Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2737

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
14/06442
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:948, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Horen getuige met gesloten deuren en buiten aanwezigheid van verdachte en raadsman. HR: Het Hof heeft de bevoegdheid op de gronden als vermeld in art. 269.1 Sv te bevelen dat een gedeelte van de behandeling van de zaak met gesloten deuren plaatsvindt. De wet voorziet echter noch in die bepaling noch in de bepalingen betreffende het ttz. horen van getuigen (art. 292 t/m 297 Sv) in een zo ver strekkende beperking van de openbaarheid dat voormeld horen van de getuige buiten aanwezigheid van de raadsman van de verdachte kan geschieden. ’s Hofs oordeel dat het bevoegd was te bevelen dat het verhoor van de getuige buiten aanwezigheid van de raadsman van verdachte zou plaatsvinden, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06442

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 29 september 2014 wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel keert zich tegen de beslissing van het Hof om de getuige [getuige 1] met gesloten deuren en buiten aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman te horen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2014 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] (parketnummer 23-004205-13) de advocaat-generaal heeft verzocht de verklaring van.de getuige [getuige 1] , afgelegd in de strafzaken tegen [betrokkene 2] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [verdachte] , te voegen in het dossier van haar cliënt. Daarop heeft de raadsvrouw verzocht - indien deze verklaring aan het dossier wordt toegevoegd - deze getuige ter terechtzitting te horen. Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter op grond van artikel 263 van het Wetboek van Strafvordering de oproeping van de getuige in de strafzaak tegen voornoemde medeverdachte bevolen.

De advocaat-generaal deelt mede dat zij zojuist heeft vernomen dat de getuige onderweg is naar het hof.

De voorzitter maakt melding van de nieuw ingekomen processen-verbaal van de verhoren van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris.

(...)

De voorzitter beveelt dat de zitting wordt onderbroken om de komst van de getuige [getuige 1] af te wachten.

De zitting wordt hervat.

Inmiddels zijn ter terechtzitting verschenen, de getuige [getuige 1] en zijn advocaat mr. S. van den Berg, advocaat te Amsterdam.

De voorzitter deelt mede dat de getuige op 23 juni 2014 bij de raadsheer-commissaris een verklaring heeft afgelegd in onder andere de zaak tegen de verdachte. De naam van de verdachte heeft de getuige niet genoemd in zijn verklaring. Nu de getuige ter terechtzitting aanwezig is, zal het hof de getuige ook ambtshalve horen in de zaak van de verdachte.

De getuige verklaart te zijn [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , zonder beroep. Voorts verklaart de getuige geen bloed- of aanverwant van de verdachte te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Op vragen van de voorzitter verklaart de getuige:

Ik wil alleen over mijn eigen betrokkenheid verklaren. Voor het overige verwijs ik naar mijn eerder afgelegde verklaring bij de raadsheer-commissaris.

De voorzitter merkt op dat de getuige niet in zijn eigen zaak wordt gehoord, maar als getuige in de zaak van de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] en in die hoedanigheid verplicht is de gestelde vragen te beantwoorden.

De getuige vraagt of hij met zijn advocaat mag overleggen.

De getuige en zijn advocaat verlaten de zittingszaal voor overleg.

De advocaat van de getuige verklaart:

Dit is een belangrijk punt voor mijn cliënt. Hoewel hij inmiddels geen verdachte meer is in deze zaak, wordt van hem een verklaring verlangd die hij niet wil geven.

De voorzitter deelt aan de getuige mede dat weigering om te verklaren kan leiden tot gijzeling en vraagt de getuige naar de reden van zijn weigering om de vragen te beantwoorden.

De advocaat van de getuige verklaart:

Mijn cliënt is bereid inzicht te verschaffen omtrent de motieven van zijn weigering. Ik verzoek u wel het verhoor omtrent zijn weigering buiten de aanwezigheid van de verdachten en hun raadslieden te laten plaatsvinden.

De advocaat-generaal leest voor wat de getuige bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard over zijn reden om destijds één van de overvallers als ‘de onbekende’ aan te duiden.

De advocaat van de getuige verklaart:

Die situatie is niet ongewijzigd. Mocht mijn cliënt in het kader van een mogelijke gijzeling als bedoeld in artikel 294 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) worden gehoord omtrent de reden van zijn weigering, dan verzoek ik dat in de gijzelingsprocedure met gesloten deuren plaats te doen vinden.

