Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:365

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-02-2015
Datum publicatie
03-04-2015
Zaaknummer
14/06159
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:842, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorlopige machtiging na voortgezette inbewaringstelling. Verzoek ingediend nadat termijn machtiging voortzetting inbewaringstelling was verstreken. Ontslag door geneesheer-directeur op de voet van art. 48 lid 1 onder b Wet Bopz (art. 49 en 53-54 Wet Bopz). Uitblijven van schriftelijke mededeling OvJ als bedoeld in art. 6 lid 3 Wet Bopz. Maximale duur verlening machtiging (HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6249, NJ 2009/271). Gevolg van te laat indienen verzoek (art. 31 lid 2 Wet Bopz). HR doet zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/06159 Mr. F.F. Langemeijer

10 februari 2015 Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Limburg

In deze Bopz-zaak gaat het om de geldigheidsduur van een voorlopige machtiging nadat eerder een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling was verleend.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is krachtens een bevel tot inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij beschikking van 7 augustus 2014 heeft de rechtbank Limburg machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). De geldigheidsduur van deze machtiging verstreek op donderdag 28 augustus 2014.

1.2.

Eerst op 28 augustus 2014 te 17.15 uur heeft de administratie van het psychiatrisch ziekenhuis per e-mail aan de officier van justitie voorgesteld een verzoek om een voorlopige machtiging bij de rechtbank in te dienen.

1.3.

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 29 augustus 2014, heeft de officier van justitie ambtshalve verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren1. Bij het verzoek was een verklaring d.d. 28 augustus 2014 gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene met het oog hierop heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

1.4.

De rechtbank heeft op 8 september 2014 betrokkene en zijn raadsvrouw gehoord, evenals de behandelend psychiater. De raadsvrouw verzocht het verzoek van de officier van justitie af te wijzen omdat niet aan alle vormvoorschriften was voldaan. Blijkens het proces-verbaal heeft zij onder meer aangevoerd:

a. dat de officier van justitie het verzoek om een aansluitende voorlopige machtiging één dag te laat heeft ingediend. Zij verzocht, indien de rechtbank een voorlopige machtiging verleent, bij het vaststellen van de geldigheidsduur deze dag in mindering te brengen.

b. dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de officier van justitie heeft voldaan aan het voorschrift van art. 6 lid 3 Wet Bopz2.

1.5.

Bij beschikking van 9 september 2014 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden. In reactie op het verweer onder a overwoog de rechtbank:

“(…) Het verzoekschrift, dat op 29 augustus 2014 is ingekomen ter griffie, is aldus ingediend een dag na het verstrijken van de termijn waarvoor de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling was verleend. De consequentie daarvan is dat de geneesheer-directeur op de voet van artikel 48, lid 1, aanhef en sub b, van de Wet Bopz gehouden is ontslag te verlenen en niet dat die ene dag in mindering komt op de termijn van de te verlenen voorlopige machtiging.”

In reactie op het verweer onder b overwoog de rechtbank:

“(…) Of de officier deze mededeling in het onderhavige geval heeft gedaan, blijkt niet uit de stukken. Bovendien moet worden betwijfeld of het ‘geschonden’ voorschrift strekt tot bescherming van enig te respecteren belang aan de zijde van betrokkene. Betrokkene zelf heeft daar niets over gesteld. De vraag of het (eventueel) schenden van het voorschrift consequenties moet hebben voor de verzochte maatregel kan derhalve in het midden blijven.”

1.6.

Namens betrokkene is – tijdig3 – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

In onderdeel I wordt geklaagd dat de aangehaalde overwegingen van de rechtbank omtrent het belang van betrokkene rechtens onjuist zijn, mede gelet op art. 5 EVRM, althans onbegrijpelijk zijn. Het te respecteren belang van betrokkene was immers: dat hij niet zonder geldige titel van zijn vrijheid beroofd wordt gehouden. Ter toelichting op deze klacht is opgemerkt dat indien de officier van justitie overeenkomstig art. 6 lid 3 Wet Bopz de geneesheer-directeur terstond op de hoogte zou hebben gesteld van de indiening van het verzoekschrift en van de datum waarop deze is geschied (één dag te laat), de geneesheer-directeur betrokkene uit het psychiatrisch ziekenhuis had moeten ontslaan, althans hem op de hoogte had moeten stellen van het feit dat hij vanaf dat moment vrijwillig in het ziekenhuis verblijft.

2.2.

