Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2693

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-12-2015
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
15/00192
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:302, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Bijzondere voorwaarde. Art. 14c.2 onder 5° (oud) Sr (thans art. 14c.2 onder 14° Sr). 2. Vordering b.p., wettelijke rente. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1968:AB6079 m.b.t. het feit dat een bijz. voorwaarde a.b.i. art. 14c.2 onder 5° (oud) Sr (thans art. 14c.2 onder 14° Sr) het gedrag van veroordeelde dient te betreffen en dat als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. De bijz. voorwaarde dat "de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen", is i.s.m. genoemde bepaling omdat deze voorwaarde niet voldoet aan voornoemde maatstaven. Daarbij heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat het Hof weliswaar kennelijk het oog had op gedrag dat met - kort gezegd - kinderporno verband houdt, maar daartoe niet een voldoende precies gedragsvoorschrift heeft geformuleerd, alsmede dat het toezicht op de naleving van voorwaarden, is geregeld en een bijz. voorwaarde in de zin van art. 14c.2 onder 14º, Sr, niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeen komt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen op de veelomvattende en ingrijpende wijze zoals in de onderhavige voorwaarde is geformuleerd. Ad 2. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie AG onder 23 t/m 25 moet worden aangenomen dat als gevolg van een kennelijke vergissing in de bestreden uitspraak is vermeld dat het aan de b.p. X toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2010, de dag dat het onder 2 bewezenverklaarde feit is gepleegd, in plaats van vanaf 13 november 2010, de dag waarop het onder 1 bewezenverklaarde feit jegens de b.p. is gepleegd. De Hoge Raad herstelt deze misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/68 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00192

Zitting: 1 december 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 25 augustus 2014 – met aanvulling van de verwerping van het verweer inzake de partiële nietigheid van de dagvaarding – bevestigd het vonnis van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 29 oktober 2013, waarbij de verdachte wegens 1. “Een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd, en een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd” en 2. “Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts zijn de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1 mede heeft gebaseerd op bewijsmiddelen die een andere periode dan de bewezenverklaarde pleegperiode beslaan nu het Hof ervan uitgaat dat de foto’s van [benadeelde partij 2] in de maand mei 2009 zijn vervaardigd.

4. Het middel gaat uit van een te beperkte lezing van de overwegingen van het Hof1. In de eerste plaats omdat het Hof onder 1 niet alleen het – kort gezegd – vervaardigen van kinderporno van [benadeelde partij 2] bewezen heeft verklaard maar het in de periode van 19 oktober 2009 tot en met 8 september 2011 meermalen vervaardigen van kinderporno van niet met name genoemde personen/meisjes. Het Hof heeft naast de in het middel bedoelde overwegingen betreffende “het vervaardigen ten aanzien van [benadeelde partij 2] ” ook uitvoerig uiteengezet waarom ten aanzien van [benadeelde partij 1] sprake is van het vervaardigen van kinderporno. In de tweede plaats verdient opmerking dat uit de overwegingen van het Hof inderdaad – zoals de steller van het middel opmerkt – volgt dat de op de telefoon van verdachte aangetroffen foto’s van [benadeelde partij 2] in de maand mei 2009 zijn vervaardigd hetgeen buiten de bewezenverklaarde periode valt, maar het Hof heeft ook als bewijsmiddel gebezigd de verklaring van [benadeelde partij 2] waaruit volgt dat verdachte vaker foto’s met zijn mobiel van onder meer haar vagina maakte en dat hij dit deed toen zij ongeveer 13 jaar oud – in 2009 – was. Ook voor het overige is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.

5. Het middel faalt.

6. Het tweede middel klaagt over de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde en behelst in de kern de klacht dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv.