De raadsman van de verdachte verklaart:

Ik wil graag de mogelijkheid om mij te beraden of het verhoor van de getuige omtrent zijn weigering een aparte procedure betreft waar mijn cliënt al dan niet bij aanwezig dient te zijn.

De voorzitter beveelt dat de zitting wordt onderbroken.

De zitting wordt hervat.

Desgevraagd deelt de getuige mede bij zijn standpunt te blijven.

De raadsman van de verdachte verklaart:

Indien een handeling wordt verricht in de zaak van mijn cliënt acht ik het onwenselijk dat mijn cliënt en ik daar niet bij aanwezig zijn. Anders beschikt het hof over meer informatie dan de verdediging.

De advocaat-generaal verklaart:

Ik heb geen bezwaar tegen aanwezigheid van de raadsman van de verdachte bij het horen van de getuige omtrent zijn reden tot weigering vragen te beantwoorden.

De advocaat van de getuige verklaart:

Ik persisteer in mijn standpunt dat het horen van de getuige omtrent de reden van zijn weigering een aparte procedure betreft en de aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman niet vereist is.

Na schorsing voor beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de getuige achter gesloten deuren zal worden gehoord omtrent de reden van zijn weigering een verklaring als getuige af te leggen. Mocht het zo zijn dat de getuige een verklaring aflegt die direct van belang is in de strafzaak van de verdachte, dan zal het hof de inhoud van deze verklaring kenbaar maken bij hervatting van het onderzoek op de terechtzitting. Omdat het horen van de getuige omtrent zijn weigering de gestelde vragen te beantwoorden een incident betreft zal het hof het proces-verbaal van dit verhoor niet voegen in het dossier van de verdachte.

De voorzitter beveelt dat het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken teneinde de getuige achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman te horen omtrent de reden van zijn weigering als getuige te verklaren.

De zitting wordt hervat.

De voorzitter deelt mede dat de getuige zich zojuist heeft uitgelaten over de reden van zijn weigering als getuige te verklaren en daarbij te kennen heeft gegeven dat na zijn ontslag uit detentie en na het afleggen van een verklaring bij de raadsheer-commissaris bedreigingen tot hem zijn gekomen en dat die bedreigingen niet afkomstig zijn van de verdachten in wiens zaken hij vandaag als getuige wordt gehoord. Voorts deelt de voorzitter mede dat het hof de getuige in gijzeling heeft genomen.

De voorzitter beveelt dat de zitting wordt onderbroken tot 13.45 uur.

De zitting wordt hervat. Bij de hervatting is de gegijzelde getuige aanwezig.

Daarnaar gevraagd door de voorzitter deelt de getuige mede dat hij thans wel bereid is de vragen te beantwoorden.

De getuige verklaart:

U houdt mij voor dat eerder de naam [verdachte] is genoemd als de derde overvaller en vraagt mij of de verdachte [verdachte] één van de overvallers is geweest op de K.FC. Ja, dat klopt. De overval is gepleegd door mij, [medeverdachte 2] en [verdachte] . Dus met ‘de onbekende’ in het verhoor als getuige bij de raadsheer-commissaris van 23 juni 2014 bedoelde ik de verdachte [verdachte] .

De raadsman van de verdachte verzoekt om een korte onderbreking om zich te beraden over de vragen die hij de getuige wenst te stellen.

De voorzitter beveelt dat de zitting wordt onderbroken.

De zitting wordt hervat.

Op vragen van de raadsman van de verdachte verklaart de getuige:

De bedreigingen waarover ik heb verklaard bij de raadsheer-commissaris bestonden uit woordelijke bedreigingen zoals “we gaan je pakken”. Pas na het verhoor bij de raadsheer-commissaris heb ik gehoord dat de bedreigingen uit de hoek van [betrokkene 2] zouden komen.. Ik ben niet door de verdachte [verdachte] bedreigd. U vraagt mij of ik namens hem ben bedreigd. Zijn naam is niet specifiek genoemd. In eerste instantie werd ik bedreigd door Afghaanse jongeren. Ik dacht toen dat de bedreiging van de verdachte [verdachte] afkomstig was. Later bleek mij dat de bedreiging uit de hoek van [betrokkene 2] kwam.

Ik sta achter deze verklaring. Ik neem niemand anders in bescherming.

De verdachte vraagt waarom de getuige zijn naam noemt terwijl de getuige weet dat hij er niets mee te maken heeft.

De getuige verklaart:

Laten we elkaar niet voor de gek houden. Dit is mijn laatste kans. Dit boek heb ik afgesloten. Ik heb een lange tijd vastgezeten, ik ga nu niet weer vastzitten, en zeker niet voor een ander. Als daardoor de waarheid boven tafel moet komen, dan is dat zo. Ik kan nu niet anders, ik hoop datje dat begrijpt.

