Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2754

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-12-2015
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
14/04919
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:465, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Art. 243 Sr. Het oordeel van het Hof dat het slo. (door overmatige alcoholinname) heeft verkeerd in een toestand van verminderd bewustzijn a.b.i. art. 243 Sr en dat de vd van die toestand weet had geeft, mede gelet op de door het Hof en in de conclusie van de AG aangehaalde wetsgeschiedenis, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

2. Getuigenverzoek, art. 315 jo. 328 Sv. Het middel, dat terecht klaagt dat noch het pv ttz noch het arrest een beslissing inhouden op het ttz herhaalde verzoek getuige X te horen, kan niet tot cassatie leiden nu gelet op door de HR in ogenschouw genomen omstandigheden zonder nadere toelichting, die in de schriftuur niet is gegeven, niet valt in te zien welk rechtens te respecteren belang de vd heeft bij de klacht dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04919

Mr. Machielse

Zitting 22 december 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem heeft op 16 september 2014 verdachte voor:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. C.N.M.G. Starmans, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet zijn af te leiden dat het slachtoffer heeft verkeerd in de door artikel 243 Sr geëiste toestand, noch dat verdachte opzet had daarop.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"hij op of omstreeks 26 juni 2010 te Velp, gemeente Rheden, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , van wie verdachte wist dat zij tengevolge van overmatige alcoholinname in een staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn (een roes en/of delirium) en/of lichamelijke onmacht verkeerde, één of meerdere handelingen heeft gepleegd, (mede) bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , te weten het ontkleden van [slachtoffer] en het (vervolgens) brengen van zijn penis in haar vagina."

3.3. De advocaat van verdachte heeft in hoger beroep gepleit aan de hand van een pleitnota waarin is aangevoerd dat uit de verklaringen van getuigen niet is af te leiden dat [slachtoffer] zich in een van de in artikel 243 Sr genoemde toestanden bevond en dat haar gedragingen, toen verdachte met haar bij haar ouderlijke woning arriveerde, daar ook niet op wezen, dat de verklaringen van het slachtoffer niet betrouwbaar zijn en dat er voor verdachte geen aanknopingspunt was voor een vermoeden dat [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn zou verkeren.

3.4. In zijn verkort arrest heeft het hof uitgebreid gemotiveerd waarom het tot een bewezenverklaring is gekomen. Die motivering luidt aldus:

"Vast staat dat verdachte en [slachtoffer] op 26 juni 2010 in Velp seksuele gemeenschap hebben gehad. Verdachte heeft dit seksuele contact aanvankelijk ontkend, maar heeft het toegegeven nadat hij met de uitkomst van DNA-onderzoek werd geconfronteerd.

Namens verdachte is -kort gezegd- primair aangevoerd dat [slachtoffer] niet verkeerde in een staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht. Subsidiair is aangevoerd dat verdachte niet wist dat zij in een dergelijke toestand verkeerde.

Het is de vraag of [slachtoffer] op dat moment “tengevolge van overmatige alcoholinname” verkeerde “in een staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn (een roes en/of delirium) en/of lichamelijke onmacht”, zoals opgenomen in de tenlastelegging. Het hof begrijpt de term “overmatig” aldus dat bedoeld wordt dat [slachtoffer] aanmerkelijk meer alcohol had gedronken dan zij kon verdragen. Het hof leest de passage “(een roes en/of delirium)” niet als een nadere beperking in die zin dat de tenlastelegging niet ziet op een toestand van verminderd bewustzijn welke niet bestaat in een roes en/of delirium.

Het hof acht niet bewezen dat er sprake was van een staat van bewusteloosheid en lichamelijke onmacht. Wat de staat van “verminderd bewustzijn” betreft zijn de volgende passages uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht van belang.

