Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:310

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-01-2015
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
13/03713
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:716, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen. In ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de HR enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, i.h.b. gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer i.h.b. met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. N.a.v. de CAG verdient opmerking dat het voorgaande in vergelijkbare zin geldt indien het medeplegen een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Ook in een geval waarin de tll. het delictsbestanddeel ‘gepleegd door twee of meer verenigde personen’ bevat, zal de rechter derhalve moeten beoordelen of de door verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. In ECLI:NL:HR:2014:3474 is voorts overwogen dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijv. door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, i.h.b. dat en waarom de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. I.c. geeft ’s Hofs oordeel omtrent medeplegen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03713 J

Zitting: 20 januari 2015

(bij vervroeging)

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 25 juni 2013 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1 primair: “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2 tweede alternatief: “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot 223 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft het schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als nader aangegeven in het arrest.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 13/03713 J en 13/00233 J. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde ‘medeplegen’, mede gelet op het ter terechtzitting gevoerde verweer, niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

5. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:

“1 primair:

hij op 25 november 2012 te Amsterdam op de Bijlmerdreef, aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas met inhoud, waaronder telefoons, een identiteitskaart, een geldbedrag en levensmiddelen, toebehorende aan [betrokkene 1],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [betrokkene 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders aan de haren en/of het gezicht van voornoemde [betrokkene 1] hebben getrokken en voornoemde [betrokkene 1] naar de grond hebben getrokken en meermalen tegen het lichaam van voornoemde [betrokkene 1] hebben gestompt en geschopt en (daarbij) voornoemde [betrokkene 1] de woorden hebben toegevoegd: "Geef alles wat je hebt, anders doen we je wat meer aan!", en in de jaszakken van voornoemde [betrokkene 1] hebben gevoeld en vervolgens voornoemde handtas uit de handen van voornoemde [betrokkene 1] hebben getrokken;

2 (2e alternatief):

hij op 25 november 2012 te Amsterdam op de Bijlmerdreef, aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon merk Apple, type iPhone 4S, toebehorende aan [betrokkene 2],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [betrokkene 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders tegen het lichaam van voornoemde [betrokkene 2] hebben geduwd ten gevolge waarvan voornoemde [betrokkene 2] ten val is gekomen en met haar achterhoofd tegen de grond is gekomen en in het gezicht van voornoemde [betrokkene 2] hebben geslagen en vervolgens voornoemde telefoon uit de handen van voornoemde [betrokkene 2] hebben gepakt.”

6. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Een proces-verbaal met nummer 2012304504-11 van 25 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 13 tot en met 17).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 november 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van de aangeefster [betrokkene 1]:

Op 25 november 2012 ben ik slachtoffer geworden van een straatroof. Ik ben beroofd van mijn identiteitskaart, mijn mobiele telefoon, een zwarte iPhone 4S, mijn tweede mobiele telefoon, een Blackberry Curve 3G waar geen simkaart in zat.

Ik was samen met mijn zusje, [betrokkene 2], naar de Albert Heijn gelopen nabij metrostation Ganzenhoef. Er waren in totaal zes daders: drie jongens en drie meisjes.

Toen wij richting metrostation Ganzenhoef liepen zag ik dat wij werden gevolgd door drie meisjes. Ik hoorde dat de meisjes in versneld tempo gingen lopen, ik hoorde dat ze gingen rennen. Ik voelde dat ik van achteren aan mijn haren werd getrokken. Vervolgens deed iemand van achteren zijn handen voor mijn ogen en ik voelde dat ik naar de grond werd getrokken en geduwd. Ik zag en voelde dat twee van de meisjes met kracht met hun gebalde vuisten in mijn gezicht sloegen. Ik voelde daarna dat mijn neus

bloedde. Ik voelde en zag dat zij mij schopten in mijn buik. Ik hoorde een van de meisjes tegen mij zeggen "Geef alles wat je hebt, anders doen we je wat meer

aan!". Ik voelde in het moment dat daarop volgde iemand in mijn jaszakken voelen. Vervolgens zag ik dat één van de meisjes mijn zwarte handtas uit mijn handen rukte. Ik zag de twee meisjes wegrennen richting het metrostation en zag dat zij gevolgd werden door de vier overige daders. Ik constateerde dat mijn mobiele telefoon, een iPhone 4S, uit mijn jaszak is weggenomen.

