Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:375

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-02-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
13/01049
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:883, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen. Het Hof heeft, kort gezegd, bewezenverklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van een inbraak. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de gedraging van verdachte - het ongezien insluiten van een medeverdachte in een meterkast in het magazijn van een supermarkt - i.c., gelet op de modus operandi bij de inbraak, "als een uitvoeringshandeling van de inbraak" moet worden aangemerkt zodat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. ’s Hofs oordeel is, ook in het licht van ECLI:NL:HR:2014:3474 , toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen het Hof nader heeft vastgesteld over de bijzondere wijze waarop de onderhavige inbraak is uitgevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01049

Zitting: 10 februari 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte] 1

1. Verzoeker is bij arrest van 8 februari 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem – onder bevestiging van het vonnis van de Rechtbank Utrecht van 9 oktober 2012 behoudens ten aanzien van de strafoplegging - wegens “Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” (art. 311 Sr) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts heeft het Hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard en heeft het de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis opgeheven.

2. Namens verzoeker heeft mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het arrest van het Hof ten onrechte niet het tenlastegelegde bevat. Het tweede middel, het derde middel en het vierde middel keren zich in verschillende bewoordingen tegen ’s Hofs bewijsvoering. Ten onrechte zouden in het arrest van het Hof geen bewijsmiddelen zijn opgenomen, terwijl evenmin sprake is van een (tijdige) aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv.

4. Deze vier middelen falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Er wordt immers aan voorbijgegaan dat het Hof de bewijsconstructie van de Rechtbank Utrecht heeft bevestigd. In het promisvonnis van de Rechtbank zijn de gebezigde bewijsmiddelen opgenomen, terwijl aan dat vonnis de tenlastelegging als bijlage is gehecht.

5. Dan het vijfde middel, waarover aanmerkelijk meer te zeggen is. Het klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu deze, voor zover inhoudende dat verzoeker “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid geld heeft weggenomen, niet kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering.

6. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat hij:

“(deelonderzoek 09Delftplus)

in de periode van 15 augustus 2011 tot en met 16 augustus 2011 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een supermarkt (gevestigd aan de Elzenlaan 1) heeft weggenomen een grote hoeveelheid geld (75.478,26 euro), toebehorende aan Plus Retail West, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak, door

- zich in te laten sluiten in de meterkast van die supermarkt na sluitingstijd en nadat het personeel van die supermarkt was vertrokken

- het doorknippen van de kabels van de beveiligingsinstallatie van die supermarkt en

- het openzetten van een (nood)deur van die supermarkt en het betreden van die supermarkt via die (nood)deur en

- het openbreken van de deur van het kassakantoor van die supermarkt en

- het openslijpen van een kluis in dat kassakantoor.”

7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering, zoals opgenomen in het bevestigde vonnis, met inbegrip van hier niet weergegeven voetnoten:

“4.3Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

De vindplaatsvermeldingen van de onderstaande bewijsmiddelen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van een (zaaks)dossier, zoals bijvoorbeeld p. 1 van Einddossier, Algemeen, map 1 of p. 1 van 09Delftplus, oftewel pagina 1 van het dossier 09Delftplus (zaak 1) met dossiernummer PL0910-2012087226, tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Voor zover er sprake is van het bestaan van beeldmateriaal in de vorm van camerabeelden, zijn deze beelden ook door de rechtbank bekeken.

Onderzoek 09Doega11

Op 30 oktober 2011 werd onder leiding van een officier van justitie van het arrondissementsparket Utrecht een onderzoek gestart onder de naam 09Boni11, naar aanleiding van een aangifte waaruit bleek dat men kennelijk voorbereidingshandelingen trof voor een overval op de supermarkt Boni, gevestigd in Utrecht. In het kader van dit onderzoek werden op vordering van een officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris van het arrondissement Utrecht, diverse telefoons getapt. Gedurende het onderzoek bleek uit de afgeluisterde gesprekken in combinatie met de paallocaties en het door het team ingestelde onderzoek, dat in dat onderzoek in beeld gekomen personen zich kennelijk tevens bezig hielden met het plegen van insluipingen en (dak)inbraken in onder andere supermarkten. Daarnaast bleek dat de verdachten die in onderzoek 09Boni11 naar voren kwamen, deel uit maakten van een criminele jeugdgroep uit de stad Utrecht waarnaar op 27 september 2011 een onderzoek was gestart onder de naam 09Doega11. Derhalve werd besloten het onderzoek naar deze insluipingen en (dak)inbraken voort te zetten onder de naam 09Doega11.

