Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2708

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-12-2015
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
15/02115
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:386, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02115

Mr. Machielse

Zitting 22 december 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 23 december 2014 wegens 1. subsidiair “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. F. van Baarlen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur en een aanvullende schriftuur ingezonden, houdende in totaal vijf middelen van cassatie. Alvorens deze middelen te bespreken geef ik de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen weer.

3.1 Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“1. subsidiair

hij op 29 januari 2010 te ’s-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten R.C.A. Duindam, voorzitter van de Meervoudige Kamer voor strafzaken van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met beide handen bij de keel heeft gepakt terwijl hij, verdachte, bovenop die Duindam terecht was gekomen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 29 januari 2010 te ’s-Gravenhage opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten R.C.A. Duindam, voorzitter van de Meervoudige Kamer voor strafzaken van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage en M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, raadsheer van de Meervoudige Kamer voor strafzaken van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden ‘Duindam kan de kanker krijgen, de tering, de pleuris en dat mokkel de Bruijn-Lückers naast hem ook’.”

3.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van [2]9 januari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de voorzitter R.C.A. Duindam en de griffier E.J.M. van der Laan, dossierpagina’s 39 t/m 49.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, hetgeen zich ter terechtzitting heeft voorgedaan:

p. 42

De verdachte loopt langs de jongste raadsheer naar de plaats van de voorzitter. Vervolgens springt hij onverhoeds over de tafel op het podium waarachter het hof zit en grijpt de voorzitter bij de keel.

p. 43

De verdachte schreeuwt naar de voorzitter en andere leden van het hof, roept verwensingen en bedreigingen, inhoudende onder meer:

Duindam zal er geen woord meer tussen krijgen. Ik ben klaar met Duindam en De Bruijn-Lückers. Duindam kan de kanker krijgen, de tering, de pleuris, en dat mokkel De Bruijn-Lückers naast hem ook. Ik weet jullie te vinden. Je denkt dat je er nu vanaf bent, maar je bent nog niet klaar met me.

Hetgeen de verdachte overigens roept, betreft woorden van gelijke strekking. De verdachte is dergelijke woorden blijven schreeuwen tot hij werd afgevoerd.

2. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige R.C.A. Duindam, van 9 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , dossierpagina’s 23 tot en met 26.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de getuige R.C.A. Duindam:

p. 23

Op vrijdag 29 januari 2010 trad ik als voorzitter van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te Den Haag op in de strafzaak tegen de verdachte. Ik bevond mij samen met de raadsheren mrs. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers en T.W.H.E. Schmitz.

p. 24

[verdachte] liep voor de tafel langs. Op het moment dat [verdachte] voor mij stond zag ik dat hij op de tafel waarachter ik was gezeten klom en ik zag en voelde dat hij in één beweging met beide handen mijn keel met meer dan geringe kracht vastgreep. Tijdens het beklimmen door [verdachte] van de tafel en tijdens het vastgrijpen van mijn keel hoorde ik dat [verdachte] onder andere tegen mij riep: ‘Jij hebt geen recht om op deze stoel te zitten’. Op het moment dat [verdachte] mij bij mijn keel vastpakte zag en voelde ik dat de stoel waarop ik was gezeten naar achteren reed, kennelijk als gevolg van de kracht waarmee [verdachte] mij vastpakte. [verdachte] zat als het ware boven op mij.

p. 25

Als gevolg van de kracht waarmee [verdachte] mij bij mijn keel heeft vastgepakt heb ik pijn in mijn nek opgelopen.

Het onderzoek werd hervat. Vanaf dat moment hoorde ik dat [verdachte] onophoudelijk luidkeels

verwensingen en bedreigingen naar mij en onder andere raadsheer mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers schreeuwde. Naar aanleiding van bovengenoemde zitting is een proces-verbaal van zitting opgemaakt waarin zakelijk weergegeven een aantal bedreigingen en verwensingen zo goed als woordelijk zijn opgenomen. U houdt mij voor dat [in] het proces-verbaal dat met betrekking tot de zitting is opgemaakt over de bedreigingen en verwensingen staat vermeld: ‘De verdachte schreeuwt naar de voorzitter en andere leden van het hof, roept verwensingen en bedreigingen, inhoudende onder meer: ‘Duindam zal er geen woord meer tussen krijgen. Ik ben klaar met Duindam en De Bruijn-Lückers. Duindam kan de kanker krijgen, de tering, de pleuris, en dat mokkel De Bruijn-Lückers naast hem ook. Ik weet jullie te vinden. Je denkt dat je er nu vanaf bent, maar je bent nog niet klaar met me.’.

