Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:374

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-02-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
13/01048
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:882, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO en ambtshalve volstaan met constatering dat de redelijke termijn is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01048 P

Zitting: 10 februari 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene] 1

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 februari 2013 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 75.478,26 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot hoofdelijke betaling aan de Staat van € 74.758,26.

2. Namens de betrokkene heeft mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel en het tweede middel klagen dat in het arrest zelf geen bewijsmiddelen zijn opgenomen aan de inhoud waarvan het Hof het oordeel heeft kunnen ontlenen dat de betrokkene door zijn deelname aan het strafbare feit een voordeel als bedoeld in art. 36e Sr heeft gehad en dat het arrest niet is aangevuld met de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a Sv.

4. Blijkens de toelichting borduren de middelen voort op reeds in de hoofdzaak (tevergeefs) voorgestelde klachten die eraan voorbij zien dat het Hof het vonnis van de Rechtbank in de strafzaak (behoudens ten aanzien van de strafoplegging) heeft bevestigd. Wat het Hof bedoelt met zijn verwijzing naar “de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen” is – anders dan de steller van de middelen voorstaat – wel degelijk duidelijk. Het Hof verwijst in de aanvulling immers expliciet naar het bevestigde vonnis in de strafzaak en heeft dat vonnis ook als bijlage aan de aanvulling gehecht. Voor zover in de toelichting op het tweede middel nog wordt aangevoerd dat het Hof met zijn verwijzing naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis in de strafzaak niet duidelijk maakt welke van deze bewijsmiddelen dan door het Hof in de ontnemingszaak zijn gebezigd, faalt het eveneens. Het Hof legt immers in zijn overwegingen met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit welke onderdelen van deze bewijsmiddelen het aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.

5. Het eerste middel en het tweede middel falen.

6. Het derde middel, dat klaagt over de motivering van de bewezenverklaring in de hoofdzaak, ziet over het hoofd dat de rechter die over de ontnemingsvordering moet oordelen is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak.2

7. Ook het vierde middel ziet eraan voorbij dat de rechter die over de ontnemingsvordering moet oordelen is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Het Hof heeft aan de bewezenverklaring in de hoofdzaak, die inhoudt dat de betrokkene zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met braak waarbij een bedrag van € 75.478,26 is buitgemaakt, rechtstreeks kunnen ontlenen dat de betrokkene door zijn deelname aan het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld, voordeel heeft genoten.

8. Het vijfde middel en het zesde middel keren zich tegen de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof heeft uitgelegd op basis van welke bewijsmiddelen het tot dit bedrag is gekomen. Daarmee heeft het Hof ook uitgelegd waarom het is afgeweken van de stelling van de verdediging – een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou ik het niet willen noemen – dat “niet duidelijk kan worden gemaakt hoeveel er in de kluis gezeten moet hebben”.

9. Het vijfde middel en het zesde middel falen.

10. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

11. Ambtshalve merk ik het volgende op. De betrokkene heeft op 11 februari 2013 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit zou meebrengen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Nu tevens de hoofdzaak in cassatie aanhangig is en daarin de redelijke termijn ook is overschreden, kan de compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.

12. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 13/01049 waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

2 Vgl. HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2295, NJ 2001/219.