Nota naar aanleiding van het Verslag (Kamerstukken II, 2001/2002, 27 745, nr. 6), p. 22:

“In het algemeen zou ik willen opmerken dat degene die door eigen toedoen geraakt in een situatie van verminderd bewustzijn geen vrijbrief afgeeft voor zogenaamd vrijwillig vrijen. In het gegeven voorbeeld zal de vrouw aannemelijk moeten maken dat zij door het innemen van grote hoeveelheden alcohol is geraakt in een situatie van verminderde bewustzijnstoestand. Zij zal zo nodig ook aannemelijk moeten maken dat zij in de fase waarin zij nog niet verkeerde in die toestand, geen avances heeft gemaakt of heeft gedoogd. De man zal stellen dat de vrouw weliswaar ver heen was, maar niet de indruk gaf afkerig te zijn van seksueel contact met hem althans zich niet heeft verzet.”

(-)

“Bij de invulling van dit begrip kan men denken aan een situatie van sluimering die aan een diepe slaap voorafgaat of daarop volgt. Men kan ook denken aan situaties waarin de persoon zich bevindt in een roes als gevolg van het innemen van alcohol of drugs. Het gaat niet om de situatie dat iemand geheel weg is. Het gaat om situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan seksuele verlangens van een ander.”

Handelingen Tweede Kamer 2 juli 2002:1

“Minister Korthals

(...)

Bij de toepassing van deze bepaling wordt gedacht aan situaties waarbij de dader bewust seksueel misbruik maakt van de omstandigheid dat het slachtoffer in onvoldoende mate in staat is haar of zijn wil te bepalen omtrent het hebben van seks met een ander. Dit onvermogen vloeit voort uit een toestand van verminderd bewustzijn. Die toestand kan zijn oorzaak vinden in het gebruik van alcohol, drugs of bepaalde medicijnen. Het slachtoffer kan zich ook in een sluimering of halfslaap bevinden. Dat zijn de situaties die het eerst in aanmerking komen. Ook andere factoren kunnen een eventueel slachtoffer in een toestand van verminderd bewustzijn brengen. Het hangt vervolgens van de omstandigheden in concreto af of er sprake is van seksueel misbruik van een persoon in een toestand van verminderd bewustzijn.”

Het hof stelt het volgende voorop. De beschrijvingen van de getuigen en verdachte van de toestand waarin [slachtoffer] verkeerde, lopen in enkele opzichten uiteen. Voor zover er verschillen zijn tussen tegenover de politie afgelegde en later afgelegde verklaringen van dezelfde getuigen hecht het hof in het algemeen geloof aan de tegenover de politie afgelegde verklaringen, omdat deze het kortst na het feit zijn afgelegd en het minst (kunnen) zijn beïnvloed door opportuniteitsoverwegingen. Verdachte heeft tegenover de politie zowel voor als na de uitslag van het DNA-onderzoek tegenover de politie verklaringen afgelegd. Het hof gaat in dit verband uit van de eerdere verklaringen.

Het hof acht de kern van de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig, onder meer vanwege haar authentieke karakter. De kern van de verklaring wordt in voldoende mate bevestigd door andere bewijsmiddelen.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. [slachtoffer] voelde zich na het drinken van een viertal “dropshots” en daarvóór (een glas) wijn slecht. Zij heeft een aantal keren overgegeven, in elk geval toen zij op de wc zat. Zij voelde zich misselijk en beroerd. Ze kon niet zelfstandig lopen. In de auto lag zij op haar rug op de achterbank van de auto van verdachte, toen haar door [betrokkene 2] werd gezegd dat ze rechtop moest gaan zitten om niet in haar eigen spuug te stikken. Verdachte heeft daarover onder meer verklaard dat bij [slachtoffer] het licht uitging, dat ze goed bezopen was en dat ze drie of vier keer zou zijn omgevallen als ze zelf had gelopen. Weliswaar heeft verdachte in een later stadium verklaard dat [slachtoffer] “aangeschoten” was, maar hij heeft geen aannemelijke reden gegeven waarom hij aanvankelijk anders heeft verklaard.

