Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:303

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-02-2015
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
14/01121
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1241, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijke vrijheidsberoving, art. 282 Sr. De HR schetst de uit de bewijsvoering blijkende f&o waaronder de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden. ’s Hofs oordeel dat verdachte aldus samen met een ander X van zijn vrijheid heeft “beroofd” i.d.z.v. art. 282.1 Sr is niet toereikend gemotiveerd. De volgens de bewezenverklaring gebezigde bewoordingen “komen jullie twee mee naar beneden” of “komen jullie mee” en “stap in de auto” zijn immers in het algemeen niet van dien aard dat X in feite van zijn vrijheid - de vrijheid om te gaan en staan waar hij wil - werd “beroofd”. I.c. heeft het Hof niets naders vastgesteld omtrent de context waarin voormelde uitlatingen zijn gedaan. Gelet hierop biedt de bewijsvoering onvoldoende grond voor het kennelijke oordeel van het Hof dat van zodanige f&o sprake was dat X niet de vrijheid had om niet mee te gaan of om weg te gaan, en is de bewezenverklaring wat betreft het “beroven” van de vrijheid onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01121

Zitting: 3 februari 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het arrest omschreven.

  2. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring en klaagt zowel over het oordeel van het hof dat sprake is van (wederrechtelijke) vrijheidsberoving als over het oordeel dat de verdachte zich opzettelijk daaraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast klaagt het middel over de motivering van het hof voor zover betrekking hebbende op het van de vrijheid beroofd houden van het slachtoffer.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 04 november 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [betrokkene 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader

  • -

    [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Komen jullie twee mee naar beneden” of “Komen jullie mee” en “Stap in de auto”,

  • -

    [betrokkene 1] tegen zijn wil in de auto meegenomen.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte, genummerd PL132E 201027761-1, gesloten en getekend op 11 november 2010, dossierpagina 06-11, voor zover inhoudende als aangifte van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

Op donderdag 04 november 2010 was ik op school geweest. Omstreeks 13.30 uur nam ik metrolijn 50 vanaf Isolatorweg richting Amsterdam Zuidoost. Ik stapte uit op station Duivendrecht. Ik denk dat het op dat moment tussen 14.00 en 14.15 uur was. Ik was in het gezelschap van een vriend van school, hij heet [betrokkene 2] .

Op het moment dat wij in de hal bij de treinen stonden, zag ik een jongen die ik ken via de trap naar boven komen lopen. Deze jongen heet [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Ik zag [verdachte] wel naar mij kijken maar hij zei verder niets. Kort hierop kwam ook [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) via de trap naar boven lopen. Ik ken hem maar het is niet zo dat ik met hem praat of zo. Ik zag dat [betrokkene 3] naar mij en [betrokkene 2] toekwam en hoorde dat hij zei: ‘Komen jullie twee mee naar beneden’. Op dat moment leek het mij het beste om maar gewoon mee te lopen. Wij zijn achter hem aangelopen richting de uitgang van het station, aan de zijde van de Venserpolder. Ik zag dat [betrokkene 3] richting een auto liep die daar geparkeerd stond. Deze stond op de bushalte waar ook snorders vaak staan. Ik zag dat [verdachte] ook hij deze auto stond en zag een derde jongen op de passagiersstoel zitten. Deze jongen heet [betrokkene 4] , hem ken ik niet maar ik hoorde van [betrokkene 2] dat hij [betrokkene 4] heet. De auto was een zwarte Volkswagen. Ik hoorde dat [betrokkene 3] zei: “Stap in de auto”. Op dat moment was ik best bang. Ik wilde eigenlijk niet instappen, maar dacht: als ik wegren krijgt hij mij toch wel te pakken. Daarom zijn ben ik maar ingestapt, ook [betrokkene 2] stapte in de auto.

