Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2694

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-12-2015
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
14/06301
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:303, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Als gevolg van letsel opgelopen door een aanrijding een aantal weken geen vrijwilligerswerk kunnen verrichten. Art. 6 WVW 1994, uitleg bestanddeel “zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat”. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2001:AA9370 m.b.t. de uitleg van “normale bezigheden” a.b.i. art. 6 WVW 1994. Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat X door de aanrijding een scheur in zijn borstbeen heeft opgelopen en dat deze als gevolg daarvan gedurende een aantal weken geen vrijwilligerswerk - bestaande uit het als bestuurslid bijwonen van vergaderingen en activiteiten - heeft kunnen verrichten. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat sprake was van tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden a.b.i. art. 6 WVW 1994. De bewezenverklaring is in dit opzicht toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/17
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06301

Zitting: 15 december 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 19 november 2014 de verdachte wegens 1 primair en 3. de eendaadse samenloop van “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet” en ”overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de verdachte ter zake van feit 1 de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren ontzegd.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen heeft omkleed, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat aan een ander, te weten [slachtoffer] , zodanig letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering van zijn normale bezigheden is ontstaan.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op 22 februari 2013 te Ede als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Mercedes-Benz, kenteken [AA-00-BB] ), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer bestemde weg, de Amhemseweg, gaande in de richting van de kruising van deze weg met de Raadhuisstraat/Klinkenbergerweg, zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

- terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol en

- terwijl hij onder invloed verkeerde van drugs en

- terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd en

- (daarbij) niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die Arnhemseweg en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten, en

- (daarbij) in strijd met artikel 62, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, namelijk inhoudende "Stop", immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en

- (vervolgens) de kruising is op gereden, en

- (vervolgens) in aanrijding is gekomen met een personenauto, welke die kruising overstak,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.”

5. Deze bewezenverklaring steunt ten aanzien van het letsel dat ten gevolge van het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval aan [slachtoffer] is toegebracht op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een proces-verbaal aanrijding misdrijf van de politie van 22 februari 2013, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 2):

“Op 22 februari 2013 te 00.44 uur kregen wij kennis van een verkeersongeval.

Locatie ongeval

Datum: 22 februari 2013

Omstreeks: 00.44 uur

Adres: Raadshuisstraat

Plaats: Ede Gld

Gemeente: Ede

Op de kruising met

Adres: Arnhemseweg

Plaats: Ede Gld

Gemeente: Ede

Soort weg: een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Aangetroffen situatie

Omstreeks 00.47 uur kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse. Beide voertuigen waren total loss. Wij werden door een persoon aangesproken, die een bewoner was van een naastgelegen woning. Deze man had de klap gehoord, was gaan kijken en verklaarde tegenover ons dat de bestuurder van de rode Mercedes was weggerend, het Heuvelsepad in, in de richting van de Van Heeckerenlaan.

Omstreeks 1.07 uur werd deze bestuurder, verder genoemd “verdachte”, door collega’s van een andere noodhulpeenheid aangetroffen en aangehouden.

Dienst Verkeers Ongevallen Analyse

Op 22 februari 2013, omstreeks 1.30 uur, werd er op de plaats van het ongeval een uitgebreid sporenonderzoek ingesteld door de dienst Verkeers Ongevallen Analyse. Van dit onderzoek wordt afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

Verdachte

Achternaam: [achternaam verdachte]

Voornaam: [voornaam verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1982

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Geslacht: Man

Betrokken partijen/objecten

Betrokkene 1 (voertuig): Personenauto [AA-00-BB] Mercedez-Benz

Materiële schade: total loss

Eigenaar/houder: [betrokkene]

Bestuurder: [verdachte]

Rijbewijs: rijbewijs bleek voor de betreffende categorie ongeldig te zijn verklaard.

Betrokkene 2 (voertuig) Personenauto [CC-00-DD] Peugeot

Materiële schade: total loss

Bestuurder: [slachtoffer]

Letsel

Bij het ongeval heeft onderstaand persoon letsel opgelopen.

