Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2681

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
14/05709
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:246, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art 552a Sv. Italiaans rechtshulpverzoek. Art. 13e WOTS. Het oordeel van de Rb dat art. 13e.1, aanhef onder c, WOTS “ziet op mogelijke belangen van derden op de inbeslaggenomen voorwerpen, niet zijnde de beslagenen zelf” en dat zij t.a.v. klager “niet ten gronde [treedt] in de vraag of de Italiaanse rechter op juiste gronden de (…) wanverhouding tussen inkomsten en aangetroffen vermogen/goederen heeft aangenomen” getuigt – mede gelet op de wetsgeschiedenis – niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is, mede in aanmerking genomen de summiere aard van het door de Rb te verrichten onderzoek, ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05709 B

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 16 oktober 2014 het door klager ingediende klaagschrift ongegrond verklaard en het verzoek van belanghebbende [A] B.V. afgewezen.

2. Namens klager heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat aan de vereisten gesteld in art. 13a WOTS is voldaan, mede in het licht van het door de raadsvrouwe van klager ter zitting in raadkamer gevoerde verweer, onbegrijpelijk is.

3.2. Alvorens over te gaan tot de bespreking van het middel citeer ik voor een goed begrip van de zaak hier eerst een passage uit de bestreden beschikking waarin de Rechtbank de gang van zaken uiteen zet:

“Op 3 maart 2009 is klager aangehouden te Diemen en is zijn woning doorzocht. Daarbij zijn voornoemd geldbedrag en de horloges in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv. In verband met belastingaanslagen heeft de Belastingdienst vervolgens derdenbeslag onder de staat gelegd, waarna de strafvorderlijke beslagen zijn opgeheven. Bij uitspraak van 8 februari 2013 heeft de rechtbank te Amsterdam de door [klager] ingestelde beroepen in de fiscale procedure gegrond verklaard. Het Hof te Amsterdam heeft de uitspraak van de rechtbank op 14 november 2013 bevestigd; beroep in cassatie is ingesteld.

Op 27 september 2013 heeft de rechtbank van Reggio Calabria -onder meer- besloten tot beslag van het geld en de goederen en verzocht aan Nederland om assistentie teneinde de Italiaanse rechtbank de beschikbaarheid van de bedragen te verzekeren. Het besluit tot beslag is in overeenstemming met het wettelijk decreet 159 van 2011 in verband met de wet 575/1965, die verbeurdverklaring toestaat van goederen bij personen die serieus verdacht worden deel uit te maken van een criminele organisatie van het maffiose type en bij andere personen die serieus verdacht worden deel uit te maken van een organisatie gericht op de handel in drugs, zo leidt de rechtbank af uit de stukken van de Italiaanse autoriteiten. Klager voldoet volgens de Italiaanse autoriteiten aan dit criterium zodat een preventieve confiscatieprocedure in gang is gezet.

De beslissing is op 2 oktober 2013 rechtstreeks aan de Nederlandse officier van justitie bij het Landelijk Parket gestuurd, waarna op bevel tot inbeslagneming van 5 november 2013 op 6 november 2013 ten laste van klager strafvorderlijk derdenbeslag op grond van artikel 94 Sv jo 13a jo 13c WOTS onder de Ontvanger van de Belastingdienst is gelegd.”

3.2. Het middel ziet, blijkens de toelichting, op het volgende ter zitting in raadkamer gevoerde verweer (pleitnota p. 1 en 2):

“I Formaliteiten

Het onderhavige klaagschrift heeft betrekking op gelden en voorwerpen die op basis van een verzoek van de Italiaanse autoriteiten ten laste van cliënt onder de Belastingdienst in beslag zijn genomen. De grondslag is artikel 13a WOTS. Ik begrijp niet goed hoe de officier van justitie erbij komt dat ook artikel 94 Sv van toepassing is. Hij spreekt in zijn reactie over een ‘klassiek beslag’ op grond van artikel 94 Sv, maar daarvan is hier geen sprake. Ik wijs in dit verband nog op artikel 13d lid 2 WOTS:

Het bepaalde in de artikelen 94b, 94c, 94d, 97-102, 103, 104-114, 116-117a, 118, 118b, 119, 552a, 552c-552e en 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