Terwijl ik werd beroofd door de twee meisjes, zag ik dat mijn zusje werd beroofd door een jongen. Deze jongen mishandelde mijn zusje door haar te schoppen en te slaan.

Voorafgaand aan de beroving werden mijn zusje en ik gevolgd door drie meisjes. Ik zag later dat er ook drie jongens bij kwamen. Ik dacht in eerste instantie dat deze jongens mij en mijn zusje kwamen helpen, omdat wij om hulp schreeuwden. Ik zag vervolgens dat één van deze jongens mijn zusje beroofde.

We wilden naar politiebureau Ganzenhoef gaan en toen we bij het metrostation kwamen zagen we de groep die ons zojuist had beroofd lopen. Ik zag dat ze naar het perron renden en ik ben achter ze aan gerend. Ik heb ze aangesproken en zei dat ik mijn spullen terug wilde. Ik zag dat één van hen mijn zwarte handtas op de grond gooide. Ik liep op de groep af en pakte mijn handtas van de grond. Vervolgens zag ik de groep wegrennen van het perron en naar beneden rennen. Ik mis € 15,— uit mijn portemonnee.

2.

Een proces-verbaal met nummer 2012304504-1 van 25 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 5 tot en met 10).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 november 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van de aangeefster [betrokkene 2]:

Op 25 november 2012 omstreeks 20.15 uur liep ik samen met mijn zusje vanaf de Albert Heijn aan de Bijlmerdreef richting station Ganzenhoef te Amsterdam. Er waren twee meisjes en één jongen die mij beroofden, de andere drie daders waren volgens mij twee jongens en een meisje. Zij kwamen later aanrennen.

Ik ben door een meisje vastgepakt en op de grond geduwd. Door de val op de grond ben ik op mijn achterhoofd gevallen. Door dat meisje ben ik ook in mijn gezicht geslagen. Een andere jongen kwam aangerend en gaf mij met kracht een trap in mijn buik. Dit deed erg veel pijn.

Ik liep ongeveer een meter voor mijn zusje toen ik haar "AU!" hoorde roepen. Ik draaide mij om en zag dat één van de meisjes mijn zusje aan haar haren trok. Ze stonden allemaal om haar heen en pakten haar vast. Ik schreeuwde dat ze haar los moesten laten en daarop kwam een van de meisjes op mij af en pakte mij gelijk vast. Ze duwde mij met beide handen met kracht achterwaarts, waardoor ik met mijn achterhoofd op de grond ben gevallen. Ineens zag ik dat er jongens aan kwamen rennen. Een daarvan kwam op mij afgerend. In eerste instantie dacht ik dat ze mij kwamen helpen, maar toen ze dichterbij

kwamen zag ik dat ze bij de groep hoorden. Een van de jongens kwam links naast mij staan en gaf mij gelijk een harde schop in mijn buik. Dit deed veel pijn. De jongen zei vervolgens tegen mij "Geef mij alles wat je hebt". Ik haalde mijn witte iPhone 4S tevoorschijn. Hij pakte mijn telefoon af en deed deze in zijn jaszak. De hele groep rende vervolgens ineens weg. We zijn ze nog een stuk gaan volgen en zagen dat ze het metrostation Ganzenhoef in gingen en naar boven zijn gegaan. Later kwamen ze weer naar beneden lopen. De tas van mijn zusje hebben ze boven op het metroperron op de grond gesmeten, alle spullen lagen verspreid.

3.

Een proces-verbaal met nummer 2012304504-7 van 25 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (pagina 1 en 2).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 25 november 2012 zag ik een groep van ongeveer vier of vijf dames en drie heren. De groep had haast en checkte niet in. Ze gingen met de roltrappen naar boven. Een blanke dame met bebloede neus kwam ongeveer vier seconden later bij de ingang van het metrostation en ik hoorde door haar geschreeuw dat ze was geslagen en beroofd. Ze vertelde me dat zij en haar zusje net waren beroofd door een groep jongeren en dat dit de jongeren betreffen die zojuist naar boven waren gerend. Ik zag de groep terugkeren vanaf het perron naar de begane grond door middel van de roltrappen. Ik hoorde van de blanke dame dat het die groep was die hen had overvallen en geslagen.

