Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:271

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-02-2015
Datum publicatie
01-04-2015
Zaaknummer
13/03165
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:802, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer(exces). De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AU8087.

In het licht van ’s Hofs vaststellingen en gelet op hetgeen in voornoemd arrest is vooropgesteld, getuigt het oordeel van het Hof dat verdachte, door met een busje pepperspray terug te keren naar de plaats waarvandaan hij was gesommeerd te vertrekken, provocerend gedrag heeft getoond en “aldus uit was op een confrontatie” en dat op die omstandigheid het beroep op noodweer(exces) in reactie op de wederrechtelijke aanranding door de aangever afstuit, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld – in cassatie onbestreden – dat verdachte zich andermaal niets gelegen had laten liggen aan de sommatie van de aangever. Dit oordeel draagt de verwerping van het beroep op noodweer(exces) zelfstandig zodat buiten bespreking kan blijven hetgeen het Hof in dit verband voor het overige heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03165

Zitting: 3 februari 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 10 juni 2012 door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch wegens 1. “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 2. “Mishandeling”, veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent het inbeslaggenomen voorwerp en de vordering van de benadeelde partij als nader in het arrest omschreven.

  2. Mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, heeft namens verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de verwerping door het hof van het beroep op noodweer(exces).

  4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 5 augustus 2009 te Scharendijke, gemeente Schouwen-Duiveland opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en bewust gericht heeft gespoten met een spuitbusje pepperspray (merk pfeffer KO FOG, kleur zwarte bus met een zwarte plastic top, opschrift in de Duitse taal ‘Mit naturlichem hochaggressivem pfefferkonzentrat’) in het gezicht van die [slachtoffer], waardoor deze pijn heeft ondervonden.”1

5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, althans dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu aan hem een beroep op noodweer(exces) toekomt. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat aangever [slachtoffer] de verdachte meerdere malen heeft geduwd en hem op enig moment zelfs bij zijn hals/nek heeft gepakt. Daarbij was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Zijn reactie bestond hieruit dat hij pepperspray in het gezicht van de aangever heeft gespoten. Dit was volgens de verdediging een vorm van noodweer of noodweerexces.

Het hof overweegt als volgt.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof gaat aan de hand van de voorhanden zijnde verklaringen uit van de volgende gang van zaken.

Verdachte stond geparkeerd op het parkeerterrein van camping [A] te Scharendijke.

Verdachte verklaarde dat hij zag dat het portier van de naast hem geparkeerde auto bij het openen het portier van zijn auto raakte. Verdachte constateerde een lichte lakschade aan zijn auto. De veroorzaakster van de beweerde schade, de getuige [betrokkene ], zag naar haar zeggen geen schade, waarop verdachte foto’s heeft gemaakt en vervolgens de politie heeft gebeld. [betrokkene ] vroeg daarop verschillende personen of zij schade konden waarnemen en toen die haar meldden dat zij geen schade waarnamen, is zij op aanraden van omstanders de campingeigenaar, de latere aangever [slachtoffer], gaan raadplegen. Op enig moment is [slachtoffer] naar het parkeerterrein gekomen. Hij stelde ook geen schade waar te nemen. Toen de komst van de politie naar zijn oordeel te lang uitbleef, heeft hij tegen [betrokkene ] gezegd dat ze gewoon kon weggaan.

Verdachte bleef erbij dat de komst van de politie moest worden afgewacht en heeft de politie nogmaals gebeld. Verdachte verhinderde het wegrijden van [betrokkene ] door telkens achter haar auto te gaan staan.

Toen verdachte niet voldeed aan de sommatie van [slachtoffer] om weg te gaan, en te kennen gaf dat hij op de politie wilde wachten, heeft [slachtoffer] hem meerdere keren geduwd om hem bij de auto van [betrokkene ] weg te krijgen en hem daarbij ook vastgepakt en weggetrokken. Verdachte heeft zich daarop losgetrokken en heeft in zijn auto een busje pepperspray gepakt en is vervolgens weer achter de auto van [betrokkene ] gaan staan, om het wegrijden, waartoe [betrokkene ] door [slachtoffer] werd aangezet, te blijven belemmeren.

