Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2712

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-12-2015
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
15/01268
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:402, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Leerplichtwet (Lpw), uitleg tenlastelegging, kwalificatie bewezenverklaring. De door het Hof gegeven uitleg van de op art. 26.2 Lpw toegesneden tll is met haar bewoordingen niet onverenigbaar. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte niet over een startkwalificatie beschikte, heeft het Hof het bewezenverklaarde feit terecht gekwalificeerd als “als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen”. CAG: anders. Uitgebreide CAG over de leerplicht en kwalificatieplicht a.b.i. de Lpw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/89 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01268

Zitting: 22 december 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 26 februari 2015 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie.

  2. Mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificieerd als het “als kwalificatieplichtige jongere niet nakomen van de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs”. Subsidiair klaagt het middel over de verwerping door het hof van het onderbouwde verweer dat de verdachte vrijgesproken diende te worden.

  4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“zij in of omstreeks de periode van 05 september 2013 tot en met 24 april 2014 te Amsterdam, althans in Nederland als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten [A] (Svp) stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.”

5. Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 5 september 2013 tot en met 24 april 2014 te Amsterdam, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten [A] (Svo) stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.”

6. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekening heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

“Client wordt primair verdacht van overtreding van art. 2 lid 3 van de Leerplichtwet. Hierin is bepaald: “De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.”

In de tenlastelegging staat, dat “zij in of omstreeks de periode van 5 september 2013 tot en met 24 april 2014 te Amsterdam, althans in Nederland als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten [A] (Svo) stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken;”

Cliënte is op 26 september 2012 zestien jaar geworden. Art 3 lid 1 LPW bepaalt: “De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijfjaar bereikt, en eindigt:

a. aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de jongere ten minste twaalf volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht;

b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt”.

Op 5 september 2013 was het schooljaar waarin [verdachte] 16 jaar had bereikt, derhalve al geëindigd. Op 26 september 2013 is [verdachte] 17 jaar geworden. Het tenlastegelegde feit ziet op de tekst van artikel 2 van de Leerplichtwet, terwijl cliënte in die periode gelet op haar leeftijd niet meer leerplichtig, maar kwalificatieplichtig was. Aan cliënte is tenlastegelegd, dat zij in strijd heeft gehandeld met de leerplicht ex. Art. 2.3 LPW. Haar had ten laste moeten worden gelegd, dat zij in strijd heeft gehandeld met de kwalificatieplicht.

Art. 4 lid 1 LPW bepaalt: “De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken, dan wel een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:

a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en

b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 februari 2014, met nr.: ECLI:NL:GHARL:2014:1238, opgemerkt: “Opgemerkt wordt dat, ook al zou het proces-verbaal wel worden gebruikt voor het bewijs, het hof om een andere reden niet tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen. Het subsidiair tenlastegelegde feit ziet namelijk op de tekst van artikel 2 van de Leerplichtwet, terwijl de dochter van verdachte in die periode gelet op haar leeftijd niet meer leerplichtig, maar kwalificatieplichtig was.”

Indien het Hof Arnhem Leeuwarden hierin gevolgd wordt, dan dien je dus een kwalificatieplichtige leerling tenlaste te leggen dat zij in strijd met de kwalificatieplicht heeft gehandeld en kun je niet volstaan met het tenlasteleggen van strijd met art. 2 van de Leerplichtwet. Gelet hierop is de raadsman van mening, dat verdachte [verdachte] in strijd met de kwalificatieplicht heeft gehandeld. Nu dit niet is tenlastegelegd, ben ik van mening, dat [verdachte] primair dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde feit.”

7. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van dit verweer het volgende in:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kort samengevat - de volgende verweren gevoerd. De raadsman stelt zich allereerst op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Blijkens het artikel vermeld onder de tenlastelegging (artikel 2 lid 3 van de Leerplichtwet) alsmede blijkens de tekst van de tenlastelegging wordt verdachte verweten in strijd te hebben gehandeld met de leerplicht. Verdachte was echter kwalificatieplichtig en niet leerplichtig en dient derhalve te worden vrijgesproken.

(…)

Wat betreft het verweer van de raadsman dat de kwalificatieplicht niet ten laste is gelegd en dientengevolge vrijspraak behoort te volgen overweegt het hof als volgt. De tenlastelegging is niet uitsluitend toegespitst op het niet voldoen aan de leerplicht dan wel de kwalificatieplicht maar op het niet voldoen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Leerplichtwet. Daaronder valt derhalve mede de kwalificatieplicht. Het artikellid onder de tenlastelegging is daarbij niet richtinggevend voor de kwalificatie van het feit indien bewezen verklaard.