Onderdeel II klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald op welke dag de voorlopige machtiging ingaat. Volgens de toelichting op deze klacht had de rechtbank, nu de officier van justitie een aansluitende machtiging had verzocht, de voorlopige machtiging met terugwerkende kracht moeten laten ingaan op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging (te weten de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling) eindigde, althans had de rechtbank de dag die het verzoek te laat is ingediend in mindering moeten brengen op de zes maanden waarvoor een voorlopige machtiging ten hoogste kan worden verleend. De middelonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.3.

Tenzij voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis als vrijwillig patiënt gewenst is en de betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe, verleent de geneesheer-directeur op grond van art. 48 lid 1 Wet Bopz aan een patiënt op wie hoofdstuk II van deze wet (“Opneming”) toepassing heeft gevonden, ontslag uit het ziekenhuis zodra zich één van de volgende omstandigheden voordoet:

a. (…)

b. de geldigheidsduur van een der in hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 4, bedoelde rechterlijke machtigingen is verstreken, tenzij vóór het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging.

Indien vóór het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende machtiging, verleent de geneesheer-directeur ontslag:

( i) zodra op het verzoek is beslist en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf;

(ii) zodra de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken.

2.4.

De geneesheer-directeur oefent de hem in art. 48 lid 1 Wet Bopz opgedragen taak uit hetzij nadat hem een verzoek heeft bereikt tot ontslag van de patiënt uit het ziekenhuis (art. 49 Wet Bopz), hetzij uit eigen beweging. Dit laatste volgt uit de samenhang tussen art. 48 lid 1 en art. 53 en 54 Wet Bopz. De wetgever heeft gekozen voor een termijnbewaking door de geneesheer-directeur, waarop toezicht wordt gehouden door het Openbaar Ministerie4.

2.5.

De rechtspraak over de termijnbewaking in Bopz-zaken is stapsgewijs tot stand gekomen en wordt daarom meestal beschreven in een chronologische volgorde5. Het cassatiemiddel geeft mij aanleiding om ditmaal te kiezen voor een andere, meer vergelijkende aanpak. In de praktijk zijn de belangrijkste probleemgevallen: (i) een verzoek van de OvJ om een voorlopige machtiging te verlenen die volgt op een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling; (ii) een verzoek van de OvJ om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen in aansluiting op een voorlopige machtiging of op een eerdere machtiging tot voortgezet verblijf.

2.6.

Een voorlopige machtiging kan worden verleend in aansluiting op een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling of los daarvan (zie art. 2 Wet Bopz). Een voorlopige machtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na haar dagtekening (art. 10 lid 4 Wet Bopz)6. Indien het verzoek om een voorlopige machtiging betrekking heeft op een persoon die vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft (en blijk geeft zijn verblijf in het ziekenhuis te willen beëindigen7), beslist de rechter binnen drie weken na indiening van het verzoekschrift8. Indien de betrokken persoon reeds onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft krachtens een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, wordt het verzoek om een aansluitende voorlopige machtiging door de officier van justitie ingediend vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van die machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ook dan geldt voor de rechter een beslistermijn van ten hoogste drie weken na het indienen van het verzoekschrift (art. 9 lid 1 in verbinding met art. 31 lid 1 Wet Bopz).

2.7.

Een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend in aansluiting op een voorlopige machtiging of in aansluiting op een eerder verleende machtiging tot voortgezet verblijf9. Een machtiging tot voortgezet verblijf heeft een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening (art. 17 lid 3 Wet Bopz10). De officier van justitie behoort het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf in te dienen in de zesde of in de vijfde week vóór de datum waarop de lopende verblijfsmachtiging zal verstrijken. Vanaf de indiening van het verzoekschrift heeft de rechtbank een beslistermijn van ten hoogste vier weken (art. 17 lid 2 Wet Bopz). Indien deze termijnen worden nageleefd, ligt er dus een beslissing over het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf vóór de dag waarop de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt. De patiëntenadministratie van een psychiatrisch ziekenhuis behoort zodanig te zijn ingericht dat in de zesde week vóór het verstrijken van de lopende machtiging de geneesheer-directeur een verklaring kan opmaken en aan de officier van justitie kan inzenden.

2.8.

Nu de wet zowel aan de officier van justitie (voor het indienen van het verzoekschrift) als aan de rechtbank (voor het nemen van een beslissing op het verzoek) een termijn stelt zijn in theorie vier casusposities voorstelbaar:

a. OvJ verzoekt vóórdat de lopende machtiging verstrijkt; de rechtbank beslist op tijd;

b. OvJ verzoekt vóórdat de lopende machtiging verstrijkt; de rechtbank beslist te laat;

c. OvJ verzoekt nadat de vorige machtiging is verstreken; de rechtbank beslist op tijd;

d. OvJ verzoekt nadat de vorige machtiging is verstreken; de rechtbank beslist te laat.