Verdachte heeft vervolgens nogmaals de politie gebeld en om hulp geroepen.

In zoverre komen de verklaringen van de verdachte (blz. 11 t/m 13) en [slachtoffer] (blz. 4-5) over hetgeen is voorgevallen in essentie overeen.

Uit de verklaring van verdachte en [slachtoffer] volgt dat [slachtoffer] daarop heeft getracht verdachte van de parkeerplaats te verwijderen, althans te verwijderen van de plek achter de auto van [betrokkene ], en dat in een reactie daarop verdachte met de pepperspray richting [slachtoffer] heeft gespoten.

Verdachte heeft over het door [slachtoffer] toegepaste geweld verklaard dat [slachtoffer] hem ter hoogte van zijn nek vastpakte, dat hij daardoor geen lucht meer kreeg en hij daarop erg bang werd van [slachtoffer]. ‘Het is een grote sterke man en hij had mij goed vast’ (blz. 13).

Verdachte heeft daarop de pepperspray uit zijn broekzak gehaald en met de pepperspray in het gezicht van [slachtoffer] gespoten. Daarna is verdachte nog door [slachtoffer] naar de grond getrokken.

[betrokkene ] verklaarde (blz. 20-21 ) dat zij op enig moment genoeg had van de situatie en toen ze zag dat [slachtoffer] verdachte bij zijn nek pakte nadat hij had uitgeroepen dat verdachte van zijn terrein af moest, is uitgestapt en heeft geroepen: ‘ophouden, ik wacht wel, dit gaat fout’. Zij zag vervolgens dat [slachtoffer] de verdachte van het terrein probeerde te duwen, waarbij er over en weer werd geduwd en getrokken. Verdachte heeft daarbij op enig moment iets uit zijn zak gehaald en daarmee iets in het gezicht van [slachtoffer] gespoten.

De verklaring van de verdachte dat hij door de aangever bij zijn nek werd vastgepakt, wordt mede ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] (blz. 17) en door waarneming van verbalisante [verbalisant 2] dat verdachte rode vlekken in de hals had, die volgens haar afdrukken waren van een hand/vingers en dat zij een duidelijke duimafdruk in de hals zag (blz. 32).

Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast:

  • -

    dat [slachtoffer] de verdachte, die zich op het terrein van [slachtoffer] bevond, heeft gesommeerd om zich te verwijderen van de plaats waar deze zich bevond te weten achter de auto van [betrokkene ];

  • -

    dat [slachtoffer], toen de verdachte niet week, met toenemende fysieke drang heeft geprobeerd om de verdachte weg te duwen, maar dat de verdachte telkens terug kwam;

  • -

    dat de verdachte, nadat hij door [slachtoffer] was weggetrokken, zich heeft losgetrokken, naar zijn auto is gelopen en daaruit een busje pepperspray heeft gepakt en opnieuw achter de auto van [betrokkene ] is gaan staan;

  • -

    dat [slachtoffer] de verdachte wederom heeft vastgepakt en weggeduwd, waarbij hij de verdachte bij de nek heeft gepakt; uit het feit dat de politie rode vlekken en een duimafdruk in de hals van de verdachte heeft gezien, leidt het hof af dat [slachtoffer] met een zekere kracht in de nek heeft geknepen;

  • -

    dat de verdachte daarop het busje pepperspray uit zijn broekzak heeft gepakt en spray in het gezicht van [slachtoffer] heeft gespoten.

Het hof is van oordeel dat [slachtoffer], als eigenaar van het terrein, het recht had om van de verdachte te verlangen dat deze zich van het terrein of van een bepaald gedeelte van dat terrein zou verwijderen en voorts dat [slachtoffer], toen de verdachte aan dat verlangen niet voldeed, met een zekere fysieke drang de verdachte mocht trachten te verwijderen.

