Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:379

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-02-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
13/01871
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:890
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Art. 311.4 Sv, laatste woord, 2. Afwijzing getuigenverzoek. Ad 1. Uit het p-v van de tz. blijkt niet dat aan verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in art. 311.4 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen. Ad 2. Het oordeel van de Pr dat het verdedigingsbelang moet wijken voor het belang van de strafvordering is niet zonder meer begrijpelijk. De enkele verwijzingen naar het belang bij een zo voortvarend mogelijke afdoening van de strafzaak en de relatief geringe ernst van de overtreding zijn daartoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01871

Zitting: 17 februari 2015 (bij vervroeging)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door de Politierechter bij de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen wegens “overtreding van artikel 4.1.5. van de APV Aa en Hunze” veroordeeld tot een geldboete van € 40,--, subsidiair één dag hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat de Politierechter het verzoek tot het horen van zes getuigen op onjuiste gronden heeft afgewezen, althans de afwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter houdt in voor zover voor de bespreking van het middel van belang:

“De raadsman heeft schriftelijk, en op de zitting mondeling verzocht om aanhouding van het onderzoek, zodat de in de brief genoemde verbalisanten door de rechter-commissaris kunnen worden gehoord. De raadsman wenst de verbalisanten nader te doen ondervragen omtrent de wijze van verkrijging van de last tot binnentreden, ten aanzien van de waarneming van de geluidsoverlast en ten aanzien van de wijze van inbeslagneming. De officier van justitie acht nader onderzoek door de rechter-commissaris niet noodzakelijk, daar hij reeds van mening is dat het binnentreden onrechtmatig was, net als de doorzoeking. De tijdens dit onderzoek aangetroffen hennep is daardoor onrechtmatig verkregen, zodat het moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken. Ook met betrekking tot feit 2 is de officier van mening dat verwijzing niet noodzakelijk is. Hoewel de raadsman wat betreft feit 1 dezelfde mening is toegedaan, blijft hij bij zijn verzoek om aanhouding met betrekking tot feit 2.

De politierechter weegt het belang van strafvordering, bestaande in een zo voortvarend mogelijke afdoening van de strafzaak (hetgeen hier mede klemt in verband met de relatieve ouderdom daarvan) af tegen het verdedigingsbelang bij het horen van de getuigen. Gelet op voormeld bedoeld tijdsverloop en de relatief geringe ernst van de overtreding waarvan verdenking bestaat, dient het belang van strafvordering zwaarder te wegen dan het verdedigingsbelang. De politierechter wijst het verzoek derhalve af.

5. In EHRM 3 mei 2012, Appl. no. 23880/05 (Salikhov v. Russia) vat het EHRM op grond van EHRM 15 december 2011, NJ 2012/283 (Al-Khawaja en Tahery v. United Kingdom) nog eens samen welke vragen onder ogen dienen te worden gezien als de verdachte (mede) is veroordeeld op basis van de verklaring van een getuige die hij niet heeft kunnen ondervragen omdat deze niet was verschenen:

“114. The Court will therefore have to consider three issues in the instant case: first, whether a reasonable effort was made by the authorities to secure the appearance of the defaulting witnesses in court; second, whether their untested evidence was the sole or decisive basis for the applicant’s conviction; and third, whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to ensure that the trial, judged as a whole, was fair within the meaning of Article 6 §§ 1 and 3 (d).”

6. In de overwegingen van de Politierechter ligt besloten dat geen pogingen zijn ondernomen de getuigen waarvan verdachtes raadsman het horen had verzocht te doen verschijnen. Voorts blijkt uit de overwegingen van de Politierechter noch anderszins van “sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to ensure that the trial, judged as a whole, was fair within the meaning of Article 6 §§ 1 and 3 (d)”.

7. Niettemin behoeft dit nog niet tot cassatie te leiden. Het geval kan zich immers voordoen dat verdachte bij zijn klacht onvoldoende belang heeft omdat het bewijs niet “solely or to a decisive extent” berust op de verklaringen van de niet gehoorde getuigen.1 Voor dat oordeel biedt het vonnis door het – in strijd met het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv – ontbreken in het vonnis van de inhoud van de bewijsmiddelen geen houvast. Dit wordt niet anders wanneer door de “papieren muur” heen wordt gekeken en kennis wordt genomen van de inhoud van de in het vonnis genoemde bewijsmiddelen.

8. Ook anderszins acht ik het oordeel van de Politierechter niet toereikend gemotiveerd. Nu in het geheel niet wordt vastgesteld waaraan of aan wie de relatieve ouderdom van de zaak moet worden toegeschreven valt niet zonder meer in te zien waarom verdachtes belang de getuigen te (doen) horen moet wijken voor het belang van een voortvarende afdoening van de zaak. Dat wordt niet anders wanneer – zoals de Politierechter heeft gedaan - tevens in aanmerking wordt genomen dat het gaat om een feit van relatief geringe ernst. Die omstandigheid kan immers ook meebrengen dat afdoening van de zaak nog wel enig uitstel kan lijden omdat er gelet op de geringe ernst van het feit kennelijk geen zwaarwegende belangen in het geding zijn.