Casus a (OvJ verzoekt vóór het tijdstip van verstrijken; rechtbank beslist tijdig):

2.9.

Indien de OvJ een voorlopige machtiging verzoekt (i):

Wanneer de officier van justitie vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een voorlopige machtiging verzoekt, heeft de rechtbank na indiening maximaal drie weken om over dat verzoek te beslissen. Gedurende de tijd die de rechtbank nodig heeft om tot haar beslissing te komen, wordt het onvrijwillig verblijf in het ziekenhuis voortgezet op de grondslag van de voorafgaande machtiging. Ik noem dit verschijnsel de ‘nawerking’ van de voorafgaande machtiging11.

2.10.

Indien de OvJ een machtiging tot voortgezet verblijf verzoekt (ii):

Hier begint de verwarring al, omdat de wet weliswaar voorschrijft dat het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf moet worden ingediend in de zesde of vijfde week voordat de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt, maar geen consequenties verbindt aan het overschrijden van deze termijn12. Idealiter wordt het verzoek ingediend in de zesde of vijfde week voordat de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt en ligt er binnen vier weken een beslissing van de rechtbank, dus nog vóór het verstrijken daarvan (zie alinea 2.7 hiervoor). Indien de OvJ het verzoek later indient dan in de vijfde week, maar nog wel vóórdat de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt, en de rechtbank vervolgens in tijdnood komt omdat een rechterlijke beschikking niet meer haalbaar is vóórdat de geldigheidsduur van de lopende machtiging is verstreken, wordt de vrijheidsbeneming voortgezet op de grondslag van de voorafgaande machtiging totdat de rechtbank heeft beslist13, met dien verstande dat de geneesheer-directeur met het nemen van het in art. 48, lid 1 onder b, bedoelde beslissing niet langer wacht wanneer de beslistermijn van vier weken is verstreken.

Casus b (OvJ verzoekt vóór het tijdstip van verstrijken; rechtbank beslist te laat):

2.11.

Indien de OvJ een voorlopige machtiging verzoekt (i):

Indien de rechtbank de beslistermijn van drie weken overschrijdt, past de geneesheer-directeur art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz toe. De geneesheer-directeur verleent dan ontslag uit het ziekenhuis dan wel staat toe dat het verblijf wordt voortgezet als vrijwillige opname, mits de betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe. De toepassing van art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz door de geneesheer-directeur doet een aanhangig verzoek van de OvJ niet vervallen. Zij doet ook geen afbreuk aan de ontvankelijkheid van de OvJ in een verzoek om een voorlopige machtiging. De omstandigheid dat de patiënt buiten het psychiatrisch ziekenhuis verblijft staat op zich niet eraan in de weg dat de rechter alsnog een voorlopige machtiging verleent, indien daartoe gronden bestaan. De omstandigheid dat de patiënt (als gevolg van de beslissing van de geneesheer-directeur) alsnog is ingeschreven als vrijwillig in het ziekenhuis verblijvend, maakt dat de rechter – alvorens een voorlopige machtiging te verlenen − zal toetsen of de betrokkene ervan blijk geeft dit vrijwillige verblijf in het ziekenhuis te willen beëindigen.

2.12.

Indien de geneesheer-directeur zijn plicht op grond van art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz heeft verzaakt en de patiënt na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn onvrijwillig in het ziekenhuis heeft vastgehouden zonder rechterlijke machtiging, is m.i. sprake van een onwettige vrijheidsbeneming. De betrokkene kan in zo’n geval ontslag uit het ziekenhuis (invrijheidstelling) verzoeken op de voet van art. 49 Wet Bopz. Ook kan hij schadevergoeding eisen. Dit belet de rechtbank echter niet om alsnog een (niet aansluitende) voorlopige machtiging te verlenen indien − ten tijde van haar beslissing − daarvoor voldoende gronden bestaan.

2.13.

Indien de OvJ een machtiging tot voortgezet verblijf verzoekt (ii):

In deze casuspositie geldt mutatis mutandis hetzelfde als onder (i). De voorafgaande machtiging heeft op grond van art. 48 lid 1 Wet Bopz nog vier weken ‘nawerking’ (exclusief de tijd voor een eventuele contra-expertise op verzoek van de betrokkene). Het onvrijwillig verblijf in het ziekenhuis wordt voortgezet op de grondslag van de voorafgaande machtiging totdat de rechtbank over het verzoek van de OvJ heeft beslist. Zodra de beslistermijn van vier weken is verstreken zonder dat de rechtbank een beslissing heeft genomen past de geneesheer-directeur art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz toe. Nadat de patiënt officieel door de geneesheer-directeur uit het psychiatrisch ziekenhuis is ontslagen, is er in de wettelijke systematiek geen plaats meer voor een machtiging tot voortgezet verblijf14.

