Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2720

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-12-2015
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
14/01773
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:522, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Feiten van algemene bekendheid. Art. 339.2 Sv en art. 301.4 Sv. Casus: het Hof heeft geoordeeld dat Aloë capensis niet hetzelfde is al Aloë vera en dus niet mag worden ingevoerd. Het Hof heeft dit oordeel voor een belangrijk deel doen steunen op gegevens die het heeft ontleend aan "bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in de onderhavige procedure". Voor zover in die overweging als ’s Hofs oordeel besloten ligt dat gegevens kunnen worden aangemerkt als van algemene bekendheid i.d.z.v. art. 339.2 Sv op de enkele grond dat zij aan internetbronnen zijn ontleend, is dat oordeel onjuist. De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Overigens is ’s Hofs oordeel dat de gegevens i.c. kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ook niet zonder meer begrijpelijk. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Uit e.e.a. vloeit bovendien rechtstreeks voort dat het Hof t.a.v. deze voor het bewijs gebezigde gegevens het voorschrift van art. 301.4 Sv niet in acht heeft genomen. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01773 E

Zitting: 1 december 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 april 2014 de verdachte wegens “opzettelijke overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van 100 euro subsidiair twee dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Deze zaak betreft de invoer van een pot met 30 capsules ‘Living bitters’ met als ingrediënt Aloëcapensis. Invoer van Aloëspp (alle soorten van een hoger taxon) is verboden, terwijl er een uitzondering voor (onder meer) Aloë vera geldt. Kort samengevat is naar het oordeel van het Hof Aloëcapensis niet hetzelfde als Aloë vera en dus geldt de uitzondering niet. In cassatie ligt de klemtoon niet bij de vraag of dit oordeel op zich juist is, maar wordt in het eerste middel de wijze van bewijsvoering bestreden en in het tweede geklaagd over het achterwege blijven van een beslissing op een voorwaardelijk verzoek om een getuige te horen.

4. De bewezenverklaring in het bestreden arrest van het Hof luidt als volgt:

“zij op 31 januari 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, producten van planten, behorende tot de door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen soorten als bedoeld in artikel 4 van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en Faunawetten genoemd in Bijlage B van de Basisverordening EG nr. 338/97), te weten 30 capsules met als genoemd ingrediënt Aloë capensis, Aloë spp., Liliaceae, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.”

5. De voor de beoordeling van de middelen relevante wettelijke bepaling zoals deze ten tijde van het begaan van het feit golden zijn:

Artikel 5 van de Fauna-en Flora luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen als beschermde uitheemse plantensoort of beschermde uitheemse diersoort worden aangewezen plantensoorten onderscheidenlijk diersoorten die niet van nature in Nederland voorkomen en die:

a. in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten, of

b. niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.

2. De aanwijzing van een plantensoort of van een diersoort als beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk als beschermde uitheemse diersoort geschiedt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid bij ministeriële regeling indien die aanwijzing noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.

3. Bij de aanwijzing van soorten, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden deze soorten onderscheiden in categorieën van soorten als bedoeld in onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b van het eerste lid.”

Artikel 13, eerste lid, van de Fauna-en Flora luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Het is verboden:

a. planten of producten van planten (…) behorende tot een (…) beschermde uitheemse plantensoort (…)

b. (…)

binnen het grondgebied van Nederland te brengen.”

Artikel 4 van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora-en Faunawet luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Als beschermde uitheemse dier- en plantensoort als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet zijn, voor zover het soorten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet betreft, en met uitzondering van de daarin voorkomende beschermde inheemse dier- en plantensoorten, aangewezen:

a. de soorten genoemd in bijlage A bij de basisverordening, met inachtneming van de tot die bijlage behorende opmerkingen over de interpretatie daarvan;

b. de soorten genoemd in bijlage IV bij richtlijn 92/43/EEG, voor zover deze soorten niet vallen onder de basisverordening;

c. de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze regeling.