Het hof leidt uit de verklaringen van [slachtoffer] af dat zij niet in een beste toestand was en zich niet beter voelde op het moment waarop zij door verdachte thuis werd gebracht en zij haar huis binnen ging. Dit wordt voldoende bevestigd door hetgeen anderen hierover hebben verklaard. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij zich voelde alsof ze vast zat in haar eigen lichaam, dat ze wel alles voelde en hoorde maar niets kon doen of zien, dat ze alleen af en toe een flits had. Het hof heeft geen reden om aan de geloofwaardigheid van haar verklaring te twijfelen.

Over hetgeen vervolgens is gebeurd heeft [slachtoffer] onder meer verklaard dat zij op een gegeven moment voelde dat kleding en schoenen uit werden gedaan en dat verdachte met zijn geslachtsdeel bij haar binnen ging. Zij heeft niet kenbaar gemaakt dat zij niet wilde omdat ze dat niet kon.

Verdachte heeft verklaard dat hij gevraagd zou hebben of ze het niet erg vond en dat zij daarop ontkennend antwoordde. Het hof is - ervan uitgaande dat een en ander heeft plaatsgevonden - van oordeel dat het beantwoorden van de betreffende vraag niet in de weg staat aan het aannemen van de toestand van verminderd bewustzijn.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] niet geloofwaardig zou zijn, omdat zij eerst als antwoord gaf dat zij bepaalde dingen niet meer wist, maar zich daarna toch over de gang van zaken heeft uitgelaten. Het hof verwerpt dit verweer, nu de wijze van antwoorden kennelijk verband houdt met de toestand waarin zij verkeerde en/of erop duidt hoe veel inspanning het haar kostte om zich voor de geest te halen wat er was gebeurd.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof bewezen acht dat [slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en dat de staat van verminderd bewustzijn waarin [slachtoffer] verkeerde, het gevolg is van - voor haar doen - overmatig alcoholgebruik.

Dat verdachte minst genomen weet had van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde, leidt het hof in het bijzonder af uit verdachtes eerder vermelde verklaring over haar “goed bezopen” toestand. Verdachte heeft waargenomen in wat voor toestand [slachtoffer] was. Door desondanks met haar gemeenschap te hebben heeft hij de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde ook aanvaard. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af

dat in het beeld van de toestand van [slachtoffer] tussen dat moment waarop zij het café verliet en het moment van gemeenschap geen verandering is gekomen. Dat haar gedrag zodanig veranderde dat verdachte meende of mocht menen dat het aanzienlijk beter met haar ging, blijkt niet noch is dit aannemelijk geworden."

3.5. Het bewijs van het tenlastegelegde heeft het hof doen berusten op de verklaringen van het slachtoffer, van de getuigen en van verdachte. Ik geef de verklaringen van de getuigen, opgenomen in de bewijsmiddelen 2 tot en met 4 weer:

"2. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige - als bijlage gevoegd bij registratienummer PL0750 2010070242 (blz. 81 e.v.) - gesloten op 17 september 2010, proces-verbaalnummer: PL0750-2010070242-10, door [verbalisant 1] , brigadier van politie, en [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, inhoudende -zakelijk weergegeven- de verklaring van [betrokkene 9] ( [betrokkene 9] ):

U vraagt mij iets te vertellen over de dag waarop dat voorval met [slachtoffer] gebeurd. Ik weet niet welke dag het precies was. [B] sluit om 03.00 uur en daarna gaan we altijd nog een afzakkertje doen bij café “ [A] ”. Zij zijn tot 04.00 uur open.

Toen wij kwamen was de sfeer gezellig. [slachtoffer] was aangeschoten. Op het moment dat ik binnenkwam was ze een shotje aan het drinken. Ze heeft daama nog een dropshotje van mij gehad en toen was het klaar. Daarna ging de zaak dicht.