Indien de bedreigingen op deze wijze in het proces-verbaal zijn verwoord dan zijn dit ook daadwerkelijk de bedreigingen die [verdachte] tijdens de zitting heeft geuit.

3. Een proces-verbaal 14 april 2011, opgemaakt door mr. E.C.M. van Mierlo, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag nevenvestiging Haarlem, en de griffier.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 april 2011 tegenover voornoemde rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige M.L.C.C. de Bruijn-Lückers:

[verdachte] heeft de voorzitter met twee handen.om de nek gegrepen nadat hij over de tafel was geklommen of gesprongen. Ze vlogen beiden met stoel en al naar achteren.

Met name tegen de voorzitter maar ook tegen mij heeft [verdachte] één en ander geroepen aan beledigingen en bedreigingen. Dat blijkt ook uit het zittingsproces-verbaal en zoals het daarin staat is het daadwerkelijk gebeurd en gezegd.”

4.1 Het vijfde middel klaagt over de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek om verbalisant [verbalisant] als getuige te horen.

4.2 In de tijdig ingediende appelschriftuur heeft de verdediging het hof onder meer verzocht “alle verbalisanten die in het dossier worden genoemd; die het onderzoek hebben gedaan en de processen-verbaal hebben opgesteld en de getuigen hebben gehoord” als getuigen te horen. De raadsvrouw van verdachte heeft dit verzoek gestand gedaan tijdens de regiezitting in hoger beroep op 19 mei 2014, in die zin dat zij aldaar heeft verzocht verbalisant [verbalisant] te horen die alle in het dossier genoemde getuigen heeft gehoord en de processen-verbaal heeft opgesteld. De raadsvrouw heeft dat verzoek gebaseerd op de niet nader toegelichte of onderbouwde stelling dat dit een ongebruikelijke werkwijze is en dat zij deze verbalisant daarover wil horen. Het hof heeft dit verzoek destijds afgewezen omdat naar zijn oordeel de noodzaak tot het horen van [verbalisant] niet was gebleken.

4.3 Tijdens de volgende terechtzitting van 9 december 2014 is de zaak tegen verdachte inhoudelijk behandeld. Blijkens de aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte aldaar onder het kopje “Onderzoekswensen” onder meer het volgende verzoek tot het hof gericht:

“Verder herhaalt de verdediging ook het verzoek verbalisant [verbalisant] te horen.

Hij heeft alleen de processen-verbaal opgemaakt. Hij heeft alleen alle getuigen gehoord. Zonder een collega. De betrouwbaarheid van hetgeen op papier is gekomen dient te worden getoetst en de verbalisant dient over de werkwijze te worden ondervraagd. Met name de gelijkenis van de getuigenverhoren van Luckers en Schmitz, beide voor het bewijs gebezigd, moet worden getoetst.”

4.4 Het hof heeft bij arrest het verzoek wederom afgewezen en heeft hiertoe overwogen dat [verbalisant] slechts kan verklaren omtrent hetgeen voor of na het incident in de zittingszaal heeft plaatsgevonden. Hij was immers niet aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Vervolgens heeft het hof nog overwogen:

“Voor zover de verdediging heeft betoogd dat die [verbalisant] van vooringenomenheid heeft doen blijken, is het verzoek naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De verdediging wordt door deze afwijzing niet in haar belangen geschaad.”

4.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd onbegrijpelijk is. Hiertoe wordt verwezen naar een andere passage in bovengenoemde pleitnota, die de raadsvrouw echter, gelet op de opbouw van haar pleitnota, met name de daarin gemaakte onderverdeling in paragrafen, niet naar voren heeft gebracht in het kader van het verzoek verbalisant [verbalisant] als getuige te horen, maar als onderbouwing van het verweer dat de voor een bewezenverklaring vereiste overtuiging ontbreekt.

4.6 Uit de motivering van de afwijzing van het verzoek blijkt niet direct zonneklaar welke maatstaf het hof heeft aangelegd bij de beoordeling daarvan. De opmerking dat de verdediging niet in haar belangen wordt geschaad door de afwijzing van het verzoek, wijst op het eerste gezicht in de richting van het verdedigingsbelang-criterium in plaats van het van toepassing zijnde noodzakelijkheidscriterium. Ik begrijp de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek, met name de overweging dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd, echter zo dat het hof heeft geoordeeld dat de noodzaak tot het horen van verbalisant [verbalisant] niet is gebleken.