7. De door de steller van het middel beschreven onduidelijkheid tussen ondersteunde en ondersteunende verklaringen laat ik rusten aangezien er slechts spijkers op laag water worden gezocht. De vraag die moet worden gesteld (en beantwoord) is of de bewezenverklaring van feit 2 enkel berust op de verklaringen van aangeefster [benadeelde partij 2] of dat er andere bewijsgronden zijn die voldoende steun geven aan haar verklaring2. Het vereiste van voldoende steun lijkt het beste te kunnen worden omschreven als een eis van inhoudelijk verband. Die eis sterkt er vooral toe, dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.3

8. Voorop staat dat in het bevestigde vonnis bijzondere overwegingen zijn gewijd aan de vraag welk bewijs er naast de aangifte is voor een bewezenverklaring. De getuige [getuige] , vader van aangeefster, heeft verklaard dat in oktober of november 2009 zijn dochter huilend naar beneden kwam en hem vertelde dat zij zes of zeven jaar geleden meerdere keren seksueel was misbruikt door de toenmalige buurman, verdachte. Voorts heeft de vader verklaard dat als de kinderen van school kwamen zij altijd eerst door verdachte werden opgevangen en dat als hij ergens heen moest de kinderen altijd bij verdachte terecht konden. De vriendin van aangeefster, [betrokkene 2] , heeft ook verklaard dat zij van aangeefster heeft gehoord dat ze was misbruikt door haar buurman [verdachte]. Aangeefster heeft haar verteld dat dit vanaf haar zesde was begonnen en dat het begin 2013 voor het laatst was gebeurd. De getuige heeft voorts verklaard dat aangeefster niet alles uit zichzelf vertelde maar dat zij het uit haar moest trekken. Uit deze verklaringen kan grensoverschrijdend gedrag van verdachte jegens [benadeelde partij 2] worden afgeleid. Daarnaast heeft het Hof blijkens zijn overwegingen meegewogen dat verdachte kinderpornografische foto’s van aangeefster heeft gemaakt. Voornoemd steunbewijs (in onderlinge samenhang bezien) brengt mee dat aan het vereiste van voldoende steun is voldaan. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de aangifte van [benadeelde partij 2] voldoende steun vindt in ander gebezigd bewijsmateriaal en dat aldus is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

9. Het middel faalt.

10. Het derde middel bevat de klacht dat de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen strijdig is met het in art. 8 EVRM verankerde recht op privacy (family life).

11. De in het (door het Hof bevestigde) vonnis gestelde bijzondere voorwaarde luidt als volgt:

“Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat:

de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen.”

12. De van belang zijnde wets- en verdragsbepalingen luiden als volgt.
Het toepasselijke wettelijke voorschrift art. 14c Sr is in de periode tussen het plegen van de feiten en de berechting daarvan enkele malen gewijzigd.

Van 1 april 1995 tot 1 oktober 2010 en daarmee ten tijde van het plegen van tenlastegelegde feiten luidde art. 14c Sr, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

(…)

5°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen.”

Met ingang van 1 april 2012 en daarmee ten tijde van de bestreden uitspraak van 25 augustus 2014 luidde art. 14c Sr, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:

a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

b. de veroordeelde, voor zover aan de toepassing van artikel 14a bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid zijn gesteld:

1°. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

(…)

14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.”

Art. 14d, eerste lid, Sr houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
“Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast.”

Art. 14f houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
“1. De rechter die de voorwaarde heeft gesteld kan hetzij na de ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde de proeftijd verkorten of deze éénmaal verlengen. De verlenging geschiedt met ten hoogste twee jaren.
2. Evenzo kan de in het eerste lid bedoelde rechter gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een opdracht als bedoeld in artikel 14d geven, wijzigen of opheffen.”

Art. 8 EVRM houdt in:

“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

13. Uit zowel het oude als het huidige art. 14c Sr volgt dat de daarin genoemde bijzondere voorwaarden mogelijk zijn4 maar dat ook (onbenoemde) bijzondere voorwaarden mogelijk zijn onder de paraplu van “voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende”5. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 26 november 1968, NJ 1970, 123 met betrekking tot art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr).

14. In de bestreden uitspraak is niet afzonderlijk gemotiveerd waarom de bijzondere voorwaarde is opgelegd6. Een expliciete tot de rechter gerichte motiveringsverplichting is op dit punt niet in de wet vastgelegd; bovendien klaagt het middel hierover niet.

