Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2682

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
15/01789
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:250, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art. 94 Sv. Maatstaf. De Rb heeft geoordeeld dat het belang van Sv zich verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen auto’s omdat de voortduring van het beslag noodzakelijk is voor het aan de dag brengen van de waarheid. Daaruit volgt dat zij ervan is uitgegaan dat sprake is van een ex art. 94 Sv gelegd beslag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen de OvJ en de raadsman van klaagsters in raadkamer hebben aangevoerd. Nu de Rb heeft geoordeeld dat de voortduring van het beslag noodzakelijk is voor het aan de dag brengen van de waarheid, behoefde zij zich – anders dan in de toelichting op het middel lijkt te worden betoogd – niet uit te laten over de door de raadsman van klaagsters aan de orde gestelde (on)mogelijkheid dat de auto’s worden verbeurdverklaard. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01789 B

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[klaagster 1] en

[klaagster 2]

1. De Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, heeft bij beschikking van 3 februari 2015 het namens de klaagsters ingediende beklag ex art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan de klaagsters van een drietal voertuigen, te weten een Porsche Cayenne en twee Volkswagens Caddy, ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking van de Rechtbank is namens de klaagsters cassatieberoep ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingediend, bevattende een middel van cassatie.1

3. In deze zaak gaat het om een drietal personenauto’s die in beslag zijn genomen in het kader van een groot witwasonderzoek. De klaagsters zijn bemiddelingsbedrijven die klanten bij leasemaatschappijen onder brengen. Daarnaast hebben de klaagsters ook ongeveer 60 -70 eigen auto’s. De Porsche Cayenne met kenteken [AA-00-BB] en de Volkswagen Caddy met kenteken [CC-00-DD] staan op naam van de klaagsters. De Volkswagen Caddy met kenteken [EE-00-FF] is eigendom van Mossellease en is door de klaagsters geleased. De personen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , die worden verdacht van witwassen, beschikken over deze auto’s. De klaagsters, die bij de witwaspraktijken betrokken zouden zijn, stellen dat zij eigenaar zijn van de inbeslaggenomen voertuigen. Door de inbeslagname en het voortduren daarvan kunnen de klaagsters de voertuigen niet gebruiken voor hun bedrijfsvoering en daarom hebben zij een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, waarin wordt verzocht om de teruggave van de desbetreffende auto’s.

4.1. Het middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, klaagt in de kern genomen dat de Rechtbank bij haar beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

4.2. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt onder meer het volgende in:

“De officier van justitie deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek u het klaagschrift ongegrond te verklaren aangezien het strafvorderlijk belang zich tegen teruggave verzet. Klaagsters worden verdacht van medeplichtigheid aan witwassen. Het onderzoek loopt nog. Tot op heden is gebleken dat de verdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] beschikken over de in het klaagschrift genoemde voertuigen die op naam staan van onder andere [klaagster 1] . Uit onder meer tapgesprekken blijkt dat verdachte [betrokkene 1] een contactpersoon is van [betrokkene 2] en de aanschaf, financiering en verzekering van deze voertuigen regelt en zorgt dat de voertuigen op naam van de B.V. blijven staan. Het vermoeden is dat [betrokkene 1] aldus helpt bij het verhullen en verbergen van de voertuigen en dat [A] B.V. daar dus bij betrokken is.

De raadsman heeft medegedeeld, zakelijk weergegeven:

Er zou sprake zijn van een schijnconstructie, maar de officier van justitie heeft dit niet onderbouwd. Ik heb voldoende bewijsstukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat mijn cliënten als redelijke rechthebbenden van de voertuigen dienen te worden aangemerkt. Mijn cliënten zijn te goeder trouw. Verbeurdverklaring is alleen aan de orde als de rechtmatige eigenaar op de hoogte is geweest van de criminele activiteiten. Er is niets waaruit blijkt dat [klaagster 1] als verdachte is aangemerkt. Mocht het beslag gehandhaafd blijven dan verzoek ik u om mijn cliënten een financiële vergoeding toe te kennen.

De gemachtigde van klaagsters heeft medegedeeld, zakelijk weergegeven:

Ik begrijp niet waar de schijnconstructie op gebaseerd is. Wij doen zaken met een bedrijf dat getoetst is. Alle transacties zijn via de bank verlopen.”

4.3. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Overwegingen

Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen de teruggave van de voertuigen aan klager. De rechtbank overweegt dat het onderzoek naar witwassen nog in volle gang is en uit onder meer tapgesprekken blijkt dat verdachte [betrokkene 1] een contactpersoon is van [betrokkene 2] en de aanschaf, financiering en verzekering van deze voertuigen regelt en zorgt dat de voertuigen op naam van de B.V. blijven staan. Het vermoeden is dat [betrokkene 1] aldus helpt bij het verhullen en verbergen van de voertuigen en dat [A] . B.V. daar dus bij betrokken is. Hierdoor dient het beslag voort te duren voor het aan de dag brengen van de waarheid in de strafzaak.