Achternaam: [achternaam slachtoffer]

Voornamen: [voornamen slachtoffer]

Vervoerd naar het ziekenhuis: Ja

Opgenomen: Ja

Letsel: scheur in borstbeen

Onderzoek alcohol en/of andere stoffen

Tegen [verdachte] is een onderzoek ingesteld naar het gebruik van zowel alcohol alsook andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.”

(ii) Een op 22 februari 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 4):

“Op 22 februari 2013, omstreeks 00:30 uur, reed ik met mijn personenauto van het merk Peugeot, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , over de Raadhuisstraat te Ede. Ik kwam uit de richting van de Molenstraat en was gaande in de richting van de Klinkenbergerweg te Ede. Ik zag dat het verkeerslicht op het kruispunt Raadhuisstraat, Arnhemseweg en de Klinkenbergerweg voor mij op groen stond. Vervolgens ging alles heel snel. Ik heb geen personenauto aankomen zien rijden over de Raadhuisstraat. Ik hoorde ineens een harde knal. Ik heb niemand horen remmen. Het volgende moment stond ik stil en rook ik een brandlucht. Aangezien ik de brandlucht rook, ben ik zo snel mogelijk uit mijn auto gestapt. Ik zag dat een man uit de auto was gestapt die mij had aangereden. Deze personenauto stond aan de andere kant van de weg stil. Ik zag dat dit een Mercedes betrof. Ik zag dat deze man uit de bestuurderskant uitstapte. Ik zag dat deze man vervolgens wegrende over de Klinkenbergerweg. Ik had last van mijn borst. Op een gegeven moment kwamen de politie en de ambulance. Ik moest met de ambulance mee naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis heb ik te horen gekregen dat ik een scheurtje in mijn borstbeen heb.”

(iii) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 oktober 2013 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 5):

“Ik heb als gevolg van het ongeval een scheur in mijn borstbeen opgelopen. Ik heb daar een paar weken last van gehad. Ik had spierpijn en kon me niet voor honderd procent bewegen. Ik deed toen vrijwilligerswerk. Ik was bestuurslid van twee musea. In dat kader woonde ik vergaderingen en activiteiten bij. Dat heb ik een paar weken niet kunnen doen. Ik had meer vrijwilligerswerk waar ik toen niet aan toe kon komen. Ik ben ook bestuurslid van Stichting Studiecentrum. Die hadden ook een vergadering en daar kon ik ook niet bij zijn. Ik heb die twee weken ook geen huis-, tuin- en keukenbezigheden kunnen doen. Ik deed geen zwaardere klussen. Gedurende twee weken mocht ik niet te zwaar tillen. Gedurende diezelfde tijd kon ik ook geen boodschappen doen. Ik heb de twee weken na het ongeval ook niet kunnen wandelen en fietsen.”

6. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsvrouwe van de verdachte opgemerkt dat de rechtbank de verdachte terecht heeft vrijgesproken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden bewezen dat aan het slachtoffer ( [slachtoffer] ) door het ongeval zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, op de grond dat [slachtoffer] meermalen heeft aangegeven dat zijn lichamelijke klachten als gevolg van de aanrijding (slechts) twee weken hebben geduurd.

7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende overwogen ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] :

“Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde. Volgens haar kan niet bewezen worden dat het slachtoffer door het ongeluk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, zodat verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde zou moeten worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsvrouw kan tot een bewezenverklaring worden gekomen van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden en daardoor in aanrijding is gekomen met een automobilist die de kruising overstak. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Voorts volgt uit de inhoud van die bewijsmiddelen dat het slachtoffer door de aanrijding een scheur in zijn borstbeen heeft opgelopen. Hij heeft verklaard dat hij gedurende twee weken verhinderd was om zwaardere klussen en huis-, tuin- en keukenbezigheden te doen. Het slachtoffer verrichtte tevens diverse soorten vrijwilligerswerk en hij heeft dit gedurende een aantal weken niet kunnen doen, zoals hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard. Naar het oordeel van het hof is dit letsel wel degelijk aan te merken als “zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan” in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het criterium van dit artikel is immers ruimer dan het criterium van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het niet alleen zwaar lichamelijk letsel omvat. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de periode waarin het slachtoffer verhinderd is geweest zijn normale bezigheden uit te voeren van voldoende importantie is om van het letsel te spreken als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.”