15. De bijzondere voorwaarde zoals opgelegd door het Hof houdt in dat de verdachte gedurende de proeftijd van twee jaar zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen. Dat is naar mijn smaak een opmerkelijke formulering van de bijzondere voorwaarde. Welk goed levensgedrag wordt door naleving van de voorwaarde bevorderd? De voorwaarde is in dit opzicht dubbelzinnig. Meewerken met de politie bij controles zal toch niet bedoeld zijn als het gedrag dat moet worden bevorderd en op welk gedrag dan wel wordt gedoeld is niet expliciet vermeld. De geformuleerde bijzondere voorwaarde onderscheidt niet helder tussen het gedrag dat moet worden bevorderd en de wijze waarop het toezicht (door politiecontrole) op de naleving daarvan plaatsvindt. Welk gedrag de rechter voor ogen heeft laat zich overigens betrekkelijk eenvoudig raden. In de gestelde bijzondere voorwaarde ligt namelijk besloten dat het te bevorderen levensgedrag is dat – heel kort geformuleerd – verdachte zich op welke wijze dan ook onthoudt van elke gedraging (waaronder de met name in art. 240b Sr vermelde gedragingen) met betrekking tot kinderporno.7 Dat is een voorwaarde die zonder meer is te rubriceren onder art. 14c, tweede lid onder 14, Sr.

16. Het gaat hier nu verder in navolging van het middel vooral om de vraag of de wijze van toezicht dat de rechter voor ogen heeft ongeoorloofd is en met name een te vergaande inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is. Elke vorm van toezicht zal al spoedig kunnen worden aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het toezicht op de naleving van voorwaarden is in art. 14d Sr bij de wet voorzien en (in abstracto) noodzakelijk in een democratische samenleving in het belang van het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Formeel is het openbaar ministerie belast met het toezicht op de voorwaarden, maar de feitelijke uitvoering van het toezicht vindt in de praktijk plaats door de reclassering en de politie. De wet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat het openbaar ministerie de reclassering opdracht geeft toezicht te houden(zie art. 14d lid 2 Sr)8, terwijl dat niet met zoveel woorden voor de politie is geregeld. Intussen valt in het licht van de verhouding tussen de openbaar ministerie en politie alsmede gelet op de taak van de politie aan te nemen dat het openbaar ministerie ook de politie opdracht kan geven toezicht te houden.9 Opnieuw opmerkelijk is intussen dat de rechter zich in het bestreden arrest inlaat met de vraag wie het toezicht feitelijk uitvoert. Voldoende zou het volgende zijn: dat verdachte zich op welke wijze dan ook onthoudt van elke gedraging (waaronder de met name in art. 240b Sr vermelde gedragingen) met betrekking tot kinderporno, terwijl het daarop uitgeoefende toezicht mede kan bestaan uit controle van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen. Daarbij ligt het dan voor de hand dat het openbaar ministerie de politie inschakelt voor het feitelijke toezicht, maar kan het ook anders. Intussen is het niet onjuist of zonder meer onbegrijpelijk dat de rechter min of meer vooruitloopt of de beslissing van het openbaar ministerie voor de uitoefening van het feitelijke toezicht de politie in te schakelen.

17. In de toelichting op het middel wordt allereerst geopponeerd (onder 2) tegen de onbepaaldheid van het aantal onderzoeksobjecten: “Het aantal opslagmedia is potentieel zo talrijk, dat de hier gestelde voorwaarde feitelijk zal of kan betekenen dat verzoeker de verplichting heeft om mee te werken aan doorzoekingen van zijn woning. Ten tweede wordt geklaagd over de mogelijke gevolgen van het toezicht (onder 3): “De politie kan op deze wijze een min of meer volledig beeld van requirant vergaren waar het betreft zijn financiën, zijn contacten, zijn correspondentie, zijn interesses, maar ook van medicijngebruik, gezondheid, properheid en wat dies meer zij.” Vervolgens wordt een beroep op rechtspraak10 en literatuur11gedaan waarin naar voren komt dat ingrijpende gedragsvoorwaarden een ontoelaatbare inbreuk kunnen opleveren op grondrechten.