Modus Operandi

Door het onderzoeksteam 09Doega11 zijn meer dan 20 feiten, gepleegd op locaties verspreid door heel Nederland, in behandeling genomen. Uit het onderzoek naar deze zaken kwam naar voren bleek dat de daders een min of meer vaste werkwijze hanteerden om een inbraak c.q. kluiskraak te plegen. Deze vaste werkwijze, de modus operandi, kenmerkte zich onder meer door een voorverkenning, de insluiting van een mededader, en door de verdere uitvoering van de inbraak.

Voorverkenning:

Uit de afgeluisterde gesprekken in combinatie met de gegevens voortkomend uit de historische printgegevens en in combinatie met de beschikbaar gestelde beelden van de diverse supermarkten, bleek dat een inbraak over het algemeen voorafgegaan werd door één of meerdere voorverkenningen.

Een voorverkenning werd over het algemeen uitgevoerd door twee tot vier personen. Een voorverkenning was kennelijk bedoeld om te onderzoeken of het betreffende pand geschikt was voor een inbraak c.q. insluiping. Uit de incidenten die door het onderzoeksteam werden onderzocht bleek dat de verdachten bij deze voorverkenning met name op zoek waren naar het magazijn, kennelijk om vast te kunnen stellen waar de alarmkabels van het alarm zich bevonden. Dit gezien het feit dat bij iedere (geslaagde) inbraak de alarmkabels waren gesaboteerd. Daarnaast bleek uit onderzoek van een bij een verdachte in beslag genomen computer dat op de site Google naar diverse supermarkten door heel Nederland was gezocht.

Insluiting:

Nadat een voorverkenning was gedaan vond over het algemeen een insluiting plaats. Eén van de personen liet zich insluiten in de meterkast of magazijnruimte van het betreffende pand. Vervolgens werd door deze persoon gewacht tot de winkel was gesloten en al het personeel van de betreffende winkel het pand had verlaten. Daarna, al dan niet op (telefonische) aanwijzingen van een ander, knipte of zaagde deze persoon de alarmkabels door, kennelijk om te voorkomen dat er een alarm af zou gaan. Gedurende de tijd dat de persoon ingesloten was in het betreffende pand terwijl het personeel daar nog aanwezig was, werd het pand van buitenaf door één of meerdere personen vermoedelijk in de gaten gehouden. Dit is onder meer af te leiden uit diverse telefooncontacten met de ingesloten persoon. Tevens bleek dat de mededaders veelal op afstand wachtten totdat duidelijk was dat het alarm onklaar was en er kennelijk geen gevaar voor betrapping meer was. Uit de geslaagde inbraken/kluiskraken werd duidelijk dat de ingesloten persoon het pand na het doorknippen van de alarmkabels verliet. Enkele uren later werd de inbraak/kluiskraak dan afgemaakt, waarbij gebruik werd gemaakt van professioneel gereedschap.