8. De tenlastelegging is wat betreft feit 1 toegesneden op art. 6, in verbinding met art. 176, eerste lid, onder b, en derde lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994). Daarom moeten de in de bewezen verklaarde tenlastelegging voorkomende woorden “tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 6 WVW 1994.

9. Art. 6 WVW 1994 luidt als volgt:

“Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.”

10. De memorie van toelichting1 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wegenverkeerswet 1994, houdt ten aanzien van art. 5 WVW 1994, welke bepaling nadien is vernummerd tot art. 6 WVW 1994, en de daarin opgenomen woorden “tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden” het volgende in:

"Een ander punt waarop artikel 5 zich onderscheidt van artikel 36 van de Wegenverkeerswet, is de omschrijving van letsel dat weliswaar niet onder het begrip zwaar lichamelijk letsel valt, doch dat wel zo ernstig is dat sanctionering ingevolge artikel 5 op haar plaats is. Artikel 36 omschrijft dit letsel als ‹‹zodanig lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden ontstaat››.

Naar de huidige opvattingen lijkt het niet juist de ernst van het feit waarvan een verwijt wordt gemaakt, te relateren aan het al dan niet gehinderd worden in de ‹‹ambts- of beroepsbezigheden››.

Veeleer is bepalend of iemand wordt gehinderd in de uitoefening van zijn normale bezigheden, ongeacht of dit ‹‹ambts- of beroepsbezigheden›› zijn. Artikel 5 voorziet in een aanpassing in vorenbedoelde zin.”

11. Voorts houdt de memorie van antwoord2 bij voornoemd wetsvoorstel dienaangaande nog het volgende in:

"Artikel 5 is een op het wegverkeer toegesneden vertaling van de in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bepalingen inzake dood door schuld (artikel 307) en zwaar lichamelijk letsel door schuld (artikel 308).

(…)

Artikel 5 heeft voor zoveel hier van belang betrekking op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en het toebrengen van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. De vraag van de leden van de PvdA-fractie berust op een verkeerde lezing van het artikel. Voor zover deze leden bedoelen te vragen waarom het artikel niet ziet op lichamelijk letsel zonder meer wordt herhaald dat de bepaling o.a. een wegenverkeersrechtelijke vertaling is van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht dat met name het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel betreft. Hiervoor is al aangeduid dat wij ons bij die bepaling willen aansluiten."

12. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 6 WVW 1994 blijkt aldus dat de wetgever bewust niet heeft gekozen voor het bestanddeel “ambts- of beroepsbezigheden”, zoals in art. 308 Sr, hoewel de bepaling wel is gezien als de verkeersrechtelijke pendant van art. 308 Sr. Ook als het slachtoffer geen ambt bekleedt of beroep uitoefent, maar door het verkeersongeval wel tijdelijk uit de roulatie is, kan sprake zijn van (tijdelijke) verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. De Hoge Raad leidt uit de wetsgeschiedenis af dat onder “normale bezigheden” ambts- of beroepsbezigheden of bezigheden die daarmee vergelijkbaar zijn moeten worden verstaan.3 Bezigheden als huisvrouw of huisman, het volgen van een opleiding en het doen van vrijwilligerswerk kunnen in deze benadering onder de uitoefening van normale bezigheden vallen. Mijn ambtgenoot Knigge leidt uit de rechtspraak af dat het moet gaan om de taak of functie die het slachtoffer in het maatschappelijk leven vervult. Tegen deze achtergrond ligt het niet voor de hand aan te nemen dat ook de uitoefening van een bepaalde hobby onder de normale bezigheden kan worden geschaard.4

