Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2743

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
14/06552
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:524, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht medeplegen art. 137c en 137d Sr. HR wijst op ECLI:NL:HR:2014:3474 m.b.t. medeplegen. Verdachte heeft als voorman van de Nederlandse Volksunie een demonstratie geleid waarbij door enkele demontranten leuzen zijn geroepen/gescandeerd die een groepsbelediging a.b.i. art. 137c Sr opleveren alsmede aanzetten tot discriminatie a.b.i. art. 137d Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06552

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 16 december 2014 de verdachte ter zake van “de eendaadse samenloop van zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

in het openbaar mondeling aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras, terwijl het feit wordt gepleegd dor twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een geldboete van € 500,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, heeft namens de verdachte een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 28 mei 2011 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen zich in het openbaar, namelijk tijdens een demonstratie van de Nederlandse Volksunie, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Turken en/of buitenlanders en/of vreemdelingen, wegens hun ras, doordat verdachte en zijn mededaders opzettelijk beledigend hebben geroepen/gescandeerd:

- ‘Ali B en Mustapha ga toch terug naar Ankara’

en hij op 28 mei 2011 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen in het openbaar, namelijk tijdens een demonstratie van de Nederlandse Volksunie op het stationsplein en/of (nabij) de Prinsessentunnel en/of (nabij) de Hengelosestraat en/of (nabij) de Deurningerstraat, mondeling opzettelijk heeft aangezet tot discriminatie van mensen wegens hun ras, te weten Turken en/of buitenlanders en/of vreemdelingen, doordat verdachte en zijn mededaders opzettelijk hebben geroepen/gescandeerd;

- ‘Ali B en Mustapha ga toch terug naar Ankara’ ”.

5. Het Hof heeft in het in cassatie bestreden arrest ten aanzien van de vraag of de bewezenverklaarde uitlating beledigend is voor een groep mensen of aanzet tot haat dan wel discriminatie van mensen wegens hun ras, het volgende overwogen:

“Ten aanzien van de eerste toets heeft de rechtbank in de zaak van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] onder meer overwogen:

Door verdachte is de volgende uitlating gedaan “Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara”. De rechtbank oordeelt dat deze uitlating zich richt tot personen die niet blank zijn. Ali B en Mustapha worden hier als representanten van deze groep gebruikt. Met deze uitspraak wordt, mede door de context, duidelijk gemaakt dat personen van niet-Nederlandse afkomst, waaronder meer specifiek personen van Turkse en/of Marokkaanse afkomst, niet welkom zijn. Hun eigenwaarde wordt aangetast en zij worden om hun ras in diskrediet gebracht hetgeen beledigend is.”

Het Hof heeft vervolgens de vraag, of de verdachte [verdachte] als medepleger van deze uitlating kan worden aangemerkt, als volgt beoordeeld:

“In de zaak van verdachte heeft de rechtbank ten aanzien van deze uitlating onder meer overwogen:

Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat er ook bij de uitlating ‘Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara’ sprake is van medeplegen. Deze leus is geroepen door de demonstranten. Onder anderen medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] roepen deze leus gezamenlijk. Na het roepen van deze leus neemt verdachte het woord en spreekt de demonstranten door een microfoon toe. Hij grijpt ook bij het roepen van deze leus niet in en als hij het woord neemt, distantieert hij zich niet van deze leus. (…) De rechtbank leidt daaruit af dat hij instemt met de kort daarvoor gescandeerde leus. Op grond van dit alles oordeelt de rechtbank dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. Verdachte is medepleger van de door onder anderen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gedane uitlating.

Het hof neemt deze overwegingen over en maakt die tot de zijne.