4.7 Blijkens de door de verdediging gepresenteerde onderbouwing van het getuigenverzoek, zoals weergegeven onder 4.3, was het verzoek om verbalisant [verbalisant] als getuige te horen ingegeven door de wens de betrouwbaarheid van diens processen-verbaal tegen het licht te houden en hem te bevragen over de door hem gehanteerde werkwijze. Hiertoe heeft de raadsvrouw van verdachte erop gewezen dat [verbalisant] alleen alle getuigen heeft gehoord en de processen-verbaal heeft opgemaakt. Vanzelfsprekend moeten de objectiviteit en betrouwbaarheid van een strafrechtelijk onderzoek worden gewaarborgd, hetgeen onder meer kan worden bevorderd door meer dan één politieambtenaar met het onderzoek te belasten. Maar anders dan de verdediging kennelijk voorstaat, brengen de enkele omstandigheden dat één verbalisant is belast met het horen van de in een onderzoek betrokken getuigen en dat overeenkomsten zijn te bespeuren in de verklaringen van verschillende getuigen1 niet zonder meer mee dat getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van die verhoren. Het oordeel van het hof dat deze omstandigheden onvoldoende onderbouwing vormen voor de stelling dat [verbalisant] van vooringenomenheid heeft doen blijken en daaromtrent moet worden gehoord, is daarom allerminst onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.2

4.8 Het middel faalt.

5.1 Het vierde middel klaagt over de verwerping door het hof van het betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de verklaringen van Schmitz, De Bruijn-Lückers en [verbalisant] .

5.2 Blijkens voornoemde pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte, voor zover relevant, het volgende aangevoerd:

“Opmerkelijk is dat de twee verklaringen van Luckers en Schmitz gedeeltelijk exacte kopieën van elkaar zijn. Zie verklaring Luckers p32 vanaf: hierop hoorde ik de voorzitter.... Tot stilstand kwam tegen de achterwand. Zijn zij gelijktijdig gehoord? Heeft de verbalisant de verklaring van de een gebruikt bij het horen van de ander? Heeft de getuige die verklaring wellicht gelezen en beaamd? Er kan van alles aan de hand zijn waardoor thans onduidelijk is of de verklaringen authentiek zijn en er sterke aanwijzingen zijn dat die dat niet zijn.

Ook is opmerkelijk dat verbalisant [verbalisant] blijkens het proces verbaal van relaas (p4-6) er reeds van lijkt uit te gaan dat de voorzitter is aangevallen en bedreigd. Dit is nu juist hetgeen aan cliënt is ten laste gelegd en het druist dan ook in tegen de behoorlijke procesorde en tegen (…) de onschuldspresumptie hier anderszins mee om te gaan. Hij hoort vervolgens -tegen gebruik in- in zijn eentje getuigen [betrokkene 1] (arrestantenverzorger), [betrokkene 2] (bode), Van Fessem (AG), Duindam (voorzitter), Schmitz en Luckers (raadsheren). Een zeer onzorgvuldige werkwijze en een verbazingwekkende als je in ogenschouw neemt hoe serieus deze zaak verder door het OM is aangepakt: ondanks ontbreken aangifte wel vervolgen, voor de MK en niet voor de PR brengen, een hele forse straf eisen.

Bij raadsheren Schmitz en Luckers legt [verbalisant] direct bij aanvang van verhoor de verklaring van de voorzitter voor: zij verklaren derhalve al niet meer uit eigen kennis en wetenschap, althans, dat is niet meer te controleren. Hun verklaringen kunnen ook om deze reden niet voor bewijs worden meegenomen.

Ook bij de overige verklaringen is het vanwege deze werkwijze uitermate twijfelachtig of deze authentiek zijn. De verklaringen bij de RC laten dit probleem onverlet nu deze nadien zijn afgelegd en enige beïnvloeding, als die heeft plaats gehad, niet meer ongedaan kan maken.

Bovendien geven die verklaringen geen opheldering voor de geschetste problemen.

Dit alles maakt de bewijswaarde van die verklaringen nihil, althans in ieder geval voor het gelijkluidende deel. Ik verzoek u de verklaringen niet voor het bewijs mee te nemen.”

5.3 Het hof heeft hieromtrent het volgende overwogen en beslist:

“Het hof is anders dan de raadsvrouw van oordeel dat de afgelegde verklaringen wel degelijk betrouwbaar zijn en tot het bewijs kunnen worden gebezigd. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 januari 2010 van het gerechtshof ’s-Gravenhage is de feitelijke gang van zaken tijdens de zitting vastgelegd. Het hof ziet geen enkele reden om te twijfelen aan dit ambtsedig opgemaakte proces-verbaal, dat is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier. De afgelegde verklaringen sluiten bij voornoemd proces-verbaal aan.”