Inbraak:

Nadat het alarm was uitgeschakeld en hierop niet door de beveiliging en/of politie werd gereageerd vond het vervolg van de inbraak plaats. Uit het onderzoek is gebleken dat dit vermoedelijk op de volgende manier gebeurde. De dader die ingesloten was knipte/zaagde de alarmkabels door, kwam uit de meterkast/magazijn ruimte, rende enkele malen door het pand (kennelijk om te onderzoeken of het alarm daadwerkelijk was uitgeschakeld), opende de nooddeur en zorgde dat die van buitenaf te openen was en verliet het pand. Na enkele uren maakten de daders de inbraak/kluiskraak af, al dan niet inclusief een (poging tot) kluiskraak. Daarnaast is gebleken dat men tijdens de inbraak kennelijk gebruik maakte van personen die buiten op de uitkijk stonden om de medeverdachten die in het pand met de inbraak bezig waren tijdig te kunnen waarschuwen indien de politie en/of beveiliging ter plaatse zou komen. Voor de communicatie onderling werd daarbij onder andere gebruik gemaakt van portofoons, terwijl de mobiele telefoons dan kennelijk waren uitgeschakeld.

Beeldherkenning

In het onderzoek 09Doega11 bevinden zich in de meeste deelonderzoeken processen-verbaal van herkenning van een of meer verdachten die werden herkend van (foto's van) camerabeelden gemaakt op de plaats delict. In de 'Aanvulling op het Einddossier' zijn processen-verbaal van bevindingen opgenomen met daarin een nadere toelichting door de betreffende verbalisanten op de totstandkoming van de herkenningen. Over de herkenningen en de omstandigheden waaronder de herkenningen tot stand zijn gekomen en de wijze waarop processen-verbaal zijn opgemaakt is bij de rechter-commissaris voorts de teamleider van het onderzoek 09Doega11, [betrokkene 5], als getuige gehoord.

De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de gedane herkenningen gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt voor wat betreft de betrouwbaarheid van de herkenningen in dit onderzoek als volgt.

De herkenningen betreffen (gezichts)herkenningen van een voor de desbetreffende getuige (in casu: telkens een verbalisant van politie) bekend gezicht. De desbetreffende verbalisanten hebben bij de gedane herkenningen steeds aangegeven dat ze de desbetreffende verdachte uit hoofde van hun werk bij de politie al kenden vóórdat ze de foto's/bewegende beelden zagen. Ook is aangegeven hoe lang en hoe ze de herkende verdachte kenden.

De rechtbank merkt op dat in het algemeen een bekende herkennen makkelijker is dan een herinnering aan een gezicht verwoorden of een onbekende herkennen. De strenge eisen die aan een (foto)Oslo-confrontatie worden gesteld hoeven dan ook niet in gelijke mate te worden gesteld aan een herkenning van een bekende. Dat neemt echter niet weg dat ook bij herkennen fouten gemaakt kunnen worden en dat zorgvuldig gekeken dient te worden hoe en onder welke omstandigheden een herkenning tot stand is gekomen.

De rechtbank merkt allereerst op dat de waarneming en opslag van informatie in het geheugen in positieve zin wordt beïnvloed door de taak van de waarnemer en datgene wat voor hem/haar interessant is. In casu is die taak telkens de handhaving van de openbare orde en de opsporing, meer in het bijzonder in een of meer specifieke wijk(en) van de stad Utrecht, wijken waar de desbetreffende verdachten woonachtig zijn. In het onderhavige onderzoek worden diverse verdachten bovendien (veelal) door meerdere verbalisanten herkend, zodat deze herkenningen elkaar ook ondersteunen. De herkenningen zijn allemaal gedaan op basis van beelden die aan het dossier zijn toegevoegd.

De rechtbank waardeert het bewijsmiddel 'proces-verbaal bevindingen, betreffende een beeldherkenning', voor zover gedaan door een verbalisant die relateert dat hij/zij verdachte 'kent' en op beelden herkent, in beginsel dan ook als betrouwbaar. Daar waar door de verdediging een concreet en specifiek verweer ten aanzien van een herkenning is gevoerd zal de rechtbank daar bij het desbetreffende feit nader op in gaan.

Hierna zal de rechtbank, in het kader van hetgeen hierboven is overwogen, de bewijsmiddelen weergeven en nader motiveren waarom zij tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komt.

