Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2702

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
15/03023
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:314, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Artt. 126a en 552a Sv. Bevel om opgave te doen of inzage of afschrift te geven van bescheiden en gegevens ex. art. 126a.1.a Sv. De Rb heeft met juistheid geoordeeld dat klaagster ontvankelijk is in haar ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift tegen de vordering gegevens ex art. 126a Sv. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004 en HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:8735. HR: de Rb heeft in haar beschikking niet blijk gegeven de f&o die klaagster aan haar bezwaar tegen de vordering ten grondslag heeft gelegd, te hebben onderzocht. De beslissing van de Rb dat het klaagschrift ongegrond is, is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03023 B

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft bij beschikking van 14 november 2015 het beklag van klaagster, gericht tegen het bevel tot uitlevering van gegevens op grond van art. 126a Sv, ongegrond verklaard.

2. Tegen de beslissing van de Rechtbank is namens klaagster is beroep in cassatie ingesteld. Mr. P.G. Grijpstra, advocaat te Helmond, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3. De procesgang in deze zaak is de volgende geweest.

De politie heeft in het bovengenoemde bevel, van 3 november 2014, aan klaagster het volgende bevolen:

“opgave te doen van of inzage dan wel afschrift te geven in of van bescheiden en gegevens:

Alle inhoudelijke gegevens inzake alle sale – lease back transacties waarin [klaagster] en/of aan [klaagster] gerelateerde (rechts)personen betrokken zijn en/of waarbij (mede) betrokkenheid is van één of meerdere van de volgende (rechts)personen of ondernemingen:

[A] BV…

[B] BV …

Stichting Administratiekantoor [B] BV …

[betrokkene 3] …

[C] BV …

[D] BV …

Stichting Administratiekantoor [D] BV …

Periode 1 januari 2009 tot heden

Degene tegen wie dit bevel is gericht is op het volgende gewezen:

De verstrekte bescheiden kunnen in beslag genomen worden in het kader van en ten behoeve van voormeld strafrechtelijk financieel onderzoek.

…”

Klaagster heeft op 14 november 2014 ingevolge art. 552a Sv tegen dit bevel bij de Rechtbank een klaagschrift ingediend.

De Rechtbank heeft bij beslissing van 24 maart 2015 het beklag ongegrond verklaard.

5. De Rechtbank heeft in haar beschikking ten aanzien van het beklag het volgende overwogen:

Standpunt Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft tot niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift geconcludeerd omdat beklag ex artikel 552a Sv tegen een bevel ex art. 126a Sv niet mogelijk is. Subsidiair heeft de officier gerekwireerd tot ongegrondverklaring van het beklag, omdat niet uitgesloten is dat de gegevens waarvan de uitlevering wordt bevolen relevant kunnen zijn binnen het SFO en de doelstelling daarvan.

Standpunt klaagster
Namens klaagster is aangegeven dat zij alle informatie en gegevens waarover zij beschikt ten aanzien van degene tegen wie het SFO is gericht, reeds aan de politie heeft verstrekt voorafgaand aan het bevel ex art 126 a Sv d.d. 3 november 2014. Daarnaast stelt klaagster dat de gegevens waarvan de uitlevering in het bestreden bevel wordt bevolen, redelijkerwijs niet relevant kunnen zijn voor de verkrijging van inzicht in de vermogenspositie van bedoeld SFO-object. Daarmee overschrijdt het bevel, aldus klaagster, de doelgebonden grenzen van de artikelen 126 en 126a Sv. Tenslotte bestaat volgens klaagster de mogelijkheid dat zij zich, door te voldoen aan het bevel, blootstelt aan het risico zelf strafrechtelijk te worden vervolgd, terwijl een bevel als het onderhavige niet aan (de) verdachte(n) mag worden gegeven.


Het oordeel van de rechtbank

Artikel 552a Sv biedt onder meer de mogelijkheid tot beklag ‘… over de vordering van gegevens …’. Daaronder valt naar het oordeel van de rechtbank ook een bevel tot uitlevering van gegevens als bedoeld in art. 126a Sv. Klaagster is dan ook ontvankelijk.

