Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:300

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-02-2015
Datum publicatie
21-04-2015
Zaaknummer
14/00915
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1097
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 425 aanhef en onder 2˚ Sr: “onder zijn hoede” staand gevaarlijk dier (i.c. Pitbull en Rottweiler). Het Hof heeft de verdachte kunnen aanmerken als degene die voldoende zorg dient te dragen voor het onschadelijk houden van zijn gevaarlijke dieren, nu aan de verdachte als eigenaar van de honden i.h.a. de zeggenschap zal toekomen over de wijze waarop zijn gevaarlijke dier onschadelijk moet worden gehouden. In ’s Hofs overwegingen ligt besloten dat niet is gebleken dat die zeggenschap of zorg op een zodanige manier aan een ander was toevertrouwd dat alleen die ander zou kunnen worden aangemerkt als diegene bij wie de dieren onder zijn hoede stonden. De omst. dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de honden toen zij het slachtoffer aanvielen daadwerkelijk onder het feitelijk toezicht van de verdachte stonden, leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00915

Zitting: 3 februari 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 4 februari 2014 door het Gerechtshof Amsterdam in zaak A wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en in zaak B wegens “onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, tweemaal gepleegd”, veroordeeld in zaak A tot een taakstraf voor de duur van 40 uren te vervangen door 20 dagen hechtenis en in zaak B tot een taakstraf voor de duur van 80 uren te vervangen door 40 dagen hechtenis. Het hof heeft bovendien de vordering van de benadeelde partij in de zaak B toegewezen tot een bedrag van € 1.500,- in combinatie met de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr te vervangen door 25 dagen hechtenis. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden gelast, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis.

  2. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld. Van de advocaat is een nadere toelichting op het middel ingekomen nadat de op grond van artikel 437 lid 2 Sv gestelde termijn was verstreken zodat daarop geen acht kan worden geslagen.

  3. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan het bestanddeel “onder zijn hoede” in artikel 425 onder 2° Sr. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte de honden onder zijn hoede had zoals bedoeld in artikel 425 onder 2° Sr. De uitleg die het hof heeft gegeven aan “onder zijn hoede” zou in strijd zijn met de in artikel 6 lid 2 EVRM uitgedrukte onschuldpresumptie en in strijd met artikel 7 EVRM omdat het handelen dan wel nalaten van de verdachte niet strafbaar was ten tijde van de gedraging. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan verder niet blijken dat de verdachte de honden onder zijn hoede had en evenmin dat de verdachte de honden “onaangelijnd en ongemuilkorfd op de openbare weg heeft laten verblijven”, zoals het hof eveneens bewezen heeft verklaard.

  4. In cassatie is de veroordeling van de verdachte wegens zaaksbeschadiging niet aan de orde (zaak A).

De veroordeling waarop het middel betrekking heeft

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat

“hij op 23 mei 2012 te Amsterdam geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van onder zijn hoede staande gevaarlijke dieren, te weten twee honden, zijnde een pitbull en een rottweiler, immers hebben voornoemde honden [slachtoffer] meermalen met kracht gebeten en aangevallen, terwijl verdachte voornoemde honden onaangelijnd en ongemuilkorfd op de openbare weg heeft laten verblijven, terwijl verdachte wist dat voornoemde honden eerder een persoon hadden gebeten en aangevallen.”

6. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat twee honden die eigendom zijn van de verdachte – een pitt bull terrier en een rottweiler – op straat een man hebben gebeten. Terwijl het latere slachtoffer [slachtoffer] op straat was om iets uit zijn daar geparkeerde auto te pakken, is hij eerst aangevallen door de pit bull terrier. Die heeft hem in zijn linker arm gebeten waarna het slachtoffer op de grond is gevallen. Eenmaal op de grond heeft ook de rottweiler hem aangevallen en het slachtoffer op meerdere plekken gebeten, weer los gelaten en opnieuw gebeten. Nadat het slachtoffer met zijn linker arm zwaaide, heeft de pitbull losgelaten maar het slachtoffer vervolgens in zijn linker onderbeen gebeten. De honden hebben het slachtoffer losgelaten toen het alarm van een scooter is afgegaan. De honden zijn vervolgens vastgepakt door de broer van de verdachte en een andere man, en meegenomen naar de woning van de broer van de verdachte aan de [a-straat] 48-1 te Amsterdam.

7. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt niet of de verdachte zich ten tijde van het bewezenverklaarde feit bevond aan de [a-straat] 48-1 te Amsterdam. Evenmin kan daaruit blijken of de verdachte daar woont. Uit de persoonsgegevens die in het arrest zijn vermeld blijkt dat de verdachte woont aan de [b-straat] 192-H te Amsterdam. Met een blik over de papieren muur merk ik op dat de verdachte, naar aanleiding van het bijtincident dat in cassatie aan de orde is, is aangehouden in de woning van zijn broer.1

8. Verder is van belang dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen in het arrest blijkt dat de verdachte de eigenaar van de honden is. Ook volgt daaruit dat de verdachte wist dat beide honden tweemaal eerder iemand hadden gebeten, namelijk in november 2011 en op 12 april 2012. De verdachte heeft de tweede keer het slachtoffer gesmeekt geen aangifte te doen en hem de schade vergoed.

9. Met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de verdachte voor de honden, heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

“Op 23 mei 2012 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Hij is die dag door een pitbull aangevallen toen hij naar zijn auto liep die in de [a-straat] te Amsterdam stond geparkeerd. Deze pitbull hing aan de arm van [slachtoffer]. Een man van Marokkaanse afkomst riep daarop: "Rocky, kom hier". De pitbull liet echter niet los. [slachtoffer] viel vervolgens op de grond, waarna hij ook door een andere hond, een rottweiler, werd aangevallen. Toen beide honden hem op een gegeven moment loslieten, werden deze door eerdergenoemde man en een andere man van Marokkaanse afkomst vastgepakt en het portiek van [a-straat] 48 binnengebracht (dossierpagina 8 e.v.).

Gezien voornoemde aangifte, in onderling verband en samenhang bezien met de volgende feiten en omstandigheden, te weten:

- dat verbalisant [verbalisant 2] op 4 mei 2012 op het adres [a-straat] 48-1 te Amsterdam (het hof begrijpt twee honden met de respectievelijke soort duiding) een Amerikaanse Stafford, genaamd Rocky, en een rottweiler, genaamd Rambo, heeft waargenomen en dat [betrokkene], zijnde een broer van de verdachte, toen heeft verklaard dat Rocky en Rambo van de verdachte zijn (dossierpagina 54);

- dat de verdachte op 6 mei 2012 heeft verklaard dat (het hof begrijpt honden genaamd) Rocky en Rambo inderdaad van hem zijn (dossierpagina 55);

- dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 juli 2013 voorts heeft verklaard dat hij de enige Marokkaan in de buurt is met honden en dat Rocky en Rambo bij zijn broers verblijven op het adres [a-straat] 48-1 te Amsterdam,

leidt het hof af dat het de honden van de verdachte moeten zijn geweest die het slachtoffer [slachtoffer] hebben aangevallen en gebeten op 23 mei 2012. Het verweer van de verdediging dat dit niet kan worden vastgesteld, wordt daarmee verworpen. Gezien het voorgaande gaat het hof er eveneens van uit dat deze honden onder de hoede van de verdachte stonden. Dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het bijtincident op 23 mei 2012 aanwezig is geweest, doet daar niet aan af. De verdachte was op dat moment namelijk de eigenaar van deze honden, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de feitelijke verantwoordelijkheid en verzorging van die honden op dat moment op iemand anders rustte dan de verdachte.”

In cassatie is de vraag aan de orde of de honden “onder de hoede” van de verdachte stonden, zodat ik de overwegingen van het hof inzake de gevaarlijkheid van de honden hier verder achterwege laat.

Overtreding van artikel 425 Sr

10. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als “onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand dier, tweemaal gepleegd”. Dit is een overtreding van artikel 425 Sr dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten, en ook nu nog, als volgt luidt:

“Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt;

2°. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.”

Uitleg van het bestanddeel “onder zijn hoede”

11. Bij de parlementaire voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht is niet ingegaan op de betekenis van het bestanddeel “onder zijn hoede” zoals dat is opgenomen in artikel 425 onder 2° Sr. In het oorspronkelijk regeringsontwerp was de toen ook al onder 2° opgenomen verplichting gevaarlijke dieren onschadelijk te houden niet beperkt tot degeen onder wiens toezicht het dier stond maar onbeperkt geformuleerd. De toen als artikel 479 Sr van het oorspronkelijk regeringsontwerp voorgestelde bepaling luidt als volgt:

“Met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste tien gulden wordt gestraft:
1. hij die een dier of een mensch aanhitst of een onder zijne hoede staand dier, wanneer het een mensch aanvalt, niet terughoudt;
2. hij die geene voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van gevaarlijke dieren.”2