Geen artikel 94 Sv derhalve. Het Openbaar Ministerie preludeert in zijn reactie op het klaagschrift op het feit dat mogelijk verweer gevoerd zou gaan worden op het niet in acht te nemen van de voorwaarden van artikel 94b Sv (kennisgeving beslag op vorderingen). Wat echter fataler is, en waar het Openbaar Ministerie geen oog voor heeft, is het feit dat het hier ook van toepassing verklaarde artikel 103 Sv niet is nageleefd. Dit artikel bepaalt dat het (conservatoir) beslag slechts kan worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris (lid 1). Ook moet de machtiging door de officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of veroordeelde en de eventuele derde, worden betekend overeenkomstig de wijze van betekening van het verlof, bedoeld in artikel 702, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (lid 2). Als bijlage 1 treft u hier aan het bevel van de officier van justitie van 5 november 2013. Daaruit blijkt niet dat er sprake is geweest van een voorafgaande schriftelijke machtiging van de RC tot het leggen van dit conservatoire derdenbeslag. De opmerkingen van het Openbaar Ministerie dat het hier een ‘klassiek beslag’ betreft ex artikel 94 Sv en dat derhalve aan alle juridische vereisten voor beslaglegging is voldaan, is niet juist. Het beslag is onrechtmatig gelegd en dit dient te leiden tot gegrondverklaring van het klaagschrift.”

3.3. De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“Formaliteiten beslag

Het verweer van de raadsvrouw dat het beslag onrechtmatig is gelegd, omdat een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris ontbrak, wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 13a WOTS naar de letterlijke tekst grondslag voor het leggen van beslag dat in de daarvoor in aanmerking komende gevallen zowel op de voet van artikel 94 Sv als op de voet van artikel 94a Sv kan worden gelegd. Het gegeven dat in artikel 13d WOTS niet wordt verwezen naar artikel 94 Sv staat aan deze uitleg niet in de weg. Artikel 13d WOTS verwijst evenmin naar artikel 94a Sv. De verwijzing naar artikel 103 Sv moet aldus worden begrepen dat, mocht worden besloten tot conservatoir beslag, de daarin opgenomen formaliteiten dienen te worden nageleefd. De officier van justitie kon in het onderhavige geval kiezen voor klassiek beslag ex artikel 94 Sv. Geconcludeerd kan worden dat een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris – op grond van artikel 103 Sv – niet nodig was. Er is – conform art. 94b Sv – correct gehandeld door de kennisgeving tot inbeslagname te beperken tot de Ontvanger van de Belastingdienst, de schuldenaar die het beslag onder zich hield.”

3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich de Nederlandse vertaling van een beslissing van de Rechtbank van Reggio Calabria, afdeling Preventieve maatregelen van 27 september 2013. Deze beslissing houdt het volgende in:

“De rechtbank van Reggio Calabria in raadkamer bijeen samengesteld uit de volgende rechters:

1. Mr. Ornella Pastore Voorzitter, verbalisant

2. Mr. Alessandra Borselli rechter

3. Mr. Maria Teresa Gentile rechter

Gelezen het voorstel d.d. 20 september 2013 waarin de officier van justitie van Reggio Calabria verzocht heeft om beslag te leggen op de in het voorstel genoemde goederen bij [betrokkene 1] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979 en [klager] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967;

de stukken bestudeerd hebbende;

merkt op

In het licht van de onderdelen in de stukken is zij van oordeel dat [betrokkene 1] en [klager] , zoals door de indiener is aangetoond en behoudens de controles die moeten worden uitgevoerd gedurende de behandeling van het voorstel, als personen kunnen worden beschouwd die in de wet worden genoemd waartegen mogelijk een preventieve vermogensmaatregel kan worden genomen.

Voor wat betreft het maatschappelijk gevaar wordt vooral opgemerkt dat de bovengenoemde personen op 3 maart 2009 in Diemen (Amsterdam – Nederland) zijn aangehouden.

(...)

Voor [klager] , aan wie al een maatregel van speciaal toezicht van P.S. met internering voor de duur van drie jaar was opgelegd krachtens een door deze rechtbank op 29 juni 2001 gegeven beslissing (definitief op 4 maart 2005), bleken er nog uitvoeringsbevelen in het kader van de procedure c.d. Trina te zijn omdat hij tot 9 jaar gevangenisstraf was veroordeeld voor het misdrijf als bedoeld in artikel 74 van het Presidentieel Decreet 309/90.