De raadsman deelt mede dat hij geen afstand van de getuige doet.

De voorzitter deelt mede dat de getuige wordt ontslagen uit zijn gijzeling.”

3.3. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het Hof de sluiting van de deuren heeft bevolen zonder overeenkomstig art. 269 lid 3 Sv een opgave te hebben gedaan van de redenen daarvoor.

3.4. Uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2014 volgt dat het Hof aldaar heeft besloten de getuige [getuige 1] achter gesloten deuren te horen omtrent de reden van zijn weigering een verklaring als getuige af te leggen. De voorzitter beveelt vervolgens dat het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken teneinde de getuige achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman te horen. Daarna wordt de zitting hervat en deelt de voorzitter mede wat de getuige tegenover het Hof heeft verklaard en dat het Hof de getuige in gijzeling heeft genomen. Vervolgens legt de getuige in bijzijn van verdachte en zijn raadsman een verklaring af omtrent het tenlastegelegde. Deze verklaring is door het Hof tot het bewijs gebezigd.

3.5. Ik merk hier ten eerste op dat uit het proces-verbaal van de zitting niet blijkt dat de verdachte en zijn raadsman ook daadwerkelijk de zaal hebben verlaten. Uit het feit dat de voorzitter, na hervatting van de zitting, mededeelt wat de getuige tegenover het Hof heeft verklaard en dat het Hof de getuige in gijzeling heeft genomen, leid ik evenwel af dat de raadsman en de verdachte bij deze gebeurtenissen niet aanwezig zijn geweest.2 Ten tweede wordt mij niet duidelijk of het onderzoek ter terechtzitting gedurende het horen van de getuige daadwerkelijk onderbroken is geweest. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt weliswaar dat de voorzitter heeft bevolen dat het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken teneinde de getuige achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman te horen, maar uit het feit dat het bevel tot het sluiten van de deuren is gegeven, volgt dat het onderzoek juist niet onderbroken is geweest. Een bevel tot sluiting van de deuren is immers onnodig indien er geen onderzoek op de terechtzitting plaatsvindt. De gevolgde gang van zaken is derhalve niet bepaald eenduidig geformuleerd in het proces-verbaal. Wellicht heeft het Hof, alhoewel dit niet expliciet blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, de getuige willen horen in het kader van een voorgenomen bevel tot gijzeling als bedoeld in art. 294 Sv en heeft het gemeend dat deze procedure gescheiden plaatsvindt van het onderzoek ter terechtzitting. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht.3 Bij de bespreking van het middel ga ik er dan ook vanuit dat het verhoor van de getuige, dat plaatsvond achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman, alsmede het verlenen van een bevel tot gijzeling van de getuige, plaatsvond tijdens het onderzoek ter terechtzitting.4

3.6. Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop. Het onderzoek ter terechtzitting dient in het openbaar te geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6, eerste lid, EVRM als in art. 121 GW verwoord. Art. 20, eerste lid, RO en art. 269 Sv, krachtens art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk, herhalen dit.

De hiervoor vermelde bepalingen verwijzen alle naar de mogelijkheid van uitzonderingen op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. Volgens de art. 121 GW en 20 RO dienen die uitzonderingen bij de wet te zijn bepaald. Art. 20 RO voegt daar nog aan toe dat in strafzaken de rechter, om gewichtige, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen, mag bevelen dat het rechtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaatshebben. Art. 6 EVRM bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van de openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt. Art. 269 Sv regelt de reeds in art. 20 RO aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke belangen die inbreuk mag worden gemaakt. Dit wettelijk stelsel houdt in dat naast de mogelijkheid van sluiting van de deuren overeenkomstig de regeling van art. 269 Sv niet langs een andere weg inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting.5

3.7. Het Hof heeft zijn beslissing om het verhoor van de getuige achter gesloten deuren te doen plaatshebben niet nader gemotiveerd. Wel blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2014 dat de getuige alleen over zijn eigen betrokkenheid wil verklaren en dat hij zijn redenen om niet over anderen te verklaren alleen achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman wil aangeven. De advocaat van de getuige heeft het Hof voorts verzocht om, mocht de getuige in het kader van een mogelijke gijzeling als bedoeld in art. 294 Sv worden gehoord, dit verhoor achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Na beraad heeft het Hof meegedeeld dat de getuige achter gesloten deuren zal worden gehoord. Daarop beveelt de voorzitter dat het onderzoek wordt onderbroken teneinde de getuige achter gesloten deuren en ook buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman te horen.