2.14.

Indien de geneesheer-directeur zijn plicht op grond van art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz heeft verzaakt en de patiënt na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn onvrijwillig in het ziekenhuis heeft doen verblijven zonder een rechterlijke machtiging, is m.i. sprake van een onwettige vrijheidsbeneming. De betrokkene kan dan ontslag uit het ziekenhuis (invrijheidstelling) verzoeken op de voet van art. 49 Wet Bopz. Ook kan hij schadevergoeding eisen. In de rechtspraak is uitgemaakt dat een overschrijding van de beslistermijn door de rechtbank op zichzelf geen afbreuk doet aan de ontvankelijkheid van de OvJ in zijn inleidend verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf, noch aan de rechtbank de bevoegdheid ontneemt om het verzoek van de OvJ toe te wijzen als daartoe gronden zijn. Indien de rechtbank het verzoek van de OvJ toewijst, mag zij het aantal dagen waarmee zij de wettelijke beslistermijn heeft overschreden in mindering brengen op het tijdvak waarvoor een machtiging tot voortgezet verblijf volgens de wet ten hoogste kan worden verleend, maar de rechtbank is daartoe niet verplicht15.

Casus c (OvJ verzoekt na het tijdstip van verstrijken; rechtbank beslist tijdig):

2.15.

Indien de OvJ een voorlopige machtiging verzoekt (i):

Indien de geldigheidsduur van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verstreken zonder dat een verzoekschrift is ingediend tot het verlenen van een aansluitende voorlopige machtiging, ontbreekt een titel om de betrokken persoon onvrijwillig in het ziekenhuis te houden: in deze situatie is er geen sprake van ‘nawerking’ van de voorafgaande machtiging. Daarom geeft de geneesheer-directeur toepassing aan art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz, dat wil zeggen: hij ontslaat de patiënt uit het ziekenhuis, hetzij doet deze inschrijven als vrijwillig in het ziekenhuis verblijvend, mits de patiënt blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe16.

2.16.

Indien de geneesheer-directeur zijn plicht op grond van art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz heeft verzaakt en de patiënt na afloop van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging onvrijwillig in het ziekenhuis heeft gehouden zonder dat dit berust op een rechterlijke beslissing, is m.i. sprake van een onwettige vrijheidsbeneming. De betrokkene kan dan ontslag uit het ziekenhuis (invrijheidstelling) verzoeken op de voet van art. 49 Wet Bopz. Ook kan hij schadevergoeding eisen. Dit belet de rechtbank echter niet om een (niet aansluitende) voorlopige machtiging te verlenen, aangenomen dat ten tijde van haar beslissing daarvoor voldoende gronden bestaan. De feitelijke voortzetting van het verblijf van de patiënt in het ziekenhuis na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging doet op zich geen afbreuk aan de ontvankelijkheid van de OvJ in zijn (te laat) ingediende verzoek, noch ontneemt zij de rechtbank de bevoegdheid om een voorlopige machtiging toe te wijzen als daartoe gronden zijn. In de woorden van de Hoge Raad verzet het door wettelijke termijnen beschermde belang van de patiënt zich ertegen dat de vrijheidsbeneming langer voortduurt dan zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop de voorafgaande machtiging (hier: de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling) verstreek17. Dit betekent niet dat de voorlopige machtiging met terugwerkende kracht wordt verleend. Het betekent slechts dat de duur van de voorlopige machtiging evenredig korter wordt (door de ‘aftrek’ van dagen: het in mindering brengen van de tussenliggende dagen op de wettelijke maximumduur van zes maanden).

2.17.

Indien de OvJ een machtiging tot voortgezet verblijf verzoekt (ii):

Hiervoor geldt hetzelfde als in de alinea’s 2.15 en 2.16 is geschetst. Wanneer de OvJ pas na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging zijn verzoekschrift bij de rechtbank indient en de patiënt feitelijk nog steeds in het ziekenhuis verblijft zonder na toepassing van art. 48 lid 1 Wet Bopz te zijn ingeschreven als aldaar vrijwillig verblijvend, verzet het door wettelijke termijnen beschermde belang van de patiënt zich ertegen dat de vrijheidsbeneming langer voortduurt dan de duur die een tijdig aangevraagde machtiging tot voortgezet verblijf ten hoogste zou kunnen hebben gehad (in de regel: één jaar), te rekenen vanaf de dag waarop de voorafgaande machtiging is verstreken18.