Gedurende de huiszoeking die op 3 maart 2009 binnen in het appartement plaatsvond, werden een bedrag van € 506.375,00, 4 Rolex horloges, 4 Breitling horloges en een horloge van het merk Grigio Perla die tot [klager] waren te herleiden, in beslag genomen.

(...)

Hetgeen hierboven is aangetoond, tezamen met de veroordelingen voor andere feiten die uit de strafbladen naar voren komen, is voldoende om daar een oordeel op te baseren over het “gekwalificeerde” maatschappelijke gevaar van de bovengenoemde personen.

Tevens dient vermeld te worden dat de wetgever in de mogelijkheid heeft voorzien om de persoonlijke preventieve maatregel los te koppelen van de vermogensmaatregelen. Na de hervormingen is er bepaald dat de toepassing van de preventieve vermogensmaatregelen ook bevolen kan worden om af te zien van persoonlijke maatregelen, waarbij het onderzoek naar of de persoon in de genoemde categorieën valt waarbij preventieve maatregelen tegen hem kunnen worden genomen aan de rechter wordt overgelaten.

Wat het beslag betreft wordt opgemerkt dat er uit het door de [Italiaanse] FIOD uitgevoerde onderzoek naar voren is gekomen, dat er een wanverhouding bestaat tussen de door bovengenoemde personen opgegeven inkomsten en het vermogen waarover ze beschikken.

In het bijzonder voor wat betreft de positie van [klager] , die in de periode tussen 2000 en 2009 in het geheel geen inkomsten heeft ontvangen terwijl zijn vrouw [betrokkene 2] alleen in 2008 en 2009 inkomsten heeft aangegeven, overigens bespottelijke. In de door de Nederlandse autoriteiten gehouden verhoren heeft [klager] gezegd dat hij het geldbedrag van hem was en dat hij het gespaard had, zonder enige werkzaamheden op te geven, waarmee hij het geld zou hebben kunnen genereren.

Hierbij komt nog dat [klager] al vanaf 1999 voortvluchtig was door te ontkomen aan de uitvoering van de voorlopige hechtenis die bevolen was in verband met de strafzaak die is geëindigd met zijn onherroepelijke veroordeling voor het in artikel 74 van het Presidentieel Decreet 309/90 bedoelde misdrijf, met als gevolg dat hij zeker zeer grote kosten heeft moeten maken om zo lange tijd aan aanhouding te ontkomen en hij heeft zeker de desbetreffende som geld niet met legale activiteiten bijeen kunnen brengen gedurende de tijd dat hij voortvluchtig was.

Bovendien bleek [klager] ook nog voor 50% eigenaar te zijn van de onroerende goederen in [plaats] , ingeschreven in het kadaster op blad 17, perceel [001] en [002] met een opgegeven waarde van € 25.822,84, die al onderwerp van gedeeltelijke verbeurdverklaringen en opheffingen van beslagen waren.

Uit het door de [Italiaanse] FIOD uitgevoerde onderzoek is eveneens naar voren gekomen, dat uit de controle van de hypotheek niet de huidige rechtspositie van het terrein in kwestie blijkt en daarom kan er nog geen beslag op worden gelegd en moet er eerst worden gecontroleerd of dit onderwerp van een verbeurdverklaringmaatregel is of dat het beslag is opgeheven.

Bovendien blijkt het terrein in [plaats] voor 100% op zijn naam te staan, ingeschreven in het kadaster op blad 31, perceel [003] dat nog steeds exclusief op naam van [B] te staan waarop een gebouw van 3 etages staat, dat ook te herleiden is tot de bovengenoemde persoon en waarop al beslag is gelegd als preventieve maatregel en daarna is het beslag op 10-08-2010 opgeheven.

Overduidelijk is dus de wanverhouding tussen de opgegeven inkomsten – die nog niet eens genoeg waren om de dagelijkse kosten mee betalen – en de goederen die in het bezit van de bovengenoemde persoon zijn aangetroffen, waarbij overigens in beschouwing genomen moet worden dat [klager] in 1996 kosten heeft gehad om twee terreinen ter waarde van € 25.822,84 te kopen, terwijl zijn vrouw [betrokkene 2] in 2003 kosten had aan de aanschaf van een auto ter waarde van € 2.500,00 en in 2006 voor de oprichting van de “Società [C] .”