Dat gaf [slachtoffer] echter niet het recht om in de keel van de verdachte te knijpen. In zoverre kan worden gesproken van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer]. Deze gewelddadige handeling van [slachtoffer] wordt door het hof niet gezien als een poging om de verdachte te wurgen, maar als een te ver doorgeschoten manier om de verdachte te verwijderen.

Toch kan de verdachte zich niet met succes beroepen op handelen in noodweer of noodweerexces.

Daarbij overweegt het hof in de eerste plaats dat de verdachte zich bewust in een situatie heeft begeven waarin hij kon verwachten dat [slachtoffer] met fysieke kracht tegen hem zou optreden. Immers [slachtoffer] had hem, verdachte, al een paar keer weggeduwd of weggetrokken, waartoe [slachtoffer] het recht had, maar verdachte heeft zich vervolgens voorzien van het busje pepperspray en is teruggelopen naar de plaats waar hij van de eigenaar van het terrein niet mocht staan. Dat was provocerend gedrag van de verdachte, die aldus uit was op een confrontatie. Vervolgens heeft [slachtoffer] weliswaar meer fysieke kracht uitgeoefend dan mocht, maar naar het oordeel van het hof was dat geen extreem geweld.

Reeds op deze omstandigheid stuit het beroep op noodweer(exces) af.

In de tweede plaats overweegt het hof dat, zo de verdachte zich al mocht verweren tegen [slachtoffer], hij heeft gekozen voor een middel dat niet in redelijke verhouding staat tot de aanranding. Immers enerzijds bestond de aanranding hierin dat [slachtoffer] de verdachte met enige kracht in de nek kneep bij een hernieuwde poging om de verdachte te doen vertrekken, wat door het hof niet als ernstig geweld wordt aangemerkt bij een op zich zelf legitieme actie, anderzijds bestond het middel hierin dat de verdachte pepperspray in het gezicht en in de ogen van [slachtoffer] heeft gespoten, wat hevige pijn veroorzaakt en schadelijk kan zijn voor de ogen, hetgeen in verhouding veel ernstiger geweld is dan de gedraging van [slachtoffer]. Een beroep op noodweer kan dan niet slagen.

Daarbij is niet aannemelijk geworden dat het gebruik van pepperspray het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte, veroorzaakt door de aanranding. De verdachte is immers eerst een busje pepperspray gaan pakken in zijn auto waarna hij is teruggegaan naar de plek waar hij van de eigenaar van het terrein niet mocht staan. Een beroep op noodweerexces slaagt daarom niet.

Het hof verwerpt het verweer.”

6. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het beroep op noodweer(exces) afstuit op het provocerende gedrag van de verdachte.

7. Vooropgesteld dient te worden dat gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer onder omstandigheden in de weg kunnen staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij kennelijk uit was op een confrontatie.2

8. Het (impliciete) oordeel van het hof dat provocerend gedrag van een verdachte onder omstandigheden aan een beroep op noodweer(exces) in de weg kan staan, getuigt gelet op deze vooropstelling niet van een onjuiste rechtsopvatting. Blijft over de vraag of het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijk provocerend gedrag dat dit het beroep op noodweer(exces) in de weg staat, begrijpelijk is.

9. Het hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat de verdachte zich provocerend heeft gedragen, door – terwijl hij gelet op het eerdere wegduwen of wegtrekken van [slachtoffer] kon verwachten dat deze fysiek geweld tegen hem zou gebruiken – voorzien van een busje pepperspray terug te lopen naar de plaats waar hij van deze [slachtoffer] (de eigenaar van het terrein) niet mocht komen en dat de verdachte kennelijk uit was op een confrontatie. Dat oordeel lijkt mij, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet kunnen worden getoetst, niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte vervolgens weer op de betreffende plek is gaan staan met een, in ieder geval in de ogen van de steller van het middel, legitiem doel, doet daaraan niet af. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof niet aangenomen dat de verdachte had moeten voorzien dat hij door zijn gedrag zou uitlokken dat [slachtoffer] zijn keel zou dichtknijpen of zijn toevlucht zou nemen tot handelingen van daarmee vergelijkbare intensiteit. Het hof heeft slechts geoordeeld dat de verdachte, gelet op het eerdere handelen van [slachtoffer], kon verwachten dat deze met fysieke kracht tegen hem zou optreden. Dat verdachte tussendoor pepperspray uit zijn auto ging halen bevestigt de juistheid van dit oordeel: kennelijk zag hij een escalatie aankomen.