Daarna hebben we even zitten praten. [slachtoffer] moest naar de WC en dit duurde heel lang. Ik denk dat ze zeker 10 tot 15 minuten wegbleef. Ik moest ook naar de WC en ben toen ook gegaan. Ik ging het toilet binnen. De deur van het ene damestoilet was dicht. Ik probeerde de deur open te doen, de deur opent naar de zijde van het toilet toe. Ik kreeg de deur niet helemaal open en ik zag dat [slachtoffer] met haar armen om de pot heen zat en op haar knieën voor het toilet zat. Ik zag dat ze aan het overgeven was. Ik zag dat ze tijdens het overgeven het toilet doorspoelde. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei: “Ik ben dronken.

Ik ben bang. Ik ben nooit eerder dronken geweest”. Ik heb haar proberen gerust te stellen. Kort daarna kwam [verdachte] naar het toilet. Hij vroeg wat er aan de hand was. Ik heb haar van het toilet afgehaald. Ik vroeg haar om omhoog te komen, maar dat kon ze niet. Toen hebben [verdachte] en ik haar samen omhoog getild en van het toilet afgehaald.

We hebben haar op een stoel gezet met een emmer er voor. Ze zei de hele tijd dat ze moest overgeven.

Om ongeveer 05.00 uur zijn we allemaal uit het café weggegaan.

Onze auto’s stonden onder de brug bij de blauwe golven. [verdachte] heeft [slachtoffer] over de schouder getild. [betrokkene 8] liep daar bij om [slachtoffer] in evenwicht te houden. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze dronken was en naar huis wilde. Bij de auto van [verdachte] hebben we geholpen [slachtoffer] op de achterbank te leggen.

[verdachte] wilde [slachtoffer] zelf naar huis bréngen omdat hij zich als baas verantwoordelijk voelde omdat [slachtoffer] dronken was. Wij reden met onze eigen auto en we hebben gewacht tot [verdachte] met [slachtoffer] naar binnen is gegaan.

3.een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige - als bijlage gevoegd bij registratienummer PL0750 2010070242 (blz. 123 e.v.) - gesloten op 11 mei 2011, proces-verbaalnummer: PL0750-2010070242-22, door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 4] , brigadier van politie, inhoudendé -zakelijk weergegeven- de verklaring van [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ):

[slachtoffer] is een meisje dat bij mijn ex-vriend (hof: [verdachte] ) in de zaak, café “ [A] ”, heeft gewerkt. Ik ken haar daarvan.

Ze ging een beetje gek weg. Ze is gestopt op een zondag. De zondag is dé enige avond waarbij het heel rustig was en waarop het personeel onderling borreltjes met elkaar kon drinken. Die avond waren er ik, [verdachte] , [slachtoffer] , [betrokkene 9] en [betrokkene 8] en nog een paar. Ik weet zeker dat [betrokkene 9] , [betrokkene 8] , [verdachte] en ik [slachtoffer] naar huis hebben gebracht.

U vraagt mij hoe het ging dat naar huis brengen. Ik vond het vrij moeilijk. Ik kan niet tegen mensen die eerst drinken en daarna spugen en zielig en moeilijk doen. Onderweg erd ik boos op [slachtoffer] . Ze vroeg aan mij: “ [betrokkene 2] help me toch”. Ik wilde haar wel helpen en dat zei ik ook. Ik zei dat ze rustig moest blijven. Ze lag op de rug bij ons in de auto. Ik zei dat ze moest gaan zitten omdat ze anders in haar spuug zou stikken.

[slachtoffer] legde de hand op mijn schouder, ging met haar hoofd tegen de leuning zitten en werd rustiger.

[slachtoffer] zat bij mij en [verdachte] in de auto. [slachtoffer] zat op de achterbank. [betrokkene 9] en [betrokkene 8] reden in hun eigen auto. Zij wonen dicht bij [slachtoffer] . [verdachte] heeft [slachtoffer] alleen naar huis gebracht. Ik ben als eerste afgezet.

U vraagt mj hoeveel [slachtoffer] op had. Zij had genoeg op. Bij het einde begon ze te spugen.

Ik denk dat zij ziek was van de alcohol. Als het iets anders was, had ik het gemerkt.

4. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige - als bijlage gevoegd bij registratienummer PL0750 2010070242 (blz. 108 e.v.) - gesloten op 10 mei 2011, proces-verbaalnummer: PL0750-2010070242-18, door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 4] , brigadier van politie, inhoudende -zakelijk weergegeven- de verklaring van [betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ):

[slachtoffer] heeft een tijdje bij ons, [verdachte] en ik, gewerkt. Het ging op een avond lang geleden mis. Zij was bij ons in de kroeg. Zij was dronken, ze moest spugen en ze wilde naar huis. [verdachte] wilde haar naar huis brengen omdat het zijn verantwoordelijkheid was. [slachtoffer] had wat shotjes op en is ziek geworden.

Toen [slachtoffer] zo slecht was heeft [verdachte] de zaak gesloten. Hij zei ook: “Ik sluit de tent en breng haar naar huis” en “Dit meisje kun je niet aan haar lot overlaten”.

U vraagt mij hoeveel [slachtoffer] had gedronken. Ik kan daarop antwoorden teveel van allerlei shotjes, ook sterke shotjes. Het houdt gewoon een keertje op en dat gebeurde gewoon."

Bewijsmiddel 5 bevat een verklaring van verdachte, inhoudende dat er alcohol werd gedronken toen het rustig was, maar dat het plotseling nog erg druk werd waardoor er hard moest worden gewerkt. Even na sluitingstijd ging bij [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) het licht uit. Zij ging naar de wc en huilde. Verdachte stuurde [betrokkene 9] naar haar toe. [slachtoffer] kwam terug van de wc en schaamde zich omdat ze anders nooit dronk. Zij was goed bezopen. Het was niet de eerste keer dat verdachte [slachtoffer] naar huis bracht, maar dan kon ze zelf lopen. Nu was zij een keer of drie, vier omgekukeld. Zij sprak dronkemanstaal.

3.6. Bij Wet van 13 juli 2002, Stb. 2002, 388 (Wet partiële wijziging zedelijkheidswetgeving, in werking getreden op 1 oktober 2002) zijn de woorden "verminderd bewustzijn" in artikel 243 en 247, eerste lid, Sr na het bestanddeel 'bewusteloosheid' ingevoegd. Aanleiding voor deze wijziging is gevonden in de rechtspraak van de Hoge Raad, waaruit is op te maken dat de Nederlandse zedelijkheidswetgeving op het punt van seksuele misleiding een kleine leemte vertoont wanneer verdachte een persoon die in slaap is in seksuele handelingen betrekt. De Minister verwees naar HR 24 maart 1998, NJ 1998, 534; HR 3 november 1998, NJ 1999, 125:

"De zaak van de verkrachting van een slapende vrouw die heeft geleid tot de uitspraak van de Hoge Raad van 24 maart 1998, betrof een uitzonderlijke casus, omdat het slachtoffer in een toestand van halfslaap misleid werd omtrent de identiteit van degene die met haar gemeenschap wenste en daardoor deze gemeenschap toeliet. Zij werd niet gedwongen en zij was niet onmachtig. Zij werd misleid in een toestand van verminderde bewustzijnstoestand."

De vastgestelde leemte zou kunnen worden verholpen door seksuele misleiding onder de strafwet te brengen, maar er zijn ook gevallen van misleiding die buiten het bereik van de strafwet moeten blijven. Die gevallen ontbreken als het misbruik van een toestand van verminderd bewustzijn in artikel 243 en artikel 247 Sr onder wordt gebracht. In zo een toestand bevindt zich een persoon in halfslaap. Seksueel misbruik van iemand in zo'n toestand is strafwaardig. Het werken met het begrip "verminderde bewustzijnstoestand" geeft nauwkeuriger aan welke gevallen onder deze artikelen worden gebracht dan wanneer er sprake zou zijn van misleiding, en biedt anderzijds voldoende ruimte voor de beoordeling van de gevallen welke nog wel en welke niet meer in aanmerking behoren te komen voor strafrechtelijke bescherming.2 Elders in de wetsgeschiedenis wordt de toestand van verminderd bewustzijn voornamelijk geïllustreerd aan de hand van slachtoffers die onder invloed zijn van alcohol of andere middelen of die zich in sluimerende toestand bevinden. Het gaat niet om de situatie dat iemand geheel van de wereld is, maar om het gebied tussen deze en de situatie van waakzaamheid in, waarbij van een persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander.3 "Verminderd bewustzijn" duidt op een toestand tussen waakzaamheid en bewusteloosheid in. Op vragen van leden van de Eerste Kamer herhaalde de Minister dat daarbij gedacht kan worden aan de toestand van sluimering, halfslaap, dronkenschap, drugsintoxicatie, maar ook aan de toestand waarin het innemen van bepaalde medicijnen verminderde waakzaamheid teweegbrengt waardoor men slachtoffer kan worden van onvrijwillig seksueel verkeer.4