(...)

Men merkt tenslotte op dat de Nederlandse autoriteiten op 18 maart 2013 met een nota hebben meegedeeld dat het beslag op de bovengenoemde bij de huiszoeking aangetroffen goederen is opgeheven ingevolge het seponeren van de in Nederland aanhangige procedure dat ertussen is gekomen en daarom kan in aanwezigheid van de wettelijke uitgangspunten besloten worden tot het conservatoire beslag.

Om de geldbedragen en de goederen daadwerkelijk gerechtelijk te blokkeren is het nodig het daartoe bestemde rechtshulpverzoek aan de bevoegde gerechtelijk autoriteiten van Nederland zoals bedoeld in artikel 23 van het Verdrag van Straatsburg van 8 november 1990 op te stellen opdat zij uitvoering geven aan de maatregel in kwestie en de bevoegde gerechtelijke autoriteiten van Italië – door de rechtbank in Reggio Calabria vast te stellen – de juridische beschikbaarheid van de in beslag genomen bedragen (en van de rentes die deze eventueel hebben gedragen) verzekeren – door tussenkomst, als verbinding, van de Afdeling Juridische Zaken van het Italiaanse Ministerie van Justitie.

Daarvoor moet de onderhavige beschikking in het Nederlands worden vertaald.

Om deze redenen

besluit zij tot het beslag van de volgende tot de bovengenoemde personen terug te voeren goederen:

(...)

€ 506.375,00, op dit moment onder beslag in Nederland en terug te voeren naar [klager] ; 4 horloges van het merk Rolex, 4 horloges van het merk Breitling en een horloge van het merk Grigioperla, op dit moment onder beslag in Nederland en terug te voeren naar [klager] ;”

3.5. Blijkens de pleitnota heeft de raadsvrouwe van klager zich ter zitting in raadkamer op het standpunt gesteld dat het onderhavige beslag een beslag ex art. 94a Sv betreft en dat inbeslagneming derhalve slechts na machtiging van de rechter-commissaris kon plaatsvinden. De raadsvrouwe heeft te dien aanzien aangevoerd dat het hier een beslag op grond van art. 13a WOTS betreft en dat art. 13d WOTS verwijst naar art. 103 Sv dat alleen betrekking heeft op beslag ex art. 94a Sv.

3.6. De Rechtbank heeft het door de raadsvrouwe gevoerde verweer verworpen en overwogen dat uit het enkele feit dat in art. 13d WOTS naar art. 103 Sv wordt verwezen niet kan worden opgemaakt dat art. 13a WOTS slechts ziet op conservatoir beslag. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat volgt reeds uit art. 13a lid 1 onder c WOTS dat inhoudt dat voorwerpen in beslag kunnen worden genomen die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Beslag op grond van art. 94 Sv dus.

3.7. Het middel keert zich voorts tegen het oordeel van de Rechtbank dat de officier van justitie kon kiezen voor klassiek beslag ex art. 94 Sv. Dat impliceert, zo voeg ik daaraan toe, dat ten aanzien van de te volgen procedure ook geen machtiging van de rechter-commissaris vereist is, aangezien die eis, zo volgt uit art. 103 Sv, slechts geldt voor door de officier van justitie te leggen conservatoir beslag, op de voet van art. 94a Sv. De steller van het middel voert te dien aanzien aan dat de inbeslagname is gedaan in het kader van een preventieve maatregel en niet in het kader van de waarheidsvinding.

3.8. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de klacht, geef ik hier eerst een korte beschrijving van de preventieve maatregel waarop de onderhavige zaak ziet.

In de strijd tegen de maffia is in Italië wetgeving ontwikkeld die het mogelijk maakt preventief beslag te leggen op bezit van personen die als een gevaar voor de samenleving worden beschouwd. Onder bezit worden zowel roerende als onroerende goederen verstaan, maar ook bijvoorbeeld bedrijven. De gedachte achter deze preventieve maatregel is het voorkomen van toekomstige misdrijven; hetgeen in beslag is genomen, kan immers niet meer voor criminele doeleinden gebruikt worden. De preventieve maatregel staat los van eventuele strafrechtelijke procedures en sancties.