5.4 De steller van het middel voert aan dat het feit dat de verklaringen van de genoemde personen aansluiten bij de beschrijving van de feitelijke gang van zaken in het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 januari 2010 onvoldoende is om die verklaringen betrouwbaar te achten en dat gelet op hetgeen is aangevoerd het oordeel van het hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

5.5 In de aanvulling op het verkort arrest zijn geen verklaringen van raadsheer Schmitz en verbalisant [verbalisant] opgenomen. Het hof heeft de verklaringen van deze personen dus niet voor het bewijs gebruikt. In zoverre zie ik daarom niet in welk rechtens te respecteren belang verdachte zou kunnen hebben bij het middel.

5.6 De ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van raadsheer De Bruijn-Lückers is als bewijsmiddel 3 voor het bewijs gebruikt. Hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, komt in de kern erop neer dat onduidelijk is of de bij de politie afgelegde verklaring van De Bruijn-Lückers authentiek is en dat een mogelijke beïnvloeding van deze getuige niet ongedaan is kunnen worden gemaakt door haar nadien bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Het hof heeft ter motivering van het oordeel dat het de verklaringen van De Bruijn-Lückers wel betrouwbaar acht overwogen dat deze verklaringen aansluiten bij (met andere woorden steun vinden in) de inhoud van het op ambtseed door de voorzitter en de griffier opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting van 29 januari 2010. Anders dan de steller van het middel acht ik deze omstandigheid wel degelijk een stevige basis voor het oordeel dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van De Bruijn-Lückers betrouwbaar is te achten. Gelet op de inhoud van bewijsmiddelen 1 en 3, zoals weergegeven onder 3.2, acht ik dit oordeel bovendien allerminst onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

5.7 Het middel faalt.

6.1 Ik begrijp het tweede middel aldus dat het bedoelt te klagen dat over het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde uitlatingen als strafbare beledigingen hebben te gelden.

6.2 Blijkens voornoemde pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat verdachte tijdens de terechtzitting van de meervoudige kamer van het hof ’s-Gravenhage op 19 januari 2010 enkel het woord “mokkel” heeft gezegd en dat hij dit woord bovendien niet beledigend heeft bedoeld. In de gebezigde bewijsmiddelen is echter vermeld dat verdachte tijdens de genoemde zitting verwensingen heeft geroepen naar twee van de aanwezige raadsheren, onder meer “Duindam kan de kanker krijgen, de tering, de pleuris en dat mokkel De Bruijn-Lückers naast hem ook.” Ten aanzien van zijn oordeel dat deze woorden strafbare beledigingen opleveren van de genoemde raadsheren heeft het hof het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat uitingen die naar algemeen spraakgebruik scheldwoorden zijn, op zichzelf geschikt zijn om iemand te beledigen. Verwensingen die inhouden dat een ander een ernstige ziekte wordt toegedacht, zoals in onderhavig geval, en die de strekking hebben iemands waardigheid aan te tasten vallen naar het oordeel van het hof tevens onder de kwalificatie belediging. Voorts acht het hof - anders dan de raadsvrouwe - het gebruik van de term ‘mokkel’ gelet op de context waarin de verdachte deze term bezigde, beledigend.”

6.3 De bewezenverklaring houdt in dat het gaat om beledigingen die personen mondeling in hun tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd indien zij de strekking heeft de ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.3 Deze context kan bestaan uit een samenstel van uitlatingen of uit de omstandigheden waaronder de uitlating is gedaan.4

6.4 Ik begrijp de overweging van het hof aldus dat het heeft geoordeeld dat de uitlating “Duindam kan de kanker krijgen, de tering, de pleuris en De Bruijn-Lückers ook” reeds op zichzelf beschouwd de strekking heeft de genoemde raadsheren aan te randen in hun eer en goede naam en dat het gebruik van het woord “mokkel” gelet op de context waarin verdachte deze term bezigde richting raadsheer De Bruijn-Lückers eveneens beledigend is.

6.5 De steller van het middel betoogt dat de woorden kanker, tering en pleuris niet louter als scheldwoorden zijn aan te merken, aangezien zij als medische benamingen voor ernstige ziektes worden gebruikt. En zelfs als deze woorden op zichzelf beschouwd geschikt zijn iemand te beledigen, betekent dat niet per definitie dat die woorden altijd in beledigende zin worden geuit. Daarom is voor de beoordeling of een uiting met deze woorden beledigend moet worden geacht van belang te bezien in welke context zij zijn gebruikt, hetgeen het hof heeft nagelaten. Maar ook als de context waarin de uitlating in casu is gedaan in ogenschouw wordt genomen, kan niet tot een strafbare belediging worden geconcludeerd, aangezien verdachte uit woede en frustratie over de gang van zaken de leden van het hof eerder kwaad heeft toegewenst dan dat hij hen in hun eer en goede naam heeft aangetast. Ten aanzien van het woord mokkel betoogt de steller van het middel dat het oordeel van het hof dat het gebruik hiervan in de gegeven context beledigend is onvoldoende is gemotiveerd.