12. Een toelichting op dit onderscheid heb ik in de kamerstukken niet gevonden. Uit de notulen van de werkzaamheden van de Commissie De Wal en de daarbij horende bijlagen valt op te maken dat beide onderdelen aanvankelijk als afzonderlijke artikelen waren opgesteld en dat deze uiteindelijk zijn samengevoegd.3

13. Bij de parlementaire voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht is wel ingegaan op het bestanddeel “onder zijn hoede” zoals dat ook in het oorspronkelijk regeringsonwerp was opgenomen in artikel 425 onder 1° Sr. In dat onderdeel zijn twee gedragingen strafbaar gesteld: het aanhitsen en het niet terughouden van een dier. Bij de bespreking van dat onderscheid komt ook de positie van de eigenaar van het dier aan de orde. De memorie van toelichting houdt het volgende in:

“Tusschen aanhitsen en niet terughouden wordt in het ontwerp, voor zooveel de betrekking tusschen den dader en het dier betreft, een onderscheid gemaakt dat in den Code Penal verwaarloosd was. Van aanhitsen heeft ieder, ook hij die tot het dier in geenerlei betrekking staat, zich te onthouden; tot het terughouden is alleen hij verpligt, die het dier hetzij als eigenaar, hetzij slechts tijdelijk onder zijn hoede heeft.”4

14. Waar het voor de uitleg van het bestanddeel “onder zijn hoede” in artikel 425 onder 1° Sr om gaat, is dat de verplichting om een dier terug te houden indien het een mens aanvalt, rust op degene die het dier “hetzij als eigenaar hetzij slechts tijdelijk onder zijn hoede heeft”. Staat hier dat die verplichting tot terughouden rust op de eigenaar als zodanig naast de verplichting voor degene die het dier – anders dan de eigenaar – tijdelijk onder zijn hoede heeft? Zo mag de toelichting naar mijn mening niet worden begrepen. Alleen diegene die fysiek aanwezig is wanneer het dier een mens aanvalt, is immers tot terughouden van dat dier in staat en er daarom toe verplicht. Dit sluit aan bij de uitleg die de Hoge Raad aan dit onderdeel van de strafbaarstelling heeft gegeven. In zijn arrest van 22 juni 1987 overwoog de Hoge Raad dat de verplichting tot terughouden van een dier dat een mens aanvalt, aanvangt zodra de aanval zich openbaart en voortduurt totdat het gevaar voor voortzetting of herhaling van de aanval is geweken.5 Hieruit kan worden afgeleid dat voor het “onder zijn hoede hebben” fysieke aanwezigheid vereist is. Op basis van artikel 425 onder 1˚ Sr is dus de eigenaar alleen strafbaar voor “het niet terughouden” als hij het dier “onder zijn hoede heeft”.

15. De interne systematiek en consistentie van artikel 425 Sr brengt mee dat deze uitleg ook geldt voor het bestanddeel “onder zijn hoede hebben” dat in hetzelfde artikel ook in het tweede lid is opgenomen.6 Zo uitgelegd bevat artikel 425 onder 2˚ Sr geen algemene verplichting voor de eigenaar van een gevaarlijke hond, voldoende zorg te dragen voor het onschadelijk houden van “zijn” hond. Die verplichting rust op degene die de hond onder zijn hoede heeft, en dat zou in het concrete geval uiteraard ook de eigenaar kunnen zijn.

16. Voor de invulling die aan het bestanddeel “onder zijn hoede” in artikel 425 onder 2˚ Sr wordt gegeven is de navolgende jurisprudentie van belang.

17. In zijn arrest van 16 januari 1928 heeft De Hoge Raad het bestanddeel “onder zijn hoede” uitgelegd als onder “zijn feitelijk toezicht”.7 Onder verwijzing naar dit arrest schrijft Machielse dat men onder “hoede” zal moeten verstaan “feitelijk toezicht”.8 Voor het uitoefenen van feitelijk toezicht lijkt mij vereist dat de verdachte in de nabijheid van de hond moet zijn. Voor een dergelijke uitleg pleit ook de verplichting in artikel 425 onder 2° Sr er voldoende zorg voor te dragen het dier onschadelijk te houden hetgeen de mogelijkheid impliceert om daadwerkelijk in te grijpen.