10. In de toelichting op het middel wordt in de tweede plaats opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich heeft verdedigd met een middel dat niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding.

11. Deze klacht is gestoeld op de stelling dat de keel van de verdachte werd dichtgeknepen, zodanig dat hij geen lucht meer kreeg. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat sprake is geweest van het dichtknijpen van de keel van de verdachte, zodanig dat deze geen lucht meer kreeg. Het hof heeft eerst weergeven in hoeverre de verklaringen van de verdachte en [slachtoffer] overeenkomen, heeft vervolgens onder andere weergegeven wat de verdachte over de jegens hem gerichte aanranding heeft verklaard (waaronder dat [slachtoffer] hem ter hoogte van nek vastpakte, dat hij daardoor geen lucht meer kreeg en bang werd) om vervolgens pas enige vaststellingen te doen. Die vaststellingen houden niet meer in dan dat de verdachte bij de nek is gepakt en met enige/zekere kracht in de nek is geknepen.3 Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist wat dit onderdeel aangaat dan ook feitelijke grondslag. Ten overvloede merk ik daarbij op dat het oordeel van het hof dat het spuiten van pepperspray in het gezicht niet in redelijke verhouding stond tot de door het hof vastgestelde aanranding ook niet onbegrijpelijk is.

12. In de derde plaats komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat het beroep op noodweerexces niet slaagt, omdat niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van pepperspray het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte.

13. Voor een groot deel berust ook deze klacht op de stelling dat het hof heeft vastgesteld dat de keel van de verdachte werd dichtgeknepen, dat hij daardoor geen lucht meer kreeg en daarop bang werd. Ook hier geldt echter dat het hof dit niet heeft vastgesteld. Ik verwijs naar hetgeen hiervoor onder 11 is opgenomen. Ook hier berust het middel dan ook op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.

14. Blijft nog over de in het middel vervatte klacht dat, anders dan het hof doet, de vraag of de verdachte handelde in noodweerexces moet worden beoordeeld naar het moment dat de pepperspray ter verdediging werd ingezet en niet op een eerder moment. Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat de motivering van het hof hier tekort schiet. Het hof heeft immers vastgesteld dat [slachtoffer] meer fysieke kracht heeft uitgeoefend dan mocht door verdachte bij zijn nek te pakken en overweegt vervolgens dat er niet gebleken is van een hevige gemoedstoestand omdat verdachte eerst een busje pepperspray is gaan pakken in zijn auto waarna hij is teruggegaan naar de plek waar hij van de eigenaar van het terrein niet mocht staan. Dit laatste zegt niets over een eventuele hevige gemoedsbeweging op het moment dat verdachte door [slachtoffer] bij zijn nek werd gepakt. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu het hof het beroep op noodweer(exces) heeft verworpen op twee gronden, waarbij de eerste grond de verwerping van het verweer zelfstandig kan dragen.4 Daaraan wil ik nog toevoegen dat uit het verweer zoals dat gevoerd is bij het hof niet blijkt dat er is aangevoerd dat verdachte, toen hij pepperspray gebruikte, in een hevige gemoedstoestand verkeerde.

15. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het slachtoffer heet [slachtoffer], i.p.v. [slachtoffer]. Hier wordt verder niet over geklaagd.

2 Vgl. HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8087, NJ 2006/59, m.nt. Y. Buruma en HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9243, rov. 2.6.

3 Het hof heeft voorts overwogen dat het de gewelddadige handelingen van [slachtoffer] niet ziet als een poging om de verdachte te wurgen, maar als een te ver doorgeschoten manier om de verdachte te verwijderen.

4 HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3569, rov 3.4. “’Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces geldt voor wat betreft het door de rechter in te stellen onderzoek het volgende. Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien: a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (vgl. HR 18 mei 1993, 1993, 691).”