6.6 Het komt mij voor dat de woorden “Duindam kan de kanker krijgen, de tering, de pleuris en De Bruijn-Lückers ook” op zichzelf beschouwd beledigend zijn in de zin van art. 266, eerste lid, Sr. In het bezigen van dergelijke termen ligt immers de strekking besloten om de genoemde raadsheren aan te randen in hun eer en goede naam en wel omdat in het toewensen van vreselijke ziekten besloten ligt dat degene die deze uitlatingen doet de ander minacht, geringschat en niet het leven waard. Daarmee is het beledigende karakter van deze woorden gegeven, zodat het hof niet gehouden was te bezien in welke context verdachte deze woorden in casu heeft gebruikt. Het feit dat de woorden kanker, tering en pleuris ook andere betekenissen hebben als medische benamingen voor bepaalde ziektes, doet hieraan niet af.5

Maar ook als dit oordeel niet wordt onderschreven zou de klacht toch geen kans van slagen hebben. Uit bewijsmiddel 2 is immers op te maken dat verdachte de voorzitter is aangevallen onder het uitroepen van de woorden "Jij hebt geen recht om op deze stoel te zitten" en dat de bedreigingen en verwensingen onder meer inhielden dat hij klaar was met Duindam en De Bruijn-Lückers en dat hij hen nog wel zou weten te vinden. Aldus wordt een verband gelegd met het functioneren van deze raadsheren en krijgen de verwensingen door verdachte door deze context zeker het karakter van aantastingen van eer en goede naam van deze raadsheren.6Het kennelijke oordeel van het hof dat in deze context het woord “mokkel” ook een denigrerende strekking had en eveneens was bedoeld om raadsheer De Bruijn-Lückers in haar eer en goede naam aan te tasten, is allerminst onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.7

6.7 Het middel faalt.

7.1 De overige middelen klagen over de strafoplegging. Alvorens deze middelen te bespreken, geef ik de relevante onderdelen uit de pleitnota en het bestreden arrest weer.

7.2 Blijkens voornoemde pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte, voor zover relevant, het volgende aangevoerd:

Strafmaat

Indien u toch tot een bewezenverklaring komt van (een deel van) het ten laste gelegde, verzoek ik u voor alle feiten gezamenlijk geen straf of maatregel op te leggen maar art 9a Sr toe te passen. Het gaat er niet om dat een voorval als het onderhavige waarbij een ambtenaar in functie, in casu een rechter, is betrokken, niet bestraft zou moeten worden maar veeleer om de overige omstandigheden waardoor cliënt reeds voldoende bestraft is.

Cliënt is in de strafrechtelijk procedure die aan deze zaak ten grondslag ligt reeds erg zwaar gestraft: hij heeft in beroep 3 jaren meer opgelegd gekregen dan in eerste aanleg. 9 jaar werd 12 jaar. Client heeft na het incident in onderhavige zaak geen bijstand meer van een advocaat gehad in de hoofdzaak nu mr vd Plas, de vervanger van Van Boom die een klacht tegen zich zag ingediend in deze kwestie, de verdediging heeft moeten neerleggen vanwege de bejegening van het hof. De motivering bij de zwaardere strafoplegging is de ernst van het feit. De zwaardere strafmaat laat zich bezwaarlijk anders vertalen dan dat er ook in ogenschouw is genomen wat op 29 januari 2010 zich heeft afgespeeld. Het lijkt er in ieder geval op dat een eventuele straf voor onderhavige feiten niets meer kan toevoegen aan de straf die hem daar is opgelegd.

Daarbij komt dat cliënt vanwege deze zaak geen detentiefasering heeft gekregen en geen verlof. Allereerst belette zogezegd de openstaande zaak de mogelijkheid voor cliënt om verlof te krijgen en om te faseren. Maar ook heeft het openbaar ministerie in een negatief advies voor cliënt fasering en verlof belemmerd vanwege het gestelde recidivegevaar en maatschappelijke onrust. De AG omschreef dat verdachte zich bedreigend heeft uitgelaten tegenover de slachtoffers en bedreigingen heeft geuit op zitting. Er zou in ieder geval een contact- en locatieverbod moeten worden ingesteld. Tegen de afwijzingen van verlofaanvragen en faseringsaanvragen zijn meerdere klachten door cliënt ingediend. Tot op heden tevergeefs. Het komt er op neer dat hij al lange tijd in een zwaarder regime heeft doorgebracht dan wanneer hij reeds kon faseren.