4.

Een proces-verbaal met nummer 2012304504-26 van 27 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (pagina 20).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 26 november 2012 sprak ik met de slachtoffers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en liepen wij de route na die de slachtoffers hadden gelopen voordat zij werden beroofd op 25 november 2012. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat zij op het perron van metrostation Ganzenhoef had gezien dat de daders met haar eten en drinken, die zij zojuist bij de Albert Heijn had gekocht, in hun handen liepen.

Op 27 november 2012 kreeg ik van aangeefster [betrokkene 1] het IMEI-nummer van de nog niet teruggevonden Blackberry.

Ik vroeg aan [betrokkene 1] wat voor eten en drinken zij had gekocht voorafgaand aan de beroving en wat later was weggenomen tijdens de beroving. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat dit ging om een gele zak met M&M's, een blauw/zilver blikje Red Bull en een rood/zilver blikje Energy Drink.

In de fouillering van [verdachte] had ik een volle en gesloten gele zak M&M's aangetroffen alsmede een rood/zilveren blikje Energy Drink.

5.

Een proces-verbaal met nummer 2012304504-31 van 28 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (pagina 21 en 22).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op woensdag 28 november 2012 heb ik de bevindingen, de verklaringen van de verdachten en de aangiftes doorgenomen en de videobeelden van het GVB ernaast gelegd om de juistheid te controleren.

Op de beelden is te zien dat [verdachte] een gele zak M&M's en een rood/zilveren blikje in zijn handen vast heeft. Op de beelden is te zien dat [verdachte] samen met [medeverdachte], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op het metrostation Ganzenhoef is geweest. Tevens is op de beelden te zien dat [medeverdachte] de weggenomen zwarte handtas van de aangeefster [betrokkene 1] in zijn handen heeft en deze vervolgens op het perron van het metrostation in een rookhok neerlegt. Bij hem zijn onder andere

[verdachte], [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

6.

Een proces-verbaal met nummer 2012304504-28 van 27 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (pagina 122).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 27 november 2012 heb ik uit handen van [verdachte] in beslag genomen:

- een rood/zilver blikje Energy drink, en

- een grote gele zak M&M's.

7.

Een proces-verbaal met nummer 2012304504-23 van 26 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (pagina 49 tot en met 54).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 november 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [betrokkene 3]:

Ik was met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en we hebben [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) opgehaald.

We gingen toen naar station Ganzenhof waar we de metro zouden nemen. Ik zag van achter mij een paar jongens rennen die ons inhaalden. [verdachte] en [betrokkene 6] gingen ook mee rennen. Ze renden in de richting van de bosjes.

Na vier of vijf minuten zag ik ze weer terug rennen en zag ik dat [verdachte] een zakje M&M's in zijn handen had en nog iets van drinken. De andere jongens zijn [medeverdachte], [betrokkene 7] en nog een onbekende jongen. Ik zag ook een paar meiden. Ik ben naar boven gegaan met de roltrap. Boven hoorden we heel veel geschreeuw en toen we halverwege de roltrap waren zagen we [verdachte] en nog een paar met de roltrap naar boven rennen. Ik hoorde één van de meisjes naar [verdachte] roepen "die telefoon, die telefoon". Ik hoorde

[verdachte] toen roepen "ik heb helemaal niks, ik heb alleen eten ". Ik zag [medeverdachte] met een tas en ik zag dat hij in

de tas aan het zoeken was. Ik wist toen dat ze iemand hadden beroofd.

[medeverdachte] zat te rommelen in die tas en ze liepen naar achteren. Ik vroeg [medeverdachte] wat er was gebeurd en toen zei hij “ja, een chickie... een chickie". Ik vroeg welke en toen zei hij "jaaa die". Ik vroeg of ze hierheen kwam en toen zei hij "jaa, ze komt eraan". Toen we op de helft van het perron waren zag ik een blank meisje met een bloedneus aan komen lopen en ik dacht dat zij het slachtoffer was. Ik hoorde haar richting [medeverdachte] en de groep roepen "mag ik mijn spullen terug, mag ik mijn spullen terug".

[medeverdachte] heet van zijn achternaam [medeverdachte].