Ten aanzien van de tweede toets:

De demonstratie waaraan verdachte heeft deelgenomen is gehouden in het kader van het maatschappelijk debat over de wenselijkheid van een totale immigratiestop. Medeverdachte [verdachte] heeft de deelnemers aan de demonstratie toegesproken en heeft daarbij onder meer gezegd: ‘Vandaag demonstreren we tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop’. Tijdens deze demonstratie is bovenbeschreven uitlating ‘Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara’ gedaan door verdachte en andere deelnemers. Het hof vermag niet in te zien op welke wijze het doen van bovenbeschreven uitlating een bijdrage levert of dienstig zou kunnen zijn aan het publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of onder de bescherming van artistieke expressie zou vallen.

Ten aanzien van de derde toets:

Nu zich hier de vooromschreven uitzondering van strafbaarheid niet voordoet, komt het hof aan de toetsing van de proportionaliteit niet toe.”

6. In de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] concludeer ik vandaag eveneens; met betrekking tot de bespreking van het oordeel van het Hof in die zaken ten aanzien van de bewezenverklaring van de in de zin van art. 137c Sr tenlastegelegde groepsbelediging en in het zin van art. 137d Sr tenlastegelegde aanzetten tot discriminatie zij verwezen naar de inhoud van die conclusies. Die komt er kort gezegd op neer, dat het Hof met inachtneming van de juiste toetsingscriteria en voorts op begrijpelijke wijze heeft geoordeeld.

7. Het cassatiemiddel in de onderhavige zaak keert zich tegen het oordeel van het Hof, dat de verdachte als medepleger moet worden aangemerkt van een uitlating die door medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] is gedaan. Het middel klaagt – onder 3 – dat het Hof op onjuiste gronden althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd tot dit oordeel is gekomen en wel, omdat tussen de verdachte en zijn medeverdachten geen sprake kan zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking in de zin die de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 2 december 2014 (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis) aan dat begrip geeft. Immers, zo betoogt het middel, het enkele feit dat de verdachte zich tijdens de demonstratie niet heeft gedistantieerd van de bewezenverklaarde uitlating is van onvoldoende gewicht om te concluderen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de tenlastegelegde delicten heeft geleverd. Het middel verwijst bij deze klacht naar HR 22 december 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BK3356) waar wordt overwogen ‘dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor niet voldoende zijn’.

8. Bij de bespreking van deze klachten valt op, dat het middel zich concentreert op slechts één aspect van de door het Hof gehanteerde bewijsvoering van het medeplegen, namelijk dat van het zich niet distantiëren van de tenlastegelegde uitlating. Het enkele zich niet-distantiëren door de van medeplegen verdachte, zij het in letterlijke, fysieke zin door zich niet te verwijderen van de plaats delict, zij het in overdrachtelijke zin door, zoals hier kennelijk (mede) wordt bedoeld, te verklaren niet met de gedane uitlating(en) in te stemmen, is doorgaans onvoldoende om tot bewezenverklaring te komen.

9. Het Hof heeft in zijn bewijsmotivering echter ook andere omstandigheden in aanmerking genomen, te weten: de mede aan verdachte verweten uitlating is geroepen door demonstranten (waaronder zich de medeverdachten bevonden) tijdens een demonstratie over de wenselijkheid van een totale immigratiestop; de verdachte heeft aan deze demonstatie deelgenomen; de verdachte (op dat punt in de overweging door het Hof klaarblijkelijk bij vergissing als ‘medeverdachte’ aangeduid) heeft na het roepen van de leus de deelnemers per microfoon toegesproken; verdachte heeft daarbij onder meer gezegd ‘Vandaag demonstreren wij tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop’; verdachte heeft in die toespraak geen afstand genomen van de door de medeverdachten gescandeerde leus.

10. In de aanvulling van het arrest is onder 5 als bewijsmiddel een proces-verbaal van bevindingen opgenomen waarin de verbalisant verslag doet van het uitkijken van camerabeelden die op 28 mei 2011 van de demonstratie in Enschede zijn gemaakt. Daaruit blijkt het volgende. De groep demonstranten komt vanaf perron 1 aanlopen; onder hen bevindt zich de verdachte die een megafoon draagt. De verdachte spreekt de demonstranten toe door de megafoon; vervolgens komt de groep in beweging waarbij [verdachte] voorop loopt en door de megafoon roept. Als de groep demonstranten stilstaat aan de rechterzijde van het station wordt door een deel van de demonstranten, waaronder de medeverdachten, geroepen ‘Ali B en Mustapha ga toch terug naar Ankara’. Vervolgens neemt de verdachte het woord en zegt ‘Vandaag demonstreren wij tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop’.