2. Als beschermde uitheemse dier- en plantensoort als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet zijn, voor zover het soorten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet betreft en voor zover deze soorten niet reeds onder artikel 4, eerste lid, van deze regeling vallen, aangewezen:

a. de soorten genoemd in de bijlagen B, C en D bij de basisverordening, met inachtneming van de tot die bijlage behorende opmerkingen over de interpretatie daarvan, en met uitzondering van de daarin voorkomende beschermde inheemse dier- en plantensoorten;

b.(…);

c.(…).

Bijlage A bij de Verordening EG nr. 338/97 van de Raad vermeldt als LILIACEAE:

“Aloe albida, Aloe albiflora, Aloe alfredii, Aloe bakeri, Aloe bellatula, Aloe calcairophila, Aloe compressa (Met inbegrip van de varieteiten paucituberculata, rugosquamosa en schistophila), Aloe delphinensis, Aloe descoingsii, Aloe fragilis, Aloe haworthioides (Met inbegrip van de varieteit aurantiaca), Aloe helenae, Aloe laeta (Met inbegrip van de variëteit maniaensis), Aloe parallelifolia, Aloe parvula, Aloe pillansii, Aloe polyphylla, Aloe rauhii, Aloe suzannae, Aloe versicolot, Aloe vossii”

Bijlage B bij de Verordening EG nr. 338/97 , zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 834/2004 van de Commissie van 28 april 2004 vermeldt als LILIACEAE:

“Aloe spp.* (Met uitzondering van de in bijlage A opgenomen species en met uitzondering van Aloe vera, ook genoemd Aloe barbadensis, welke soort niet in de bijlagen van deze verordening is opgenomen)#4”

6. Het eerste middel klaagt over de nadere bewijsoverweging die het Hof in het arrest heeft opgenomen.

7. De klacht dat in de bewijsvoering en in het bijzonder in de bewijsoverweging wordt verwezen naar internetsites als bron van bewijs kan –als ik het goed zie- als volgt worden samengevat: de gebezigde bronnen maken geen deel uit van het dossier en zijn niet aan de verdachte voorgehouden, omdat het Hof pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van die bronnen kennis heeft genomen, terwijl die bronnen anders dan het Hof meent niet kunnen worden aangemerkt als feiten van algemene bekendheid.

8. De bestreden bewijsoverweging is een reactie op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 8 april 2014 houdt in, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang:

“De advocaat-generaal voert het woord, leest haar vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen capsules met het ingrediënt Aloë capensis had mogen invoeren en verwijst daarbij naar lijst B van de Basisverordering EG 338/97. Voorts stelt de advocaat-generaal dat Aloë capensis hetzelfde is als Cape aloë, wat weer hetzelfde is als Aloë ferox en ook wel bitter Aloë wordt genoemd. Dit komt weer overeen met de naam van de door de verdachte ingevoerde capsules ‘Living bitters’. Dit betreft Aloë ferox en valt onder Aloë spp. zoals opgenomen in lijst B van de Basisverordering EG 338/97. Dientengevolge had de verdachte de capsules niet mogen invoeren. Omdat de regelgeving zo ingewikkeld is geconstrueerd en het lastig is terug te vinden op de lijst, verzoekt de advocaat-generaal schuldigverklaring zonder strafoplegging.


De verdachte en de raadsvrouw voeren het woord tot verdediging. De raadsvrouw legt daartoe een e-mailwisseling over tussen haar en dr. G.A. van Huffelen, collectiebeheerder van de Hortus Botanicus van de Rijksuniversiteit van Leiden, alsmede diverse stukken betreffende de Aloë familie afkomstig uit openbare bronnen. De raadsvrouw voert daarbij verweren als weergegeven in het arrest. De raadsvrouw merkt op dat Van Uffelen een orakel is op het gebied van planten en dat zij aangeeft dat de Aloë vera in één adem wordt genoemd met de Aloë capensis. Zij stelt dat Aloë capensis hoogstwaarschijnlijk hetzelfde is als hetgeen door de regelgeving Aloë vera wordt genoemd. Primair verzoekt de raadsvrouw vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om Van Uffelen als getuige te horen. De raadsvrouw voert daartoe aan dat er ook in Nederland veel producten voorkomen met Aloë vera als bestanddeel en dat het belangrijk is om over de onderhavige discussie duidelijkheid te verschaffen.”