Ik zag dat [verdachte] achter het stuur ging zitten, naast [betrokkene 4] . Ikzelf zat links achterin, [betrokkene 2] zat in het midden en [betrokkene 3] rechts achterin. Vervolgens zijn we gaan rijden via de Dolingadreef, rechtsaf de Daalwijkdreef op. Vervolgens sloegen we rechtsaf naar Dennenrode. Ik zag dat [verdachte] direct de parkeergarage inreed. Ik zag dat [verdachte] achterin de garage stopte. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen me zei dat ik uit moest stappen. Ik zag ook dat hij zich alleen op mij richtte en niet op [betrokkene 2] . Ik ben uitgestapt en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] stapten ook uit. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen [betrokkene 2] zei dat hij moest blijven zitten. Ik zag dat hij de deur dichtgooide zodat [betrokkene 2] niet kon uitstappen. Vervolgens reed [verdachte] de parkeergarage uit en waren we nog maar met zijn drieën.

2. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL132E 201027761-12, gesloten en getekend op 16 november 2010, dossierpagina 40-41, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:

Ik zal u vertellen wat ik weet en gezien heb. Ik was met [betrokkene 1] op station Duivendrecht toen 2 jongens naar ons toe kwamen. Ik zag dat de ene persoon [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) was. Die andere ken ik niet. [betrokkene 3] ken ik van de kerk. Toen we naar beneden liepen, liepen we naar een auto. Boven zei [betrokkene 3] tegen ons: komen jullie mee. Dat was niet op een normale toon, ik zag dat hij boos was. De auto is een Volkswagen, zwart van kleur, type weet ik niet. We zijn met z'n allen ingestapt. En daarmee bedoel ik: [betrokkene 3] , [verdachte] (zo heet die andere jongen die ook boven op het station was dat hoorde ik later van [betrokkene 1] in de auto), [betrokkene 1] , ikzelf en ene [betrokkene 4] .

Daarna zijn we naar Dennenrode gereden. Daar aangekomen zijn we achter in de garage gegaan. Ik zag dat iedereen uitstapte behalve ik. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen mij zei: “Dit heeft niets met jou te maken, blijf jij zitten.”, daarom bleef ik zitten. Ik zag dat [betrokkene 1] vast gehouden werd door iemand, alleen kon ik niet zien door wie. Daarna kwam [verdachte] terug in de auto en toen werd ik weg gebracht door hem naar buiten op de parkeerplaats en hij vertelde mij: “Het is beter als je nu naar huis gaat”. Ik zag dat [verdachte] terug rende naar de parkeer garage.

3. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 201027761 -29, gesloten en getekend op 17 november 2010, dossierpagina 45-54, voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:

Die jongen die ik wilde spreken heet [betrokkene 1] . Zijn achternaam weet ik niet. Ik ben met twee neven naar Duivendrecht gegaan. U zegt mij dat [betrokkene 4] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) erbij waren. Dat klopt, dat zijn de neven die ik bedoel.

Ik ben naar Duivendrecht gegaan omdat ik van een kennis, die ik niet wil noemen, hoorde dat [betrokkene 1] daar was. Ik had die kennis gebeld en gevraagd waar [betrokkene 1] was. Hij vertelde mij dat die op Duivendrecht was. Ik ben naar Duivendrecht gegaan met de auto. Dat is een huurauto, een Volkswagen Golf Plus, zwart. Toen ik bij het station was heb ik hem gevraagd om mee te lopen.

4. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2010277761-29, gesloten en getekend op 16 november 2010, dossierpagina 25, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, straatroof en bedreiging op maandag 4 november 2010 heb ik, verbalisant, camerabeelden uitgekeken van het metro/trein station Duivendrecht en wel van de ingang/uitgang aan de kant van de Venserpolder. Aan deze zijde van het station is een camera gericht op de controle poortjes alwaar ingecheckt en uitgecheckt wordt.

foto 1 - binnenkomst [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte)

foto 2 - aangever met muts bij uitchecken en getuige [betrokkene 2]

foto 3 - aangever voor het uitchecken

foto 4 - aangever loopt naar poortje

foto 5 en 6 - aangever checkt uit

foto 7 - aangever met muts met rode streep door poortje met op de achtergrond [verdachte]

foto 6 - aangever door poortje met op de achtergrond [verdachte]

foto 9 - [verdachte] richting uitgang

foto 10 - [verdachte] richting uitgang.