18. Ook in de toelichting op het middel wordt goed beschouwd niet de vraag aan de orde gesteld of de bijzondere voorwaarde met als inhoud dat verdachte zich niet mag inlaten met kinderporno een ontoelaatbare inbreuk op een grondrecht maakt, maar of het toezicht op de naleving van een dergelijke voorwaarde door bepaald soort politiecontrole een ontoelaatbare inbreuk op een grondrecht oplevert. Dat laatste is volledig afhankelijk van de vraag op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het toezicht. Als de mogelijkheid van controle door de politie zou worden aangegrepen om doorzoekingen van de woning te doen en zo een min of meer volledig beeld van het persoonlijke leven van verdachte te krijgen, zal dat in strijd met het recht zijn. Dat zou een uitvoering zijn die niet in overeenstemming is met het arrest van het Hof en die een te vergaande inbreuk op een grondrecht is. Het gaat te ver thans in cassatie al een oordeel uit te spreken over een mogelijk misbruik van het toezicht op de bijzondere voorwaarde. Met toepassing van art. 14f Sr kan in voorkomend geval op verzoek van de verdachte (alsdan veroordeelde) de reikwijdte van het toezicht worden ingeperkt.

19. Overigens min of meer ten overvloede nog het volgende. Dat het onderzoek zich kan uitstrekken over computers en andere apparatuur waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen geeft de politie inderdaad de nodige armslag. Voorop staat echter dat de onderzoeksobjecten door het Hof gelet op de formulering naar het mij voorkomt vooral zijn bepaald en beperkt. Dat verdachte dit soort apparatuur in allerlei variaties en in veelvoud voorhanden heeft of nog kan verkrijgen doet daar niet aan af.

20. Opmerking verdient dat het tweede klachtonderdeel is gezet in de sleutel van de gevolgen van een mogelijke doorzoeking. Tegen het betreden van de woning wordt niet uitdrukkelijk bezwaar gemaakt. Juist omdat veroordeelden niet altijd bereid blijken om in het kader van reclasseringstoezicht medewerking te verlenen aan huisbezoeken is in art. 14c, eerste lid onder b sub 2, Sr bepaald dat onder reclasseringstoezicht huisbezoeken zijn begrepen. Al eerder heb ik er op gewezen dat die uitdrukkelijke voorziening niet betekent dat zonder nadere regeling (zoals onder het oude recht) geen huisbezoeken in het kader van het reclasseringstoezicht mogelijk zouden zijn.12 Anders gezegd is er door de wetgever hier geen nieuwe bevoegdheid gecreëerd, maar alleen een bestaande bevoegdheid verduidelijkt door deze te voorzien van een wettelijke grondslag. Huisbezoeken in het kader van de uitvoering van het toezicht door de politie ontberen weliswaar een uitdrukkelijke wettelijke regeling, maar ook daarvoor geldt dat ze inherent zijn aan het toezicht. Als de verdachte er niet aan mee wil werken, kan het binnentreden in het kader van het toezicht niet worden afgedwongen, maar kan tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf volgen.

21. Al met al faalt het middel. De bijzondere voorwaarde is niet erg gelukkig geformuleerd. Echter de klacht dat toezicht op de naleving van de bijzondere gedragsvoorwaarde door politiecontrole van computers en dergelijke een te vergaande inbreuk op grondrechten oplevert snijdt geen hout.

22. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2009 nu de benadeelde partij geen rol speelt bij het onder 2 bewezenverklaarde feit.

23. Verdachte is veroordeeld voor het onder 1 bewezenverklaarde – kort gezegd – het in bezit hebben en vervaardigen van kinderporno en het onder 2 bewezenverklaarde – kort gezegd – het misbruiken van zijn 8-jarige buurmeisje [benadeelde partij 2] .

24. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van respectievelijk € 300,- en € 3.560,57 gevoegd in het strafproces.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vorderingen benadeelde partij gevorderd en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor de toe te wijzen bedragen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vorderingen benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden gelet op de bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is met de door de benadeelde partij overgelegde stukken onderbouwd en niet, althans onvoldoende, weersproken. De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijk rente over dit bedrag vanaf de dag dat het onder 1 bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling van de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

(…)

BESLISSING

(…)

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], namens deze gemachtigde [betrokkene 1] , wonende te [plaats], van een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 oktober 2009 (de dag waarop het onder 2 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd), tot de dag van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,00, ten behoeve van [betrokkene 1] namens het slachtoffer [benadeelde partij 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”

25. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen nu naar het oordeel van het Hof genoegzaam is komen vast te staan dat deze € 300,- bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het onder 1 bewezenverklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Gelet daarop moet worden aangenomen dat het Hof als gevolg van een kennelijke vergissing in zijn beslissing heeft vermeld dat de vordering van € 300,- wordt toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 oktober 2009, de dag waarop het onder 2 bewezenverklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd. De Hoge Raad kan de beslissing van het Hof in zoverre verbeterd lezen waardoor het belang aan het middel komt te ontvallen.

26. Het eerste, het tweede en het derde middel falen; in ieder geval de eerste twee middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Aan het vierde middel komt het belang te ontvallen door verbeterde lezing van het dictum. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waarbij ik steeds doel op de overwegingen zoals de Rechtbank die heeft opgenomen in het door het Hof bevestigde vonnis van 29 oktober 2013.

2 Vgl. onder meer HR 10 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483.

3 Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, p. 800-801.

4 Zoals omschreven in art. 14c lid 2 onder 1°-4° (oud) Sr en in art. 14c lid 2 onder 1°-13° Sr.

5 Zie art. 14c lid 2 onder 5° (oud) Sr en art. 14c lid 2 onder 14° Sr.

6 Uit de processen-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep volgt dat noch door de officier van justitie noch door de advocaat-generaal is aangegeven waarom deze specifieke bijzondere voorwaarde moet worden verbonden aan de op te leggen deels voorwaardelijke straf. Daar tegenover staat dat evenmin blijkt dat de uitdrukkelijk gemachtigd raadsman zich heeft uitgelaten over de noodzaak de gevorderde bijzondere voorwaarde op te leggen; hij heeft deze dus niet betwist.

7 Ook de voorwaarde dat veroordeelde enkel mag internetten via een aanbieder van gefilterd internet (zoals Kliksafe) was een optie geweest. Vgl. Rb Zutphen, ECLI:NL:RBZUT:2011:BU5322, waarin voor het bezit van kinderporno als bijzondere voorwaarde is opgelegd dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt het gebruik van internetprovider Kliksafe.

8 Vgl. ook het Uitvoeringsbesluit voorwaardelijke veroordeling van 14 december 201, Stb. 2012, 5 en de Aanwijzing voorwaardelijke vrijheidsstraffen en schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden van 28 januari 2013, Stcrt. 5108.

9 In het rapport Voorwaarden voor een veilige terugkeer, 2002, p. 33 wordt dit (in het kader van VI) zonder toelichting als vanzelfsprekend vermeld. In 1917 werd politietoezicht echter nog als volstrekt in strijd met het instituut van de voorwaardelijke veroordeling gezien. Zie daarover Bleichrodt, Onder voorwaarde, 1996, p. 129/130 die concludeert: “Doorslaggevend is hier ook de wijze van uitoefening van het toezicht. Indien daarbij de nodig terughoudendheid in acht wordt genomen, juridisch vertaald in de inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, behoeft inschakeling van de politie niet op gespannen voet te staan met de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever.” In de Aanwijzing van het OM (2013) wordt in par. 3.5 de mogelijkheid van een opdracht tot houden van toezicht aan de politie besproken.

10 HR 25 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0836.

11 De schriftuur verwijst naar NLR 7.3. Mogelijk is bedoeld NLR (Fokkens) aantek. 16.3 bij art. 14c Sr (bijgewerkt tot 25 maart 2012). Zie voor inbreuken op grondrechten bij bijzondere voorwaarden vooral Bleichrodt, Onder voorwaarde, 1996, p. 87 e.v.

12 ECLI:NL:PHR:2015:963.