Ook is in het penitentiair dossier van cliënt dit incident opgenomen en is mede hierdoor de vervroegde invrijheidsstelling de pas afgesneden.

Deze gevolgen zijn allen in relatie te leggen tot het onderhavige ten laste gelegde feit en zijn allen extra leed toevoegend voor cliënt geweest en zijn dat nog steeds.

Subsidiair verzoek ik u een voorwaardelijke straf op te leggen, althans een (veel) minder hoge straf dan in eerste aanleg opgelegd, op te leggen.

Client's VI in de hoofdzaak is thans bepaald omdat die zaak inmiddels onherroepelijk is. De straf die hij in deze zaak opgelegd kreeg, kon worden meegenomen voor de VI bepaling. Thans is dat niet meer aan de orde en zal iedere korte onvoorwaardelijke straf feitelijk een extra leed toevoegend element voor cliënt hebben nu die geheel moet worden uitgezeten.

Onderhavige zaak zal, gelet op de bijzondere aard (geen aangever en een rechter als subject) voor de MK zijn aangebracht. Wat betreft de ten laste gelegde feiten had de zaak voor de politierechter kunnen dienen. Ook nu er sprake is van een ambtenaar in functie die al dan niet is beledigd en/of mishandeld. Menige zaak waarbij bijvoorbeeld een politieambtenaar of ambulancepersoneel subject is aan belediging of mishandeling of bedreiging, wordt voor de politierechter aangebracht. In de wet en/of richtlijnen is hier niets over bepaald. Wat de hoogte van de straf betreft verzoek ik u rekening te houden met het feit dat de zaak evengoed voor de politierechter had kunnen dienen.

Van belang is voorts nog het feit dat de voorzitter zelf geen aangifte deed en hiermee aangeeft dat hij niet zonder meer zelf vervolging wenste.

De LOVS richtlijnen geven voor eenvoudige mishandeling een boete van € 750,- met een strafverhoging van 33 tot 100% nu het een ambtenaar in functie betreft. 6 maanden gevangenisstraf voor een dergelijk feit is buitenproportioneel hoog. Ook bij poging zware mishandeling past de opgelegde straf niet nu de LOVS richtlijnen daaromtrent bepalen dat 3 maanden gevangenisstraf de norm is en het in casu weliswaar een ambtenaar in functie maar tevens een poging betreft waardoor zelfs bij het verhogen met 100% vanwege eerstgenoemde omstandigheid nog altijd een derde aftrek vanwege de poging dient plaats te vinden.

Uit de jurisprudentie is op te maken dat 6 maanden gevangenisstraf voor een dergelijk feit een buitenproportioneel hoge straf is.

LJN BV9672:100 dagen voor diefstal met braak in vereniging en eenvoudige mishandeling van een ambtenaar in functie. Veroordeelde had samen met een ander ingebroken in een woning op eerste kerstdag en daarbij een agent die zich als zodanig had kenbaar gemaakt mishandeld.

LJN BO8089: 200 uren taakstraf en 3 maanden voorwaardelijk voor opzettelijk onjuist aangifte doen bij de belasting, bedreiging met een misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling, mishandeling van twee ambtenaren van de belastingdienst.

LJN BI8397: € 350,- boete voor mishandeling ambtenaar in functie: mishandeling van een parkeercontroleur. Hem is een bloedneus geslagen.

LJN BI8790: 6 weken gevangenisstraf voor openlijk geweld in vereniging tegen politieambtenaren en wederspannigheid in vereniging. Verdachten hebben om een vriend vrij te krijgen tegen politie geweld gebruikt wat bestond uit trekken duwen schoppen en slaan, ook toen de politieambtenaar zich op de grond bevond. De officier had 3 maanden en 120 uren taakstraf geëist, een verdubbeling ten opzichte van de door het openbaar ministerie gehanteerde richtlijnen, nu het een politieambtenaar in functie betreft, die bijzondere strafrechtelijke bescherming toekomt. De rechter heeft beslist dat deze bijzondere positie van de ambtenaar in functie wel in de strafmaat tot uitdrukking dient te komen maar dat de feiten niet louter volgens de verhoogde richtlijnen van het OM kunnen worden afgedaan. Recht dient te worden gedaan aan de strafwaardigheid van de concrete feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van de verdachte. Ook in casu zijn de omstandigheden zodanig dat de zaak zich niet leent voor een kale verdubbeling van de strafmaat.