Onder “gevaar voor de samenleving” wordt verstaan de waarschijnlijkheid dat de persoon in de toekomst misdrijven zal plegen. Personen die als een “gevaar voor de samenleving” worden beschouwd, zijn als volgt gecategoriseerd: (i) personen die verdacht worden deel uit te maken van een groepering die gerelateerd wordt aan de maffia, waarbij in acht moet worden genomen dat het verdacht zijn impliceert dat er een grote waarschijnlijkheid, maar geen zekerheid is, dat de persoon tot een dergelijke groep behoort, (ii) personen die verdacht worden van het plegen van een aantal misdrijven die in verband staan met de georganiseerde misdaad, (iii) personen die leven van (a) illegale handel, of (b) winsten van criminele activiteiten.1

De procedure van inbeslagname en verbeurdverklaring is als volgt. Op vordering van het openbaar ministerie besluit een zetel van drie rechters of kan worden overgegaan tot inbeslagname. Deze eerste inbeslagname is een preventieve maatregel gebaseerd op lichtere gronden dan de opvolgende confiscatie. De eisen zijn minder zwaar omdat de inbeslagname plaatsvindt voordat de persoon wiens bezit in beslag wordt genomen, is gehoord.2 Na inbeslagname kunnen belanghebbende, die menen dat hun recht is geschonden, een klacht indienen bij een zetel van drie rechters. Naar aanleiding van die klacht vindt vervolgens een zitting plaats, waar partijen worden gehoord en waar zij tevens bewijs kunnen voordragen. De zetel neemt daarop een gemotiveerd beslissing. Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld. De zetel in hoger beroep bestaat wederom uit drie rechters en tegen deze beslissing kan vervolgens cassatie worden ingesteld. Wanneer de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is, kan worden overgegaan tot verbeurdverklaring. Indien zich nieuwe omstandigheden voordoen, kunnen partijen een verzoek tot revocatie indienen.3 Verbeurdverklaring vindt dus eerst plaats na een lange en complexe procedure die voorziet in waarborgen voor de belanghebbenden.

3.9. Terug naar de onderhavige zaak. Uit het voorgaande volgt dat de preventieve maatregel tot inbeslagname inderdaad niet ten dienste staat van de waarheidsvinding. Maar de Rechtbank heeft zulks ook niet vastgesteld. De Rechtbank heeft overwogen dat de officier van justitie in het onderhavige geval kon kiezen voor klassiek beslag ex artikel 94 Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ingevolge art. 94 lid 1 Sv zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Het tweede lid bepaalt dat voorts voor inbeslagneming vatbaar zijn alle voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Dat de in beslag genomen voorwerpen kunnen worden verbeurd verklaard, blijkt evident uit de hiervoor geciteerde Italiaanse beslissing. Bij deze grondslag voor het beslag is geen machtiging van de rechter-commissaris vereist, zo overweegt de Rechtbank met juistheid. De klacht faalt derhalve.

3.10. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank een ter zitting in raadkamer gevoerd verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

4.2. Blijkens de ter zitting in raadkamer overgelegde pleitnota (p. 4) heeft de raadsvrouwe van klager aldaar het volgende aangevoerd:

“Dat er in het geval van [klager] van een deelname aan een criminele organisatie van het maffiose type en organisatie gericht op de handel in drugs sprake zou zijn in de onderzochte periode (2000 t/m 2009), blijkt niet uit de beslissing van de Italiaanse rechter. Er wordt alleen overwogen dat er een wanverhouding bestaat tussen het in 2009 aangetroffen geldbedrag en zijn inkomsten in de periode tussen 2000 en 2009. Maar dat hij dat geldbedrag zou hebben gegenereerd door deel uit te maken van een criminele organisatie of een organisatie die zich met drugshandel bezig hield, is in de beslissing niet te lezen. Dat is wel een vereiste voor het (rechtmatig) van toepassing achten van het Witwasverdrag. Immers, volgens dit verdrag mag confiscatie alleen plaats vinden na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten. Van die relatie met strafbare feiten moet dan wel blijken. Daarvan is hier geen sprake. In zoverre staat de beslissing van de Italiaanse rechter in het verband van het Witwasverdrag, dan ook aan de rechtmatigheid van het beslag in de weg. Met andere woorden: op basis van die beslissing had het beslag nooit mogen worden gelegd.”