18. Natuurlijk kunnen ook loslopende dieren onder iemands hoede staan. Schapen hoeden is een even illustratief als sprekend voorbeeld. Voor koeien kan hetzelfde worden aangenomen. Hieruit volgt “dat loslopende dieren (in casu honden) toch onder iemands hoede kunnen staan”, zoals De Lange opmerkt met een beroep op HR 28 februari 1989.9 De Lange leest daarin kennelijk een tegenstelling met “een oud arrest” waarmee hij waarschijnlijk het hierboven genoemde arrest van 16 januari 1928 bedoelt. Bij beide arresten sta ik eerst stil.

19. Uit de bewezenverklaring zoals die is opgenomen in het arrest van 28 februari 1989 blijkt dat de verdachte twee herdershonden onder zijn hoede heeft gehad die schapen en lammeren dodelijk hebben gebeten of enkele schapen en lammeren in sloten hebben gejaagd waar deze zijn verdronken. Waar de verdachte zich ten opzichte van die herdershonden bevond, kan uit het arrest niet worden opgemaakt. Het lijkt mij niet aannemelijk dat de verdachte beide herdershonden had aangelijnd, maar wel dat hij als herder de schapen hoedde met behulp van de herdershonden. Hieruit zou naar mijn mening inderdaad kunnen worden opgemaakt dat de verdachte de herdershonden niet had aangelijnd maar ik zie geen tegenstelling tussen het vereiste van feitelijke toezicht en het laten loslopen van herdershonden. Toezicht kan ook worden uitgeoefend op enige afstand van dieren.10

20. Ook uit de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 16 januari 1928 valt op te maken dat het gevaarlijk geachte dier los liep. De verdachte in die zaak was de vader van de veertienjarige Pieter Vollaard die “zoals gewoonlijk” een vijftal koeien hoedde op de Klein Cromstrijenschen dijk onder Klaaswaal. Eén van die koeien heeft daar Willempje van der Jagt aangevallen en met de horens een stoot in haar linker zij gegeven. De Hoge Raad overwoog dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen (ik gebruik hier hedendaagse termen) wel blijkt dat de verdachte “zelf ter plaatse niet aanwezig [was], zijn veertienjarige zoontje P. Vollaard met het toezicht over de in de telastlegging bedoelde gevaarlijke koe […] had belast, doch die [bewijsmiddelen] niets behelzen omtrent het feit dat hij op tijd en plaats voormeld de bedoelde koe in den zin van art. 425 Sr. onder zijn ‘hoede’, dat is zijn feitelijk toezicht, heeft gehad”. Als ik het goed zie, is dit het enige arrest waarin de Hoge Raad het bestanddeel “onder zijn hoede” uit artikel 425 onder 2° Sr uitdrukkelijk heeft uitgelegd.11

21. Tussen beide arresten zie ik geen uiteenlopende benadering van het bestanddeel “onder zijn hoede” als bedoeld in artikel 425 onder 2° Sr omdat beide zaken betrekking hebben op gevaarlijke dieren die loslopen. Het loslopen van de gevaarlijke dieren sluit niet uit dat de verdachte het dier onder zijn hoede had als bedoeld in artikel 425 onder 2° Sr.12

22. Een ruimere uitleg van het begrip “onder zijn hoede” lijkt echter wel ten grondslag te liggen aan de zaak die leidde tot het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 8 november 1927.13 Uit het vonnis blijkt slechts dat de Rechtbank artikel 425 onder 2° Sr van toepassing oordeelde omdat de honden bij de verdachte thuis hoorden. De Rechtbank overwoog “dat de hond onder de hoede van verdachte stond, daar uit de voorgeschreven verklaringen van verdachte en van de getuigen, in onderling verband beschouwd, blijkt, dat de hond in verdachte’s woning thuis behoorde”. Hierbij merk ik op dat uit het gepubliceerde vonnis niet blijkt dat de verdachte de eigenaar was van de honden.

23. De gepubliceerde rechtspraak biedt het volgende beeld: uit veel zaken blijkt dat artikel 425 onder 2° Sr is toegepast op degene die zich – op enig moment betrekkelijk kort voorafgaand aan het incident – bij de hond bevond.14 Alleen uit het hierna nog te noemen arrest van de Hoge Raad van 16 januari 1922 zou kunnen worden opgemaakt dat het niet voldoende zorg dragen, ook mag worden aangenomen als de verdachte de hond in het concrete geval niet in zijn macht of onder zijn appel had.