3.7. Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste uitleg van artikel 243 Sr door een staat van verminderd bewustzijn aan te nemen bij [slachtoffer] , die door overmatig alcoholgebruik niet meer zelfstandig kon lopen en zich beroerd voelde. Evenmin heeft het hof de eisen die artikel 243 Sr aan het opzet van de dader stelt miskend. Ook met voorwaardelijk opzet kan men zich aan dat misdrijf schuldig maken.5

De steller van het middel ziet eraan voorbij dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om binnen de door de wet en jurisprudentie getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.6 Het hof heeft uitvoerig de argumenten van de verdediging tegen het licht gehouden en die afdoende onderbouwd verworpen. De bewezenverklaring is ook op de betwiste onderdelen toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de verdediging om de getuige [getuige 1] te horen.

4.2. Ter terechtzitting van 2 september 2014 heeft de raadsman van verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota, die onder meer het volgende inhoudt:

"Heeft aangeefster eerder aangifte gedaan: niet van gebleken; doet niet af aan het feit dat zij dat wel tegen anderen heeft gezegd: getuige [betrokkene 3] valse aangifte seksueel misbruik, straatverbod stiefvader, jaloezie (bij RHC; + [getuige 1] : gepersisteerd wordt bij verzoek die getuige te horen, ter bevestiging van hetgeen [betrokkene 3] en ter falsifiëring van hetgeen aangeefster daar over heeft verklaard) en cliënt; van belang in verband met geloofwaardigheid/betrouwbaarheid aangeefster."

Op de regiezitting van 9 oktober 2013 zijn de onderzoekswensen van OM en verdediging aan het hof voorgelegd. De verdediging heeft het belang van het horen van de getuige [getuige 1] aldus beargumenteerd dat deze zou kunnen bevestigen dat [slachtoffer] eerder een valse aangifte wegens seksueel misdrijf heeft gedaan. In zijn tussenarrest van 23 oktober 2013 heeft het hof aldus gerespondeerd:

"6. [getuige 1]

De raadsman heeft betoogd dat deze getuige zou kunnen verklaren over een mogelijk valse aangifte die aangeefster in het verleden zou hebben gedaan. Het hof is van oordeel dat de kwestie van een mogelijk door aangeefster in het verleden gedane valse aangifte voldoende kan worden opgehelderd door het horen

van aangeefster en [betrokkene 3] op dit punt, alsook door het (zoals hierna aan de orde komt) op te maken aanvullend proces-verbaal door de politie. Het verzoek om de getuige te horen wordt afgewezen. Bij deze stand van zaken valt immers aan te nemen dat de verdachte door het niet horen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.

(...)

Ten aanzien van een door aangeefster mogelijke valse aangifte geldt dat het hof de advocaat-generaal verzoekt om te politie opdracht te geven om een aanvullend proces-verbaal op te maken waarin de vraag wordt beantwoord of aangeefster [slachtoffer] in het verleden (valse) aangifte(n) ter zake van zedenmisdrijven heeft gedaan en hoe deze is of zijn geëindigd.

(...)

BESLISSING

(...)