We gingen naar beneden en liepen vlak bij een tunnel. Daar stopten we en kwamen een paar meiden aan gelopen. Ik zag dat [medeverdachte] aan één van die meiden een telefoon gaf ik geloof een Blackberry Curve. Ik weet dat dit niet de telefoon van [medeverdachte] was. Ik hoorde [medeverdachte] zeggen dat er geen simkaart in de telefoon zat. Één van de meisjes pakte de telefoon van [medeverdachte] aan en zei tegen [medeverdachte] "ik ping je morgen".

U vraagt mij wie er betrokken zijn bij de straatroof. Volgens mij [medeverdachte], [betrokkene 7], [betrokkene 6], [verdachte] en een paar meisjes. Eén van de meiden die de telefoon kwam halen heeft het slachtoffer geslagen. Ze deed voor hoe ze had geslagen.

8.

De verklaring van de getuige [betrokkene 3], afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 25

februari 2013.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat drie jongens, [verdachte] en [betrokkene 6] gingen mee rennen richting de bosjes. Het klopt ook dat ik

vervolgens heb verklaard dat ik vervolgens [verdachte] zag, met M&M's in zijn handen.

Ik kan me herinneren dat ik heb verklaard dat [medeverdachte] de Blackberry aan één van de meisjes gaf en dat deze

telefoon niet van hem was.

Ik herken de verdachte [medeverdachte] wel. Dit is [medeverdachte].

Alles wat ik destijds bij de politie heb verklaard klopt wel.

De telefoon was een Blackberry Curve, in het zwart/grijs. [medeverdachte] zei toen zelf: “er zit geen simkaart in”.

9.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2013.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

We zijn een stukje mee gaan rennen.”

7. Voorts heeft het Hof, naar aanleiding van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer, nog het volgende overwogen:

Bewijsverweren

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de verdachte niet als medepleger van feit 1 en 2 kan worden aangemerkt. Hij heeft geen uitvoeringshandeling gepleegd die in de tenlastelegging is opgenomen.

Het verweer van de raadsman dat geen sprake is van medeplegen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging:

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De slachtoffers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben in hun aangifte verklaard over het aantal daders die zich schuldig hebben gemaakt aan de beroving. [betrokkene 2] verklaart dat er in totaal zes daders bij betrokken waren en dat twee van de daders iets na de anderen aan kwamen rennen, waarbij ze in eerste instantie dacht dat deze jongens haar kwamen helpen. Één van deze jongens (dader 2) kwam echter op [betrokkene 2] afgerend, gaf een schop in haar buik en zei vervolgens "geef mij alles wat je hebt". [betrokkene 2] haalde hierop haar witte iPhone 4S tevoorschijn, welke door dader 2 werd afgepakt. [betrokkene 1] verklaart ook dat er in totaal zes daders waren en dat zij in eerste instantie dacht dat ze door de jongens zouden worden geholpen, maar dat ze vervolgens zag dat één van de jongens haar zusje beroofde.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij tussen de Albert Heijn en het station Ganzenhoef een stukje mee ging rennen met de groep jongens en meisjes.

[betrokkene 3] heeft als getuige op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat drie jongens, waaronder

[verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en [betrokkene 6], mee gingen rennen richting de bosjes en dat ze vervolgens [verdachte] uit de bosjes terug zag komen met een zak M&M's in zijn handen. Bij de politie heeft [betrokkene 3] verklaard dat [verdachte] terug kwam rennen vanaf de bosjes en dat hij toen een zakje M&M's en iets van drinken in zijn hand droeg. De andere jongens die daarbij waren, waren [medeverdachte], [betrokkene 7] en nog een onbekende jongen. [medeverdachte] is de bijnaam van medeverdachte [medeverdachte].

Verder heeft [betrokkene 3] bij de politie verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte] een telefoon (Blackberry) uit de tas heeft gehaald en vervolgens heeft weggegeven aan een meisje (het hof begrijpt: een van de meisjes die ook betrokken was bij de beroving).

Aangeefster [betrokkene 1] heeft verklaard dat de - door de medeverdachte weggegooide - tas haar eigendom is. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een Blackberry van aangeefster [betrokkene 1] nog niet is teruggevonden. Ook blijkt dat aangeefster [betrokkene 1] heeft gezien dat de daders met haar eten en drinken, een gele zak M&M's, een blikje Red Bull en een blikje energy drink, in hun handen liepen.