(…)

Het hof verwerpt mitsdien alle verweren.”

8. Zoals hiervoor reeds onder 1 weergegeven, heeft het hof deze bewezenverklaring gekwalificeerd als “als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen”. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “toepasselijke wettelijke voorschriften” het volgende in:

“De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.”

9. Ik merk op dat de steller van het middel niet klaagt – en dat evenmin bij het hof heeft gedaan – dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk of anderszins onduidelijk is en dat op die grond art. 261 Sv is geschonden. Op die kwestie ga ik in cassatie dan ook niet in.

10. Voordat ik de vraag bespreek die het middel opwerpt, namelijk of het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit gekwalificeerd kan worden zoals het hof heeft gedaan, zal ik de voor de onderhavige zaak relevante artikelen van de Leerplichtwet 1969 (hierna: LPW) weergeven, inclusief de paragraaf waarin ze zijn opgenomen in de LPW.

Ҥ 1. Algemene bepalingen

Art. 1

Deze wet verstaat onder:

f. "startkwalificatie": een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0002399) onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs (http://wetten.overheid.nl/BWBR0002399).

Art. 1b

Indien een leerplichtige jongere of een jongere die kwalificatieplichtig is meerderjarig is rusten de verplichtingen en bevoegdheden die in deze wet zijn toebedeeld aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen op de jongere zelf.

§ 2. Leerplicht

Art. 2

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.

2. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.

3. De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.

4. Tot het tijdstip, bedoeld in artikel XIa, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, van de wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 681), kan, in afwijking van de tweede volzin van het eerste lid, inschrijving van een jongere als leerling van een school plaatsvinden zonder overlegging van het onderwijsnummer en, indien de in het eerste lid bedoelde personen aannemelijk maken dat zij geen burgerservicenummer van de jongere kunnen overleggen, eveneens zonder overlegging van het burgerservicenummer. Tot dat tijdstip is de derde volzin van het eerste lid uitsluitend van toepassing met betrekking tot het burgerservicenummer.

5. Het eerste lid, tweede en derde volzin, en het vierde lid zijn ten aanzien van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs van toepassing met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, artikel II, onderscheidenlijk artikel III, van de wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 681).

Art. 3

1.De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt, en eindigt:

a. aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de jongere ten minste twaalf volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht;

b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

2.Een jongere die een basisschool in minder dan acht schooljaren heeft doorlopen, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder a geacht reeds acht schooljaren een school te hebben bezocht.

Art. 4

1.De verplichting om te zorgen, dat een jongere de school waar hij als leerling staat ingeschreven, geregeld bezoekt, begint op de dag waarop hij na inschrijving op die school kan plaats nemen, en eindigt tegelijk met de verplichting om te zorgen, dat hij als leerling van een school staat ingeschreven.

2.Het schoolbezoek vindt geregeld plaats, zolang geen les of praktijktijd wordt verzuimd.

§ 2a. Kwalificatieplicht

Artikel 4a

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken, een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 58a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:

a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en

b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.

2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van jongeren die in het bezit zijn van een getuigschrift of een schooldiploma praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 29a van de Wet op het voortgezet onderwijs en jongeren die voortgezet speciaal onderwijs in het uitstroomprofiel, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b dan wel onderdeel c, van de Wet op de expertisecentra hebben gevolgd.

3. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.

4. Als de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaats vindt aan een andere school of instelling dan daarvoor door de jongere werd bezocht, wordt bij de inschrijving een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school of instelling overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Als de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.

5. Tot het tijdstip, bedoeld in artikel XIa, vijfde lid, van de wet van 6 december 2001, Stb. 681, tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs, kan, in afwijking van de eerste volzin van het vierde lid, inschrijving van een jongere als deelnemer aan een instelling plaatsvinden zonder overlegging van het onderwijsnummer en, indien de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen aannemelijk maken dat zij geen burgerservicenummer van de jongere kunnen overleggen, eveneens zonder overlegging van het burgerservicenummer. Tot dat tijdstip is de tweede volzin van het vierde lid uitsluitend van toepassing met betrekking tot het burgerservicenummer.

6. Het vierde en vijfde lid zijn van toepassing met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV van de wet van 6 december 2001, Stb. 681, tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs.

Artikel 4b.

De verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, vangt aan direct na het einde van de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet, en eindigt zodra de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt of een startkwalificatie heeft behaald.

Artikel 4c.

1. De jongere die als leerling of deelnemer van een school of instelling staat ingeschreven op grond van artikel 4a, eerste lid, is verplicht het volledige onderwijsprogramma, het volledige programma van de combinatie leren en werken, het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, respectievelijk het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 58a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te volgen dat door die school of instelling wordt aangeboden.