Voorts verzoekt het hof de advocaat-generaal om te politie opdracht te geven om een aanvullend proces-verbaal op te maken waarin de vraag wordt beantwoord of aangeefster [slachtoffer] in het verleden (valse) aangiften heeft gedaan en hoe eventueel aanwezige aangiften zijn geëindigd."

Het hof heeft bovendien gelast dat onder meer [slachtoffer] en [betrokkene 3] worden gehoord en heeft daartoe de stukken in handen van de raadsheer-commissaris gesteld. Op 2 september 2014 is het onderzoek ter terechtzitting hervat en heeft het hof mededeling gedaan van de nieuw binnengekomen stukken, waaronder de processen-verbaal van verhoor door de raadsheer-commissaris van de zojuist genoemde getuigen en onder 7 een aanvullend proces-verbaal van de Politie Gelderland-Midden, KL/Leiding/Staf, Divisie recherche/Staf, Dr/Unit opsporing, proces-verbaalnummer PL07AH 2010070242-32.

4.3. Het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 2 september 2014 noch het eindarrest houdt een beslissing in op het verzoek. Het hof heeft eerder in zijn tussenarrest het verzoek om [getuige 1] te horen met toepassing van de juiste maatstaf afgewezen. Op 2 september 2014 is de verdediging niet ingegaan op de resultaten van het onderzoek dat het hof in zijn tussenarrest heeft gelast. Het proces-verbaal onder 7 waarvan de voorzitter ter terechtzitting van 2 september 2014 melding heeft gemaakt houdt in dat [slachtoffer] eenmaal voorkomt in het Politiele Integrale Bevragingssysteem. Buiten deze zaak, zo vermeldt verbalisante, heeft zij in het verleden geen aangifte van een zedenmisdrijf gedaan. Aangeefster zelf is op 6 februari 2014 door de raadsheer-commissaris gehoord. Zij heeft gezegd dat zij zich niet kan herinneren ooit met [betrokkene 3] over haar vroegere stiefvader te hebben gesproken. Op dezelfde dag is [betrokkene 3] door de raadsheer-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat aangeefster eens tegen zijn ex vriendin, [getuige 1] , en hemzelf heeft verteld dat zij aangifte had gedaan tegen haar stiefvader en dat daar onder andere een straatverbod uit was voortgekomen. Later in dat gesprek heeft zij gezegd dat dit een valse aangifte was geweest.

Nieuwe feiten of omstandigheden zijn aan het herhaalde verzoek niet ten grondslag gelegd, noch heeft de verdediging met stelligheid en onderbouwd betoogd waarom het horen van [getuige 1] meer duidelijkheid zou kunnen verschaffen over de kwestie of het slachtoffer in het verleden al dan niet een valse aangifte wegens een zedendelict heeft gedaan tegen een derde. Bovendien heeft de verdachte niet ontkend dat hij met [slachtoffer] geslachtsgemeenschap heeft gehad, maar slechts dat zij in een toestand van verminderd bewustzijn heeft verkeerd. Hoe het horen van [getuige 1] voor de besluitvorming over dit in hoger beroep nog betwiste item relevant had kunnen zijn is niet duidelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat in het proces-verbaal van 2 september 2014 en de einduitspraak van het hof een uitdrukkelijke beslissing ontbreekt omtrent het opnieuw gedane verzoek.7

Het middel is vruchteloos voorgesteld.

5. Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel is vruchteloos voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 M.i. is deze bronvermelding niet correct. Het gaat volgens mij om uitlatingen van de Minister in de Eerste Kamer op 9 juli 2002, Handelingen I 35-1721.

2 Kamerstukken II 2000/01, 27745, nr. 3, p. 8 e.v.

3 Kamerstukken II 2001/02, 27745, nr. 6. p. 22.

4 Kamerstukken I 2001/02, 27745, nr. 299b, p. 11; Handelingen I 35-1721.

5 HR 3 december 2002, NJ 2004, 353 m.nt. De Jong.

6 HR 4 december 1990, NJ 1991, 346; HR 12 februari 2002, NJ 2002, 329.

7 HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4460; HR 17 september 2013, NJ 2014, 91 m.nt. Schalken.