Op grond van bovenstaande verklaringen stelt het hof vast dat de verdachte achter de groep jongeren - waarvan hij wist of in elk geval vermoedde dat ze de aangeefsters wilde gaan beroven - aan is gerend, op enig moment ook deel uit is gaan maken van die groep in/bij de bosjes, met een zakje M&M's en een blikje energy drink - die in de tas van aangeefster zaten - wegloopt van de plek waar de beroving heeft plaatsgevonden, en dat niet is gebleken dat hij zich op enig moment heeft gedistantieerd van wat er gebeurde.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met

anderen zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten zoals bewezenverklaard.”

8. Het “medeplegen” als bedoeld in art. 47, eerste lid aanhef en onder 1º, Sr vereist (van oudsher) in ieder geval een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers. Een dergelijke samenwerking, waarin tevens het vereiste opzet besloten ligt, kan gezien HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452 blijken uit vooraf gemaakte afspraken, bijvoorbeeld over de rolverdeling1, de aanwezigheid ten tijde van het delict en bepaalde gedragingen na afloop van het delict. Hoewel het voor het aannemen van medeplegen niet nodig is dat de uitvoering in gezamenlijk verband plaatsvindt, en ook niet dat de medeplegers dezelfde soort gedragingen verrichten of dat zij allen tijdens het begaan van het feit tegenwoordig zijn2, kan een gezamenlijke uitvoering een indicatie zijn voor een bewuste en nauwe samenwerking. Tevens kunnen – in de woorden van De Hullu – “gedragingen voorafgaand of na afloop van het strafbare feit (…) bijdragen aan het oordeel over de nauwe samenwerking die voor medeplegen is vereist, zeker bij een complex van gedragingen”.3 En ook het zich niet-distantiëren terwijl de gelegenheid daartoe wel bestaat, kan, afhankelijk van de aard van het delict, een kleine bouwsteen vormen in de bewijsconstructie van de deelnemingsfiguur “medeplegen”.

9. In de onderhavige zaak is evenwel geen sprake van (de kwalificatie) van “medeplegen” in de zin van art. 47, eerste lid aanhef en onder 1º, Sr, maar van diefstal met geweld “door twee of meer verenigde personen” (art. 312, tweede lid aanhef en onder 2º, Sr). Dit bijzondere delictsbestanddeel, dat een strafverzwarend gevolg heeft4, komt naar mijn inzicht niet helemaal overeen met het “medeplegen” als bedoeld in art. 47, eerste lid aanhef en onder 1º, Sr. Het lijkt mij dat “het plegen door twee of meer verenigde personen” - anders dan de deelnemingsfiguur “medeplegen” – het zwaartepunt legt in de gezamenlijke uitvoering en niet in vooraf gemaakte afspraken.5 Het ziet er echter niet naar uit dat de Hoge Raad een dergelijke nuancering op dit vlak wil aanbrengen. Dat kon al worden afgeleid uit HR 11 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0638, NJ 1997/440 en vindt in mijn ogen bevestiging in het hierna aan te halen overzichtsarrest inzake medeplegen van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.

10. In dat arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing

3.1. De art. 47 tot en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443).

In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.

3.2.1. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407).

3.2.2. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL: HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".

3.2.3. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

3.3.1. Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven. Het gebruikmaken van aan andere deelnemingsvormen ontleende begrippen of constructies kan de bewijsvoering voor medeplegen compliceren en verdient daarom in zulke gevallen geen aanbeveling. (Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX5140 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, in welke zaken het medeplegen door het hof was bewezenverklaard aan de hand van criteria voor het zogenoemde functionele daderschap). Het valt overigens op dat het openbaar ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere niet-economische strafbare feiten - in vergelijking met economische delicten - vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop).

3.3.2. Het ontbreken van een precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen brengt mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen er goed aan doet de rechter een keuzemogelijkheid te bieden door daarop toegesneden varianten in de tenlastelegging op te nemen. Als het openbaar ministerie evenwel om hem moverende redenen uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid heeft tenlastegelegd, moet de rechter vrijspreken indien het medeplegen niet kan worden bewezen, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit.”