Casus d (OvJ verzoekt na het tijdstip van verstrijken; rechtbank beslist te laat):

2.18.

Zowel voor het verzoek om een voorlopige machtiging (i) als voor het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf (ii) geldt in deze situatie hetzelfde als bij casus c. Indien de rechter, bij het vaststellen van de geldigheidsduur van de nieuw te verlenen machtiging, van de wettelijke maximumduur de dagen aftrekt waarin de betrokkene (anders dan vrijwillig) in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen is geweest sedert het einde van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging, valt de ‘aftrek’ van dagen wegens overschrijding van de verzoektermijn door de OvJ samen met die wegens overschrijding van de beslistermijn door de rechtbank.

2.19.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de in de vorige alinea’s aangehaalde rechtspraak niet onomstreden is19. Kort samengevat houdt de belangrijkste kritiek in dat de ‘aftrek’ van dagen van de wettelijk ten hoogste toegestane geldigheidsduur van de nieuw te verlenen machtiging slechts symbolische betekenis heeft: anders dan bij het opleggen van een vrijheidsstraf, waarbij de in preventieve hechtenis doorgebrachte tijd in mindering wordt gebracht op de straf20, is een machtiging op grond van de Wet Bopz geen sanctie, maar uitsluitend op de toekomst gericht: een machtiging tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis beoogt het voorkomen van onheil. Na het verstrijken van de geldigheidsduur kan telkens opnieuw een machtiging worden verzocht en verleend, zolang daarvoor gronden bestaan.

2.20.

Het is waar, dat de uiteindelijke duur van de vrijheidsbeneming op grond van de Wet Bopz wordt ingegeven door het al of niet voortbestaan van het gevaar dat de aanleiding vormde tot de onvrijwillige opname. Ook is waar, dat na het verstrijken van de geldigheidsduur van een machtiging telkens opnieuw een machtiging kan worden verleend als de actuele toestand daarom vraagt. Toch heeft de in de jurisprudentie ontwikkelde regel meer dan alleen symbolische waarde: door de geldigheidsduur van de nieuw te verlenen machtiging evenredig in te korten, kan de rechter bewerkstelligen dat de door de wetgever beoogde frequentie van een rechterlijke toetsing van de noodzaak van voortzetting van het onvrijwillig verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis enigszins wordt hersteld.

2.21.

Ik lees in de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad niet het oordeel dat een verblijfsmachtiging zou kunnen worden verleend met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging is verstreken (het systeem van art. 509q lid 1 Sv). Zulk een terugwerkende kracht kan leiden tot onduidelijkheid over de rechtspositie van de patiënt binnen het ziekenhuis in de tussenliggende periode. Worden door de terugwerkende kracht van een latere machtiging tot verblijf ook de dwangbehandelingen of dwangmaatregelen ‘geheeld’ die in de tussenliggende periode in het psychiatrisch ziekenhuis eventueel hebben plaatsgevonden?

Toekomstig recht

2.22.

In het wetsvoorstel Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten21, dat nu bij de Eerste Kamer ligt, is een systeem gekozen dat vergelijkbaar is met dat van de Wet Bopz. Het voorgestelde artikel 39 luidt, voor zover van belang:

”1. De rechter beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek tot het verlenen van een machtiging. Indien het verzoek betrekking heeft op een cliënt die reeds in een accommodatie verblijft, beslist de rechter in elk geval binnen drie weken na de datum van indiening van het verzoekschrift. Indien het verzoek een machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling betreft, beslist de rechter binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het verzoek door het indicatieorgaan.

(…)

4. De machtiging tot opname en verblijf heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden en de machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes weken na dagtekening, onverminderd de artikelen 47 en 48.”

Het voorgestelde artikel 48, lid 1, komt goeddeels overeen met het huidige recht:

“1. De zorgaanbieder verleent een met toepassing van de paragrafen 2 of 3 van dit hoofdstuk, in een accommodatie verblijvende cliënt ambtshalve of op verzoek van de cliënt of zijn vertegenwoordiger ontslag uit de accommodatie, indien:

a. het verblijf niet langer noodzakelijk is om ernstig nadeel als gevolg van het gedrag van de cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap dan wel de daarmee gepaard gaande psychische stoornis te voorkomen of af te wenden; of

b. de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging, dan wel van de beschikking tot inbewaringstelling is verstreken, tenzij voor het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende machtiging. In dat geval verleent de zorgaanbieder ontslag zodra op het verzoek afwijzend is beslist, of de termijn voor het geven van een beslissing is verstreken.”