13. In HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4827 oordeelde de Hoge Raad dat het hof uit de aard van het letsel en de verwachte duur van de arbeidsongeschiktheid had kunnen afleiden dat het letsel “een zodanig ernstige verstoring van het gezonde lichamelijk functioneren van het slachtoffer” teweeg had gebracht, dat sprake was van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden zoals bedoeld in art. 6 WVW 1994. In die zaak had het slachtoffer als gevolg van het ongeval aangezichtskneuzingen en een gekneusde linkerpols opgelopen, terwijl het slachtoffer naar verwachting vier weken arbeidsongeschikt zou zijn. In een andere zaak had het slachtoffer als gevolg van de aanrijding een zware hersenschudding opgelopen en daardoor bijna vier weken niet kunnen werken. Ook in deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat het hof had kunnen aannemen dat sprake was van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.5 Gelet op de aard van het letsel en de geschatte duur van de genezing, gold hetzelfde in een zaak waarin het slachtoffer door het ongeval een hielbeenbreuk had opgelopen, waarbij de geschatte genezingsduur een half jaar bedroeg.6 In HR 25 januari 2005, VR 2005/90 had het slachtoffer als gevolg van een verkeersongeval een ontsteking aan de slijmbeurs en een wond aan de knie opgelopen, terwijl zij niet had kunnen solliciteren voor chauffeurswerkzaamheden en negen maanden na het voorval nog steeds lichamelijke klachten had. Het hof achtte bewezen dat tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden was ontstaan, als bedoeld in art. 6 WVW 1994. Het namens de verdachte tegen het arrest ingestelde beroep in cassatie werd met toepassing van art. 81, eerste lid, RO verworpen.7 Daarentegen kan uit het enkele feit dat het slachtoffer pijn in haar rug heeft en door het ongeval verwondingen heeft opgelopen, niet zonder meer worden afgeleid dat zij tijdelijk ziek is geweest of verhinderd is geweest haar normale bezigheden te verrichten.8 In HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9370, NJ 2001/162 volgde uit de bewijsmiddelen dat het slachtoffer een bloeduitstorting aan de enkel in combinatie met een (mogelijke) fractuur aan een sprongbeen en bandscheuren aan een voet had opgelopen. De Hoge Raad oordeelde dat niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat het slachtoffer als gevolg van het toegebrachte letsel tijdelijk verhinderd is geweest haar normale bezigheden te verrichten.

14. Uit de rechtspraak volgt dat in een zaak als de onderhavige uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het door het ongeval ontstane letsel tot gevolg heeft gehad dat daadwerkelijk sprake is geweest van tijdelijke ziekte of verhindering van de normale bezigheden van het slachtoffer. Daarbij kunnen de aard van het letsel en de (verwachte) genezingsduur van betekenis zijn. De enkele verwijzing naar het letsel is in voorkomende gevallen onvoldoende. Aangenomen kan voorts worden dat de duur van de tijdelijke verhindering zodanig moet zijn dat de betrokkene daadwerkelijk enige tijd uit de roulatie is. Een minimumduur valt in dit verband echter bezwaarlijk in algemene zin te geven. De term “tijdelijke” biedt in dat verband weinig houvast. In verband met art. 308 Sr, wordt in Noyon, Langemeijer & Remmelink opgemerkt dat de term “tijdelijke ziekte” in deze bepaling onmiskenbaar staat tegenover ziekte die geen uitzicht op genezing overlaat, als vermeld in art. 82 Sr. Ook het begrip (tijdelijke) verhindering wordt in dit licht bezien. Ten aanzien van de duur van de verhindering, wordt opgemerkt dat het openbaar ministerie een termijn van zes weken lijkt aan te houden, maar dat in de rechtspraak kortere termijnen kunnen worden aangetroffen.9 Zo bedroeg de verhindering beroepsbezigheden uit te oefenen in HR 22 mei 1922, NJ 1923, p. 1079 “een dag of veertien”.

15. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat het letsel van het slachtoffer als gevolg van de aanrijding is aan te merken als “zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan” in de zin van art. 6 WVW 1994. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De aangever in de onderhavige zaak had geen beroep.10 Wel deed hij ten tijde van het ongeval, naast “huis-, tuin- en keukenbezigheden”, vrijwilligerswerk. Hij heeft als gevolg van het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval een scheur in zijn borstbeen opgelopen. Door het ongeval was hij gedurende twee weken verhinderd om zwaardere klussen en huis-, tuin- en keukenbezigheden te doen. Gedurende een aantal weken heeft de aangever geen vrijwilligerswerk kunnen verrichten. Hij heeft verklaard dat hij als vrijwilliger bestuurslid van twee musea en bestuurslid van de Stichting Studiecentrum was en dat hij in die hoedanigheid als gevolg van het ongeval een paar weken geen vergaderingen en activiteiten heeft kunnen bijwonen (bewijsmiddel 5). Daarnaast heeft het hof ten aanzien van de duur van de genezing nog vastgesteld dat de periode van twee weken, waarin de aangever verhinderd is geweest zijn normale bezigheden uit te voeren, van voldoende importantie is geweest. Ook dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik niet onbegrijpelijk. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt immers niet dat alleen dan sprake kan zijn van een tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden, zoals bedoeld in art. 6 WVW 1994, indien de verhindering minimaal vier weken heeft geduurd, zoals de steller van het middel lijkt te veronderstellen.11 Een periode van veertien dagen kan niet als dusdanig kort worden aangemerkt, dat het hof niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake was van tijdelijke ziekte of verhindering in de zin van art. 6 WVW 1994. Daarbij merk ik nog op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer als gevolg van het door het ongeval ontstane letsel was verhinderd in de uitoefening van bezigheden in de functie die hij in het maatschappelijk verkeer vervulde, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan het vrijwilligerswerk. Gelet op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

16. Anders dan de steller van het middel betoogt, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat het hof niet een medische verklaring betreffende het letsel van de aangever tot het bewijs heeft gebezigd. Gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter, stond het het hof immers vrij wat het letsel en de daaruit ontstane verhindering betreft (hoofdzakelijk) af te gaan op de verklaringen van de aangever.

17. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel voorts de klacht dat het hof de voor het bewijs gebruikte verklaring van [slachtoffer] heeft gedenatureerd door bepaalde passages weg te laten. Volgens de steller van het middel lijkt het er door het weglaten van de in de schriftuur onderstreepte passages op dat [slachtoffer] uitsluitend ten gevolge van het lichamelijke letsel gedurende een aantal weken geen vrijwilligerswerk heeft kunnen doen, terwijl dit in werkelijkheid voor een belangrijk deel werd veroorzaakt door het ontbreken van zijn, total loss gereden, auto en door psychische klachten.

18. De klacht doelt op de door het hof als bewijsmiddel 5 tot het bewijs gebezigde, op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde, verklaring van [slachtoffer] , waarvan de inhoud hiervoor onder 5 sub iii is weergegeven.

19. De hiervoor genoemde verklaring van [slachtoffer] luidt, zoals blijkt uit het onderliggende proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 oktober 2013, als volgt:

“Lichamelijk gaat het nu prima en heb ik geen last meer van het ongeval. Geestelijk ben ik het nog niet vergeten. Ik rijd regelmatig langs dat kruispunt en dan heb ik weer herinneringen aan het ongeval. Het was een behoorlijke klap. Ik denk dat de verdachte zelfs harder reed dan 70 kilometer per uur want onze beide auto’s waren total loss. Ik heb als gevolg van het ongeval een scheur in mijn borstbeen opgelopen. Ik heb daar een paar weken last van gehad. Ik had spierpijn en kon me niet voor honderd procent bewegen. De breuk moest spontaan genezen.

Ik deed toen vrijwilligerswerk. Ik was bestuurslid van twee musea. In dat kader woonde ik vergaderingen en activiteiten bij. Dat heb ik een paar weken niet kunnen doen. Ik denk dat ik na het ongeval twee weken niet in de auto heb gezeten. Ik zat toen thuis en heb geen persoonlijke contacten kunnen onderhouden. Het klopt dat ik twee bestuursvergaderingen niet heb kunnen bijwonen. Ik had meer vrijwilligerswerk waar ik toen niet aan toe kon komen. Ik ben ook bestuurslid van Stichting Studiecentrum. Die hadden ook een vergadering en daar kon ik ook niet bij zijn. Verder kan ik me niet iets herinneren dat ik niet kon doen als gevolg van het ongeval.