Opmerking hof: anders dan bij arrest is overwogen, is [betrokkene 3] op deze beelden niet zichtbaar.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank te Amsterdam van 8 februari 2011, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 3] en ik halen elkaar elke dag uit school. Wie het eerst vrij is, komt de ander halen. [betrokkene 3] kwam mij 4 november 2010 ophalen. [betrokkene 4] zat ook in de auto. Bij station Duivendrecht is [betrokkene 3] uit de auto gestapt. Ik ben in het station ook naar boven gelopen.”

6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Door de raadsman is bepleit dat zijn cliënt ook dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft hiertoe -kort gezegd- hetvolgende aangevoerd. Primair heeft de autorit geen wederrechtelijke vrijheidsberoving opgeleverd, subsidiair kan niet worden bewezen dat cliënt opzet had op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte wist niet wat er te gebeuren stond.

Medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij samen met verdachte in de auto naar station Duivendrecht is gereden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij evenals [betrokkene 3] uit de auto is gestapt en station Duivendrecht is binnengelopen. Aangever heeft verklaard dat hij op station Duivendrecht eerst verdachte zag en dat deze naar hem keek. Hij is op station Duivendrecht achter [betrokkene 3] aangelopen in de richting van de uitgang omdat het hem het beste leek om gewoon mee te lopen. Hij heeft verklaard dat hij best bang was en dat hij niet wilde instappen in de auto. Hij is wel ingestapt, omdat hij dacht dat [betrokkene 3] hem toch wel te pakken zou krijgen als hij weg zou rennen. Dit wordt bevestigd door hetgeen getuige [betrokkene 2] heeft verklaard over de wijze waarop zij door verdachte en [betrokkene 3] op het station zijn benaderd. Hij heeft namelijk verklaard dat twee jongens naar aangever en hem toekwamen en dat hij kon zien dat [betrokkene 3] boos was toen hij zei dat zij mee moesten komen. Volgens de getuige zei [betrokkene 3] dat niet op een normale toon. Bovendien blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat aangever wist dat [betrokkene 3] hem zocht.

Op afdrukken van de camerabeelden van station Duivendrecht is te zien dat aangever [betrokkene 1] , getuige [betrokkene 2] , alsmede verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] op 4 november 2010 rond 14.20 uur richting de uitgang van het station lopen. Vervolgens is aangever met de auto van station Duivendrecht vervoerd naar de parkeergarage van het flatgebouw Dennenrode. In de auto zat ook verdachte samen met alle hiervoor genoemde personen.

Uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte achter het stuur is gaan zitten en direct naar de parkeergarage Dennenrode is gereden. Getuige [betrokkene 2] en aangever hebben verklaard dat verdachte, nadat hij in de parkeergarage uit de auto was gestapt, weer terug in de auto is gestapt om [betrokkene 2] naar buiten te brengen. Verdachte heeft tegen [betrokkene 2] gezegd dat ‘hij ( [betrokkene 2] ) er niets mee te maken had.’ Verdachte is daarna teruggekeerd naar de parkeergarage.

Ondanks het feit dat medeverdachte [betrokkene 3] alle schuld ten aanzien van een groot deel van de feiten op zich lijkt te willen nemen, is het hof, evenals de rechtbank, op grond van deze verklaringen van oordeel dat [betrokkene 3] zo nauw en volledig heeft samengewerkt met verdachte dat sprake is van medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Ook staat voor het hof vast dat het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd is gehouden door de omstandigheid dat hij is meegenomen naar een parkeergarage, waar het slachtoffer niet de vrijheid had om weg te gaan. Pas toen de verdachten waren vertrokken, heeft hij zich kunnen aankleden en is hij de garage uitgelopen.