09 Delftplus

Op 24 oktober 2011 doet [betrokkene 1] aangifte van inbraak in de supermarkt Plus Retail West aan de Elzenlaan 1 in Delft. In de aangifte staat dat op dinsdag 16 augustus 2011, omstreeks 05.45 uur, medewerker [betrokkene 2] bij de winkel kwam om deze te openen. Hij zag dat het kastje van de alarmcode geheel van de muur was verwijderd. Medewerkster [betrokkene 3] constateerde dat er meerdere plafondplaten uit het plafond waren gehaald. Dat was onder andere in het bestelkantoor op de eerste etage. De toegangsdeur van de kluisruimte, het kassakantoor, was verbroken. In de kluisruimte bleek dat de zijkant van een kluis open geslepen was. Uit deze kluis was een aanzienlijk geldbedrag weggenomen. Uit onderzoek van de politie en het onderzoek van Wesotronic bleek dat alle bedrading van het internet en de inbraakbeveiliging tijdens de inbraak was doorgeknipt. Dit is gebeurd in de meterkast.

Getuige [betrokkene 4] is eigenaar van de supermarkt Plusmarkt te Delft. Hij heeft verklaard dat op 15 augustus 2011 de winkel om 22.36 uur is afgesloten. Dat is ook het moment geweest dat het alarm erop is gezet. Het uit de kluis weggenomen bedrag wordt geschat op € 75.000,-. Het weggenomen bedrag wordt later vastgesteld op € 75.478,26.

Insluiting

In de Plusmarkt te Delft zijn camerabeelden opgenomen en veiliggesteld over de periode van zondag 14 augustus 2011 te 07.00 uur tot en met dinsdag 16 augustus 2011 te 6.00 uur. Uit deze camerabeelden bleek dat twee manspersonen op maandag 15 augustus 2011 te 19.16 uur via de hoofdingang de nog geopende winkel in kwamen lopen. Verdachte 1, met een roze blouse, en verdachte 2, met een zwarte jas, liepen om 19.21 uur via de winkel naar het magazijn. Vervolgens liepen zij door de klapdeuren het magazijn in en, kennelijk doelbewust, in de richting van de meterkast. Dat het hier om het lopen in de richting van de meterkast gaat, leidt de rechtbank af uit de richting waarin zij lopen in combinatie met de plattegrond welke in het dossier zit. Twee minuten later, om 19.23 uur, verlaat verdachte 2 het magazijn via de klapdeuren en vervolgens de winkel via de kassa.

Verdachte 1 is dan niet meer te zien op de beelden. Hij is niet via de personeelsingang of de hoofdingang naar buiten gegaan maar kennelijk ergens in het magazijn achter gebleven.

Verdere verloop inbraak

Op de camerabeelden is te zien dat op 16 augustus 2011 te 00.08 uur een paneel boven de deur van de meterkast met een elleboog wordt verwijderd door iemand die zich achter dat paneel bevindt. Te zien is dat verdachte 1, met de roze blouse, via het ontstane gat naar buiten komt en naar beneden springt. Met een schroevendraaier in zijn hand loopt hij vervolgens via de klapdeuren van het magazijn de winkel in. Om 00.12 uur loopt hij via de nooddeur de winkel uit.

Om 01.24 uur komt verdachte 1 via diezelfde nooddeur weer naar binnen. Hij draagt nu een zwarte jas en heeft een grote reistas bij zich. Om 02.30 uur komen twee personen, met bivakmutsen op, het pand binnen. Zij nemen de gereedstaande reistas verder mee het magazijn in en pakken er een breekijzer uit. Zij forceren hiermee de toegangsdeur naar de kluisruimte en maken daar de camera onklaar. Om 03.15 uur verlaten zij de kluisruimte en lopen terug naar het magazijn. Om 03.54 uur verlaten zij de winkel.