U zegt mij dat u mij dit vraagt in het kader van de vraag of ik verhinderd was gedurende een bepaalde tijd mijn dagelijkse werkzaamheden te verrichten. Ik kan u zeggen dat het feit dat ik geen auto had, er wel aan bijdroeg dat ik nergens heen kon. Ik kon de vergaderingen dan niet bijwonen. Het niet hebben van persoonlijke contacten kwam ook omdat ik geen auto kon rijden. Ik was aan huis gekluisterd. Thuis kon ik wel wat doen.

Dat ik twee weken geen auto heb kunnen rijden was vanwege het letsel maar ook omdat ik geen auto had. Ik kreeg vrij snel weer een huurauto. Ook psychisch heeft het even geduurd voordat ik weer in de auto durfde te zitten. Ik heb die twee weken ook geen huis-, tuin-, en keukenbezigheden kunnen doen. Ik had spierpijn overal in mijn lichaam. Ik deed geen zwaardere klussen. Dit was zo gedurende maximaal twee weken. Lichamelijk kon ik na die twee weken alles doen wat ik voor het ongeval ook deed. Geestelijk was er daarna nog wel sprake van een barrière ten aanzien van het weer durven rijden. Ik ben het nog steeds niet helemaal kwijt. De verdachte heeft mij twee maanden later uitgenodigd voor een kop koffie. Hij wilde mij laten weten wat voor aardige jongen hij was. Ik heb hem gezegd dat ik daar geen behoefte aan had. Het was voor mij te laat.

Ik ben midden in de nacht aangereden. Er was toen verder niemand aanwezig. Dat is emotioneel heel zwaar voor mij geweest. Waar kon ik hulp vandaan halen? Er kwamen later wel mensen op het geluid van de klap af.

Op vragen van de officier van justitie kan ik zeggen dat ik ook gedurende twee weken niet te zwaar mocht tillen. Gedurende diezelfde tijd kon ik ook geen boodschappen doen. Binnen twee weken w:as alles zo’n beetje voorbij. Daarna kon ik me redelijk bewegen en mijn vrijwilligerswerkzaamheden doen. Zeker gedurende de eerste twee weken had ik pijn bij het liggen en als ik diep ademhaalde. Door medicijnen was de eerste ergste pijn weg. De eerste nacht was vreselijk ook vanwege de angst die ik had niet te weten of ik meer letsel had. Ik dacht eerst dat ik een hartaanval had. De dokter heeft ook gezegd dat mijn borstbeen door mijn hart had kunnen gaan of dat het later door zwelling mijn hart had kunnen raken. Nu is het medisch gezien helemaal genezen. Dat was het na twee weken ook alweer. Ik denk dat het de week erna was dat ik een controle had en die was goed. Ik heb de twee weken na het ongeval ook niet kunnen wandelen en fietsen. Omdat mijn nieren een klap hadden gehad had ik na het ongeval bloed in mijn urine. Uit de controle bleek dat dat over was.

De verzekering heeft alle schade vergoed. Immaterieel was dat € 1500,- en materieel, omdat de auto total loss was, € 8.000,- â € 9.000,-.”

20. Het is aan de feitenrechter voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren en eventueel samen te vatten die hem betrouwbaar en nuttig voorkomen om daarop zijn oordeel te baseren en andere delen van de verklaring terzijde te laten.12 Wat in de uitspraak wordt weergegeven, mag niet in strijd zijn met de bewoordingen van de originele verklaring.13De vrijheid van de feitenrechter vindt haar grens daar waar een verklaring, door de wijze waarop zij is weergegeven en/of door de selectie van onderdelen ervan voor wat betreft die geselecteerde onderdelen, een betekenis zou krijgen die degene die haar heeft afgelegd daaraan niet heeft willen toekennen.14 De rechter mag aan het gebruikte onderdeel van een verklaring dus niet een andere betekenis geven dan de betekenis die dat onderdeel in het verband van de gehele verklaring had. Dat zou neerkomen op een ontoelaatbare denaturering van de verklaring.15

