Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2686

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2015
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
15/05080
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:285, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie; art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

15/05080

Mr. F.F. Langemeijer

13 november 2015

Conclusie inzake:

[verzoeker 1] en [verzoekster 2]

tegen

Liander Infra Oost N.V.

1. Op 21 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen1 op het hoger beroep van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] (hierna: verzoekers) tegen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland (sector kanton, locatie Leeuwarden) van 20 augustus 2013 en 7 januari 2014.

2. Bij brief van 14 oktober 2015 hebben verzoekers zich gewend tot de Hoge Raad met het verzoek genoemd arrest van 21 juli 2015 te vernietigen, met verdere beslissingen als in die brief vermeld. Het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

3. De griffier van de Hoge Raad heeft bij brief van 23 oktober 2015 verzoekers gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad en hen in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen 14 dagen te herstellen2. Van deze gelegenheid hebben verzoekers geen gebruik gemaakt. Bij brief van 29 oktober 2015 hebben zij de griffier laten weten dat zij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid hebben gevonden voor hen cassatieberoep in te stellen. Zij verzoeken de Hoge Raad niettemin te worden toegelaten tot het geding in cassatie.

4. Aan dit laatste verzoek kan geen gevolg worden gegeven. De wet, art. 426a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, schrijft ondertekening van het cassatieverzoekschrift door een advocaat bij de Hoge Raad voor. Het argument dat verzoekers geen advocaat bereid hebben gevonden kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten. Bovendien kan de Deken van de Orde van Advocaten op grond van art. 13 Advocatenwet een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen.

Opmerking verdient nog dat het beroep in cassatie tegen een beslissing zoals het onderhavige arrest van het hof bij dagvaarding moet worden ingesteld3.

5. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a - g

1 Zaaksnr. 200.153.376/01; ECLI:NL:GHARL:2015:5537.

2 Zie voor deze herstelmogelijkheid: HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212.

3 Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 2015 nr. 209; zie ook: HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833.