Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:288

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-02-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
13/06184
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1245, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Met de vaststelling van de omstandigheid dat verdachte overeenkomstig hetgeen in het UJD staat vermeld “een aantal malen een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen in verband met vermogensdelicten” heeft het Hof als onderdeel van zijn motivering van de straf, kennelijk in antwoord op hetgeen door de raadsman omtrent de strafdocumentatie was aangevoerd, tot uitdrukking gebracht dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op alle omstandigheden van het geval nog steeds opportuun is te achten. Gelet op het geheel van de overige in aanmerking genomen factoren is de straf aldus toereikend gemotiveerd.

Een door het Hof genoemde eerdere veroordeling was t.t.v. het bestreden arrest niet onherroepelijk. Aan de klacht dienaangaande is evenwel het belang komen te ontvallen. Tegen voormelde veroordeling is door verdachte beroep in cassatie ingesteld. Het cassatieberoep is bij arrest van de HR van heden verworpen. Daardoor is het arrest van het Hof onherroepelijk geworden. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/06184

Mr. Machielse

Zitting 3 februari 2015

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 3 december 2013 voor: afpersing, meermalen gepleegd, en afdreiging, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. M.C. Vermeul, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om het onderzoek te schorsen om aangever [betrokkene 1] nader te horen.

3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 19 november 2013 vermeldt dat de advocaat van verdachte het hof verzoekt het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. Het hof heeft het verzoek afgewezen:

"Het hof verwijst de verzoeken van de raadsman af, nu beide getuigen bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, in de Rechtbank Midden-Nederland zijn gehoord en door de verdediging konden worden ondervraagd. Het hof acht het niet noodzakelijk deze getuigen opnieuw te horen."

3.3. Volgens de steller van het middel heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt waarom het horen van de getuige [betrokkene 1] niet noodzakelijk was. De verdediging heeft aangevoerd dat en waarom de zaak verbazing wekt en dat een grondig onderzoek noopt tot toewijzing van het verzoek.

3.4. Aangever [betrokkene 1] is op 21 januari 2013 door de rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft alle gelegenheid gehad om vragen te stellen en om aan te voeren wat in haar ogen relevant kon zijn. Dat bij de verdediging nog vragen bestonden ter terechtzitting in hoger beroep wil nog niet zeggen dat, als het hof zich wél voldoende voorgelicht achtte, het hof desalniettemin niet is kunnen komen tot het oordeel dat het opnieuw horen van getuigen niet noodzakelijk was. Ik neem daarbij in aanmerking dat in hoger beroep niets is aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat na het verhoor van de getuige door de rechter-commissaris zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan die van belang zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing. En dan komt een nieuw verhoor door het hof neer op een herhaling van zetten of op het reanimeren van een mogelijkheid die men eerder heeft laten liggen.

De beslissing van het hof acht ik niet onbegrijpelijk. Zij is naar mijn oordeel toereikend gemotiveerd.2

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof verzuimd heeft te beslissen om het verzoek van de verdediging om nader onderzoek te doen verrichten naar de computer van aangever [betrokkene 1].

4.2. In hoger beroep heeft de advocaat van verdachte gepleit overeenkomstig de aan het verkort proces-verbaal van het onderzoek in appel gehechte pleitnota. Aan het begin, onder het hoofd "Preliminaire verweren", verzoekt de advocaat het hof het onderzoek ter terechtzitting aan te houden in verband met het horen van getuigen en het verrichten van onderzoek naar de computer van aangever. De pleitnota houdt verder in dat de rechtbank een onderzoek naar de computer van aangever heeft bevolen maar dat dit onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden omdat de computer niet in beslag genomen was. Maar de pleitnota geeft niet aan waarin het onderzoek aan de computer zou moeten bestaan.

Het voorschrift van artikel 330 Sv veronderstelt - voor zover het een verzoek betreft dat strekt tot het (doen) verrichten van nader onderzoek - dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling.3 Het hiervoor genoemde verzoek voldoet niet aan die maatstaf en kan dus niet gelden als een verzoek in de zin van artikel 330 Sv, zodat het Hof niet gehouden was op het verzoek een beslissing te geven.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over het bewijs van de ten laste gelegde afpersing. Dat bewijs berust enkel op de verklaringen van aangever.