Bevindingen

24. Uit het bovenstaande volgt dat de eigenaar van een dier dat dier niet per definitie onder zijn hoede heeft. Daarvoor is “feitelijk toezicht” vereist. Het enkele laten loslopen van een dier betekent niet dat het dier niet meer onder zijn hoede is,15 maar dan zal op basis van andere feiten en omstandigheden moeten blijken op grond waarvan de verdachte feitelijk toezicht uitoefende over het dier en het dier dus onder zijn hoede had.

25. Dat betekent dat het zijn van eigenaar onvoldoende is om aansprakelijkheid op basis van artikel 425 onder 2° Sr aan te nemen, omdat de eigendom in artikel 425 onder 2° Sr niet als maatstaf wordt aangewezen.

26. De verplichting van artikel 425 onder 2° Sr is bovendien persoonsgebonden. De Hoge Raad wijst ook op die persoonlijke aanwezigheid in zijn arrest van 16 januari 1922 dat hierboven werd genoemd, dat betrekking heeft op het vereiste dat de verdachte het dier “al dan niet in zijn macht en onder appèl” heeft.16 Voor de strafbaarheid op basis van artikel 425 onder 2° Sr is weliswaar niet doorslaggevend of de verdachte het dier in het concrete geval in zijn macht en onder appel had, maar dat hij dat in het concrete geval had moeten hebben omdat hij het onder toezicht had, en daarvoor is feitelijk toezicht vereist. Uit de persoonsgebonden verplichting volgt naar mijn mening dat een functionele uitleg is uitgesloten.17

Beoordeling van de onderhavige uitspraak

27. Het hof heeft vastgesteld dat de honden zich onder de hoede van de verdachte bevonden op basis van het feit dat (1) de verdachte de eigenaar is van de honden; (2) een hondengeleider de verdachte heeft aangezegd dat de honden degelijk aangelijnd dienen te worden; terwijl (3) niet is gesteld noch is gebleken dat de feitelijke verantwoordelijkheid en verzorging van die honden op dat moment op iemand anders rustte dan de verdachte.

28. Dat de verdachte “feitelijk toezicht” uitoefende, heeft het hof niet vastgesteld. Eigenaarschap is, zoals hiervoor is betoogd, onvoldoende om aan te nemen dat verdachte de honden “onder zijn hoede” had in de betekenis van artikel 425 onder 2° Sr. Het hof heeft bij de uitleg van het bestanddeel “onder zijn hoede” een verkeerde maatstaf aangelegd, zodat alleen al op grond daarvan het middel slaagt en het arrest niet in stand kan blijven. De overige klachten zal ik daarom niet bespreken. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen dan wordt ik graag in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen.

29. Het middel is terecht voorgesteld.

30. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing in zaak B en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaalnummer PL134N 2012137831-6. Verder blijkt dat de verdachte met zijn moeder woont op het adres aan de [b-straat] en vijf van zijn broers aan de [a-straat] (Persoonsgebonden overzicht aanpakt top 600, p. 4).

2 Kamerstukken II 1878/79, 110, nr. 2, p. 35; H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel III, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1882, p. 176.

3 A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt, Notulen deel IV, p. 318.

4 Kamerstukken II 1878/79, 110, nr. 3 p. 140; H.J. Smidt, t.a.p.

5 HR 22 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9910, NJ 1988/322 r.o. 6.1.

6 Hiervoor pleit ook dat het bestanddeel “onder zijn hoede” in onderdeel 2° klaarblijkelijk is overgenomen uit onderdeel 1° nadat het bestanddeel zoals dat in onderdeel 1° is opgenomen al was toegelicht zoals hier is weergegeven. Een toelichting op deze wijzing van onderdeel 2° ontbreekt in de parlementaire stukken. Hier geldt wat Smidt schreef, dat bij een vergelijking van het oorspronkelijk regeringsontwerp met het later gewijzigde ontwerp blijkt “dat verschillende artikelen menige wijziging ondergingen, van welke men, met alle officiëele stukken en handelingen vóór zich, vruchteloos naar eene verklaring zal zoeken.” H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1882, p. XI.

7 NJ 1928, p. 250. Dit is het arrest waarnaar in de nadere toelichting (waarop formeel geen acht is geslagen) wordt verwezen met als datum 10 november 1927.