3.8. Ingevolge art. 269 lid 1 Sv kan het bevel tot sluiting van de deuren worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden. Met mijn (toenmalige) ambtgenoot Wortel ben ik van mening dat van de rechter niet gevergd hoeft te worden dat hij nadrukkelijk opgeeft onder welke van de in art. 269 lid 1 Sv genoemde belangen die reden te brengen is.6 Uit het proces-verbaal van de zitting moet echter wel kunnen worden afgeleid op welke in art. 269 lid 1 Sv genoemde reden het bevel gegrond is.7

3.9. In de onderhavige zaak blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting dat de getuige het Hof inzicht wil geven in zijn motieven om geen nadere verklaring af te leggen, maar dat hij deze verklaring alleen achter gesloten deuren wil geven. Het Hof, die de getuige op grond van art. 263 Sv ambtshalve had opgeroepen, heeft het kennelijk in het kader van de waarheidsvinding noodzakelijk geacht de deuren te sluiten zodat de getuige zijn weigering nader kon toelichten. Nu wordt de waarheidsvinding in art. 269 lid 1 Sv niet expliciet genoemd als reden om de deuren te sluiten. Ik zou echter menen dat het belang van waarheidsvinding geschaard kan worden onder het belang van een goede rechtspleging.8 Gelet op de weigering van de verdachte in het openbaar duidelijkheid te verschaffen over zijn redenen voor het niet willen verklaren in de strafzaak kon het Hof ook tot het oordeel komen, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat het belang van een goede rechtspleging door de openbaarheid ernstig zou worden geschaad. Alhoewel het Hof zijn beslissing dus niet nader heeft gemotiveerd, meen ik dat de grondslag van en de redengeving voor het bevel uit het proces-verbaal van de zitting kan worden afgeleid. De klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.10. Het middel bevat ten tweede de klacht dat het Hof het beginsel van de interne openbaarheid heeft geschonden, door de getuige buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman te horen.

3.11. Ingevolge art. 297 lid 3 Sv kan de voorzitter bevelen dat een of meer verdachten de zittingszaal verlaten, opdat een getuige buiten hun aanwezigheid zal worden ondervraagd. Art. 331 lid 1 Sv bepaalt dat de bevoegdheden die de verdachte krachtens titel VI toekomen ook aan diens raadsman worden toegekend, maar dit geldt niet voor de beperkingen die aan de verdachte zijn opgelegd.9 De in art. 297 lid 3 Sv neergelegde beperking treft derhalve alleen de verdachte en niet diens raadsman.10 Voornoemde bepaling is dan ook niet in strijd met art. 6 lid 3 sub d EVRM (het ondervragingsrecht), mits er een raadsman is die de getuige kan ondervragen.11 Ook de bepaling van het vierde lid van art. 297 Sv staat in het teken van het zoveel mogelijk waarborgen van het contradictoire karakter van het onderzoek op de terechtzitting: aan de verdachte wordt onmiddellijk meegedeeld wat buiten zijn aanwezigheid is voorgevallen, waarna het onderzoek kan worden voortgezet. Het bevel tot het horen van de getuige buiten aanwezigheid van de verdachte is een voorzittersbeslissing, gegeven in het belang van het ordelijke verloop van de terechtzitting en behoeft geen motivering.12

3.12. Uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de voorzitter heeft bevolen dat zowel de verdachte als zijn raadsman de zittingszaal verlaten. Het plaatsvinden van het verhoor van de getuige buiten aanwezigheid van de verdachte kan als gezegd gestoeld worden op art. 297 lid 3 Sv, maar het bevel aan de raadsman om de zittingszaal te verlaten, kan niet op deze bepaling worden gegrond. Door aldus te bevelen heeft het Hof inbreuk gemaakt op het beginsel van de interne openbaarheid.13