9. De door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2014 overgelegde e-mailverkeer tussen haar en de G.A. van Uffelen betreft de volgende correspondentie:

Van: Barbalique Peters

Verzonden: vrijdag 4 april 2014 12:37

Aan: ‘g.a.van.uffelen@hortu.leidenuniv.nl’

Onderwerp: Vragen over plantensoort Aloe capensis

Geachte mevrouw van Uffelen,

Gaarne had ik enige nadere informatie over de typering van de plantensoort Aloe capensis c.q. over de benaming van de soort/familiesoort.

- Valt de Aloë capensis onder de soortnaam Aloë Spp.?

- Valt de Aloë capensis onder de soort Aloë Veral of Aloe barbadensis.

Deze informatie heb ik nodig om te bepalen of de Aloe capensis voorkomt op de lijst zoals bijgevoegd pagina 75/76 of valt onder een genoemde verzamelnaam zoals Aloë Spp.

(…)

Met vriendelijke groet,

Barbalique G.M.C. Peters

Strafrechtadvocaat

(…)

Van: Uffelen, G.A. van [mailto:g.a.va.uffelen@hortus.leidenuniv.nl]

Verzonden: vrijdag 4 april 2014 13:36

Aan: Barbalique Peters

Onderwerp: RE: Vragen over plantensoort Aloe capensis

Beste mevrouw Peters,

Dat is een lastige, want Aloe capensis bestaat niet in de wetenschappelijke naamlijsten. Ik ga kijken of ik er achter kan komen voor welke soort de naam in gebruik is, en dan kan ik dat met de CITES-lijst checken.

U hoort snel van mij (vóór dinsdag in elk geval).

Met vriendelijke groet,

Gerda

Dr. Gerda A. van Uffelen

Collectiebeheerder Hortus botanicus Leiden

(…)

From: Barbalique Peters [mailto:peters@bgmcpeters.nl]

Sent: vrijdag 4 april 2014 16:10

To: Uffelen, G.A. van

Subject: Ter aanvulling over de vraag over de plantensoort Aloe capensis

Geachte mevrouw van Uffelen,

Als ik internet raadpleeg wordt de naam Aloe Capensis vaak in een adem genoemd met Aloe Vera en Aloe barbadensis.

Is het mogelijk dat de Aloe capensis een synoniem is voor Aloe Vera en/of Aloe barbendensis?

Met vriendelijke groet,

Barbalique G.M.C. Peters

Strafrechtadvocaat

(…)

Op 4 apr. 2014 om 16:36 heeft “Uffelen, G.A. van” <g.a.van.uffelen@hortus.leidenuniv.nl. het volgende geschreven:

Beste mevrouw Peters,

Dat is ook wat ik denk, maar ik ga het nog even wat beter uitzoeken.

Prettig weekend!

Gerda

From: Barbalique Peters [mailto:peters@bgmcpeters.nl]

Sent: maandag 7 april 2014 14:42

To: Uffelen, G.A. van

Subject: Re: Ter aanvulling over de vraag over de plantensoort Aloe capensis

Beste mevrouw van Uffelen,

Kunt u mij uw bevindingen in de loop van vandaag per email toesturen?

Met vriendelijke groet,

Barbalique Peters

Van: Uffelen, G.A. van [mailto:g.a.va.uffelen@hortus.leidenuniv.nl]

Verzonden: maandag 7 april 2014 16:21

Aan: Barbalique Peters

Onderwerp: RE: ter aanvulling over de vraag over de plantensoort Aloe capensis

Best mevrouw Peters,

Tussen de bedrijven door ben ik nog op zoek geweest naar informatie.

De naam Aloe capensis is in geen enkele gangbare wetenschappelijk namenlijst terug te vinden.