11. De strekking van het overzichtsarrest van 2 december 2014 is onder meer dat louter op basis van een zich niet-distantiëren de sprong naar het medeplegen van een tenlastegelegd feit niet kan worden gemaakt.2 Uit de hiervoor weergegeven bewijsoverweging blijkt evident dat het Hof in onderhavige zaak het bestanddeel ‘medeplegen’ aan meer heeft opgehangen dan alleen aan het zich niet-distantiëren door de verdachte, in zoverre faalt het middel. Maar voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is wel vereist, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en die kwalificatie is pas gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

12. De rechter kan daarbij in zijn oordeel onder meer betrekken ‘de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip’ (r.o. 3.2.2), al is dit laatste niet van veel gewicht, zo merkt de Hoge Raad zelf ook op. De Hoge Raad wijst erop dat de bijdrage voor het medeplegen ook in delen geleverd kan worden, ‘voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit’, of grotendeels vóór het delict (r.o. 3.2.3). Ook in die gevallen wordt van de feitenrechter wel een afdoende motivering verwacht om aan te kunnen nemen dat en waarom de rol van de verdachte van voldoende gewicht was.3

13. Afgaande op de bewijsmiddelen en bewijsoverweging kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte zelf de gewraakte leuze heeft uitgesproken. Maar het kennelijke oordeel van het Hof, dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken, is niet onbegrijpelijk en evenmin onjuist. De wijze waarop de verdachte zich voor, tijdens en na het plegen van de aan de medeverdachten verweten handeling heeft gedragen kan als een deelneming gekwalificeerd worden die het niveau van een louter subjectieve instemming overstijgt. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren, dat het gaat om een kleine groep demonstranten waarvan de verdachte van het begin af aan deeluitmaakte en als leider optrad; het gebruik van de megafoon en het voeren van het woord getuigen daarvan. Verdachte heeft verder duidelijk tot uitdrukking gebracht wat het doel van de demonstratie was. Ware dit niet in overeenstemming geweest met de gescandeerde leus dan had het, zoals het Hof ook overweegt, voor de hand gelegen, dat de verdachte zich van die uitlating(en) had gedistantieerd. Door dit optreden voor, tijdens en na het plegen van de strafbare uitlating kan niet alleen worden aangenomen dat de verdachte instemde met de uitlating maar deze ook actief heeft gestimuleerd. Daarbij mag ook meewegen het als feit van algemeen bekendheid aan te nemen gegeven, dat de verdachte voorzitter is van de politieke partij, de Nederlandse Volksunie, die de demonstratie had georganiseerd. Deze gevolgtrekking ligt te meer voor de hand nu het hier ging om een (relatief) kleine groep demonstranten: in het al eerder aangehaalde p-v bevindingen van uitkijken van de camerabeelden (bewijsmiddel nr. 5) wordt een getal van zo’n 35 personen genoemd. De toerekening van uitlatingen aan de leider(s) van een demonstratie of betoging zal minder voor de hand liggen naarmate het aantal deelnemers toeneemt. Bij de wijze van optreden onder de omstandigheden die het Hof hier als vaststaand heeft aangenomen kan medeplegen worden aangenomen. De hierop gerichte klachten worden tevergeefs voorgesteld.

14. Het middel faalt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met het door de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ingestelde cassatieberoep (respectievelijke zaaknummers 15/00599 en 15/00600), waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Zie P. Mevis in zijn annotatie onder 11 van het arrest.

3 J.S. Nan, Deelnemingsvormen, Medeplegen, Medeplichtigheid. noot bij Hoge Raad 02-12-2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NBSTRAF 2015/24 (4062/12).