21. Het hof heeft de op de terechtzitting in eerste aanleg als getuige afgelegde verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar geacht, voor zover hij heeft verklaard dat hij als gevolg van het ongeval een scheur in zijn borstbeen heeft opgelopen, een paar weken geen vrijwilligerswerk heeft kunnen doen, twee weken geen huis-, tuin- en keukenbezigheden en zwaardere klussen heeft kunnen doen, twee weken geen boodschappen heeft kunnen doen en twee weken niet heeft kunnen wandelen en fietsen. Het hof heeft ervoor gekozen andere delen van de verklaring van [slachtoffer] niet voor het bewijs te gebruiken. Daarbij gaat het in het bijzonder om zijn verklaring voor zover inhoudende dat hij twee weken geen auto heeft kunnen rijden vanwege het letsel maar ook omdat hij geen auto had en dat het ook psychisch even heeft geduurd voordat hij weer in de auto durfde te zitten.

22. Het hof heeft aldus geen andere betekenis gegeven aan de inhoud van de verklaring van [slachtoffer] . Anders dan de steller van het middel veronderstelt, volgt uit de originele verklaring van [slachtoffer] niet dat de omstandigheid dat hij gedurende twee weken was verhinderd in de uitoefening van zijn normale bezigheden voor een belangrijk deel was veroorzaakt door het ontbreken van zijn, total loss gereden, auto en zijn psychische klachten. Daarbij moet worden bedacht dat de getuige in de eerste twee alinea’s van de onder 19 geciteerde verklaring de gevolgen van het ongeval bespreekt en dat daarin niet wordt gerept over de betekenis van het ontbreken van een auto. De getuige noemt voorts de verhindering in de uitoefening van bezigheden die in geen verband staan tot de beschikbaarheid van een auto, zoals het doen van zwaardere klussen, tillen en “huis-, tuin- en keukenbezigheden”.

23. Gelet op het voorafgaande en in licht van hetgeen hiervoor onder 20 is voorop gesteld, heeft het hof de op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van [slachtoffer] tot het bewijs kunnen bezigen, met weglating van de in de klacht bedoelde passages, zonder de feitelijke inhoud van de verklaring te veranderen.16

24. Ik kom tot de slotsom dat het hof uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit “tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden” is ontstaan. Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 1 voldoende met redenen omkleed.

25. Het middel faalt.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 68 (Stb. 1994, 475).

2 Zie Kamerstukken II 1991-1992, 22 030, nr. 6, p. 91 (Stb. 1994, 475).

3 Vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5693, rov. 3.3 en HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9370, NJ 2001/162, rov. 3.5.

4 Zie de conclusie (ECLI:NL:PHR:2005:AU1959) onder 7 voorafgaand aan HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1959, NJ 2006/105. Vgl. voorts J. Remmelink, voortgezet door M. Otte, bewerkt door A.E. Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 108. Zie ten aanzien van art. 308 Sr: HR 13 mei 1952, NJ 1952/664 (volontair in een landbouwbedrijf).

5 Zie HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5693.

6 Zie HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1959, NJ 2006/105.

7 Zie voorts HR 25 juni 1963, NJ 1964/426 voor een geval waarin tijdelijke ziekte werd aangenomen.

8 Zie HR 11 oktober 2005, VR 2006/133.

9 Zie A.J. Machielse in Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 4 bij art. 308 Sr (bijgewerkt tot 1 februari 2008).

10 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, p. 2.

11 Vgl. ten aanzien van art. 308 Sr HR 13 mei 1956, NJ 664 (een periode van drie weken) en HR 22 mei 1922, NJ 1923, p. 1079 (een dag of veertien).

12 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Sch, rov. 3.8, HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5 en HR 23 oktober 1990, NJ 1991/328, rov. 5.3.

13 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7487, NJ 2006/550, rov. 5.5.

14 Vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7592, rov. 3.5.

15 Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377, rov. 3.3, HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR: 2007:AY9172, NJ 2007/71, rov. 4.2, HR 4 januari 2000, NJ 2000/225, rov. 3.5, HR 8 oktober 1991, NJ 1992/155, rov. 6.1 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 766.

16 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Sch, rov. 3.8 en HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5.