Zoals u al aangaf, is de naam op internet meestal te vinden in combinatie met Aloe vera of Aloe barbadenis; Aloe vera is de huidige wetenschappelijke naam (Aloe barbadenis is een synonym daarvan, zie

http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/kew-298116 )

In de laatste versie van het internationale CITES-document (zie http://www.cites.org/eng/app/appendices.php) is Aloe vera duidelijk uitgesloten van de status als CITES-plant. Dit geldt ook voor de Nederlandse/Europese lijst van CITES (zie https://ww.drloket.nl/actueel/documnt/fileitem/2204131/soortenlijst ), die soms iets afwijkt van de internationale.

We kunnen er dus vanuit gaan dat Aloe capensis hoogstwaarschijnlijk hetzelfde is wat botanici en regelgevers Aloe vera noemen, een soort die niet onder de CITES-beperking valt.

Met vriendelijke groet,

Gerda van Uffelen

Dr. Gerda A. van Uffelen

Collectiebeheerder Hortus botanicus Leiden

(…)”

10. De bestreden bewijsoverweging van het Hof luidt als volgt:

“Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ingrediënt Aloë capensis, dat in de onder de verdachte in beslag genomen capsules is verwerkt en met zoveel woorden vermeld staat op de verpakking, hetzelfde is als Aloe vera en dus onder de vrijstelling genoemd in Bijlage B van de EG-Basisverordening nr. 338/97 valt. Ter ondersteuning van dit verweer heeft de verdediging onder meer een uitgedraaide e-mailwisseling tussen de raadsvrouw en dr. Gerda A. van Huffelen, Collectiebeheerder van de Hortus Botanicus van de Rijksuniversiteit te Leiden overgelegd en verwezen naar diverse bronnen op het internet. Van Huffelen deelt in haar e-mail - voor zover hier van belang - het volgende mee:

“De naam Aloe capensis is in geen enkele gangbare wetenschappelijke namenlijst terug te vinden. Zoals u al aangaf, is de naam op internet meestal te vinden in combinatie met Aloe vera of Aloe barbadensis; Aloe vera is de huidige wetenschappelijke naam (Aloe barbadensis een synoniem daarvan. ..)

(…)

We kunnen er dus van uit gaan dat Aloe capensis hoogstwaarschijnlijk hetzelfde is wat botanici en regelgevers Aloe vera noemen, een soort die niet onder CITES-beperking valt. ’’

Het hof verwerpt dit verweer (eveneens) onder verwijzing naar na te noemen bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in onderhavige procedure.

De Plants Committee (PC) van de Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora (CITES) heeft tijdens de twintigste vergadering van dit Comité van 22 tot 30 maart 2012 te Dublin desgevraagd zijn visie op de status en het gebruik van de naam ‘Aloe capensis’ gegeven. Deze visie luidt als volgt:

“That ‘Aloe capensis’ is a vernacular name applied to the dried leaf exudates of Aloe ferox that sometimes may be applied to other aloe species. It is not a valid taxonomic name” (Bron: PC2Q WG8 Doc.1 -p.1).

Het hof onderkent de door de raadsvrouw gemaakte denkfout, namelijk waar gesproken wordt over “other aloe species”. Ten onrechte zou daaronder ook kunnen worden begrepen de niet-beschermde soorten aloe. Het hof komt echter tot de navolgende interpretatie.

Volgens de ‘World Checklist of Selected Plant families’2 is de huidige gangbare taxonomische benaming van de species ‘Aloe vera’:

Aloe vera (L.) Burm.f.

Een heterotypisch synoniem van deze species is: Aloe barbadensis Mill.

De huidige gangbare taxonomische benaming van de species ‘Aloe ferox’ is:

Aloe ferox Mill.

Daarbij gaat het om de volgende planten:

Aloe vera Aloe ferox (Cape aloes)

Common name: Cape aloes.