In het voorstel Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, dat bij de Tweede Kamer in behandeling is en nog kan worden gewijzigd, is de materie enigszins afwijkend geregeld22.

De onderhavige zaak

2.23.

In cassatie kan tot uitgangspunt worden genomen dat de geldigheidsduur van de op 7 augustus 2014 verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling eindigde in de nacht van 28 op 29 augustus 2014 te 24.00 uur23. Het inleidende verzoekschrift is na dat tijdstip ingediend ter griffie. Daarmee is de in art. 31 lid 2 Wet Bopz bedoelde termijn overschreden. De rechtbank heeft haar beslissing genomen binnen drie weken na de dag waarop het verzoekschrift ter griffie was ingediend. We hebben dus te maken met wat hiervoor werd genoemd: categorie C.

2.24.

De in art. 6 lid 3 Wet Bopz bedoelde kennisgeving door de officier van justitie aan de geneesheer-directeur heeft betekenis wanneer vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een verzoek is ingediend tot het verlenen van een aansluitende machtiging. Alleen dan heeft de voorafgaande machtiging ‘nawerking’ en wacht de geneesheer-directeur met het verlenen van ontslag uit het ziekenhuis de beslissing van de rechtbank op dat verzoek af, met dien verstande dat hij daarmee niet langer wacht dan de wettelijke beslistermijn van (in deze casus) drie weken. Anders dan de toelichting op onderdeel I veronderstelt, is de toepassing van art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz niet afhankelijk van de ontvangst door de geneesheer-directeur van een kennisgeving door de officier van justitie. Immers, zodra de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt zonder dat de geneesheer-directeur de bevestiging heeft gekregen dat het verzoek om een aansluitende machtiging bij de rechtbank is ingediend, past de geneesheer-directeur eigener beweging het bepaalde in art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz toe. Het uitblijven van de in art. 6 lid 3 Wet Bopz bedoelde kennisgeving stond op zich niet in de weg aan het verlenen van een voorlopige machtiging. Onderdeel I mist om deze reden doel.

2.25.

Wat betreft middelonderdeel II, acht ik de veronderstelling dat de rechtbank de bestreden machtiging had moeten laten ingaan op een datum gelegen vóór de dagtekening van haar beschikking, rechtens niet juist. Weliswaar heeft de officier van justitie een “aansluitende” voorlopige machtiging verzocht, maar het verlenen van een voorlopige machtiging met terugwerkende kracht is volgens mij niet mogelijk. De primaire klacht faalt.

2.26.

De subsidiaire klacht van onderdeel II, die erop neerkomt dat de rechtbank het tijdvak waarvoor zij de voorlopige machtiging heeft verleend (volgens het dictum: zes maanden) had moeten inkorten, omdat de officier van justitie het verzoekschrift eerst heeft ingediend nadat de looptijd van de voorafgaande machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling was verstreken, acht ik gegrond. De rechtbank mocht weliswaar een voorlopige machtiging verlenen, maar als de betrokken patiënt na het verstrijken van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in het psychiatrisch ziekenhuis is gehouden zonder dat de geneesheer-directeur toepassing heeft gegeven aan art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz, moet volgens de jurisprudentie de duur van de nieuw te verlenen machtiging worden ingekort.

2.27.

De in alinea 2.16 aangehaalde jurisprudentieregel leidt, in zeker opzicht, tot ‘overcompensatie’ bij de aftrek in vergelijking met de gevallen waarin de OvJ tijdig zijn verzoek indient. De onderhavige zaak toont dit:

- Zonder enige aftrek van dagen zou de rechtbank een voorlopige machtiging kunnen verlenen voor ten hoogste zes maanden na haar dagtekening: een machtiging met een looptijd tot en met 9 maart 2015.

- Toepassing van de in alinea 2.16 aangehaalde jurisprudentieregel leidt tot de slotsom dat de rechtbank een voorlopige machtiging mocht verlenen met een looptijd tot en met 28 februari 201524.

- In de denkbeeldige situatie dat de OvJ zijn verzoek om een (op de voortzetting van de inbewaringstelling aansluitende) voorlopige machtiging tijdig ter griffie zou hebben ingediend, dus vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, zou dat verzoek hebben geleid tot een ‘nawerking’ van die machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling gedurende de tijd die de rechtbank nodig zou hebben gehad voor haar beslissing doch ten hoogste gedurende drie weken. Aannemend dat de OvJ zijn verzoek om een aansluitende voorlopige machtiging op de laatste dag van de looptijd van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, dus op 28 augustus 2014, bij de rechtbank zou hebben ingediend, zou die machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ‘nawerking’ hebben gehad tot de dag waarop de rechtbank besliste doch uiterlijk tot en met 18 september 2014. In deze benaderingswijze was er voor de rechtbank geen reden om dagen af te trekken van het wettelijk maximum van zes maanden waarvoor een voorlopige machtiging kan worden verleend: de termijnoverschrijding door de officier van justitie wordt in deze benaderingswijze, als het ware, gecompenseerd doordat de rechtbank al op 9 september 2014 (dus ruimschoots binnen de beslistermijn van drie weken na de indiening van het verzoekschrift) haar beslissing nam.