Het hof is derhalve van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

7. De in het middel geformuleerde eerste klacht houdt kort samengevat in dat het hof op grond van de vastgestelde feiten, die erop neer komen dat het slachtoffer [betrokkene 1] is gevraagd om mee te komen en in de auto te stappen, ook al is dat door hem als bedreigend ervaren, ten onrechte tot een bewezenverklaring van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving is gekomen, omdat [betrokkene 1] zelf ervoor gekozen heeft in verdachtes auto te stappen.

8. Om de klacht te kunnen beoordelen moet eerst worden vastgesteld wat onder opzettelijke vrijheidsberoving zoals is strafbaar gesteld in art. 282 Sr moet worden verstaan. Dat is (mede) afhankelijk van de vraag wat met vrijheid wordt bedoeld. Machielse maakt in Noyon-Langemeijer-Remmelink het onderscheid tussen twee soorten vrijheid, te weten de lichamelijke vrijheid en de geestelijke vrijheid en stelt dat art. 282 Sr uitsluitend betrekking heeft op de lichamelijke vrijheid. Het uitoefenen van ‘zedelijke dwang’ valt volgens hem niet onder art. 282 Sr, maar onder art. 284 Sr (dwang) en art. 285 Sr (bedreiging met bepaalde ernstige misdrijven). In zijn optiek is voor een bewezenverklaring van art. 282 Sr een handeling noodzakelijk die de fysieke verplaatsing onmogelijk maakt.1 Bij wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr moet het volgens Machielse dus gaan om de feitelijke beroving van de fysieke bewegingsvrijheid. De Hoge Raad is echter in deze opvatting niet meegegaan. In zijn arrest van 15 mei 19902, oordeelde de Hoge Raad dat door opzettelijk de indruk te vestigen dat het slachtoffer onmiddellijk zou worden neergeschoten indien zij zou proberen het perceel waarop zij zich bevond te verlaten, de verdachte haar van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden in de zin van art. 282 Sr.3 De overlap tussen art. 282 Sr en de art. 284 Sr (dwang) en 285 Sr (bedreiging met een ernstig misdrijf) kan daarbij volgens de Hoge Raad worden opgelost via de regels van de samenloop (art. 55 Sr). Hieruit kan worden afgeleid dat niet alleen de fysieke beperking van iemands bewegingsvrijheid strafbaar is, bijvoorbeeld door iemand op te sluiten of feitelijk te verhinderen weg te lopen, maar dat de strafbare ontneming van de bewegingsvrijheid ook door het aanjagen van angst bewerkstelligd kan worden.

9. Volgens Knigge is het verschil tussen de opvatting van Machielse en de Hoge Raad minder groot dan het misschien lijkt. In zijn conclusie4 voor het arrest van de Hoge Raad van 20 november 20125, betoogt hij dat uit het arrest van 1990 niet kan worden afgeleid dat iedere vorm van zedelijke dwang wederrechtelijke vrijheidsberoving oplevert. Volgens hem is van vrijheidsberoving pas sprake als het toepassen van zedelijke dwang onmiddellijk tot gevolg heeft dat het slachtoffer zich niet meer fysiek vrij kan bewegen. Ik vind de term “zedelijk” in dit verband in de meeste gevallen wat merkwaardig aandoen. Het gaat om alle mogelijke vormen van niet fysieke dwang die sterk genoeg zijn om het effect van vrijheidsberoving te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld in het geval van een gijzeling waarbij mensen onder schot worden gehouden en zich niet meer durven te verroeren, ook al is de ruimte waarin zij zich bevinden niet afgesloten en zouden zij zich ook uit de voeten kunnen maken, als zij dat zouden durven. Als er nog keuzevrijheid is, bijvoorbeeld in het geval dat iemand telefonisch bedreigd wordt dat als hij zijn huis verlaat, hij neergeschoten wordt, levert dit in Knigges optiek nog geen vrijheidsberoving op. In zijn bijdrage aan de Machielse-bundel, waarin ook uitvoerig wordt ingegaan op de implicatie van de wil van degene wiens vrijheid wordt ontnomen voor de strafbaarheid van vrijheidsberoving6, schrijft Knigge dat veel ervoor pleit om vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr te definiëren als het benemen van de feitelijke mogelijkheid om zich te verplaatsen.7 Ik sluit mij graag bij deze definitie aan.

10. In de onderhavige zaak heeft het hof aan de vraag of op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hetgeen zich heeft afgespeeld kan worden beschouwd als het benemen van de feitelijke mogelijkheid van het slachtoffer om zich te verplaatsen geen nadere overwegingen gewijd anders dan:

“Ondanks het feit dat medeverdachte [betrokkene 3] alle schuld ten aanzien van een groot deel van de feiten op zich lijkt te willen nemen, is het hof, evenals de rechtbank, op grond van deze verklaringen van oordeel dat [betrokkene 3] zo nauw en volledig heeft samengewerkt met verdachte dat sprake is van medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Ook staat voor het hof vast dat het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd is gehouden door de omstandigheid dat hij is meegenomen naar een parkeergarage, waar het slachtoffer niet de vrijheid had om weg te gaan. Pas toen de verdachten waren vertrokken, heeft hij zich kunnen aankleden en is hij de garage uitgelopen.”

Verder heeft het hof overwogen dat het verweer strekkende tot vrijspraak voor zover inhoudende dat de autorit geen wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft opgeleverd wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

11. Uit die bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer en diens vriend zich op station Duivendrecht bevonden en daar de verdachte en diens medeverdachte naar boven zagen komen lopen. De medeverdachte heeft toen tegen het slachtoffer en diens vriend gezegd ‘Komen jullie twee mee naar beneden’. Het leek het slachtoffer het beste om maar gewoon mee te lopen. De medeverdachte heeft vervolgens gezegd ‘Stap in de auto’. Het slachtoffer was op dat moment best bang, wilde eigenlijk niet instappen, maar dacht: als ik wegren krijgt hij mij toch wel te pakken. Hij is daarom maar ingestapt. Ook zijn vriend is ingestapt. De vriend verklaart dat de medeverdachte niet op een normale toon sprak toen hij zei ‘komen jullie mee’ en dat hij zag dat hij boos was.

12. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, lijkt mij dit onvoldoende te zijn om te kunnen spreken van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr. Het slachtoffer is niet de auto ingetrokken of geduwd en is evenmin vastgebonden of iets dergelijks. Van een fysieke onmogelijkheid tot vrije verplaatsing was op dat moment dan ook geen sprake. Het enkele op een “niet normale” toon tegen het slachtoffer en diens vriend zeggen/vragen mee te komen en in te stappen is naar mijn mening een te lichte vorm van zedelijke dwang om te kunnen spreken van vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr.

13. Daarbij speelt tevens mee dat de gedachte van het slachtoffer dat hij toch wel gepakt zou worden als hij zou wegrennen (en de wijze waarop dat dan zou gebeuren) niet door enig bewijsmiddel wordt gestaafd. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt niets van enige andere zedelijke dwang waardoor het voor het slachtoffer onmiddellijk onmogelijk werd zich te verplaatsen. Het feit dat hij nadat hij is ingestapt is meegenomen in de auto naar de parkeergarage betekent weliswaar dat verdachte tijdens die rit waarschijnlijk niet kon uitstappen, maar dat kan moeilijk als wederrechtelijke vrijheidsberoving worden aangemerkt. Nu de bewijsvoering ook niets inhoud met betrekking tot de situatie in de auto gedurende de rit naar de parkeergarage, kan ook daaruit de wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals bedoeld in art. 282 Sr niet worden afgeleid. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat verdachte niet zou zijn gestopt om het slachtoffer (en diens vriend) uit te laten stappen op het moment dat zij daarom zouden vragen. Of er in de parkeergarage sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsbeneming kan evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Daaruit blijkt niet meer dat [betrokkene 1] na aankomst daar is achtergelaten en dat [betrokkene 2] vrijwillig in de auto is blijven zitten en mee naar buiten is gereden en toen weg kon gaan.

14. Nu van vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr geen sprake is, kom ik niet meer toe aan de bespreking van de eveneens in het middel opgeworpen vragen of hier sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving en de vraag of de verdachte zich daaraan (als mededader) opzettelijk heeft schuldig gemaakt.

15. Voor zover het middel klaagt over de motivering van het hof met betrekking tot de bewezenverklaring van het van de vrijheid beroofd houden is het eveneens terecht voorgesteld. Uit de hiervoor onder 6 weergegeven overweging blijkt inderdaad, zoals de steller van het middel opmerkt, dat het hof met de bewezenverklaring van het van de vrijheid beroofd houden het oog heeft gehad op de situatie in de parkeergarage na de autorit. Zoals hierboven al is aangevoerd zijn ten laste van de verdachte geen gedragingen in de parkeergarage bewezenverklaard hierop wijzen, noch kunnen die zonder meer worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.8 De motivering van het hof van de bewezenverklaring van het van de vrijheid beroofd houden is dan ook ontoereikend.

16. Het eerste middel slaagt.

17. Het tweede middel klaagt over de strafmotivering van het hof, voor zover deze inhoudt dat de verdachte blijkens het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie eerder is veroordeeld.

18. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Oplegging van straf en/of maatregel’ – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Voorts heeft het hof gelet op het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een ernstig strafbaar feit.”

19. Uit het zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 17 oktober 2013 blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit alleenl meermalen een transactie is opgelegd.9 Gegevens omtrent een onherroepelijke veroordeling/onherroepelijke veroordelingen voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit ontbreken. De strafoplegging is dan ook ontoereikend gemotiveerd.

20. Ook het tweede middel slaagt.

21. Beide middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.L.Machielse in NLR, aant. 1 bij art. 282 Sr (bijgewerkt tot 2 april 2013).

2 ECLI:NL:HR:1990:ZC8416.

3 Machielse onderkent dit in NLR ook in aant. 2 bij art. 282 Sr: ‘Art. 282 Sr verlangt niet dat van een absolute onmogelijkheid van fysieke verplaatsing sprake is’.

4 ECLI:NL:PHR:2012:BX5468 onder 4.6.

5 ECLI:NL:HR:2012:BX5468.

6 Knigge geeft in zijn stuk hiervan een aantal spannende voorbeelden, zoals iemand die zich inbeeldt ‘Houdini’ te zijn en mensen uit het publiek vraagt om hem in de boeien te slaan. Dat gebeurt in beginsel vrijwillig en dan is er geen sprake van vrijheidsberoving. Dat kan anders worden als het hem niet lukt zichzelf te bevrijden en hij ondanks smeekbeden aan het publiek niet wordt losgemaakt.

7 G. Knigge, Van vrijheidsberoving, bewustheid en bestwil, in Ad hunc modum, Opstellen over materieel strafrecht, Liber amicorum A.J. Machielse, Kluwer Deventer 2013, p. 201.

8 Enkel bewijsmiddel 2 houdt in dat [betrokkene 2] (de vriend van het slachtoffer) zag dat iedereen uitstapte, dat hij zag dat [betrokkene 1] (het slachtoffer) vast werd gehouden door iemand en dat [verdachte] (de verdachte) terug liep naar de parkeergarage.

9 Transacties kunnen niet gelijk gesteld worden aan onherroepelijke veroordelingen. Zie HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231.