Bergaalwyn. bitter aloe

Conservation status: Conservation status:

Not considered to be Protected by the Convention

threatened on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora

(Bron: Kew Royal Botanical Gardens, www.kew.org/science-conservation)

De ‘Monographs on selected medical plants’ van de World Health Organization (WHO) (in dit geval Volume 1) (verder te noemen: de Monographs) definiëren ‘aloe’ als:

“the dried juice of the leaves of Aloe vera (L.) Burm.f. or of A. Ferox Mill, and its hybrids with A. Africana Mill, and A. Spicata Baker.”

De Monographs noemen Curaçao of Barbados Aloe (het hof begrijpt de laatste ook als: aloe barbadensis) als product afkomstig van Aloe vera (L.) Burm. f. en Cape Aloe (het hof begrijpt: aloe capensis) als product van A. (het hof begrijpt: Aloe) ferox Mill en kruisingen daarvan met de aloe species A. Africana Mill, en A. Spicata Baker.

Aloe barbadensis kan niet gelijk gesteld worden aan de aloe capensis. Ter adstructie waarvan het hof ook attendeert op hun “plaatselijke” benaming te weten: hun oorsprong op verschillende continenten, respectievelijk Zuid-Amerika en Afrika.

De Monographs A van de European Pharmacopoeia van de Raad van Europa geven de volgende definitie van ‘Cape Aloes or Aloe capensis’:

“Cape aloes consists of the concentrated and dried juice of the leaves of various species of Aloe, mainly Aloe ferox Miller and its hybrids.”

Het woord “mainly” dat de European Pharmacopeia gebruikt, vat het hof - gelet op hetgeen in de Monographs daaromtrent is opgenomen - aldus op dat daarmee is bedoeld te zeggen dat Aloe capensis bestaat uit een mix van voornamelijk bestanddelen van de Aloe ferox en/of kruisingen daarvan (naar het hof begrijpt, wederom gezien wat daaromtrent in de Monographs is opgenomen) met A. Africana Mill, en A. Spicata Baker.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het product Aloe capensis, dat blijkens het daarop aangebrachte etiket aanwezig is in de onder de verdachte aangetroffen en in beslag genomen capsules, bestanddelen van de Aloe ferox bevat dan wel van kruisingen van de Aloe ferox met A. Africana Mill, en/of A. Spicata Baker. Gelet hierop en op al het vorenstaande kan de PC met “other aloe species” niet anders dan het oog hebben gehad op kruisingen van de Aloe ferox met A. Africana Mill en/of A. Spicata Baker dan wel A. Africana Mill, en/of A. Spicata Baker als zodanig.

Nu alle species Aloe - met uitzondering van die vermeld op Bijlage A, op welke bijlage niet zijn vermeld Aloe ferox, A. Africana Mill, en A. Spicata Baker, en met uitzondering van de Aloe vera ook wel genoemd Aloe barbadensis - zijn vermeld op Bijlage B bij de Basisverordening EG nr. 338/973 mocht de verdachte de capsules niet binnen het grondgebied van Nederland brengen. De aanduiding ‘spp’ bij de vermelding op Bijlage B dient immers, zo blijkt uit de algemene bijlage bij voornoemde verordening, ter aanduiding van alle soorten van een hoger taxon.

Dat op het internet Aloe vera, Aloe barbadensis en Aloe capensis al dan niet regelmatig in één adem worden genoemd en dat de collectiebeheerder van de Hortus botanicus te Leiden daaruit als partijdeskundige - al dan niet daartoe aangezet door de verdediging - de conclusie trekt dat Aloe capensis hoogstwaarschijnlijk hetzelfde is als wat botanici en regelgevers Aloe vera noemen, brengt het hof niet tot een ander oordeel.”

11. Zoals gezegd spitst in cassatie de discussie zich toe op het gebruik van internet als grondslag van vaststellingen in de bewijsoverweging. Bij de stukken bevindt zich geen pleitnota. Voor wat betreft het gebruik van de internetbronnen staat het volgende in cassatie vast. Volgens het proces-verbaal van de zitting heeft de raadsvrouw ter terechtzitting diverse stukken betreffende de Aloë familie afkomstig uit openbare bronnen overgelegd en daarbij verweren gevoerd als weergegeven in het arrest. Uit het arrest blijkt dat ter ondersteuning van het verweer de verdediging onder meer een uitgedraaide e-mailwisseling tussen de raadsvrouw en dr. Gerda A. van Uffelen, Collectiebeheerder van de Hortus Botanicus van de Rijksuniversiteit te Leiden, heeft overgelegd en heeft verwezen naar diverse bronnen op het internet. Het gebruik van internetbronnen licht het Hof in de bewijsoverweging nog toe door op te merken dat het gaat om bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in onderhavige procedure.