De Hoge Raad heeft in zijn rechtspraak omtrent art. 552a Sv bestendig beslist dat voor beslissingen buiten de kaders van dat wetsartikel geen wettelijk[e] grondslag bestaat. Binnen die limitatief opgesomde mogelijke uitkomsten van beklag op de voet van art. 552a Sv is niet opgenomen dat het beklag gegrond wordt verklaard met vernietiging of ongeldigverklaring van het bestreden bevel. Evenmin kan de rechtbank, zoals door klaagster verzocht:

-bepalen dat klaagster (als getuige) niet gehouden is te voldoen aan het bevel;

-het OM of de politie gelasten kenbaar te maken wat de status van klaagster is;

-het OM gelasten schriftelijk te bevestigen dat de door klaagster verstrekte (of nog te verstrekken) gegevens niet gebruikt (zullen/mogen) worden in een jegens haar nog aanhangig te maken strafzaak.

De klacht tegen de vordering van gegevens heeft geen opschortende werking ten aanzien van de plicht aan de vordering te voldoen. Wel kan – vervolgens – worden geklaagd over de kennisneming of het gebruik van de gevorderde en verkregen gegevens. Bovendien is het mogelijk om te verzoeken dat de verstrekte gegevens worden vernietigd (art. 552a lid 2 Sv).

Ten aanzien van de slagingskans van een eventuele klacht tegen de kennisneming of (verder) gebruik van de verkregen gegevens kan de rechtbank in dit stadium niet meer opmerken dan dat de toets naar aanleiding van een zodanig beklag een marginaal karakter heeft, indien het openbaar ministerie zou stellen dat het belang van strafvordering (waaronder ook het SFO valt) zich tegen gegrondverklaring van dat klaagschrift zou verzetten.

Gelet op al het bovenstaande zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”

6. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat art. 552a Sv niet de mogelijkheid toelaat van gegrondverklaring van het beklag onder de bepaling dat de klaagster (als getuige) niet is gehouden te voldoen aan het uit hoofde van art. 126a Sv gegeven bevel.

7. Het gaat in deze zaak om een beklag op grond van art. 552a Sv dat is ingesteld tegen de vordering van gegevens uit hoofde van art. 126a Sv.1 Dat artikel verschaft de wettelijke bevoegdheid daartoe aan de met de uitvoering van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (s.f.o.) belaste ambtenaar.2

8. De rechtbank oordeelt in dit geval, dat art. 552a Sv de mogelijkheid biedt om beklag te doen. Dat op grond van art. 552a lid 1 Sv geklaagd kan worden over de vordering van gegevens, gedaan binnen het s.f.o. blijkt naar ik meen wel genoegzaam uit de parlementaire geschiedenis van de Wet vorderen gegevens financiële sector3, in welk kader ook art. 126a Sv is aangepast. Met name is aan art. 126a Sv toegevoegd dat de te vorderen gegevens niet mogen betreffen “gegevens als bedoeld in artikel 126nd, tweede lid, derde volzin”. Het systematisch verband met de overige bepalingen ten aanzien van het vorderen van gegevens, die in het Wetboek van Strafvordering voorkomen is daarmee ondubbelzinnig gelegd.4 Ik citeer voorts uit de Kamerstukken: 5

“2. Inhoud van het wetsvoorstel

… Artikel 126a Sv betreft de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar om krachtens een machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) te vorderen opgave van gegevens te doen. Deze bevoegdheid is aan andere voorwaarden verbonden dan de voorgestelde bevoegdheden en is ingekaderd in het strafrechtelijk financieel onderzoek. Het strafrechtelijk financieel onderzoek strekt tot het verkrijgen van inzicht van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen vermogen, met het oog op de ontneming daarvan. Dit is een beperkt en specifiek doel. Artikel 126a kan alleen ten behoeve van het SFO worden toegepast. De voorgestelde bevoegdheden kunnen ook buiten het SFO worden toegepast, maar uitsluitend jegens instellingen in de financiële sector”

4. De voorgestelde bevoegdheden en hun plaats in het Wetboek van Strafvordering.

Voor alle bevoegdheden geldt daarnaast de beklagregeling van artikel 552a Sv. Anders dan de leden van de PvdA-fractie wellicht veronderstellen is dus in alle gevallen de beklagregeling van toepassing. Dit is bepaald in artikel I, onderdeel D, van het wetsvoorstel
.…”

Verder is bij de totstandkoming van de Wet Computercriminaliteit6 het volgende opgemerkt:

“Art. 552a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat betrekking heeft op de mogelijkheid van beklag, wordt zowel in het onderhavige wetsvoorstel als in het wetsvoorstel inzake bevoegdheden vorderen gegevens (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 441) gewijzigd. Om beide wijzigingen ineen te schuiven wordt art. 552a, eerste lid, bij deze nota van wijziging opnieuw geredigeerd waarbij derhalve tevens de elementen zijn verwerkt die afkomstig zijn van het genoemde andere wetsvoorstel. … De nieuwe, complete formulering van art. 552a Sv laat zien dat is voorzien in de mogelijkheid van beklag over de vordering van gegevens en over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, maar ook over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk en over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden.”7

9. Waar art. 552a Sv - ook volgens de Rechtbank - belanghebbenden derhalve de mogelijkheid biedt een klaagschrift in te dienen tegen de onderhavige vordering tot verstrekking van gegevens is het oordeel van de Rechtbank dat een klaagschrift niet ertoe kan strekken te “bepalen dat klaagster (als getuige) niet gehouden is te voldoen aan het bevel” naar mijn mening onjuist en tenminste onbegrijpelijk. Als een tegen de vordering gericht beklag gegrond wordt geacht, dan dient de Rechtbank op grond van art. 552a lid 7 Sv immers de “daarmede overeenkomende last” te geven en die kan, zolang althans aan de vordering nog niet is voldaan, naar ik meen heel wel inhouden dat de Rechtbank bepaalt dat de adressaat van de vordering daaraan niet hoeft te voldoen. Dat, zoals de Rechtbank nog nader overweegt, aan het beklag geen opschortende werking toekomt maak dat niet anders. Dat betekent hooguit – de Rechtbank gaat op dat spoor nog in – dat wanneer aan de vordering is voldaan het beklag tegen de kennisneming of het gebruik van de gegevens gericht kan worden. Bij elkander levert dat een samenhangend geheel van beklagmogelijkheden en dus rechtsbescherming op. De Rechtbank heeft dat dunkt mij miskend en is aldus aan een beoordeling van de eigenlijke gegrondheid van het beklag niet toe gekomen. Ook hetgeen de Rechtbank in veronderstellende zin opmerkt over de in haar ogen kennelijk geringe kans van slagen van een tegen de kennisneming of het gebruik van de gegevens gericht beklag kan niet als zodanig gelden – evenmin ter bepaling van het belang dat resteert na eventuele cassatie, aangezien aan de overweging van de Rechtbank geen realistische prognose valt te ontlenen. Al met al geeft de beslissing van de Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de reikwijdte van art. 552a Sv en is zij tevens ontoereikend gemotiveerd.

10. Het middel slaagt. Gelet daarop behoeven de overige middelen geen bespreking.8

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ingevoerd bij Wet van 10 december 1992, Stb 1993/11 (21 504), laatstelijk gewijzigd bij Wet van 16 juli 2005, Stb 2005/390 (Wet bevoegdheden vorderen gegevens).

2 Kamerstukken II, 21 504, MvT nr. 3, p. 32-33 (Stb. 1993/11).

3 Wetsvoorstel 28 353, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van bevoegdheden tot het vorderen van gegevens van instellingen in de financiële sector, mede ter uitvoering van het op 16 oktober 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Protocol bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (vorderen gegevens financiële sector).

4 Zie voor een aantal overblijvende vraagpunten op dit gebied – en dat zijn er nogal veel – mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan HR 31 januari2012, ECLI:NL:PHR:2012:BT7126.

5 Kamerstukken II, 28 353, Nota naar aanleiding van het verslag (nr. 6).

6 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie (computercriminaliteit II).

7 Kamerstukken II, 2004-2005, 26 671 nr. 7, (Tweede Nota van Wijziging) bij Wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie (computercriminaliteit II), onder 23.

8 Waarbij ik echter nog wel opmerk dat hetgeen als Middel 4 in de schriftuur wordt aangedragen geen middel van cassatie behelst, aangezien in dit ‘middel’ slechts wordt verzocht aan de Hoge Raad om in ruime mate gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie. Het gestelde voldoet in zoverre niet aan de eis dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht inhoudt die gericht is tegen de in cassatie bestreden beslissing van de rechter. Ik verwijs de opsteller van de schriftuur naar Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 207.