Bovengenoemde camerabeelden zijn op 4 oktober 2011 door het programma Opsporing Verzocht uitgezonden op de Nederlandse televisie. De rechtbank constateert dat de bedoelde beelden scherp zijn en dat verdachte met onverhuld gezicht volledig in beeld is. Zowel verdachte 1 als verdachte 2 zijn vervolgens vele malen herkend.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft verklaard dat hij, vanuit zijn hoedanigheid als wijkagent Utrecht Stad, wijkteam Overvecht, regelmatig contact heeft met verdachte. Hij herkent de persoon met de zwarte jas (de rechtbank begrijpt verdachte 2) op de beelden voor honderd procent als zijnde verdachte, een jongen die woont in zijn wijk. Ook meerdere andere verbalisanten, die verdachte uit hoofde van hun werk eveneens reeds kenden, hebben op de beelden verdachte herkend. (verbalisant [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4]). De rechtbank acht deze herkenningen betrouwbaar.

De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte [verdachte] tezamen met verdachte 1 de winkel in Delft tijdens openingstijd via de hoofdingang is binnengegaan, dat zij samen het magazijn in zijn gelopen, dat zij samen ongeveer twee minuten in de buurt van de meterkast zijn geweest en dat verdachte [verdachte] vervolgens alleen de winkel heeft verlaten.

Verdachte 1 heeft zich in de meterkast opgesloten of op laten sluiten, want op beelden is te zien hoe hij de meterkast enkele uren later (om 00.08 uur op 16 augustus 2011) verlaat, via een door hem kort daarvoor verwijderd paneel boven de deur van de kast. De politie heeft ter plaatse geconstateerd dat de meterkast (de rechtbank leest: de deur van de meterkast) was afgesloten en met een sleutel moest worden geopend.

Enkele uren later, nog steeds gedurende de nachtelijke uren van 16 augustus 2011, vindt vervolgens het vervolg van de inbraak plaats, waarbij in ieder geval twee personen zichtbaar zijn op de beelden.

Verdachte heeft desgevraagd geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in het magazijn van de Plus-supermarkt in Delft de avond en relatief kort vóórdat daar werd ingebroken. Gelet op het feit dat verdachte woonachtig is in [plaats], enkele uren voordat een inbraak wordt gepleegd in een supermarkt in Delft daar is, dan ook in gezelschap is van degene die in de meterkast de winkelsluitingstijd heeft afgewacht om een inbraak mogelijk te maken, gegeven het feit dat verdachte met de medeverdachte zich in het magazijn van de supermarkt heeft begeven en daar alléén (met achterlating van de medeverdachte) weer uit is gekomen en vervolgens de winkel heeft verlaten zonder medeverdachte, en gegeven het feit dat verdachte hier geen enkele verklaring voor heeft willen geven terwijl die situatie vraagt om een antwoord,

gelet op al deze feiten en omstandigheden duidt de rechtbank dit handelen van verdachte aldus dat verdachte op 14 augustus 2011 verdachte 1 geholpen heeft bij de insluiting in de meterkast in de supermarkt in Delft. In het licht van de hierboven beschreven modus operandi ziet de rechtbank de insluiting in de meterkast als een uitvoeringshandeling van de inbraak. Iemand helpen zich ongezien in te sluiten in een meterkast van een supermarkt duidt op wetenschap bij diegene omtrent het oogmerk van de ingeslotene. Deze handeling kwalificeert de rechtbank dan ook als een nauwe en bewuste samenwerking aan de inbraak, gepleegd door een of meer (andere) personen.”

8. Voorts heeft het Hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting is namens verdachte aangevoerd dat de rechtbank als omstandigheid heeft meegewogen dat de sleutel van de meterkast waarin de medeverdachte kennelijk zou zijn opgesloten, was omgedraaid, en dat wordt aangenomen dat het verdachte is geweest die de sleutel heeft omgedraaid en dat dit niet juist is.

Met de overweging van de rechtbank dat de politie ter plaatse heeft geconstateerd dat de (deur van de) meterkast was afgesloten en met een sleutel moest worden geopend, wordt een gevolgtrekking zoals door de raadsman gesteld niet gemaakt of aangenomen en betreft het niet een omstandigheid die relevant is voor de bewezenverklaring. 'Opsluiten' ziet niet enkel op de omstandigheid waarbij een ruimte met een slot wordt afgesloten, het impliceert in een situatie als deze eveneens het ongezien achterlaten van een persoon in een verder afgesloten winkelpand.”

9. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende overwegingen van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 van belang:

3. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing

3.1.

De art. 47 tot en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443).

In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.

3.2.1.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI: NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407).

3.2.2.

Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL:

HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".

3.2.3.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

3.3.1.

Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven. Het gebruikmaken van aan andere deelnemingsvormen ontleende begrippen of constructies kan de bewijsvoering voor medeplegen compliceren en verdient daarom in zulke gevallen geen aanbeveling. (Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5140 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, in welke zaken het medeplegen door het hof was bewezenverklaard aan de hand van criteria voor het zogenoemde functionele daderschap). Het valt overigens op dat het openbaar ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere

niet-economische strafbare feiten - in vergelijking met economische delicten - vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop).

3.3.2.

Het ontbreken van een precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen brengt mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen er goed aan doet de rechter een keuzemogelijkheid te bieden door daarop toegesneden varianten in de tenlastelegging op te nemen. Als het openbaar ministerie evenwel om hem moverende redenen uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid heeft tenlastegelegd, moet de rechter vrijspreken indien het medeplegen niet kan worden bewezen, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit.”

10. De Hoge Raad overweegt allereerst (rov. 3.1.) dat de vraag wanneer van medeplegen (de nauwe en bewuste samenwerking) mag worden gesproken zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval vergt, en dat daarom algemene regels dienaangaande niet kunnen worden gegeven. Deze overweging kan ongetwijfeld op begrip rekenen. Het is niet voor niets dat ook de wetgever van 1886, oog hebbend voor de soms complexe casuïstiek, zich heeft onthouden van een definiëring van deze vorm van deelneming en de invulling daarvan aan de vrijheid van rechtspraak en wetenschap heeft gelaten. Klaarblijkelijk heeft de Hoge Raad evenwel gemeend toch enige aandachtspunten met betrekking tot dit leerstuk te moeten formuleren. Hoewel de Hoge Raad de toevoeging “mede gelet op zijn eerdere rechtspraak” niet nader expliceert, duidt zij er reeds op dat hij een halt wil toeroepen aan het ruime werkingsbereik van medeplegen waarvan voordien, ook in de rechtspraak van de Hoge Raad zelf, sprake was en aldus het onderscheid met de andere deelnemingsvormen, meer in het bijzonder met medeplichtigheid, wenst aan te scherpen. De daaropvolgende overwegingen in het arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 lijken deze aanname te bevestigen. Het komt er dus op neer dat de Hoge Raad ook in het kader van “dit thema” de teugels aantrekt, en niet alleen aan de materiële kant daarvan. Ook stelt de Hoge Raad nadere eisen aan de motiveringsplicht voor de feitenrechter; deze zal in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de gebezigde bewijsmiddelen en zo nodig in een bewijsmotivering – precies en adequaat (“nauwkeurig”) moeten aangeven waarom in het voorliggende geval van medeplegen (een nauwe en bewuste samenwerking) sprake is. Voornoemd arrest past aldus naadloos in andere (betrekkelijk) recente uitspraken inzake enkele andere belangrijke materieelrechtelijke onderwerpen zoals de voorbedachte raad, het witwassen en de roekeloosheid als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994.

11. In een eerder, namelijk op 20 januari 2015, door mij genomen conclusie in een andere zaak (nr. 14/00233J), heb ik – na beschouwingen over de wetsgeschiedenis van de artikelen 47, 141 en 311 Sr - Uw Raad enige vragen voorgelegd die bij mij na lezing van het hiervoor aangehaalde arrest opkwamen. Ik zal dit één en ander nu niet kopiëren. Hier volsta ik slechts met de weergave van één van mijn vragen. Te weten of, nu de Hoge Raad het bepaalde in art. 141, eerste lid, Sr gelijk lijkt te stellen met het medeplegen in de zin van art. 47 Sr, daaruit volgt dat voortaan ook met betrekking tot dat medeplegen sprake moet zijn van een “significante of wezenlijke bijdrage” waarvan rov. 3.2.3. rept, en dat, deze lijn doortrekkend, in zoverre ook diefstal door twee of meer verenigde personen in de zin van art. 311, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr, waarvan in casu sprake is, in het vervolg een minder ruim toepassingsbereik heeft dan het voordien in de rechtspraak van de Hoge Raad had.2 Hoe dient het vijfde middel in het licht van het arrest van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 te worden beoordeeld?