Tot slot het tijdsverloop. Het feit dateert van 29 januari 2010. Ruim vier en een half jaar geleden.

Het vonnis is uitgesproken op 10 oktober 2012. De eerste aanleg heeft bijna twee en driekwart jaar geduurd. Uit het vonnis blijkt niet dat er met deze termijnoverschrijding rekening is gehouden noch dat deze door omstandigheden zich niet in een strafkorting laat vertalen. De gehoorde getuigen en verwijzing naar een ander arrondissement zullen hier debet aan zijn maar dit is niet of onvoldoende aan de verdediging toe te rekenen. De getuigen zijn op 29 december 2010 opgeroepen en op 7 april 2011 gehoord. Hierna heeft de zaak pas op 26 september 2012 gediend. Ik verzoek u bij strafoplegging in het voordeel van cliënt rekening te houden met het tijdsverloop door een strafkorting toe te passen.”

7.3 Het hof heeft de oplegging van de onder 1. vermelde straf als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de voorzitter van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Gravenhage, alsmede aan belediging van de voorzitter en een van de andere aanwezige raadsheren. De verdachte heeft door zijn handelen het gezag van het hof en de rechtspraak ernstig ondermijnd. Het hof acht het gedrag van de verdachte zeer ongepast en rekent dit hem dan ook zeer aan. Personen die werkzaam zijn in de publieke dienst verdienen extra bescherming tegen uitingen van geweld. Het hof zal derhalve in strafverzwarende zin mee laten wegen dat de verdachte de bewezen verklaarde gedragingen heeft verricht ten aanzien van ambtenaren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 november 2014 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof is - anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen plaats is, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde.

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op het tijdsverloop in eerste aanleg en in hoger beroep en bepleit om hiermee bij de strafoplegging rekening te houden. Het hof overweegt hiertoe dat de verdachte is gedagvaard op 16 november 2011. Nu de rechtbank binnen twee jaren na de inleidende dagvaarding vonnis heeft gewezen is op dit onderdeel geen sprake van een schending van de redelijke termijn. De omstandigheid dat de verdachte het feit gepleegd heeft op 29 januari 2010 maakt dit oordeel niet anders, nu op dat moment nog geen handeling jegens de verdachte was verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 10 oktober 2012 verdachte veroordeeld. Verdachte heeft vervolgens op 23 oktober 2012 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. De stukken van het geding zijn ter griffie van het hof binnengekomen op 2 september 2013, derhalve ruim twee maanden na de inzendtermijn van acht maanden. Voorts heeft het hof pas op 23 december 2014 arrest gewezen, zijnde meer dan twee jaren na het instellen van het hoger beroep. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid, waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld, die deze overschrijding rechtvaardigen. De berechting heeft derhalve niet binnen een redelijke termijn plaats gevonden als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Gelet op de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat het hof met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Het hof acht, alles afwegende, een straf van na te melden duur passend en geboden.”

8.1 Het derde middel klaagt dat de opgelegde straf verbazing wekt en dat deze, mede gezien hetgeen door de verdediging is aangevoerd, onvoldoende is gemotiveerd.

8.2 De keuze voor en weging van factoren die van belang worden geacht voor de strafoplegging zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Dit oordeel kan in cassatie slechts zeer terughoudend worden getoetst.8 Pas als de strafoplegging op zichzelf of in het licht van het verbazingscriterium onbegrijpelijk is, of als de opgelegde straf dermate afwijkt van de door het Openbaar Ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid onbegrijpelijk zou zijn, bestaat voor de Hoge Raad reden tot ingrijpen.9

8.3 Verdachte is schuldig bevonden aan mishandeling van de voorzitter van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Den Haag, door deze tijdens de terechtzitting met beide handen naar de keel te grijpen. Reeds gezien de ernst van dit feit wekt de opgelegde straf bij mij volstrekt geen verbazing, laat staan als daarbij nog in ogenschouw wordt genomen dat verdachte tevens is veroordeeld voor grove beledigingen van de voorzitter en de oudste raadsheer. Met de overweging van het hof dat verdachte door zijn handelen het gezag van het hof en de rechtspraak ernstig heeft ondermijnd en dat het feit dat de feiten zijn gepleegd tegen ambtenaren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening een strafverzwarend effect heeft, heeft het hof de opgelegde straf meer dan afdoende gemotiveerd. Ten overvloede brengt breng ik in herinnering dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met de manier waarop de opgelegde straf zal worden tenuitvoergelegd, daaronder begrepen de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar dat evenmin enige rechtsregel de rechter voorschrijft daarmee wel rekening te houden.10