5.2. Bewezenverklaard is dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2010 tot en met 15 november 2010 te Almere en te Maarssen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot afgifte van een hoeveelheid geld (te weten een totaalbedrag van 16.750,00 Euro), toebehorende aan [betrokkene 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij heeft gezegd dat hij een wapen bij zich droeg en dat hij dit wapen nodig had om zichzelf te beschermen tegen de woekeraars en dat hij de woekeraars op [betrokkene 1] af zou sturen, althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;

en

hij op tijdstippen in de periode van 03 februari 2010 tot en met 15 november 2010 te De Meern, gemeente Utrecht en/of te Almere en/of te Maarssen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaarmaking van een geheim [betrokkene 1] heeft gedwongen tot afgifte van een hoeveelheid geld (te weten een totaalbedrag van 132.895,00 Euro, toebehorende aan [betrokkene 1], welke bedreiging hierin bestond dat hij heeft gevraagd of zijn vrouw en kinderen er iets van af wisten en/of heeft gezegd dat hij naar zijn huis zou komen en/of dat hij het bekend zou maken en/of dat hij het zijn vrouw zou vertellen (terwijl hij wist dat [betrokkene 1] niet wilde dat aan zijn vrouw en/of kinderen bekend zou worden dat hij (chat)contact had gehad met (iemand die zich voordeed als) een (jonge) vrouw en/of dat hij (grote) geldbedragen had overgemaakt en/of overhandigd), althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking."

5.2. Aangever [betrokkene 1] heeft in bewijsmiddel 1 gezegd dat hij herhaaldelijk telefonisch is benaderd door verdachte en onder druk is gezet om geld over te maken naar het rekeningnummer van [betrokkene 2]. Ook heeft aangever dreigende sms-berichten ontvangen afkomstig van de telefoon van verdachte. Bewijsmiddel 8 houdt in dat er in de periode van 1 februari 2010 tot en met 30 november 2010 duizenden malen telefonisch contact is geweest tussen de gsm's van verdachte en de telefoons van aangever. De toenmalige vriendin van verdachte, [betrokkene 2] op wier rekening aangever verschillende keren geld heeft gestort, verklaarde dat verdachte indertijd haar rekening beheerde (bewijsmiddel 12). Bewijsmiddel 7 houdt onder meer in als bevindingen van de politie dat in totaal een bedrag van € 133.540 door aangever is overgemaakt naar de bankrekening op naam van [betrokkene 2]. Bovendien heeft de broer van aangever blijkens bewijsmiddel 3 verdachte ook aan de telefoon gehad. Deze broer heeft toen aan verdachte gezegd dat hij geen geld meer zou krijgen. Daarop begon verdachte te dreigen dat hij met die vader van [betrokkene 3] wel bij aangever langs zou komen.

5.3. Het bewijs van de afpersing berust dus niet alleen op de verklaring van aangever. Die verklaring van aangever wordt voldoende ondersteund door de bevindingen aangaande de telefoongesprekken, de geldoverboekingen, de verklaringen van [betrokkene 2] en door de verklaring van de broer van aangever.4

5.4. Voor de vraag of de verklaring van een getuige voldoende wordt ondersteund door feiten en omstandigheden uit andere bewijsmiddelen, kan men zich ook laten inspireren door de rechtspraak over artikel 6 lid 3 onder d EVRM. Als de verklaring van een getuige, die de verdediging niet in enig stadium van het geding heeft kunnen ondervragen, voor verdachte belastend is, maar als de betrokkenheid van verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de onderdelen van de belastende verklaring die verdachte betwist, is van een schending van artikel 6 lid 3 onder d EVRM gewoonlijk geen sprake. Zo een situatie doet zich hier voor.5

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt over de nadere bewijsoverweging in het arrest. Gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot het bewijs is deze bewijsoverweging niet begrijpelijk.

6.2. Het middel ziet op het volgende onderdeel van het arrest:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Namens verdachte is vrijspraak bepleit om redenen als vermeld in de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Kort gezegd komt het verweer op het volgende neer. De verdediging trekt de betrouwbaarheid van aangever in twijfel. Het ontbreekt volgens de raadsman aan een oorzakelijk verband tussen de vermeende dwang en de door aangever verrichte (tegen)prestatie. Het aanzienlijke aantal contacten tussen aangever en zijn vermeende afperser/afdreiger, waarbij aangever voornamelijk zelf contact heeft gezocht met zijn vermeende afperser/afdreiger, duidt volgens de verdediging niet op afpersing en afdreiging. Voorts wordt betwist dat er sprake is van een geheim als bedoeld in artikel 319 [het hof gaat ervan uit dat bedoeld wordt artikel 318] van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen, waaronder de aangifte, te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat aangever aanvankelijk uit vrije wil een aantal relatief kleine bedragen heeft overgemaakt naar een (vermeende) vrouw, met wie aangever chatcontact had gehad en die hem aangaf geld nodig te hebben. Vervolgens is aangever diverse malen telefonisch benaderd door - naar later bleek - verdachte, die aangever zei door te blijven gaan met betalen, anders zou hij de echtgenote en kinderen van aangever op de hoogte brengen van het chatcontact en van de bedragen die aangever naar die (vermeende) vrouw had overgemaakt, hetgeen aangever kennelijk voor zijn gezin verborgen wilde houden. Daardoor heeft verdachte bij aangever de vrees opgewekt dat dit geheim in de zin van artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht zou worden geopenbaard en aldus heeft verdachte aangever gedwongen tot betaling. Voorts heeft verdachte aangever verbaal bedreigd met geweld (door derden), waardoor aangever hem driemaal een geldbedrag in contanten heeft overhandigd. Dat aangever ook enkele malen zelf contact heeft gezocht met verdachte - naar zijn zeggen om te komen tot een onderlinge oplossing - doet naar het oordeel van het hof niets af aan het feit dat verdachte aangever heeft gedwongen tot de afgifte van een aanzienlijk geldbedrag.”