2. De jongere voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, om de school of instelling na inschrijving geregeld te bezoeken, zolang hij geen les of praktijktijd verzuimt anders dan op een van de gronden, bedoeld in artikel 11.

§ 5. Sanctiebepalingen

Artikel 26.

1.De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die de in artikel 2, eerste lid, of artikel 4a opgelegde verplichtingen niet nakomen, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

2.De leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt of de jongere die kwalificatieplichtig is, die de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomt, wordt gestraft met een hoofdstraf als genoemd in artikel 77h, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat de geldboete een geldboete van de tweede categorie is.

11. Op 1 augustus 2007 is paragraaf 2a betreffende de kwalificatieplicht ingevoerd in de LPW. De kwalificatieplicht betreft de verplichting om een minimumstartkwalificatie te behalen. Deze verplichting is in de plaats gekomen van de partiële leerplicht. De kwalificatieplicht, die geldt tot de 18e verjaardag of tot het moment dat de jongere een startkwalificatie heeft, is ingevoerd om de schooluitval van minderjarige zestien- en zeventienjarige jongeren tegen te gaan. Het doel van de kwalificatieplicht is om zoveel mogelijk jongeren naar een startkwalificatie te leiden.1 De structuur en opbouw van de Leerplichtwet kan als volgt kort worden samengevat. Paragraaf 1 bevat algemene bepalingen. Paragraaf 2 betreft de leerplicht. Paragraaf 2a betreft de kwalificatieplicht. Paragraaf 3 betreft vrijstellingen en paragraaf 4 ten slotte betreft toezicht op de naleving van de wet. De in paragraaf 2 opgenomen leerplicht en de in paragraaf 3 opgenomen kwalificatieplicht liggen in elkaars verlengde. De kwalificatieplicht is echter op een drietal punten wezenlijk anders dan de volledige leerplicht2:

“• De volledige leerplicht en de kwalificatieplicht zijn van toepassing op twee verschillende doelgroepen. Terwijl de volledige leerplicht geldt voor alle jongeren tot het einde van het schooljaar waarin zij 16 zijn geworden, is de kwalificatieplicht van toepassing op 16–18 jarigen die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

• De volledige leerplicht heeft tot doel de voltijdse onderwijsdeelname van alle jongeren tot het einde van het schooljaar waarin zij 16 worden. Aan de volledige leerplicht is geen einddoel verbonden. Het doel van de kwalificatieplicht is dat zoveel mogelijk jongeren het onderwijs verlaten met een startkwalificatie.

• Ook de wijze waarop een jongere de volledige leerplicht dan wel de kwalificatieplicht kan vervullen, verschilt. De volledige leerplicht kan alleen vervuld worden met het volgen van volledig dagonderwijs. De kwalificatieplicht kan vervuld worden door volledig dagonderwijs te volgen maar ook met combinaties van leren en werken, zoals de beroepsbegeleidende leerweg in het mbo.”

Dat de wetgever de kwalificatieplicht duidelijk heeft willen onderscheiden van de leerplicht komt ten slotte tot uitdrukking in de sanctiebepaling van art. 26, tweede lid, LPW, waarin wordt gesproken over “de leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt of de jongere die kwalificatieplichtig is”.

12. Art. 2 LPW, dat de leerplicht betreft, lijkt qua opbouw enigszins op art. 4a LPW, dat de kwalificatieplicht betreft. In de eerste artikelleden van beide artikelen wordt degene die het gezag over een jongere uitoefent dan wel degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast – kort gezegd – verplicht om ervoor te zorgen dat de jongere is ingeschreven bij een school of andere onderwijsinstelling en dat deze jongere deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt. Het tweede lid van art. 2 LPW, waarin is bepaald dat de verplichtingen uit het eerste lid niet gelden voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht, is ex. art. 4a, derde lid, LPW eveneens van toepassing ten aanzien van de verplichtingen bedoeld in art. 4a, eerste lid, LPW. De artikelen verschillen (voor zover hier van belang) in de verplichtingen ten aanzien van de jongere zelf. Art. 2, derde lid LPW bepaalt dat de jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, verplicht is overeenkomstig de bepalingen van de LPW de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken. Een dergelijke, op de jongere zelf gerichte bepaling bevat art. 4a LPW echter niet. Art. 4c LPW regelt blijkens het opschrift “de invulling van de verplichting tot geregeld schoolbezoek”. De verplichting zélf is kennelijk elders geregeld. Dat kan ook uit de bewoordingen van dat artikel worden afgeleid. Uit het tweede lid blijkt namelijk dat in art. 4a LPW – behalve voor de gezagdrager respectievelijk verzorger - tevens een verplichting voor de jongere is neergelegd om de school of instelling na inschrijving geregeld te bezoeken. In het tweede lid wordt immers gesproken over “de verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, om de school of instelling na inschrijving geregeld te bezoeken”. Ik zie deze verplichting echter niet terug in art. 4a, eerste lid, LPW. Hier lijkt een hiaat in de wetgeving te zitten.

13. Op grond van art. 1b LPW rusten de verplichtingen en bevoegdheden die in deze wet zijn toebedeeld aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde gezagdrager of verzorger, op de meerderjarige leerplichtige jongere of de meerderjarige jongere die kwalificatieplichtig is zelf. Uit dit artikel kan niet worden afgeleid dat ook jongeren vanaf 18 jaar onder de verplichtingen van de LPW kunnen vallen. Uit de wetsgeschiedenis leid ik namelijk af dat de meerderjarigheid in art. 1b - met name – ziet op jongeren in de leerplichtige leeftijd die door een huwelijk meerderjarig worden.3

14. Uit het voorgaande volgt dat a) de wetgever gelet op de structuur en de inhoud van de LPW een duidelijk onderscheid heeft willen maken tussen leerplichtige jongeren en kwalificatieplichtige jongeren, b) de kwalificatieplicht van toepassing is op 16–18 jarigen die nog geen startkwalificatie hebben behaald en de kwalificatieplicht derhalve – anders dan de leerplicht - niet (alleen) leeftijd-gebonden is en c) een kwalificatieplichtige jongere – kennelijk - op grond van art. 4a, eerste lid, LPW verplicht is om de school of instelling na inschrijving geregeld te bezoeken.

15. Gelet daarop meen ik dat een tenlastelegging als in de onderhavige zaak, waarin gezien de bewoordingen daarvan aansluiting is gezocht bij art. 2, derde lid, LPW, niet ziet of kan zien op de verplichtingen die een kwalificatieplichtige jongere op grond van de LPW heeft. Dat geldt uiteraard ook voor de bewezenverklaring in de onderhavige zaak, nu deze gegrond is op de tenlastelegging. Het oordeel van het hof “dat de tenlastelegging niet uitsluitend is toegespitst op het niet voldoen aan de leerplicht dan wel de kwalificatieplicht maar op het niet voldoen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Leerplichtwet, waaronder mede de kwalificatieplicht valt” acht ik dan ook getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee heeft het hof het verweer inhoudende dat de verdachte moet worden vrijgesproken nu zij kwalificatieplichtig was en niet leerplichtig en het niet voldoen aan de verplichtingen ingevolge de kwalificatieplicht niet ten laste is gelegd, ontoereikend gemotiveerd verworpen.

16. Ook het oordeel van het hof dat het op grondslag van de tenlastelegging bewezenverklaarde feit gekwalificeerd kan worden als “als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen”, is onjuist.

17. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. De Hoge Raad zou de onjuiste kwalificatiebeslissing in cassatie zelf kunnen herstellen4 ware het niet dat het middel eveneens terecht is voorgesteld voor zover het klaagt over de verwerping door het hof van het vrijspraakverweer. Daarom meen ik dat de Hoge Raad de zaak dient te vernietigen en terug te wijzen naar het hof.

18. Ten overvloede merk ik het volgende op. Uit jurisprudentie met betrekking tot de kwalificatieplicht blijkt dat het openbaar ministerie niet consequent is wat betreft de wijze waarop overtreding van de kwalificatieplicht wordt tenlastegelegd. Dat zegt wellicht iets over de onduidelijkheid van de strafbaarstelling in de LPW. Wel blijkt uit dit overzicht dat het onderscheid tussen de leerplicht en de kwalificatieplicht steeds in de tenlastelegging en bewezenverklaring tot uitdrukking wordt gebracht, hetgeen de stelling ondersteunt dat het gaat om twee afzonderlijke strafbare feiten die ook tot een afzonderlijke kwalificatie leiden.

