Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2713

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
15/01763
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:416, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94, 94a en 552a Sv. De beslissing tot gegrondverklaring van het beklag is ontoereikend gemotiveerd, nu de Rb met haar overweging dat het “thans voorliggende dossier (…) ten enenmale onvoldoende [is] om de aard en omvang van de tegen klager gerezen verdenking behoorlijk te kunnen beoordelen” niet de t.a.v. de onderscheiden beslagen aan te leggen maatstaf heeft toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01763 B

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 18 maart 2015 het klaagschrift gegrond verklaard, het beslag op enkele bankrekeningen en een onroerende zaak opgeheven en de teruggave aan klager gelast van enkele goederen, een en ander als in de beschikking vermeld.

2. De plaatsvervangend officier van justitie mr. M. van der Horst heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel keert zich tegen de motivering van de beslissing tot gegrondverklaring van het beklag.

3.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Maatstaf

Wat betreft de onder genoemde I-pad en de I-phone richt het beklag zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De rechtbank dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.

Wat betreft de overige onder 1 genoemde zaken richt het beklag zich tegen een beslag bedoeld in artikel 94a Sv. De rechtbank dient te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Feiten en omstandigheden

De rechter-commissaris heeft op 10 november 2014 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het handhaven van conservatoir beslag tot een bedrag van € 156.000,=.

Overwegingen

In het onderhavige geval is sprake van conservatoir beslag nu het Openbaar Ministerie met machtiging van de rechter-commissaris op 1 december 2014 de onder 1 genoemde roerende zaken in beslag heeft genomen als verhaalsobject voor een eventueel op te leggen geldboete of een bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 3 december 2014 is beslag gelegd op de onroerende zaak.

Artikel 94a Sv bepaalt, voor zover van belang, dat in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen in beslag genomen kunnen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete (eerste lid) dan wel naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (tweede lid).

Klager wordt naar zijn zeggen verdacht van overtreding van artikel 326 Sr en artikel 140 Sr. Voor beide delicten kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv draagt een summier karakter. Voor de beoordeling van het klaagschrift kan enkel worden uitgegaan van de zich in het dossier bevindende stukken. De officier van justitie heeft een proces-verbaal aanvraag machtiging leggen conservatoir beslag, een vordering machtiging conservatoir beslag met de verleende machtiging van de rechter-commissaris en een proces-verbaal van ambtshandeling inbeslagneming en teruggave verdachte [klager] , overgelegd.

Het thans voorliggende dossier is ten enenmale onvoldoende om de aard en omvang van de tegen klager gerezen verdenking behoorlijk te kunnen beoordelen. De rechtbank kan gelet daarop en op het onderzoek in raadkamer evenmin voldoende toetsen of aan de hiervoor vermelde criteria voor voortduring van het beslag is voldaan. Mede gelet op de data van beslaglegging en de belangen van klager bij teruggave ziet de rechtbank geen aanleiding om de officier van justitie de gelegenheid te geven om het dossier aan te vullen.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat de daarbij passende last dient te worden gegeven.”

3.3. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat het voorliggende dossier onvoldoende is om de aard en omvang van de tegen klager gerezen verdenking te kunnen beoordelen, onbegrijpelijk is.

3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich het “proces-verbaal voorgeleiding bewaring” van 3 december 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant] (proces-verbaalnummer PD14-10). De Rechtbank noemt dit proces-verbaal wel onder de door de officier van justitie overgelegde stukken, op p. 1 van haar beschikking, maar uit de vervolgens op p. 3 door de Rechtbank gehanteerde opsomming blijkt niet dat zij dit stuk in ogenschouw heeft genomen; zij heeft het kennelijk aldaar over het hoofd gezien. Het proces-verbaal houdt in dat klager wordt verdacht van oplichting en deelname aan een criminele organisatie. Het proces-verbaal bevat tevens een onderbouwing van het redelijk vermoeden van schuld jegens klager. Voorts bevindt zich in het dossier de “vordering machtiging conservatoir beslag” van 10 november 2014 en de daaraan gehechte machtiging van de rechter-commissaris. Uit de vordering volgt dat klager wordt verdacht van overtreding van de artt. 140 en 326 Sr.