12. Opmerkelijk is dat wordt geklaagd over het gebruik van internetbronnen, terwijl het nu juist de raadsvrouw is die daarop ter verdediging een beroep heeft gedaan. Nu geen pleitnota is overgelegd is niet zonder meer helder welke bronnen de raadsvrouw heeft genoemd. Het Hof oordeelt dat het hier in ieder geval om bronnen gaat die algemeen bekend mogen worden verondersteld althans in elk geval in deze procedure bekend. Daarmee zegt het Hof dat het om feiten van algemene bekendheid gaat, in ieder geval om feiten die in de onderhavige procedure bekend zijn. Ik beperk mij nu eerst en vooral tot het laatste. Hoe dan ook staat volgens het Hof vast dat het gaat om feiten die in de onderhavige procedure ook bij de verdediging bekend zijn. Daarmee doet het Hof de in cassatie verder niet aantastbare feitelijke vaststelling dat de gebruikte bronnen ter terechtzitting ter sprake zijn gebracht. Dat is niet onbegrijpelijk nu de raadsvrouw zelf verwezen heeft naar niet nader gespecificeerde internetbronnen en overigens ook de advocaat-generaal internetbronnen1 ter sprake heeft gebracht.2

13. Het tweede lid van artikel 339 Sv bepaalt dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven. Een gegeven is van algemene bekendheid als ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden het gegeven te kennen of het zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen.3 De Hoge Raad lijkt in zijn arrest van 11 januari 2011 feiten die op internet te vinden zijn onder omstandigheden als feit van algemene bekendheid te accepteren. De Hoge Raad brengt hierbij onder andere als beperking aan dat het moet gaan om informatie die gericht, eenduidig en met autoriteit van de opsteller bevestigd vermeld wordt. De enkele omstandigheid dat een gegeven op het internet te lezen is, is onvoldoende om te kunnen spreken van een feit van algemene bekendheid; de geraadpleegde vermelding moet aan procedurele eisen voldoen. Deze eisen zijn van belang, aangezien het internet een haast onuitputtelijke bron van (soms tegenstrijdige) informatie is. Nu over deze (bijzondere) eisen in de toelichting op het middel niet wordt geklaagd en ook ter zitting van het Hof niet is getornd aan die eisen, meen ik dat er vanuit kan worden gegaan dat aan die eisen is voldaan. Ik voeg nog toe dat de zogenaamde bronjurisprudentie4 waarop in de toelichting een beroep wordt gedaan niet van toepassing is op feiten van algemene bekendheid.

14. Het middel faalt.

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte gedaan verzoek tot het horen van dr. G.A. van Uffelen als getuige.

16. Blijkens het hierboven onder 8 geciteerde proces-verbaal van de terechtzitting van 8 april 2014 heeft de raadsvrouw subsidiair verzocht om Van Uffelen als getuige te horen en daartoe aangevoerd dat er ook in Nederland veel producten voorkomen met Aloë vera als bestanddeel en dat het belangrijk is om over de onderhavige discussie duidelijkheid te verschaffen.

17. Het eerst ter terechtzitting in hoger beroep gedane subsidiaire verzoek tot het horen van Van Uffelen, is een verzoek op de voet van de in hoger beroep toepasselijke artikelen 328 en 331, eerste lid, in verbinding met artikel 315 lid, Sv. Het betreft een verzoek waaromtrent het Hof ingevolge artikel 330 jo 415 Sv op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet nemen.

