Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:283

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-02-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
13/05793
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:901
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk verzoek horen getuigen. Het Hof heeft kennelijk in de handgeschreven verwijzing naar de pleitnota in de zaak tegen medeverdachte geen aanleiding gezien het gestelde in die pleitnota van overeenkomstige toepassing te verklaren. Geen rechtsregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig verzoek dat niet door of namens verdachte uitdrukkelijk ttz. is gedaan. De enkele mededeling van de raadsman tijdens zijn pleidooi dat “Par. 29-33 inzake [medeverdachte] als hier ingelast (dient) te worden beschouwd. Zie bijlage: pleitnota [medeverdachte]”, heeft het Hof niet als een uitdrukkelijk ttz. gedaan verzoek behoeven op te vatten. Het middel faalt. De HR verwijst de zaak naar de rolzitting opdat de AG zich alsnog kan uitlaten over de overige middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05793

Zitting: 3 februari 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 18 november 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarbij heeft het hof tevens drie benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en de vorderingen van twee benadeelde partijen, de Gemeente Utrecht en de Politie Utrecht, gedeeltelijk toegewezen en met het oog daarop schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 13/05795, 14/00008, 14/00009, 14/00011 en 14/00012, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

  3. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte tien middelen van cassatie voorgesteld. Mr. P.C. Verloop, advocaat te Rotterdam, heeft namens de Gemeente Utrecht een verweerschrift ingediend naar aanleiding van de cassatiemiddelen die betrekking hebben op de vordering van de gemeente. Mr. Jebbink heeft naar aanleiding van dit verweerschrift nog een reactie ingediend.

  4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], indien geen vrijspraak zou volgen

    .

  5. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 november 2013 is, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende opgenomen:

“De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht als bijlage II.”

6. Tijdens de terechtzitting van het hof is verdachte bijgestaan door mr. W.H. Jebbink. Uit de door hem overgelegde pleitnota blijkt dat het navolgende is aangevoerd:

“ 26. Voorop stel ik dat cliënt op beelden in het dossier niet is herkend als een van de personen die verfbommen, vuurwerk, bierflesjes of andere objecten heeft gegooid. Evenmin blijkt uit enige andere omstandigheid dat een van de gooiers of bekladders is te herleiden, tot de persoon van cliënt.”

7. Achter voormelde regels is met de hand geschreven:

“Pgr. 29-33 inzake [medeverdachte] dient hier als ingelast te worden beschouwd. Zie bijlage: pleitnota [medeverdachte]”

8. Ook de medeverdachte [medeverdachte] is op de zitting van het hof van 4 november 2013 bijgestaan door mr. W.H. Jebbink en ik maak uit de aantekening op de pleitnota in de zaak van verdachte op dat hetgeen in de paragrafen 29-33 in de zaak van [medeverdachte] is aangevoerd, eveneens in de zaak van verdachte is aangevoerd.

9. In de paragrafen 29-33 van de pleitnota in de zaak van [medeverdachte], die aan de pleitnota van verdachte is gehecht, wordt het volgende aangevoerd:

“29. Blijkens pagina 14 van het proces-verbaal zijn negen personen aangehouden. Daarbij wordt vermeld: 'Zij waren in het pand aanwezig.' Daarbij wordt de naam van mijn cliënt genoemd. Dit betreft echter een overzichtsprocesverbaal, opgesteld door verbalisante [getuige 1]. Op geen enkele wijze blijkt uit de processtukken dat [getuige 1] de door haar gerelateerde waarnemingen zelf heeft verricht.

30. Verbalisante [getuige 1] vermeldt als bron van deze informatie de processen-verbaal van [getuige 2], van [getuige 3] en van [getuige 4]. In geen van de processen-verbaal wordt echter gesproken van de aanhouding van de heer [medeverdachte], dan wel van een op hem gelijkende persoon. Ook wordt daarin op geen enkele wijze vermeld dat het personen betreffen die verderop in het proces-verbaal met name of met nummer zijn aangeduid, zodat ook op die wijze geen verband tussen de persoon van mijn cliënt en de feiten in het dossier kan worden gelegd.

31. Op geen enkele wijze blijkt derhalve dat cliënt zich bevond onder de negen personen in het pand.

32. Dat leidt tot de conclusie dat cliënt niet in verband kan worden gebracht met de overige onderdelen van het procesverbaal, en meer van belang: met de hem ten laste gelegde gedragingen. Dat dient te leiden tot integrale vrijspraak.

33. Indien uw hof cliënt niet vrijspreekt verzoek ik u als getuigen te horen: [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. De verdediging wenst hen te ondervragen over de plaats waar cliënt is aangehouden.”

10. Hieruit leid ik af dat ook in de zaak van verdachte op de gronden die vermeld staan in de pleitnota in de zaak van [medeverdachte] het verzoek wordt gedaan de verbalisanten [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen te horen als het hof niet tot een vrijspraak komt. Dit betekent dat er een verzoek is gedaan zoals bedoeld in art. 315 Sv in verbinding met art. 328 Sv tot het horen van getuigen, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek is vereist.

11. In het arrest van het hof is het volgende opgenomen:

“Verzoek horen getuigen

De raadsman heeft verzocht om, indien het hof niet meegaat in zijn verweer dat vrijspraak dient te volgen, de volgende getuigen te horen: [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11]. Het hof wijst deze verzoeken af, nu hiervan niet de noodzaak is gebleken.”

12. Uit het arrest blijkt niet dat het hof een beslissing heeft genomen op het verzoek de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] te horen, terwijl noch de pleitnota waarnaar in het proces-verbaal van de zitting wordt verwezen, noch dit proces-verbaal van de zitting een verzoek vermeldt om de getuigen [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] te horen. Nu het proces-verbaal van de zitting de enige kenbron is van hetgeen ter zitting van het hof van 4 november 2013 is voorgevallen, moet het ervoor gehouden worden dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het door de verdediging ter zitting (voorwaardelijk) gedane verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], hetgeen ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg heeft.1

13. Aangezien ik van oordeel ben dat het eerste middel slaagt, behoeven de andere middelen geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.22.