3.5. Het oordeel van de Rechtbank dat het dossier onvoldoende is om de aard en de omvang van de tegen klager gerezen verdenking te beoordelen, is gelet op voornoemde stukken niet begrijpelijk. Het “proces-verbaal voorgeleiding bewaring” van 3 december 2014 houdt onder meer in dat uit opgenomen telecommunicatie in de periode van 6 februari tot en met 6 maart 2014 naar voren komt dat klager namens een [A]-vennootschap onder een valse naam ondernemers telefonisch benadert, dat hij vermoedelijk onjuiste en valse informatie aan deze ondernemers verstrekt om deze te bewegen tot het plaatsen van een handtekening op een bevestiging, waardoor deze ondernemers zonder dat hierover wilsovereenstemming tot stand is gekomen een betalingsverplichting krijgen voor een online-vermelding op een website. Het proces-verbaal houdt voorts in dat er een redelijk vermoeden is dat de benaderde ondernemers zijn opgelicht dan wel dat geprobeerd is deze ondernemers op te lichten en dat gezien de werkwijze, omvang en structuur wordt vermoed dat sprake is van een organisatie die het oplichten van ondernemers tot oogmerk heeft en dat klager wordt verdacht van deelname aan deze organisatie. Dat jegens klager ten tijde van de inbeslagneming en ten tijde van de beslissing van de Rechtbank een redelijk vermoeden van schuld bestond, kan uit de stukken aldus zonder meer worden afgeleid. In dit kader verdient overigens nog opmerking dat uit het “proces-verbaal voorgeleiding bewaring” volgt dat klager op 1 december 2014 is aangehouden voor onderzoek, dat hij op diezelfde dag in verzekering is gesteld en dat klager op 4 december 2014 is voorgeleid aan de rechter-commissaris

3.5. Het middel slaagt.

4.1. Het tweede middel keert zich eveneens tegen de motivering van de beslissing tot gegrondverklaring van het klaagschrift.

4.2. Het proces-verbaal van de zitting in raadkamer houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De raadsman deelt, zakelijk weergegeven, mee:

Desgevraagd zeg ik u dat het klaagschrift zich thans richt op de genoemde goederen: de Audi, twee bankrekeningen, onroerend goed en twee rekeningen bij ING-bank. Het klaagschrift wil ik graag aanvullen voor wat betreft de inbeslaggenomen douchecabine/hoekstoombad en de partij grijze tegels. Dat geldt ook voor de I-pad en de I-phone waar klassiek beslag op is gelegd.

Van de officier van justitie hoor ik graag de verdenking tegen cliënt. Wordt hij verdacht van oplichting? Cliënt was enkel in loondienst werkzaam en kreeg een gewoon salaris. Daarnaast zou ik graag willen weten wanneer het einddossier klaar is en voor welk bedrag het Openbaar Ministerie meent een vordering op cliënt te hebben. Ook zou ik graag willen weten waarom op een huis waar een volledige hypotheek op rust, beslag is gelegd.

De officier van justitie deelt, zakelijk weergegeven, mee:

In de strafzaak tegen klager ben ik niet de zaaksofficier. Dat is mr. H.M. Pluijmers van het Functioneel Parket. Voor de datum waarop het proces-verbaal verwacht kan worden, verwijs ik u naar hem.

Ter toelichting op het klaagschrift deelt de raadsman vervolgens, zakelijk weergegeven, mee:

Ik leg u een uitdraai van de betalingsachterstand van de hypotheek van cliënt over. In het civiele recht dient bij een beslaglegging binnen een bepaalde tijd actie te worden ondernomen. Cliënt is thans de beslagene en hij weet niet waar hij aan toe is. Hij is tevens verdachte in een strafzaak, maar hetgeen hem verweten wordt, is hem onbekend. Hij is in elk geval niet degene waar het geld naar toe is gegaan. De beslaglegging op grond van artikel 94 Sv begrijp ik in het kader van het onderzoek, maar nu er geen aanwijzingen zijn dat dat te maken heeft met de verdenking, dienen de goederen aan cliënt te worden teruggegeven. Dan rijst de vraag waar het beslag op grond van artikel 94a Sv op ziet. Ziet het op een ontnemingsvordering of op een boete? Er is beslag gelegd op de woning dat volledig is belast met hypotheek. Het beslag op de woning geeft nu al problemen bij de hypotheekverstrekker, terwijl bij uitwinning het eerste recht niet voor het Openbaar Ministerie is, maar voor de hypotheekverstrekker. Het beslag is enkel leedtoevoegend en dient beëindigd te worden. Wat betreft de overige zaken meen ik dat evenmin duidelijk is waar de vordering op is gestoeld.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Desgevraagd zeg ik u dat ik mij op het adres [adres] in januari 2015 heb ingeschreven; dat is bij mijn partner. De woning is nu nog niet klaar. Bij mijn werkgever deed ik acquisitiewerkzaamheden. Ik heb dat ongeveer vijf jaren gedaan. U, rechter, vraagt mij voor wie ik werkte. Op die vraag wil ik geen antwoord geven. Voor mijn werk kreeg ik mijn loon. Ik ontving het loon op de bankrekeningen. De FIOD heeft alles meegenomen. Als het nu een normale situatie was geweest, dan zou ik het wachtwoord nog wel weten, maar ik ben zomaar opgepakt en dan komt dit. Dan is het toch menselijk dat je iets vergeet. [betrokkene] is een kennis van mij. In 2010 was ik werkzoekend en ik had al eens gewerkt bij een callcenter. Via via kwam ik bij hem terecht. Ik had niet verwacht dat ik iets strafbaars had gedaan; volgens mij was het meer iets aansmeren. Van witwassen en belastingontduiking weet ik niets. Ik kreeg alleen salaris. Wat betreft het beslag op mijn rekening kan ik nog zeggen dat als het beslag van de woning gaat, ik nog een bouwdepot kan krijgen. Ik heb de woning voor € 87.000,- gekocht. Ik had geen eigen geld. Het bouwdepot bedraagt € 20.000,-. De financiering verliep via een vriend van mij.