18. Nu het Hof de verdachte niet heeft vrijgesproken, had het Hof een gemotiveerde beslissing moeten nemen op het subsidiair gedane verzoek. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op het verzoek tot het horen van Van Uffelen als getuige.

19. Ik zie niet in welk belang er is bij cassatie wegens de ontbrekende beslissing op het verzoek de getuige te horen. Het belang om Van Uffelen als getuige te horen ontbreekt om de volgende redenen:

- Mede in het licht van het hierboven onder 10 geciteerde e-mailverkeer valt niet in te zien dat Van Uffelen als getuige voor wat betreft het tenlastegelegde feit kan verklaren omtrent feiten en omstandigheden die ze zelf heeft waargenomen of ondervonden als bedoeld in art. 342, eerste lid, Sv;

- De voor het horen van Van Uffelen als getuige in feitelijke aanleg aangevoerde grond te weten dat dat er ook in Nederland veel producten voorkomen met Aloë vera als bestanddeel en dat het belangrijk is om in de onderhavige discussie duidelijkheid te verschaffen wordt in cassatie niet nader toegelicht. Onvoldoende duidelijk is welke betekenis het horen van de getuige kan hebben voor het beantwoorden van een van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Ik citeer HR 6 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2468, NJ 2015/417 m.nt. Schalken: “Van de verdediging kan in dergelijke gevallen worden gevergd dat zij - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - in de cassatieschriftuur toelicht welk belang zij heeft bij een klacht over de afwijzing van het verzoek die getuige te horen heeft geen enkele relevantie voor de beantwoording van de door het Hof te beantwoorden vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.”

De verdediging vraagt om een getuige en niet om een deskundige en ik ben geneigd de verdediging daaraan te houden. Voor zover desondanks het verzoek verstaan moet worden als een verzoek om een deskundige te horen zie ik evenmin bij het ontbreken van enige toelichting in de cassatieschriftuur enig belang.

20. Min of meer ten overvloede nog het volgende. Deze zaak betreft onder meer de vraag of Aloë capensis hetzelfde is als Aloë vera. Die vraag heeft verschillende facetten en het komt mij voor dat de verdediging dat hier onvoldoende voor ogen heeft gehad. Zo is er naast het plantkundige en medicinale (extract van de plant) facet de juridische kwalificatie. Het Hof heeft aandacht besteed aan het plantkundige verschil, maar zelfs wanneer de Aloë capensis en Aloë vera hetzelfde zijn in plantkundige en medicinale zin sluit zulks geenszins uit dat er in juridische zin gelet op de herkomst van verschillende continenten onderscheid moet worden gemaakt.

21. Nu verdachte onvoldoende belang heeft bij cassatie, behoeft het middel daartoe niet te leiden.

22. Nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, dient de verdachte overeenkomstig het bepaalde in art. 80a RO niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep te worden verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook hier geldt dat de bronnen in het proces-verbaal van de zitting niet nader zijn aangeduid. Anders dan de steller van het middel (schriftuur onder 21) zie ik niet in dat de verplichting bestaat om de vindplaats van dergelijke door de advocaat-generaal genoemde bronnen aan het procesdossier toe te voegen.

2 Als ik het goed zie gaat het uitsluitend om het gebruik door het Hof van (kort samengevat) de bron cites.org (PC20 WG8 Doc. 1-p.1), de bron kew.org (Kew Botanical Gardens) Die eerste bron wordt in ieder geval ook met zoveel woorden genoemd in de door de verdediging overgelegde mailwisseling en is dus door de verdediging zelf ter sprake gebracht. Voor zover in de toelichting op het middel (onder 6) tevens de toepasselijke EG Verordening wordt geschaard onder de niet besproken documenten miskent dit ‘ius curia novit’. Omdat de steller van het middel in het midden laat of de bron Monographs A van de European Pharmacopoea van de Raad van Europa eveneens via internet is geraadpleegd (er wordt geen internetadres vermeld) en zich in de toelichting beperkt tot de internetbronnen laat ik die bron verder buiten bespreking.

3 HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, m.nt. P.A.M. Mevis

4 HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes en HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers.