Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2710

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-12-2015
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
15/03651
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:383, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 7 WOTS, Ne bis in idem. De Rb heeft vastgesteld dat veroordeelde in NL bij rechterlijke beslissing is vrijgesproken t.z.v. witwassen van € 402.340,-. De Rb heeft voorts vastgesteld dat veroordeelde daarvan ook in Italië bij rechterlijke beslissing is vrijgesproken, dat hij bij diezelfde beslissing is veroordeeld t.z.v. deelname aan een crim. org. en t.z.v. internationale handel in en bezit van cocaïne, en dat de verbeurdverklaring - gelet op de overwegingen in de Italiaanse beslissing - onmiskenbaar ziet op geld dat door veroordeelde is verdiend met zijn deelname aan de crim. org. Deze vaststellingen van de Rb zijn niet onbegrijpelijk. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van de Rb dat art. 7 WOTS niet aan de tul in NL van de bij de Italiaanse beslissing opgelegde sanctie in de weg staat, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. V.zv. het middel klaagt over het oordeel van de Rb dat het aan veroordeelde verweten witwassen, waarvan hij is vrijgesproken, en het deelnemen aan een crim. org., waarvoor hij is veroordeeld, niet hetzelfde feit oplevert in de zin van art. 7 WOTS en art. 68 Sr zodat de tul in NL van de in Italië opgelegde sanctie niet in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dat in die bepalingen is verwoord, faalt het eveneens. Reeds het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken is dermate groot dat geen sprake is van 'hetzelfde' feit in voormelde zin. Het oordeel van de Rb geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel voor het overige: art. 81.1 RO. Op gronden als vermeld in conclusie AG is het in de schriftuur vervatte verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU niet voor inwilligging vatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03651 W

Zitting: 22 december 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[veroordeelde]

  1. De Rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 2 juli 2015 verlof tot tenuitvoerlegging verleend van de beslissing van 15 november 2013 van het Hof van Beroep van Reggio Calabria (Italië) voor zover dit betreft de confiscatie van de onder veroordeelde inbeslaggenomen € 402.340,-. De rechtbank heeft dat geldbedrag verbeurd verklaard en vermeerderd met de opgebouwde rente tot 2 juli 2015.

  2. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft namens veroordeelde één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt met een aantal klachten op tegen de verwerping van het verweer dat tenuitvoerlegging van genoemde beslissing van het Hof van Beroep van Reggio Calabria in strijd is met het ‘ne bis in idem’-beginsel als bedoeld in art. 7 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) en art. 68 Sr.

  4. De bestreden uitspraak houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Procesgang

Op 26 mei 2004 is de veroordeelde in Amsterdam aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 2 jo. artikel 10 van de Opiumwet. Bij de veroordeelde is daarbij een geldbedrag van € 402.340,-- aangetroffen en in beslag genomen. Bij vonnis van 25 november 2004 heeft de rechtbank Amsterdam de veroordeelde vrijgesproken van het witwassen van het bij hem aangetroffen geldbedrag en is de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag gelast.

Op 29 oktober 2008 is de veroordeelde door de rechtbank van Reggio Calabria veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar wegens deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk internationale drugshandel en voor internationale handel in en het bezit van cocaïne. Bij hetzelfde vonnis is de veroordeelde vrijgesproken terzake van het witwassen van het in Nederland aangetroffen geldbedrag. Het Hof van Beroep van Reggio Calabria heeft het vonnis op 21 juli 2010 bekrachtigd.

Bij beslissing van 13 juli 2009 heeft de rechtbank van Reggio Calabria een bevel tot (conservatoire) inbeslagname van het zich in Nederland bevindende bedrag gegeven, zulks op de voet van de Italiaanse Wet 575/1965. De substituut-officier van justitie bij die rechtbank heeft de Nederlandse autoriteiten bij rechtshulpverzoek van 16 juli 2009 verzocht de beslissing van 13 juli 2009 ten uitvoer te leggen. Ter uitvoering van dat verzoek heeft de officier van justitie bij het Landelijk Parket op 30 september 2009 - na daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris - conservatoir beslag gelegd op het geldbedrag. Tegen dit beslag heeft de veroordeelde een klaagschrift ingediend, dat op 3 mei 2012 door de rechtbank Rotterdam ongegrond is verklaard. Bij arrest van 3 september 2013 heeft de Hoge Raad het beroep van de veroordeelde tegen de beschikking van de rechtbank ongegrond verklaard.

Op 25 februari 2010 heeft de rechtbank van Reggio Calabria de confiscatie bevolen van de zich in Nederland bevindende, eerder onder de verdachte inbeslaggenomen € 402.340,--.

Bij beslissing van 15 november 2013, welke op 20 februari 2014 onherroepelijk is geworden, heeft het Hof van Beroep van Reggio Calabria het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 12 januari 2015, ter griffie ontvangen op 12 juni 2015, gevorderd dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van de door het Hof van Beroep van Reggio Calabria opgelegde confiscatie van de in Nederland bevindende € 402.340,--, ter zitting vermeerderd met de opgebouwde rente tot 2 juli 2015.

(…)

Ne bis in idem

Vastgesteld wordt dat de veroordeelde op 25 november 2004 door de rechtbank Amsterdam is vrijgesproken van het witwassen van de bij hem aangetroffen € 402.340,-. Op 29 oktober 2008 is de veroordeelde door de rechtbank van Reggio Calabria veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk internationale drugshandel en voor internationale handel in en het bezit van cocaïne. Bij ditzelfde vonnis is de veroordeelde vrijgesproken terzake van het witwassen van de in Nederland aangetroffen € 402.340,—. Het Hof van Beroep van Reggio Calabria heeft het vonnis van de rechtbank op 21 juli 2010 bekrachtigd. Op 15 november 2013 heeft het Hof van Beroep van Reggio Calabria de door de rechtbank opgelegde confiscatie (de rechtbank begrijpt: de verbeurdverklaring) van de € 402.340,— bekrachtigd. Op basis van de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat met ‘confiscatie’ een verbeurdverklaring wordt bedoeld, zulks temeer daar noch in het voornoemde Italiaanse vonnis, noch in de overige stukken aan de vaststelling van dit bedrag enige berekening ten grondslag is gelegd, gelijk dit bij wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde is.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van schending van artikel 7 WOTS of artikel 68 Sr. De veroordeelde is in Nederland vrijgesproken van witwassen, maar hij is in Italië veroordeeld terzake van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk internationale drugshandel en terzake van internationale handel in en het bezit van cocaïne. Niet gesteld kan worden dat dit dezelfde feiten betreffen in de zin van artikel 68 Sr.

Voorts is alleen in Italië de “confiscatie” - welke de rechtbank verstaat als verbeurdverklaring zulks mede gezien de inhoud van art 33a Sr - uitgesproken van de onder de verdachte aangetroffen € 402.340,-. Gelet op de beslissing van het Hof van Beroep van Reggio Calabria, ziet deze verbeurdverklaring onmiskenbaar op geld dat door de verdachte is verdiend door zijn deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank verwijst in dit verband (onder andere) naar de volgende overweging in de voormelde beslissing:

‘De onderzoeken hebben aangetoond dat, hoewel [veroordeelde] de eigenaar van de firma [A] was, hij die bedragen nooit kunnen had sparen met zijn verdiensten. Men moet nog benadrukken dat die som in beslag werd genomen terwijl de criminele activiteiten van de vereniging waaraan [veroordeelde] behoorde aktief waren; dat de inbeslagname in Nederland is opgetreden, namelijk in één van de gebieden waarop die vereniging de drugs inkoopt.

(...) De detentie van de som werd vastgesteld in Nederland, in het land waar de vereniging de drug aankoopt ’

Zowel in materiële, als in formele zin is dan ook geen sprake van schending van artikel 68 Sr of artikel 7 WOTS, waarbij eveneens wordt overwogen dat de verbeurdverklaring is uitgesproken in Italië en daarvan executie wordt verlangd in Nederland, hetgeen niet een dubbele vervolging in de zin van voornoemde artikelen oplevert. De verweren van de raadsvrouw worden dan ook verworpen.

Gelet op het vorenstaande kan de raadsvrouw evenmin worden gevolgd in haar stelling dat sprake is van schending van de artikelen 47 en 48 van het EU Handvest en artikel 6, tweede lid van het EVRM.

Ten slotte ziet de rechtbank, gezien de hiervoor gegeven beoordeling van de door de raadsvrouw gevoerde verweren, geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.”

5. Art. 7 WOTS houdt in:

“1. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet worden ten uitvoer ge-legd voor zover de veroordeelde ter zake van het zelfde feit in Nederland wordt vervolgd.

2. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in Nederland evenmin worden ten uitvoer gelegd voor zover een vervolging in Nederland onverenigbaar zou zijn met het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel.”

6. Art. 7 tweede lid WOTS houdt kortgezegd in dat overname van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde straf ontoelaatbaar is als de veroordeelde in Nederland ter zake van hetzelfde feit reeds is vervolgd geweest en daarvan is vrijgesproken, ontslagen van alle rechtsvervolging of veroordeeld. De strekking van die bepaling is te voorkomen dat de tenuitvoerlegging wordt overgenomen van een zaak die buiten de staat van veroordeling reeds wordt of is afgedaan. De ratio van het ‘ne bis in idem’ beginsel is enerzijds gelegen in het algemeen staatsbelang dat aan een eens gegeven onherroepelijk oordeel van de rechter niet getornd wordt en anderzijds het belang van het individu op rust en zekerheid dat een vervolging tot een einde is gekomen.1 Voor het antwoord op de vraag wanneer kan worden gesproken van hetzelfde feit, wordt aangeknoopt bij de criteria die in de Nederlandse rechtspraak over artikel 68 Sr zijn ontwikkeld, zoals de overeenkomst in juridische aard van de verweten feiten als de overeenkomst tussen de omschreven gedragingen.2 Art. 7 tweede lid WOTS stelt een voorgenomen tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis op één lijn met een dubbele vervolging in Nederland (als bedoeld in art. 68 Sr), of een vervolging in Nederland, nadat de zaak in het buitenland reeds onherroepelijk is afgedaan (art. 68, tweede en derde lid Sr). Beoogd is te voorkomen dat Nederland de tenuitvoerlegging overneemt van een vonnis dat is gewezen naar aanleiding van een feit waarvoor in een eerder stadium in Nederland (of in een derde staat) al een strafvervolging heeft plaatsgevonden, aldus Melai/ Groenhuijsen.3

7. Als ik de toelichting op het middel goed begrijp wordt in de eerste plaats geklaagd over het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat er een verband is tussen het onder de veroordeelde aangetroffen geldbedrag en de door de Italiaanse rechter ten laste van veroordeelde bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie die zich (kortgezegd) bezighoudt met internationale drugshandel. Dat oordeel en het daarop gebaseerde oordeel dat geen sprake is van schending van art. 68 Sr of art. 7 WOTS zouden onbegrijpelijk zijn nu de rechtbank heeft miskend dat de Nederlandse rechter (bij de rechtbank Amsterdam) bij de eerdere vrijspraak van veroordeelde wegens het witwassen van genoemd bedrag, dat verband nu juist niet aanwezig heeft geoordeeld.

8. Deze klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank Amsterdam heeft in zijn vonnis van 25 november 2008 ter motivering van bedoelde vrijspraak namelijk niet overwogen dat genoemd verband niet aanwezig was. Zij heeft enkel overwogen dat niet met voldoende zekerheid een oordeel kan worden gegeven over de herkomst van het bij veroordeelde aangetroffen geldbedrag en dat (dus) geen voor bewezenverklaring van witwassen noodzakelijke verbinding kan worden gelegd tussen het bij veroordeelde aangetroffen geldbedrag en enig misdrijf waaruit dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zou zijn.4

9. Daarnaast wordt geklaagd over de overweging van de rechtbank “dat de verbeurdverklaring is uitgesproken in Italië en daarvan executie wordt verlangd in Nederland, hetgeen niet een dubbele vervolging in de zin van voornoemde artikelen oplevert”. Die klacht is terecht voorgesteld. De rechtbank overweegt weliswaar op zich zelf terecht dat de tenuitvoerlegging in Nederland van een in Italië opgelegde (bijkomende) straf als de verbeurdverklaring geen dubbele vervolging is in de zin van art. 68 Sr of art. 7 WOTS oplevert. De rechtbank miskent echter dat het door de verdediging gevoerde verweer niet ziet op het feit dat tenuitvoerlegging is toegestaan van een in Italië opgelegde straf, maar op het feit dat die straf is opgelegd ten aanzien van een feit waarover de Nederlandse rechter eerder heeft geoordeeld. Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden. De overwegingen van de rechtbank houden immers in dat de verbeurdverklaring onmiskenbaar betrekking heeft op geld dat door de veroordeelde is verdiend door zijn deelname aan de criminele organisatie en dat zowel in materiële als in formele zin dan ook geen sprake is van schending van art. 68 of art. 7 WOTS. Gelet daarop vat ik de gewraakte overweging op als een overweging ten overvloede waarop de bestreden beslissing niet rust en kan de klacht buiten bespreking blijven.

10. De klacht dat de in art. 6 tweede lid EVRM neergelegde onschuldpresumptie is geschonden nu de verlofverlening en verbeurdverklaring leiden tot de vaststelling van schuld van de veroordeelde aan een strafbaar feit waarvoor hij eerder is vrijgesproken, faalt eveneens. De Italiaanse rechter heeft veroordeelde veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie die zich (kortgezegd) bezighoudt met internationale drugshandel en op grond daarvan de ‘confiscatie’ bevolen van het onder veroordeelde inbeslaggenomen bedrag. Daaruit heeft de rechtbank Rotterdam kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het verzoek om verlofverlening en verbeurdverklaring betrekking heeft op geld dat door de veroordeelde is verdiend door zijn deelname aan de criminele organisatie waarvoor veroordeelde wel degelijk is veroordeeld.

11. Ook de klacht dat het witwassen waarvan veroordeelde is vrijgesproken en de deelname aan de criminele organisatie waarvoor hij is veroordeeld, moeten worden aangemerkt als hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr en/of art. 7 tweede lid WOTS en dat op grond daarvan die verlofverlening voor de tenuitvoerlegging en de verbeurdverklaring hetzelfde feit betreffen als waarvoor veroordeelde eerder is vrijgesproken, kan niet slagen. Het andersluidende oordeel van de rechbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De onderscheiden strafbaarstellingen – witwassen en deelname aan een criminele organisatie – beschermen verschillende rechtsgoederen en zowel de gedragingen waarop deze bepalingen zien als de juridische aard daarvan verschillen in belangrijke mate van elkaar.5 Zo strekt de strafbaarstelling van witwassen ter bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer6, terwijl de strafbaarstelling van deelname aan een criminele organisatie beoogt de samenleving te beschermen tegen het gevaar dat uitgaat van een criminele organisatie en de strafbaarstelling van drugshandel strekt ter bescherming van de volksgezondheid.7

12. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het verweer dat sprake is van schending van art. 6 tweede lid EVRM (en dus van de daarin neergelegde onschuldpresumptie) zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk verworpen.8

13. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

14. In de schriftuur wordt daarnaast in de ‘slotopmerking’ het reeds bij de rechtbank gedane verzoek herhaald om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) omtrent de interpretatie van “de op ‘ne bis in idem’ betrekking hebbende bepalingen”. Van een acte clair of éclairé zou geen sprake zijn “indien uw Raad rekwirant niet volgt in hetgeen hij in deze schriftuur heeft gesteld”.

15. In de slotopmerking wordt terecht gesteld dat de Hoge Raad als hoogste rechter, anders dan de rechtbank, op grond van art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in beginsel verplicht is om een dergelijk verzoek te honoreren, en een vraag tot uitlegging van een bepaling van Unierecht voor te leggen aan het HvJ EU als een kwestie in dat verband wordt opgeworpen in een aanhangige zaak. Dit is om te voorkomen dat de rechtspraak zich in een lidstaat ontwikkelt in strijd met het Unierecht.

16. Deze verplichting geldt echter alleen als de verwijzende rechter een beslissing op het opgeworpen vraagpunt noodzakelijk acht om tot zijn uitspraak te komen. Gelet op het CILFIT-arrest van het HvJ EU9 vervalt de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen als de rechter heeft vastgesteld dat de betreffende Uniebepaling al door het HvJ EU in een vrijwel identiek geval is uitgelegd of de juiste uitleg rechtstreeks uit zijn jurisprudentie kan worden afgeleid (acte éclairé), of de toepassing van gemeenschapsrecht “zo evident” is, “dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan” omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost (acte clair).10 Oftewel, zoals de Hoge Raad dat zelf formuleerde: van het stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien indien i) de opgeworpen prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil, dan wel ii) deze kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie, of iii) dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vragen over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moeten worden opgelost.11 Het HvJ EU legt in genoemd CILFIT-arrest de lat hoog: alleen in het geval dat de nationale rechter ervan overtuigd is dat de beantwoording van de vraag even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere Lid-Staten als voor het HvJ EU, kan hij ervan afzien om de vraag voor te leggen aan het HvJ EU en ze op eigen verantwoordelijkheid oplossen.12 Het bestaan van acte clair mag dus niet al te snel worden aangenomen en er moet volgens het CILFIT-arrest rekening worden gehouden met de verschillende taalversies van het Verdrag, de eigen terminologie van het Europese recht en de context van de bepaling waar het om gaat. Het EHRM heeft bovendien het belang van het stellen van prejudiciële vragen onderstreept door het ongemotiveerd voorbijgaan aan een verzoek daartoe in strijd te achten met het recht op een eerlijk proces.13

17. Mijns inziens is de Hoge Raad niet gehouden de thans in cassatie opgeworpen prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU. Ten aanzien van de eerste vraag of de onderhavige confiscatieprocedure is te scharen onder een procedure als bedoeld in art. 54 SUO dan wel onder berechting of bestraffing als bedoeld in art. 50 van het Handvest van de grondrechten van de EU, geldt dat ik, zonder nadere motivering die in de schriftuur ontbreek, niet zie waarom de beantwoording van die vraag, gelet op hetgeen ik onder 10 en 11 hiervoor heb opgemerkt, noodzakelijk of relevant is voor de uitspraak of oplossing in het onderhavige geschil. Er is immers niet gesteld dat de rechtbank die bepalingen onjuist heeft uitgelegd of dat haar uitspraak in strijd is met die bepalingen, noch dat onduidelijkheid bestaat binnen de rechtspraak in Nederland (en andere lidstaten) over de uitleg van die bepalingen. Ik zie dan ook voor het stellen van deze vraag geen enkel aanknopingspunt en ik zie ook niet in welk belang de veroordeelde in de onderhavige procedure heeft bij beantwoording van genoemde vraag door het HvJ EU.

18. Ten aanzien van de tweede vraag, inhoudend of de aan de confiscatie ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden kunnen worden aangemerkt als dezelfde feiten als waarvoor de veroordeelde in Nederland is vrijgesproken, geldt dat deze vraag niet de uitleg van bepalingen van Unierecht betreft, maar de toepassing ervan in een concrete individuele zaak. Dat is overgelaten aan de nationale rechter en daar bemoeit het HvJ EU zich niet mee.14

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1983-1984, 18 129, nr. 6 (MvA), p. 24. Zie ook: Hanneke Sanders, De tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Antwerpen: Intersentia, 2004, p. 72-73.

2 Vgl. Handboek Strafzaken, par. 94.2.2.1.3. (bijgewerkt tot 19 februari 2014 door mr. J.A.W. Lensing). Daar verwijst Lensing o.a. naar HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.nt. Buruma.

3 Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, aant. 3 bij art. 7 WOTS (bijgewerkt tot 21 december 1998).

4 Rechtbank Amsterdam 25 november 2004, ECLI:NL:RBAMS:2004:AR6463, met de volgende overwegingen:“De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met voldoende zekerheid een oordeel kan worden gegeven over de herkomst van het bij verdachte aangetroffen geldbedrag in de hiervoor bedoelde zin.Weliswaar zijn de omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden, de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd en de uitkomst van het politieonderzoek in onderling verband en samenhang beschouwd opmerkelijk te noemen, dit geeft echter geen uitsluitsel over de herkomst van het geldbedrag. Ook de enkele omstandigheid dat op een aantal van de bij verdachte aangetroffen geldbiljetten cocaïnesporen zijn aangetroffen levert geen bruikbare informatie op over de herkomst van het geldbedrag, nog daargelaten hetgeen de raadsman van verdachte heeft aangevoerd over de geldtelmachines van de banken.[…]Voor de rechtbank blijft derhalve onduidelijk op welke wijze een - noodzakelijke - verbinding kan worden gelegd tussen het bij verdachte aangetroffen geldbedrag en enig misdrijf waaruit dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zou moeten zijn.”

5 Vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2773 en HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5012.

6 Vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440.

7 Vgl. HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2497, rov. 3.4.2.

8 Zie ook de eerdere uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van het Italiaanse rechtshulpverzoek om beslag te leggen op het hier bedoelde, in Nederland onder veroordeelde aangetroffen geldbedrag, HR 3 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:586, rov. 5.1 tot en met 5.3.

9 HvJ EU, CILFIT, Zaak C-283/81, 6 oktober 1982.

10 Zie ook mijn conclusie van 17 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:776, de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 10 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1573 (de HR oordeelde overeenkomstig in zijn daaropvolgende uitspraak van 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2673), en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge van 29 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1996.

11 Vgl, HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1332, waarin de Hoge Raad ook verwijst naar een uitspraak van de Raad van State.

12 Rov. 16 van bedoeld, hiervoor in noot 9 genoemd arrest.

13 Zie bijvoorbeeld: EHRM, Dhabi t. Italië, nr. 17120/09, EHRM 8 april 2014.

14 Zie bijvoorbeeld K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees recht 2011, par. 848.