- In de redenering die in eerste aanleg namens betrokkene naar voren is gebracht, wordt in casus C-gevallen alleen het aantal dagen waarmee de OvJ de wettelijke termijn voor het indienen van het verzoekschrift heeft overschreden (in dit geval: één dag) in mindering gebracht op de wettelijke maximumduur van de nieuw te verlenen voorlopige machtiging. (In casus D-gevallen zou, in deze redenering doorgaand, kunnen worden gedacht aan het op de wettelijke maximumduur in mindering brengen van het aantal dagen waarmee de OvJ de termijn voor indiening van het verzoekschrift heeft overschreden plus het aantal dagen waarmee de rechtbank de wettelijke beslistermijn heeft overschreden). Uitgaande van deze redenering, zou de rechtbank in dit geval de voorlopige machtiging hebben mogen verlenen met een geldigheidsduur tot en met 8 maart 2015 (zes maanden min één dag).

2.28.

Bij gegrondbevinding van de subsidiaire klacht kan de Hoge Raad, na vernietiging van de bestreden beschikking op dit punt de zaak zelf afdoen door de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging opnieuw te bepalen. Het komt mij voor dat de jurisprudentieregel achter het tweede gedachtenstreepje in de vorige alinea kan worden gehandhaafd. Zij leidt wellicht tot enige overcompensatie, maar is mogelijk ook een stimulans voor geneesheer-directeuren en het Openbaar Ministerie om de wettelijke termijn voor indiening van het verzoek te handhaven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin de geldigheidsduur is bepaald op zes maanden en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad door de einddatum van de voorlopige machtiging opnieuw vast te stellen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Zie art. 2 lid 4 in verbinding met art. 31 lid 1 Wet Bopz.

2 Het voorschrift dat de OvJ aan de geneesheer-directeur mededeling doet van het indienen van het verzoekschrift. Dit voorschrift houdt verband met het bepaalde in art. 48 lid 1 Wet Bopz.

3 Een fax-kopie van het cassatierekest is ingekomen op 9 december 2014, een dag later gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.

4 De toezichthoudende rol van de OvJ volgt uit art. 58 en art. 67 Wet Bopz. Vgl. M.P. Keizer e.a., Wet Bopz. Onvrijwillige opnameprocedures, WODC 1996 (Onderzoeksrapport 3 bij het rapport van de eerste evaluatie van de Wet Bopz, uitgave VWS), blz. 18. Zie verder: R.B.M. Keurentjes, Tekst en toelichting Wet Bopz, 2008, blz. 219 – 221; W.J.A.M. Dijkers en T.P. Widdershoven (red.), De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl./online, aant. C 6 op art. 48 (W. Dijkers).

5 Zie bijv. de conclusie voor HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3925 (art. 81 RO), JVggz 2013/38 m.nt. W. Dijkers.

6 Tot de inwerkingtreding van de wet van 10 april 1997, Stb. 271, bepaalde dit artikellid dat de termijn van zes maanden een aanvang nam op het tijdstip waarop de patiënt in het ziekenhuis was opgenomen. Dit leidde tot onduidelijkheid over het antwoord op de vraag of de duur van een voorafgaande (voortgezette) inbewaringstelling moest worden meegeteld; MvT, Kamerstukken II 1995-1996, 24 669, nr. 3, blz. 1 – 2; conclusie A-G Asser voor HR 19 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1969, NJ 1996/604 m.nt. JdB; Tekst & Commentaar Gezondheidsrecht, art. 10 Wet Bopz, aant. 1 (P. Vlaardingerbroek).

7 Zie art. 2 lid 4 Wet Bopz.

8 Zie art. 9 lid 1 Wet Bopz. Een uitzondering ingevolge art. 48 lid 2 Wet Bopz (contra-expertise op verzoek van de betrokkene) is in deze zaak niet aan de orde; zie over die uitzondering: HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1040, NJ 2014/523, JVggz 2014/1 m.nt. W. Dijkers.