De officier van justitie deelt, zakelijk weergegeven, mee:

Ik ben van mening dat het beslag op juiste gronden is gelegd. Er is sprake van een verdenking van een strafbaar feit waarbij verdachte een rol heeft gehad. Verdachte heeft terwijl hij dat wist onjuistheden verkocht aan klanten en nieuwe werknemers ingewerkt. Blijkens de tapgesprekken is sprake geweest van een modus operandi.

Ik meen dat gelet op het strafvorderlijk belang nog steeds de noodzaak bestaat om het beslag te handhaven. Aan de I-phone en I-pad dient onderzoek te worden gedaan en de mogelijkheid van een ontnemingsvordering of boete bestaat ook nog.

Aan de verklaring van klager dat hij nu zegt dat hij het wachtwoord wel wil geven, maar dat hij dat niet kan omdat hij die is vergeten, hecht ik geen waarde. Klager heeft vanaf het begin steeds gezegd dat hij het wachtwoord niet wilde geven. Zo lang is het allemaal nog niet geleden dat hij het wachtwoord is vergeten.

Voor het leggen van conservatoir beslag heeft de rechter-commissaris machtiging gegeven. De motivering is gegeven in de vordering. Ook hier geldt nog het strafvorderlijk belang bij voortduring. Ik hoor geen argumenten dat het beslag menselijkerwijs niet te vergen is. Ook acht ik niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechtbank te zijner tijd een verplichting tot schadevergoeding, een ontnemingsmaatregel of een boete zal opleggen. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard.

De raadsman deelt, zakelijk weergegeven, mee:

De rechter-commissaris heeft een machtiging gegeven voor beslaglegging tot een bedrag van € 156.000,- maar ik hoor de officier van justitie geen onderbouwing geven. Het beslag moet worden opgeheven.

De rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee dat de uitspraak over circa een week zal worden toegestuurd.”

4.3. De Rechtbank heeft overwogen dat mede gelet op de data van beslaglegging en de belangen van klager bij teruggave de Rechtbank geen aanleiding ziet om de officier van justitie de gelegenheid te geven om het dossier aan te vullen. Het middel behelst de klacht dat dit oordeel niet begrijpelijk is.

4.4. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de roerende zaken op 1 december 2014 en de onroerende zaak op 3 december 2014 in beslag zijn genomen. Klager heeft op 27 januari 2015 een klaagschrift ingediend en de behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden op 11 maart 2015. De bestreden beschikking dateert van 18 maart 2015. Er zijn dus ruim drie maanden gelegen tussen het moment van inbeslagname en de behandeling van het klaagschrift in raadkamer.

4.5. Zoals het middel terecht en met aanhaling van onder meer HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6930 als uitgangspunt hanteert dient de vraag of, en tot op welke hoogte, de Rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid moet stellen (nadere) stukken te overleggen in het teken te worden geplaatst van beginselen van een behoorlijke procesorde.1 Ik citeer – met instemming - mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan de genoemde beschikking van de Hoge Raad die stelt dat: “het enkele feit dat een beoordeling van het beklag op grond van de voorhanden stukken niet goed mogelijk is, geen reden oplevert om het beklag gegrond te verklaren. De onderzoekstaak van de beklagrechter brengt in een dergelijk geval mee dat hij zich aanvullend laat informeren, in het bijzonder door het geven van een bevel aan het openbaar ministerie om stukken over te leggen. Pas als dat geen resultaat heeft, komt er een moment waarop op grond van een afweging van belangen kan worden geoordeeld dat verder uitstel zich niet verdraagt met beginselen van een goede procesorde.” Welnu: blijkens het proces-verbaal van de zitting in raadkamer heeft de rechter de officier van justitie aldaar niet om meer informatie verzocht omtrent de verdenking die jegens klager bestond. Waarom de rechter die gelegenheid niet heeft aangegrepen, kan uit het proces-verbaal niet worden afgeleid, terwijl dit wel voor de hand had gelegen indien de rechter zich onvoldoende geïnformeerd achtte. De rechter heeft evenmin besloten de behandeling van het klaagschrift aan te houden zodat de officier van justitie relevante stukken zou kunnen overleggen. De Rechtbank heeft daarvan afgezien vanwege de data van de beslagleggingen en de belangen van klager. Dit oordeel acht ik, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk. Niet kan worden gezegd dat de tijd die is gelegen tussen het moment van inbeslagname en de behandeling van het klaagschrift in raadkamer disproportioneel lang is geweest, terwijl de tijdsduur voorts niet zonder meer aan het openbaar ministerie kan worden tegengeworpen. Bovendien kan uit de bestreden beschikking niet worden afgeleid op welke belangen van klager de Rechtbank doelt.

4.6. Het middel slaagt.

5. Het eerste en het tweede middel slagen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook HR 24 november 1998, LJN ZD1433.