8 N/L/R, art. 425, aant. 3.

9 NJ 1990/8. De Lange 2014, T&C Sr, art. 425, aant. 8.

10 Vgl. HR 5 juni 1956, NJ 1956, 525 voor de uitleg van “onder zijn toezicht staat” in art. 25 Jachtwet (oud).

11 Zie ook, maar minder uitdrukkelijk: HR 5 mei 1930, NJ 1930, p. 1102: de verdachte had “als geleidster van een kwaadaardigen hond dit dier los en onbeheerd heeft laten staan zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen” (mijn onderstreping, AG). In deze tenlastelegging ligt opgesloten, zo overweegt de Hoge Raad “dat de bedoelde hond onder de hoede van gerequireerde stond”.

12 Uit het in de vorige noot aangehaalde HR 5 mei 1930, NJ 1930, p. 1102 volgt dat de geleidster van een hond die hond onder haar hoede kan hebben.

13 W 11 832.

14 In chronologische volgorde zijn dat, naast de hierboven al aangehaalde arresten van 16 januari 1928 en 28 februari 1989, en het vonnis van 8 november 1927 de volgende uitspraken relevant, waarbij alleen de uitspraken zijn weergegeven als daaruit kan worden opgemaakt waar het dier zich bevond ten opzichte van degene die het onder zijn hoede had: 1) Kantongerecht Apeldoorn 1 oktober 1896, W 6872: een witte keeshond die aan de verdachte toebehoorde en “bij zich had en die hond alzoo onder zijn hoede stond”; 2) HR 14 januari 1907, W 8488: een hond die de verdachte “met paard en wagen rijdend […] losloopende vergezelde” bijt een omstander in de arm; 3) Hoog Militair Gerechtshof 26 oktober 1917, NJ 1918, p. 47: de verdachte was op kwartierinspectie en had een hond bij zich “die gedurende het verlof van den eigenaar, luitenant H., onder zijn – gedaagde’s hoede stond”. Toen de verdachte de kwartieren binnen ging, liet hij de hond buiten; 4) HR 5 mei 1930, NJ 1930, p. 1102: de verdachte had “als geleidster van een kwaadaardigen hond dit dier los en onbeheerd heeft laten staan zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen”. In deze tenlastelegging ligt opgesloten, zo overweegt de Hoge Raad “dat de bedoelde hond onder de hoede van gerequireerde stond”; 5) HR 23 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9910, NJ 1988/322: de hond die een nachtwaker op een camping bij zich had, bijt iemand in zijn been. A-G Remmelink merkt op dat de hond was aangelijnd terwijl in een door het Hof gebezigd bewijsmiddel staat dat de nachtwaker de hond “gewoon” liet gaan “terwijl deze de hond makkelijk had kunnen terugtrekken”; 6) HR 20 april 1993, nr. 93.361 (niet gepubliceerd, NJB 1993 (bijlage) p. 436 nr. 189 bevat alleen de beslissing inzake de redelijke termijn): vrouw fiets door een bos met twee aangelijnde rottweilers die zich losrukken waarna de ene een in het bos lopende hond in de achterpoot bijt en de ander die hond in de schouder bijt. .

15 Overigens is het enkele laten loslopen van een hond onvoldoende om aansprakelijkheid op basis van artikel 425 onder 2° Sr te kunnen aannemen. Tegen een dergelijk ruime uitleg pleit dat dit strafbaar was op grond van 475 aanhef en onder 7 Code pénal (HR 9 december 1856, W 1926 “het laten losloopen van een kwaadaardig of wild beest; eene overtreding waartegen voorzien is bij artikel 475, eerste gedeelte van no. 7”; M. Schooneveld, Het Wetboek van Strafrecht (code pénal) met aantekeningen, Den Haag: Gebr. Belinfante 1876, p. 574 en 583) dat als de voorganger van artikel 425 Sr kan worden gezien. Een vergelijkbare strafbaarstelling is door de Commissie De Wal uitdrukkelijk niet overgenomen: Van Dorst (red.)/Staatsommissie, a.w. Notulen deel III, p. 442-443 “neemt men evenmin op, daar men instemt met den heer Modderman die te kennen geeft, dat het feit geheel aan gemeentelijke verordeningen moet worden overgelaten, omdat niet overal daaromtrent verbodsbepalingen worden noodig geacht.”

16 HR 16 januari 1922, NJ 1922, 343.

17 A.M. van Woensel, In de daderstand verheven, diss. Amsterdam (UvA), Arnhem: Gouda Quint B.V. 1993, p. 87-88 “Wanneer de kern van het delict niet los is te zien van het feitelijke optreden zoals dat in de delictsomschrijving is aangeduid […] moet de funtionele interpretatie worden uitgesloten […]”