opleggen indien hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, van wie er één psychiater is. Deze eis is aangaande de gedragsdeskundigheid van het advies zwaarder dan hetgeen art. 77w, tweede lid, Sr verlangt12, hetgeen zijn verklaring hierin vindt dat de PIJ-maatregel de zwaarste sanctie uit het sanctiearsenaal voor jeugdigen is. Art. 77s, tweede lid, Sr noch enige andere rechtsregel vereist echter dat de betrokkene eerst in een inrichting voor jeugdigen kan worden geplaatst indien het advies daartoe strekt. De rechter kan ook tot een dergelijke plaatsing overgaan als het advies van de gedragsdeskundigen anders luidt.13

18. Dat zal dan toch mutatis mutandis ook hebben te gelden voor de mindere zware GBM, lijkt mij, ook al meent Bartels, overigens zonder ondersteunende bronvermelding, dat de rechter deze gedragsmaatregel slechts kan opleggen “na een daartoe strekkend advies van de Raad voor de Kinderbescherming”.14 Of het wijs is om van een negatief advies af te wijken, is een andere vraag. De GBM moet natuurlijk wel praktisch uitvoerbaar zijn. In dat opzicht is de rechter, wil hij niet stuiten op de feitelijke onmogelijkheid om de GBM op zorgvuldige en effectieve wijze ten uitvoer te doen leggen, afhankelijk van een orgaan als de Raad voor de Kinderbescherming die nu eenmaal de expertise in huis heeft voor het ontwikkelen van realistische plannen, het invullen van een concreet en op de jeugdige lastpak afgestemd programma en een goede afstemming onder de verschillende partijen over de te bewandelen weg.15 Zo bezien, zou gezegd kunnen worden dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming dan misschien niet bindend is, leidend is het wel.

19. Dat betekent dat ook in het geval er (wel) een positief en uitgewerkt advies van de Raad voor de Kinderbescherming voorligt, het enkele feit dat ondersteuning van de zijde van een gedragsdeskundige ontbreekt de mogelijkheid van oplegging van de GBM niet uitsluit. Was in de onderhavige zaak het afwijkend advies van Schipper het enige advies van een gedragsdeskundige geweest, ook dan zou het middel naar mijn inzicht tevergeefs zijn voorgesteld.

20. Het middel faalt en kan naar mijn mening worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze gedragsmaatregel valt wat de zwaarte betreft te positioneren tussen de voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden en de taakstraf enerzijds en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen anderzijds, aldus M.J.M. Verpalen in aant. 1 bij art. 77s Sr in Tekst & Commentaar Strafrecht, tiende druk 2014.

2 Overigens is het zo dat de gedragsdeskundige in haar advies vermeldt dat zij haar bevindingen ook heeft besproken met de behandelaars van verzoeker en dat [betrokkene 1] van Spirit heeft aangegeven dat de begeleiding van verzoeker opnieuw zou moeten worden opgestart als het niet binnen een GBM zou plaatsvinden.

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk 2012, p. 174.

4 In de praktijk doet zich een probleem rondom het vereiste van ondersteuning niet of nauwelijks voor door de inzet van een multidisciplinair team van de Raad voor de Kinderbescherming, waarin gedragsdeskundigen zitting hebben. In de hierna onder 14 weer te geven Nota van wijziging koppelt de minister van de Justitie de gedragsdeskundige dan ook aan de Raad.

5 Kamerstukken II 30 332, 2005/06, nr. 3, p. 6-7.

6 Kamerstukken II 30 332, 2006-07, nr. 8, p. 10-11.

7 Kamerstukken II, 2006-2007, 30 332, nr. 9, p. 1 en 3.

8 Vgl. ook E. Prakken en T.N.B.M. Spronken, Sanctionering in het kader van berechting: de straffen en maatregelen voor jeugdigen, in: Handboek Verdediging, 2009, 15.2.1.4..

9 Het zal geen verbazing wekken dat de wetsgeschiedenis zich daarover niet uitspreekt.

10 Vgl. in die zin HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311, NJ 2008/193, HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3162, NJ 2009/324 en HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355, welke arresten nota bene zijn gewezen met betrekking tot de TBS met dwangverpleging die algemeen wordt beschouwd als de zwaarste maatregel die ons Wetboek van Strafrecht kent. Niet valt in te zien waarom de Hoge Raad daarover anders zou denken bij de oplegging van jeugdmaatregelen.

11 En ook bij het bepaalde in art. 37, tweede lid, Sr en art. 37a, derde lid, Sr.

12 Zie ook de Nota van Wijziging, zoals hierboven aangehaald.

13 Vgl. aant. 3 bij art. 77s Sr (bewerkt door M.J.M. Verpalen) in Tekst & Commentaar Strafrecht, tiende druk 2014.

14 J.A.C. Bartels, Jeugdstrafrecht en een effectieve maatregel tot beïnvloeding van gedrag, in: Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, FJR 2008/67. Kennelijk acht hij alleen een negatief advies bindend. Men zal toch moeilijk kunnen betogen dat als de Raad voor de Kinderbescherming positief tot het opleggen van de GBM adviseert, de rechter ook daaraan gebonden is en geen ruimte heeft voor toepassing van een andere jeugdsanctie.

15 Daarom is in het onderhavige geval, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, kort voor de zitting nog overleg gepleegd tussen betrokken instanties.