9. Voor de goede orde merk ik nog op dat zich bij de stukken, die de griffier van de Rechtbank op de voet van het bepaalde in art. 437 lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad heeft gezonden, een schriftelijke verklaring van twee getuigen bevindt, kort gezegd inhoudende dat verdachte op vrijdagavond 20 mei 2011 en vrijdagavond 1 juli 2011 geen geluidsoverlast heeft veroorzaakt. Deze is volgens de in het proces-verbaal van de terechtzitting genoemde, zich eveneens bij bedoelde stukken bevindende brief van de raadsman van de verdachte aan de Politierechter toegezonden. Op de in de bewezenverklaring genoemde datum, 19 oktober 2011, heeft deze verklaring dus geen betrekking.

10. Voor zover is beoogd te klagen over het feit dat de politierechter ter terechtzitting zijn beweegredenen om het verzoek tot het horen van de getuigen af te wijzen ter terechtzitting niet zo uitgebreid heeft uiteengezet als in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld stuit het middel af op gebrek aan voldoende belang. De verdachte heeft immers van de beweegredenen van de Politierechter kennis kunnen nemen en daarover in cassatie kunnen klagen.

11. Het middel slaagt.

12. Het tweede middel klaagt dat de Politierechter heeft verzuimd de verdachte het laatste woord te geven.

13. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter houdt in voor zover voor de bespreking van het middel van belang:

“De raadsman en de verdachte voeren het woord tot verdediging.

De raadsman voert aan:

"Op grond van deze bewijsmiddelen staat niet onbetwistbaar vast wat er is gebeurd. In eerste instantie moet kunnen worden uitgegaan van wat verbalisanten in hun proces-verbaal zetten. Maar cliënt ontkent stellig. Er is geen decibelmeting gedaan. Het gaat om de waarneming van verbalisanten. In het proces-verbaal maken ze niet duidelijk waar ze de geluidsbron aantreffen. Ze namen wel de wiet mee maar lieten de geluidsinstallatie staan. Uit het dossier blijkt onvoldoende wat er feitelijk is gebeurd. U kunt niet de overtuiging hebben. Ik pleit voor vrijspraak voor feit 2."

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.”

14. In zijn arrest van 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3773 overwoog de Hoge Raad:

“Het middel klaagt dat de verdachte in strijd met artikel 311, vierde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv niet het laatste woord is gegund.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2006 houdt onder meer in:

"De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan het hof over. (...)

De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging.

De raadsman doet dit aan de hand van zijn pleitnotities, die door hem aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.

De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting."

3.3. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van art. 311 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.

3.4. Het middel slaagt derhalve.”

15. Zoals het hiervoor aangehaalde deel van het proces-verbaal van de terechtzitting laat zien doet zich in casu een zelfde geval voor als in het aangehaalde arrest. Dit arrest is niet gewezen onder het regime van het nadien ingevoerde art. 80a RO. Inmiddels heeft de Hoge Raad ervoor gekozen ook ten aanzien van de klachten over schending van essentiële voorschriften van procesrecht te eisen dat bij een klacht over die schending in cassatie wordt uiteengezet waarin in het concrete geval het belang van de verdachte bij de klacht is gelegen.2 De vraag is of dat voor de onderhavige zaak ook meebrengt dat onder ogen moet worden gezien of de verdachte voldoende rechtens te respecteren belang heeft bij zijn klacht.

16. In aanmerking genomen dat verdachte werd bijgestaan door een raadsman en deze de Politierechter er niet opmerkzaam op heeft gemaakt dat hij de verdachte nog het laatste woord diende te geven ligt het niet voor de hand dat verdachte in concreto voldoende belang heeft bij zijn klacht. In de toelichting op het middel is ook niet te vinden in welk rechtens te respecteren belang verdachte als gevolg van de niet-naleving van art. 311 lid 4 Sv is getroffen. Daar staat tegenover dat de wet uitdrukkelijk bepaalt dat de verdachte op straffe van nietigheid het recht wordt gelaten het laatst te spreken. Door het uitdrukkelijk stellen van nietigheid op het verzuim de verdachte het laatste woord te geven heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht het steeds in verdachtes belang te achten dat hij het laatste woord krijgt. In die omstandigheden hoeft de verdachte niet nog eens te verduidelijken waarin het belang van zijn klacht is gelegen. Zou dit anders zijn dan zou controle op naleving van een voorschrift als het onderhavige in cassatie afhankelijk worden van de vraag of de verdachte zijn belang bij de klacht in concreto voldoende tot uitdrukking heeft weten te (doen) brengen. Voor een dergelijke relativering van de onderhavige nietigheid is in de wetsgeschiedenis, in het bijzonder in de parlementaire geschiedenis van de Wet vormverzuimen3 en van art. 80a RO, geen steun te vinden.

17. Het middel slaagt.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de opgelegde straf en in zoverre tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3113, rov. 2.4.1.

2 HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:180, HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:194 t.a.v. art. 322 Sv..

3 Wet van 14 september 1995, Stb. 441.