Ik wijs allereerst op het arrest van het hof Amsterdam van 17 oktober 2013,5 Bij inleidende dagvaarding was aan de verdachte tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de periode van 2 november 2012 tot en met 25 februari 2013 te Haarlem, als jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten [B] was ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken zulks terwijl ten aanzien van verdachte de (volledige) leerplicht, als bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 was geëindigd en - hij geen startkwalificatie, als bedoeld in paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, had behaald.”6

Zie verder het vonnis van de rechtbank Utrecht van 12 juli 2011.7 Ten laste van de verdachte was bewezenverklaard dat hij:

“in de periode van 11 oktober 2010 tot en met 7 december 2010 te Utrecht, meermalen, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat hij, die als leerling van een instelling, te weten " [C] " was ingeschreven op grond van artikel 4a eerste lid van genoemde wet, die instelling na inschrijving geregeld bezocht, terwijl ten aanzien van hem de leerplicht, als bedoeld in paragraaf 2 van genoemde wet, was geëindigd en die jongere geen volledig dagonderwijs volgde en die jongere nog geen startkwalificatie heeft behaald.”

Zie voorts het vonnis van de rechtbank Utrecht van 24 november 2009.8 Ten laste van de verdachte was overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat hij:

“in de periode van 13 november 2008 tot en met 27 februari 2009 te Utrecht, meermalen, terwijl hij, verdachte, kwalificatieplichtig is, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat hij, terwijl hij als leerling van een school, te weten [bedrijf 1] was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht.”

Ten slotte wijs ik het arrest van het hof Leeuwarden van 6 september 2011.9 Aan de verdachte was tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 06 september 2010 tot 02 december 2010 te [plaats] (telkens) als jongere die als leerling of deelnemer van een school of instelling, te weten het [school], staat ingeschreven op grond van artikel 4a, eerste lid (Leerplichtwet 1969), niet heeft voldaan aan de verplichting het volledige onderwijsprogramma en/of het volledige programma van de combinatie leren en werken te volgen, dat door die school of instelling wordt aangeboden.”

19. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien er geen rechtens te respecteren belang meer is bij het vervolgen van de verdachte.

20. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekening heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

“Subsidiair ben ik van mening, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er geen sprake meer is van een rechtens te respecteren belang bij het vervolgen van cliënte. Cliënte is op 26 september 2014 18 jaar geworden. Zij is inmiddels niet meer leerplichtig en ook niet meer kwalificatieplichtig. Cliënte werkt thans voltijd. Een onvoorwaardelijke, maar ook een voorwaardelijke straf wegens schending van de Leerplichtwet dient thans enkel geen rechtens te respecteren belang meer. Er is immers geen sprake meer van een dreiging dat cliënte in de toekomst de Leerplichtwet zal overtreden. Een straf heeft geen nut en zal er alleen maar voor zorgen, dat de arbeids-carrière waarin cliënte zich thans bevind belemmerd wordt.”

21. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Subsidiair pleit de raadsman voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, daar er geen rechtens te respecteren belang meer is bij het vervolgen van de verdachte. Zij is inmiddels 18 jaar en dus niet meer kwalificatieplichtig.

(…)

Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer overweegt het hof dat het enkele feit dat de verdachte inmiddels 18 jaar is geworden, niet met zich meebrengt dat er geen rechtens te respecteren belang bij vervolging meer is.”

22. Het verweer veronderstelt dat vervolging van een verdachte alleen van belang is ter preventie van het plegen van nieuwe, vergelijkbare strafbare feiten. Het behoeft geen betoog dat er ook andere redenen zijn om tot vervolging en bestraffing over te gaan. Reeds daarom getuigt de verwerping van het verweer door het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ten overvloede merk ik op dat slechts indien de vervolging in strijd is met beginselen van een goede procesorde — waaromtrent in feitelijke aanleg niets is aangevoerd of vastgesteld — er sprake kan zijn van een verval van het recht tot strafvordering en een door de rechter uit te spreken niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Krachtens het opportuniteitsbeginsel van art. 167, tweede lid, Sv komt aan de officier van justitie – en dus niet aan de rechter - de bevoegdheid toe het algemeen belang van de strafvervolging af te wegen tegen het particuliere belang om niet getroffen te worden door een vervolging of door de manier waarop vervolgd wordt.10

23. Het middel faalt.

24. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II, 2006-2007, 30 901, nr. 3, p. 1 en 7.

2 Kamerstukken II, 2006-2007, 30 901, nr. 3, p. 6.

3 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 900, nr. 3, p. 4,5, 14 en 20.

4 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 303.

5 ECLI:NL:GHAMS:2013:3420. De uitspraak is niet beschikbaar op rechtspraak.nl. De relevante onderdelen van de uitspraak kunnen echter gevonden worden in het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2432.

6 Van een vergelijkbare tenlastelegging was sprake in het vonnis van de rechtbank Haarlem van 6 oktober 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BU5111.

7 ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3018.

8 ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4613.

9 ECLI:NL:GHLEE:2011:BT2044.

10 Vgl. HR 21 januari 1986, NJ 1987/663 en Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 252.