6.3. In de toelichting op het middel herhaalt de steller ervan een deel van de overwegingen van het hof, wijst hij op het grote aantal telefonische contacten tussen verdachte en aangever en citeert uit de pleitnota van hoger beroep. Vervolgens wordt gesteld dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat "aangever ook enkele malen zelf contact heeft gezocht met verdachte" omdat het een aanzienlijk aantal contacten betrof, hetgeen als het gaat om een relatie tussen een slachtoffer van afpersing c.q. afdreiging en degene die daarvan wordt verdacht, verbazing wekt. Het oordeel van het hof dat dit niet afdoet aan de door verdachte uitgeoefende dwang is volgens het middel, gelet op het alternatieve scenario dat de verdediging heeft voorgehouden, niet zonder meer begrijpelijk.

6.4. Op welk alternatief scenario de steller van het middel doelt is mij niet duidelijk geworden. De pleitnota van hoger beroep plaatst vraagtekens bij de geldstromen van aangever. Aangever zou onbetrouwbaar hebben verklaard. De verdediging stelt dat er andere motieven aan het overmaken van het geld ten grondslag liggen en stelt dan een aantal vragen kennelijk met de strekking de betrouwbaarheid van aangever in twijfel te doen trekken. Ik maak daaruit op dat de verdediging het aan het hof wil overlaten om zelf een alternatief scenario te bedenken. Het komt er dus op neer dat in cassatie nogmaals dezelfde opmerkingen en verweren die al in hoger beroep aan de feitenrechter zijn voorgelegd op het bord van de cassatierechter worden gedeponeerd. Het middel miskent dat de feitelijke oordelen van het hof in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden met vertogen van feitelijke aard, die in wezen louter een herhaling behelzen van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd.6

Daarom reeds faalt het middel.

7.1. Het vijfde middel klaagt over de strafmotivering, waarin ten nadele van verdachte rekening is gehouden met feiten die zijn afgedaan met een schriftelijke waarschuwing en/of een sepot, alsmede met een feit ter zake waarvan de veroordeling nog niet onherroepelijk is.

7.2. Het hof heeft de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

“Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer gedurende een periode van ruim negen maanden geld afhandig gemaakt door middel van afpersing en afdreiging. Dit is opgelopen tot een totaalbedrag van ruim € 150.000,= euro. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van 18 november 2013 blijkt dat het bewezenverklaarde een enorme impact op het slachtoffer en zijn gezin heeft (gehad), zowel in financieel als in emotioneel opzicht.

Uit het op naam van verdachte gestelde uittreksel justitiële documentatie van 30 oktober 2013 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een bedreiging en dat verdachte een aantal malen een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen in verband met vermogensdelicten. Bij arrest van het hof van heden in de zaak met parketnummer 21-005695-13 wordt verdachte veroordeeld voor het medeplegen van een straatroof.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank, acht het hof de straf zoals die door de rechtbank is opgelegd passend en geboden.”

7.3. Het Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 oktober 2013 waarnaar het hof heeft verwezen, maakt melding van een onvoorwaardelijke veroordeling tot een geldboete van € 250 door de politierechter te Utrecht van 1 februari 2013 voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Op 27 mei 2011 is een zaak, diefstal van een auto op 11 december 2010, geseponeerd wegens het ontbreken van het wettig bewijs, maar wel is aan verdachte een schriftelijke waarschuwing gegeven. Ook op 25 maart 2009 is een zaak betreffende heling wegens het gebrek aan wettig bewijs geseponeerd, maar weer met een schriftelijke waarschuwing. Op 21 oktober 2008 is een zaak betreffende diefstal uit een woning geseponeerd wegens "beperkte kring", maar met een proeftijd en een schriftelijke waarschuwing. In 2005 heeft de OvJ te Utrecht aan verdachte een transactie opgelegd wegens diefstallen, met als voorwaarde dat verdachte 30 uur werkstraf zou verrichten. Het uittreksel vermeldt dat voldaan is aan deze voorwaarde. In 2005 heeft verdachte ook al wegens winkeldiefstal een transactie betaald van € 125. Tot slot heeft de verdachte in 2012 een strafbeschikking van € 160 opgelegd gekregen wegens een verkeersdelict.