3.13. Waartoe moet deze fout van het Hof – want dat is het - leiden? De interne openbaarheid moet als een kernwaarde van de strafrechtspleging worden beschouwd, in ieder geval mag daaraan zodra het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen in beginsel geen beperkingen meer worden gesteld. Maar het betreft een uitgangspunt, of beginsel en dat betekent dat nuances mogelijk zijn. Gebreken op dat punt in de procesvoering kunnen bijvoorbeeld later zijn hersteld. De vraag die dus aan de orde is of de verdachte achteraf bezien in enig rechtens te respecteren belang is geschaad doordat de raadsman niet aanwezig heeft kunnen zijn bij het verhoor van de getuige omtrent de reden van zijn weigering als getuige te verklaren. Het Hof heeft de getuige immers niet gehoord omtrent het tenlastegelegde. Voorts zijn de verdachte en zijn raadsman door de voorzitter geïnformeerd over hetgeen de getuige tegenover het Hof heeft verklaard en zijn zij beiden aanwezig geweest toen de getuige de verklaring over de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde aflegde en zijn beiden in de gelegenheid geweest de getuige te ondervragen – van welke gelegenheid zij ook beiden gebruik hebben gemaakt. Daar komt nog het volgende bij. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet expliciet dat het Hof voornemens was de getuige te horen in verband met een eventuele gijzeling als bedoeld in art. 294 lid 2 Sv. Uit het feit dat het Hof de getuige wenste te horen omtrent de reden van weigering te verklaren, zou dit wel kunnen worden afgeleid. De verdediging is in beginsel geen partij bij een dergelijke beslissing. Dit is anders indien de verdediging een verzoek of het openbaar ministerie een vordering doet de getuige in gijzeling te stellen (zie art. 328, 328 en 330 Sv). Indien de officier van justitie een dergelijke vordering doet, dient het Hof immers ingevolge art. 329 Sv de verdachte of de raadsman in de gelegenheid te stellen het woord te voeren. Uit het bevel gijzeling, dat zich bij de stukken van het geding bevindt, blijkt niet dat de advocaat-generaal een vordering heeft gedaan de getuige in gijzeling te stellen. Ik ga er dan ook vanuit dat het Hof de gijzeling ambtshalve heeft bevolen. Ook te dien aanzien is de verdachte dus niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad.

3.14. Dit alles overziende ben ik van mening dat de schending van het beginsel van de interne openbaarheid hier niet tot cassatie behoeft te leiden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de getuige buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman niet gehoord is omtrent het tenlastegelegde feit, de verdachte en zijn raadsman door het Hof zijn geïnformeerd over de verklaring die de getuige buiten hun aanwezigheid had afgelegd, verdachte en zijn raadsman aanwezig waren toen de getuige een voor verdachte belastende verklaring aflegde en zowel verdachte als zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om de getuigen te ondervragen. Op het ondervragingsrecht is dan ook geen inbreuk gemaakt.

4. Het middel faalt.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (14/06443) en [medeverdachte 2] (14/06444), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Dit volgt ook uit de pleitnota van de raadsman van verdachte (p. 10-13) die op de zitting van 11 september 2014 aan het Hof is overgelegd.

3 Zie Memorie van Toelichting op het ontwerp tot vaststelling van een Wetboek van Strafvordering, 1912-1913, p. 242: toelichting op art. 285 Sv (het huidige art. 294 Sv), waar staat dat het bevel tot gijzeling op de terechtzitting van de rechtbank zelf uitgaat. K. Lindenberg, Van Ort tot ORO. Een verzameling van de werken die hebben geleid tot het Oorspronkelijk Regeringsontwerp van een nieuw Wetboek van Strafvordering (1914), 2002, p. 480.

4 Vgl. HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633, waar de raadsvrouwe van de verdachte, nadat het onderzoek ter terechtzitting was onderbroken, in bijzijn van procureur-generaal in raadkamer haar getuigenverzoek toelichtte en de Hoge Raad oordeelde dat het onderzoek ter terechtzitting niet in zijn geheel openbaar was geweest.

5 HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m. nt. ‘t Hart.

6 Zie de conclusie ECLI:NL:PHR:2002:AE2761 vóór HR 9 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2761.

7 Vgl. HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:473; HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8700.

8 Vgl. HR 9 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1332, NJ 2002/498.

9 Corstens/Borgers, 2014, p. 668.

10 Zie ook Blok en Besier, Het Nederlandsche strafproces, II, p. 59, ad (destijds) art. 292.

11 Corstens/Borgers, 2014, p. 667; HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9530, NJ 1987/443; HR 16 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6918, NJ 2005/501.

12 HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9530, NJ 1987/443; HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8700; HR 16 augustus 2005, NJ 2005/501.

13 Vgl. HR 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5128, NJ 2002/186, waarin de Hoge Raad oordeelt dat het Hof inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van de interne openbaarheid door een getuige buiten aanwezigheid van de Procureur-Generaal, de verdachte en diens raadsvrouw te horen omtrent de noodzaak van anonimiteit van de getuige.