8.4 Het middel faalt.

9.1 Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt over het oordeel van het hof dat in eerste aanleg de redelijke termijn niet is overschreden en dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep voldoende wordt gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

9.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet in een zaak als de onderhavige de berechting van de zaak in eerste aanleg zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen en moet het geding in hoger beroep in beginsel zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Daarnaast geldt in de appèlfase dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appèlrechter zijn binnengekomen.11 Over de aanvang van de redelijke termijn heeft de Hoge Raad bepaald dat deze begint te lopen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Art. 6 EVRM leidt overigens niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.12 Ten slotte zij opgemerkt dat het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.13

9.3 De bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd op 29 januari 2010. Blijkens de gedingstukken is verdachte, die op dat moment uit hoofde van andere strafbare feiten was gedetineerd, niet aangehouden voor deze feiten. De inleidende dagvaarding is op 16 november 2011 aan verdachte in persoon uitgereikt. Op 12 december 2011 en 26 september 2012 is de zaak in eerste aanleg behandeld door de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Haarlem. De rechtbank heeft vervolgens vonnis gewezen op 10 oktober 2012. Op 23 oktober 2012 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013, 19 mei 2014, 13 augustus 2014 en 9 december 2014. Het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam is gewezen op 23 december 2014.

9.4 In hoger beroep heeft de advocaat van verdachte in de pleitnota van 9 december 2014 gewezen op het tijdsverloop en beklemtoond dat het feit dateert van 29 januari 2010. De eerste aanleg heeft daarom bijna 2 3/4 jaar geduurd. Het hof heeft als aanvangsdatum van de redelijke termijn 16 november 2011 genomen. In feitelijke aanleg is niet aangevoerd dat de redelijke termijn al is beginnen te lopen op 20 mei 2010. De beantwoording van de vraag wanneer vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld is van feitelijke aard en vergt afwegingen die aan de feitenrechter zijn voorbehouden.14 Nu in hoger beroep slechts de datum is genoemd op welke het feit zou zijn begaan en geen andere datum aan het hof is voorgehouden, is het oordeel van het hof dat de redelijke termijn is beginnen te lopen op de datum waarop de niet in verzekering gestelde verdachte de dagvaarding heeft ontvangen niet onbegrijpelijk.

9.5 Het hof heeft vastgesteld dat de stukken van het geding ruim twee maanden te laat bij het hof zijn binnengekomen en dat de berechting van de zaak door het hof vervolgens niet voortvarend, laat staan binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep, is afgerond. Gelet op de duur van de procedure in hoger beroep is de redelijke termijn met in totaal ruim vier maanden overschreden.

9.6 Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan een schending van de redelijke termijn verbindt, kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Indien Uw Raad daarover anders mocht denken geldt dat de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg afdoende wordt gecompenseerd indien de Hoge Raad de berechting van de zaak met een bijzondere voortvarendheid ter hand neemt en uitspraak doet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep, te weten vóór 7 mei 2016.

10. De middelen falen en kunnen, behoudens het tweede middel, naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Hetgeen, als het gaat om ontlastende getuigen, de advocatuur wel pleegt te beschouwen als een aanwijzing voor de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen van die getuigen. Zie bijv. HR 27 april 2004, NJB 2004, 85, p. 1089; HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6344; HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1094; NJ 2014, 391 m.nt. Schalken.

2 Vgl. HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441 m.nt. Borgers, rov. 2.73 e.v.; HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1497.

3 Zie bijv. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1564, rov. 2.3.

4 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voor HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2017, alinea 5.4.

5 Vgl. HR 19 mei 2015, voornoemd (81RO) en alinea 5.5 van de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voor dat arrest.

6 HR 17 december 2013, NJ 2014, 181 m.nt. Keijzer.

7 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1564.

8 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, p. 284 e.v.; HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8474, NJ 1985, 138; HR 10 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC1605, NJ 1991, 839 m.nt. Van Veen; HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805; HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6429.

9 HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479; HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0190; HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313; HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8482.

10 HR 23 maart 2010, NJ 2010, 393 m.nt. Mevis; HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1711; HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7145.

11 HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000, 721 m.nt. De Hullu, rov. 3.14-3.17.

12 HR 3 oktober 2000, rov. 3.12.

13 HR 3 oktober 2000, rov. 3.7.

14 HR 30 januari 2001, NJ 2001, 219 rov. 3.5; HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2479.