De zaak met parketnummer 16/659092-13 betreft een veroordeling van het hof op 3 december 2013, tegen welke veroordeling ook cassatie is ingesteld en in welke zaak ik ook vandaag concludeer.

7.4. De vraag rijst welke betekenis moet worden gehecht aan de vermelding van de schriftelijke waarschuwingen die verdachte heeft gekregen in verband met vroegere vermogensdelicten. Deze vermelding wordt in één adem genoemd met een eerdere veroordeling voor bedreiging. Verdachte is op

16 augustus 2012 ter terechtzitting van de rechtbank verschenen, maar heeft zich niet uitgelaten over de achtergrond van de schriftelijke waarschuwingen. Daarna is telkens in eerste aanleg en in hoger beroep enkel een gemachtigd advocaat verschenen. Het lijkt mij onomstotelijk dat de grondslag voor de schriftelijke waarschuwingen niet kan worden aangemerkt als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde misdrijf is begaan,7 al is het maar omdat het bewijs voor het merendeel van die feiten kennelijk heeft ontbroken. Evenmin is het een nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van verdachte omdat de verwijzing naar de schriftelijke waarschuwing geen feiten betreft waarvoor verdachte onherroepelijk is veroordeeld.8

Maar op welke wijze zijn die schriftelijke waarschuwingen dan voor de strafoplegging in de onderhavige zaak relevant? Had verdachte er rekening mee moeten houden dat hij door die eerdere verdenkingen eerder bij de politie in het vizier zou komen en dat hij daarom extra redenen had moeten voelen om zich te onthouden van strafbare feiten? Heeft verdachte, door zich in te laten met het feit waarvoor hij nu is veroordeeld, aangetoond dat hij waarschuwingen in de wind slaat? Omdat die eerdere feiten voor het merendeel zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs kunnen zij niet als een soort recidive fungeren.9 Hoe het hof de relevantie van die eerdere schriftelijke waarschuwingen heeft gewaardeerd is mij onduidelijk. Daarom schiet naar mijn oordeel de strafmotivering tekort.

7.5. Men kan zich afvragen of vernietiging op het gebied van de strafoplegging uiteindelijk tot een andere afloop zal leiden, omdat zeker niet uitgesloten is dat het hof dat zich opnieuw over de strafoplegging zal hebben te buigen de ernst van de feiten evenzeer centraal stelt en even zwaar inschat als het eerder heeft gedaan. Maar omdat niet bekend is welke weg verdachte sinds het bestreden arrest is ingeslagen, zou dit neerkomen op een zekere speculatie die mijns inziens niet past bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De klacht dat het hof ook heeft verwezen naar een niet onherroepelijke veroordeling is ook juist, maar zou haar feitelijke grondslag verliezen als de Hoge Raad in die zaak, waarin ik ook vandaag concludeer, het cassatieberoep zal verwerpen, waardoor alsnog het arrest van het hof onherroepelijk zou worden. Maar naar mijn oordeel slaagt het middel al op de zojuist genoemde grond.

8. De eerste vier middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vijfde middel lijkt mij gegrond te zijn. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar enkel voor zover aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden is opgelegd, tot terugwijzing van de zaak in zoverre naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 13/06188 tegen verdachte, waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 rov. 2.8.

3 HR 1 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8549.

4 Zie bijv. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549.

5 Vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3634.

6 HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3663.

7 Zoals bijv. in HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9214 of in HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4421. Zie voorts HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6553.

8 HR 2 november 2004, NJ 2005, 274 m.nt. Schalken. Zie voorts HR 18 december 2007, NJ 2008, 405 m.nt. Borgers. In die zaak had het hof in de strafmotivering verwezen naar "mutaties" die kennelijk betrekking hadden op eerder huiselijk geweld. Volgens de HR schoot de strafmotivering aldus tekort omdat het hof niets heeft vastgesteld over die mutaties. Zie voorts HR 26 oktober 2010, ECLI:N:HT:2010:BM9968 in vergelijkbare zin, evenals HR 9 april 2013, ECL:NL:HR:2013:BZ6506.

9 Zie bijv. HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3290, waarin het hof in aanmerking had genomen dat verdachte, gelet op zijn wetenschap van een niet-onherroepelijk vonnis van de politierechter, was gewaarschuwd dat vermogensdelicten tot strafrechtelijke sancties kunnen leiden. De HR casseerde omdat het aan het hof niet vrij stond die niet-onherroepelijke veroordeling aldus bij de strafoplegging te betrekken.