11. Terug naar de onderhavige zaak. Uit de bewijsconstructie van het Hof kan het volgende afgeleid. De twee aangeefsters, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], werden eerst gevolgd door drie meisjes. Iets later kwamen daar drie jongens bij. De twee zussen werden tegelijkertijd met geweld en bedreiging met geweld beroofd door een groep personen die uit zes daders bestond, drie jongens en drie meisjes. Twee meisjes sloegen [betrokkene 1] in haar gezicht en schopten haar in haar buik. Een van de meisjes rukte haar zwarte handtas uit haar handen, terwijl iemand haar iPhone 4S uit haar jaszak wegnam. Haar zus [betrokkene 2] is door een meisje tegen de grond gewerkt en in haar gezicht geslagen, en door een jongen in haar buik geschopt. De zes verdachten zijn later door de aangeefsters gezien bij het metrostation. Daar hebben zij de groep aangewezen aan een politieambtenaar in burger, die deze groep heeft geïdentificeerd als vier of vijf dames en drie heren. Bij de fouillering van verzoeker zijn buitgemaakte goederen aangetroffen (een gele zak met M&M’s en een blikje Energy drink). Op de voor het bewijs gebezigde videobeelden is te zien dat verzoeker deze goederen in zijn hand heeft.

Een van de medeverdachte meisjes, [betrokkene 3], heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat drie jongens, waaronder verzoeker, mee renden richting de bosjes en dat zij vervolgens verzoeker met een zak M&M’s terug zag komen. Bij de politie heeft [betrokkene 3] verklaard dat onder meer verzoeker terug kwam rennen vanaf de bosjes en dat hij toen een zakje M&M’s en iets van drinken in zijn hand had. Volgens haar is de straatroof gepleegd door onder meer verzoeker.6

12. Het vrijwel van hetzelfde moment van aanvang als groep met elkaar optrekken waarbij klaarblijkelijk gezamenlijk uitvoering is gegeven aan een plan en het gezamenlijk en gelijktijdig, als groep, wegrennen alsmede de omstandigheid dat verzoeker een deel van de buit onder zich had, kleuren in de onderhavige zaak het “door twee of meer verenigde personen plegen” geheel en al in. Daaraan doet, mede gelet op de hierboven (in tekst en voetnoten) weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad, niet af dat (ook) verzoeker zich mogelijk iets later bij de achtervolgers (de drie meisjes) voegde en dat niet hij maar een meisje de handtas uit de handen van [betrokkene 1] rukte.

13. Anders dan de steller van het middel, ben ik van mening dat het Hof op juiste en toereikende gronden het tot vrijspraak strekkende verweer (er zou geen sprake zijn van medeplegen) heeft verworpen. Voorts geeft het bestreden oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het bijzondere delictsbestanddeel “door twee of meer verenigde personen plegen”. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, terwijl het, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder kan worden getoetst.

14. Het middel faalt.

15. Ambtshalve wijs ik er op dat op 27 oktober 2014 de redelijke termijn in cassatie (de termijn van zestien maanden na het instellen van het beroep in cassatie) is overschreden. De Hoge Raad kan het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

16. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hoewel voor medeplegen niet hoeft vast te staan wie wat heeft gedaan.

2 Vgl. HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2942.

3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, Deventer: Kluwer 2012, p. 437. Zie ook HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1755, NJ 2000/414.

4 Vergelijkbare strafverzwarende bestanddelen komen ook in enkele andere bijzondere delictsomschrijvingen voor. Zie bijvoorbeeld: art. 138, vierde lid, Sr (huisvredebreuk in vereniging), art. 311, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr (gekwalificeerde diefstal); art. 317, derde lid, Sr (gekwalificeerde afpersing); en art. 141, eerste lid, Sr (openlijke geweldpleging in vereniging). Helemaal mooi maakt art. 182, eerste lid, Sr het: “door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd” (ambtsdwang en wederspannigheid in vereniging).

5 Ook De Hullu (a.w., p. 450) stelt de vraag aan de orde of “de wettelijke strafverzwaringsgrond als medeplegen moet worden uitgelegd, meer in het bijzonder of lijfelijke aanwezigheid geen voorwaarde zou moeten zijn voor deze wettelijke strafverzwarende omstandigheid.”

6 Ik merk op dat over het gebruik in de bewijsconstructie van dit onderdeel van de verklaring van [betrokkene 3] in de schriftuur niet expliciet wordt geklaagd.