9 Zie art. 15 – 17, respectievelijk art. 18 Wet Bopz.

10 De termijnen in art. 17 lid 4 en art. 19 Wet Bopz blijven in deze conclusie onbesproken.

11 De wetgever heeft het zich zo voorgesteld dat het onvrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op de grondslag van een machtiging tot voortzetting van de ibs ten hoogste zes weken kan duren (te weten: drie weken regulier plus maximaal drie weken ‘nawerking’ totdat de rechtbank over het verzoek om een aansluitende voorlopige machtiging een beslissing heeft genomen of totdat de geneesheer-directeur toepassing geeft aan art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz (zie de MvT op de novelle Bopz, Kamerstukken II 1988-1989, 21 239, nr. 3, blz. 16 – 17).

12 Uit de MvT novelle Bopz (Kamerstukken II 1988-1989, 21 239, nr. 3, blz. 18 – 19) maak ik op dat dit een bewuste keuze van de wetgever was, omdat de lopende machtiging ‘nawerking’ heeft mits de OvJ vóór het verstrijken daarvan een nieuwe machtiging vordert. Indien vóór het verstrijken van de termijn in het geheel geen vordering wordt ingesteld door de officier, verleent de geneesheer-directeur ontslag.

13 Vgl. HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682 m.nt. JdB.

14 Indien de actuele omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de OvJ opnieuw een voorlopige machtiging verzoeken. In een crisissituatie is een last tot inbewaringstelling mogelijk.

15 Vgl. HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2497, NJ 1996/618 m.nt. JdB, rov. 3.5.2.

16 Vgl. HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2314, NJ 2011/404 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2011/16 m.nt. W. Dijkers, rov. 3.2.2.

17 Vgl. HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0141, BJ 2007/1 m.nt. W. Dijkers, rov. 3.4.2; HR 12 juni 2009 (de casus proximus), ECLI:NL:HR:2009:BI6249, NJ 2009/271, BJ 2009/34 m.nt. W. Dijkers, herhaald in HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9150, NJ 2010/112, BJ 2010/7 m.nt. W. Dijkers.

18 Vgl. HR 19 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1969, NJ 1996/604 m.nt. JdB, rov. 3.4; HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2497, NJ 1996/618 m.nt. JdB, rov. 3.3; HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6205, NJ 2007/257, BJ 2006/47 m.nt. WD.

19 Zie: W.J.A.M. Dijkers en T.P. Widdershoven (red.), De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl./online, aant. C.II.14.3.2 (W. Dijkers); W. Dijkers, noot onder HR 12 juni 2009, BJ 2009/34, reeds aangehaald.

20 Zie art. 27 Sr.

21 Kamerstukken I 2013-2014, 31 996, A. Zie ook de MvT, Kamerstukken II 2008-2009, 31 996, nr. 3, blz. 62 e.v., i.h.b. blz. 70 en 73 (in het oorspronkelijke wetsvoorstel waren deze artikelen nog genummerd 34 en 43).

22 In het wetsvoorstel Wet verplichte ggz is de beslistermijn voor de rechter geregeld in art. 6:2 (Nota van wijziging, Kamerstukken II, 2013-2014, 32 399, nr. 10). De zorgmachtiging vermeldt de minimale en maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg (art. 6:3). Art. 6:4 regelt de maximaal toegestane geldigheidsduur. Art. 6:5, in samenhang met de voorgestelde artikelen 8:18 en 8:19, regelt, kort gezegd, de wijze waarop de geneesheer-directeur beslist over beëindiging van de zorgmachtiging dan wel het aanvragen van een nieuwe zorgmachtiging. Het voorgestelde art. 6:5, aanhef en onder a, komt te luiden: “De zorgmachtiging vervalt indien: a. de geldigheidsduur is verstreken, tenzij de geneesheer-directeur voordat de geldigheidsduur is verstreken een nieuw verzoekschrift voor een zorgmachtiging heeft ingediend, in welk geval de eerdere zorgmachtiging vervalt als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist.”

23 Op grond van art. 30 Wet Bopz heeft een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een geldigheidsduur van drie weken na haar dagtekening. Zie over de betekenis van de woorden “na haar dagtekening”: HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3535, NJ 2007/323, BJ 2007/35 m.nt. W. Dijkers. De dag van de gebeurtenis die de termijn doet aanvangen wordt zelf niet meegerekend. Dit is in feite een toepassing van de rechtsregel dies a quo non computator in termino (waarover nadere informatie in ECLI:NL:PHR:2011:BQ3890, voetnoot 10). Vgl. HR 31 augustus 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4853, NJ 1985/52, over de beslistermijn in de vroegere Krankzinnigenwet.

24 Zes maanden, gerekend vanaf het tijdstip waarop de voorafgaande machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling was verstreken.