12. Uit de onderhavige bewijsvoering blijkt het volgende. Verzoeker (verdachte 2), die aan de hand van beeldmateriaal door diverse verbalisanten is herkend, loopt samen met medeverdachte 1 de supermarkt binnen. Beiden begeven zich naar het magazijn en vervolgens in de richting van de meterkast. Twee minuten later verlaat verzoeker het magazijn en daarna de supermarkt. Voorts heeft de rechtbank in een heldere motivering gewezen op een modus operandi die op een vaste werkwijze onder de criminele jeugdgroep ten aanzien van het plegen van feiten als de onderhavige wijst. Dergelijke jeugdgroepen opereren graag in steeds wisselende samenstellingen en rolverdelingen, uiteraard ook om de politiële opsporing te bemoeilijken. De ene keer wordt een groepslid ingezet als bijvoorbeeld voorverkenner om zich van de situatie ter plaatse op de hoogte te stellen of als insluiper om voorafgaand aan de inbraak of kluiskraak binnen het pand de eerste, gereedmakende, uitvoeringshandelingen te verrichten, maar in een ander geval neemt hij de daadwerkelijke verwezenlijking van dat strafbare feit voor zijn rekening of levert hij anderszins een planmatige bijdrage aan het strafbare feit. Het gaat daarbij feitelijk en ook juridisch om een criminele organisatie, waarbij een ieder volgens vooraf gemaakte afspraken zijn werk doet.3 Deze vorm van criminaliteit bestaat niet uit slechts één uitvoeringshandeling, maar uit een keten van schakels ten aanzien waarvan elk bendelid zijn rol krijgt toebedeeld. Met het oog daarop is nog altijd van belang dat volgens HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5575, NJ 2012/265 niet is vereist dat de medeplegers eenzelfde rol vervullen of dezelfde soort gedragingen verrichten bij de uitvoering van het strafbare feit, en dat blijkens HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964/1966, NJ 2014/514 m.nt. Mevis die eis ook niet mag worden gesteld in het geval niet kan worden vastgesteld wie precies welke rol heeft vervuld. Wel kan de inwisselbaarheid van rollen de voldoende nauwe samenwerking aannemelijk maken, aldus al de Hoge Raad in het zogenoemde Wormerveerse brandstichting-arrest (HR 29 oktober 1934, NJ 1934, p. 1673 e.v.).

13. Ik meen dan ook dat uit de door het Hof overgenomen bewijsvoering kan volgen dat de materiële bijdrage van verzoeker van voldoende gewicht is om medeplegen aan te nemen. Zijn taak was voor de slotuitvoering van het delict dragend en dus wezenlijk. Daaraan doet niet af dat de rol van medeverdachte 1 wat groter was. Voorts voldoet de door het Hof overgenomen bewijsoverweging van de Rechtbank mijns inziens aan de motiveringseis waarop de Hoge Raad in zijn arrest van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft gewezen.

14. Het vijfde middel faalt naar mijn inzicht.

15. De middelen falen. De eerste vier middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

16. Ambtshalve merk ik het volgende op. De verdachte heeft op 11 februari 2013 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit zal moeten leiden tot strafvermindering.

17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 13/01048P waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

2 Blijkens rov. 3.2.1. moet de materiële bijdrage van voldoende gewicht zijn, ook indien het medeplegen een bestanddeel van de delictsomschrijving vormt.

3 Zie evenwel HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0676.