Het klaagschrift zal derhalve ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beklag ongegrond.”

4.4.1.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking omtrent de grondslag van het beslag niets vastgesteld. Blijkens het proces-verbaal heeft de Officier van Justitie tijdens de behandeling in openbare raadkamer - kort gezegd - betoogd dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen de teruggave nu het onderzoek naar witwassen in volle gang is. De raadsman en de gemachtigde van de klaagsters hebben op hun beurt betwist dat sprake zou zijn van een schijnconstructie. Daarbij heeft de raadsman voorts mede gedeeld dat er voldoende bewijsstukken te berde zijn gebracht waaruit blijkt dat de klaagsters, die te goeder trouw zijn, als rechthebbenden van de voertuigen dienen te worden aangemerkt. Gelet hierop kan er vanuit worden gegaan dat de klaagsters zich op het standpunt hebben gesteld dat de voertuigen waarvan de teruggave wordt verzocht, conservatoir in beslag zijn genomen, op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv, terwijl de Officier van Justitie de grondslag van het beslag in het midden heeft gelaten. De lezing van de klaagsters strookt met een aan het klaagschrift gehechte ‘bevel ex artikel 126a Sv’ d.d. 10 september 2014. Uit dit stuk blijkt dat op 2 juli 2014 een machtiging door de rechter-commissaris is afgegeven tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) tegen een ander, [betrokkene 2] , en dat de klaagsters wordt bevolen opgave te doen van onder meer vermogensbestanddelen die zij van de onderzochte persoon, [betrokkene 2] , onder zich hebben of hebben gehad en die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht.2 Ingevolge art. 126b, eerste lid, Sv is de Officier van Justitie tijdens het SFO bevoegd zonder verdere rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van art. 94a, tweede lid, Sv in beslag worden genomen. Voorts lijkt het er sterk op dat de voertuigen in het kader van voornoemd SFO inbeslaggenomen.3

4.4.2.

Gelet op het verhandelde in raadkamer alsmede de stukken uit het dossier had de Rechtbank ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht op grond van welke bepaling het beslag is gelegd. In zijn algemeenheid is het al een goed idee als de beklagrechter de grondslag van het van het beslag vaststelt en zich daarover ook expliciet uitlaat. Dat voorkomt het langs elkaar heen praten in raadkamer – of vermindert die kans tenminste. In het onderhavige geval was voor een gepreciseerde explicatie zeker aanleiding. Uit hetgeen hiervoor onder 4.4.1 is aangehaald lijkt immers te volgen dat het beklag is gericht tegen een conservatoir beslag ex art. 94a Sv. Bij inbeslagneming met toepassing van artikel 94a Sv (conservatoir beslag) dient de rechter te onderzoeken of zich al dan niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.4

Als het inderdaad gaat om conservatoir beslag dan heeft de Rechtbank dus een onjuiste maatstaf, te weten de maatstaf van art. 94 Sv aangelegd.5 Na een schets van de feiten en omstandigheden van het geval en de constatering dat het strafrechtelijk onderzoek nog in volle gang is, komt de Rechtbank immers tot het oordeel dat het strafvorderlijk belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag.6

4.5.

Het middel klaagt mede – en terecht - over een gebrekkige motivering van de beslissing van de Rechtbank. In zoverre slaagt het middel dus. De overige in het middel vervatte klachten behoeven geen bespreking meer.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens de akte rechtsmiddel is het cassatieberoep gericht tegen de beschikking van de Rechtbank van 3 februari 2015 met rekestnummer 14/3251, gewezen tegen beide klaagsters, te weten [klaagster 1] en [klaagster 2] Opvallend is echter dat in de cassatieschriftuur alleen wordt gerept over [klaagster 1] en niet over [klaagster 2] Wel is vermeld dat ‘het ingestelde beroep in cassatie gericht is tegen de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland d.d. 3 februari 2015 en [tegen] alle beslissingen die door de Rechtbank zijn genomen’. Mede gelet hierop en op het feit dat beide rechtspersonen worden gedreven door dezelfde directeur ( [getuige] ) en gevestigd zijn op hetzelfde adres, ga ik ervan uit dat de cassatieschriftuur is ingediend voor beide klaagsters.

2 Zie in dit verband ook het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 10 september 2014, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dossier pag. 358-359, onder meer inhoudende: ‘U reikt mij nu een bevel ex artikel 126a Wetboek van Strafvordering en u toont mij de machtiging SFO ten name van [betrokkene 2] .’

3 Zie o.m. het ingediende klaagschrift d.d. 13 november 2014 en het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 10 september 2014, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dossier pag. 358-359.

4 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.14.

5 Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3850 en de conclusie vóór HR 11 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1318. Zie voorts: HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1907.

6 Vgl. HR 6 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6174.