4.3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“De rechtbank constateert dat het Nederlandse recht een vergelijkbare procedure niet kent. De Hoge Raad overweegt in het hiervoor genoemde arrest dat hoewel niet is vereist dat de betrokkene wordt vervolgd of is veroordeeld door de strafrechter, deze Italiaanse procedure wel degelijk verband houdt met (veronderstelde) criminele activiteiten, ook al omdat het subject van deze maatregelen de (veronderstelde) opbrengst van misdrijven is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de grondslag kan het verzoek naar Nederlands recht worden vertaald naar de strafbepalingen van artikel 140 Sr en 11a Opiumwet (deelname aan een criminele organisatie, al dan niet in relatie tot de Opiumwet). De daartoe aangevoerde feiten kunnen ook in voldoende mate de verdenking van overtreding van deze strafbepalingen door klager staven. Geconcludeerd kan worden dat, anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd, de inbeslagneming naar Nederlands recht eveneens mogelijk is.”

4.4. Het door de raadsvrouwe gevoerde verweer strekt ten betoge dat het Witwasverdrag op de onderhavige inbeslagneming niet van toepassing is, nu uit de Italiaanse beslissing niet blijkt dat klager het in beslag te nemen geld en de horloges heeft verdiend door deel uit te maken van een criminele organisatie of een organisatie die zich bezig houdt met de drugshandel. Het verweer ziet dus op de verdragsgrondslag van het verzoek. De beschikking houdt geen verwerping van dit door de raadsvrouwe gevoerde verweer in. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu de Rechtbank het verweer slechts had kunnen verwerpen.

4.5. Art. 1 onder d Witwasverdrag houdt in dat onder “confiscatie” wordt verstaan: een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over voorwerpen. Art. 7 lid 2 Witwasverdrag bepaalt dat elke verdragspartij de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen te voldoen aan verzoeken: a. om confiscatie van bepaalde voorwerpen die hulpmiddelen of opbrengsten zijn, alsmede om confiscatie van opbrengsten, bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de opbrengsten; b. om bijstand ten behoeve van onderzoeken en voorlopige maatregelen met het oog op één van de vormen van confiscatie genoemd onder letter a. hulpmiddelen en opbrengsten, of voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die opbrengsten te confisqueren. Ingevolge art. 11 Witwasverdrag neemt een verdragspartij op verzoek van een andere verdragspartij die een strafrechtelijke procedure of een procedure tot confiscatie heeft ingesteld, de noodzakelijke voorlopige maatregelen, zoals bevriezing of inbeslagneming. Om te voldoen aan hetgeen in het Witwasverdrag ten aanzien van de wederzijdse rechtshulp inzake de confiscatie is bepaald, zijn enkele bepalingen opgenomen in de WOTS, waaronder art. 13a.4

4.6. Het Witwasverdrag bepaalt dat een verdragspartij op verzoek van een andere verdragspartij die een procedure tot confiscatie heeft ingesteld de noodzakelijke voorlopige maatregelen neemt, zoals inbeslagname. De onderhavige inbeslagname moet ook als een dergelijke voorlopige maatregel worden beschouwd. Tot confiscatie wordt immers pas overgegaan nadat de procedure in Italië heeft geleid tot een onherroepelijke uitspraak. Nu wordt onder confiscatie in het Witwasverdrag verstaan een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over voorwerpen. In casu is sprake van een maatregel die, na een gerechtelijke procedure, kan worden opgelegd aan personen die als een gevaar voor de maatschappij worden beschouwd. Bij de beoordeling of een persoon een gevaar voor de maatschappij is, wordt onder meer gekeken naar de verhouding tussen de inkomsten en de bezittingen. De Rechtbank van Reggio Calabria heeft vastgesteld dat de Italiaanse FIOD een onderzoek heeft ingesteld naar klager, waaruit naar voren is gekomen dat er een wanverhouding bestaat tussen de inkomsten van klager en het vermogen waarover hij beschikt. Uit het onderzoek blijkt dat klager in de periode tussen 2000 en 2009 in het geheel geen inkomsten heeft ontvangen, terwijl zijn vrouw alleen in 2008 en 2009 inkomsten heeft aangegeven, dat klager tijdens verhoren in Nederland heeft gezegd dat hij het inbeslaggenomen geld had gespaard, zonder enige werkzaamheden op te geven. Daar komt nog bij dat klager al vanaf 1999 voortvluchtig is door te ontkomen aan de uitvoering van een voorlopige hechtenis die bevolen was in verband met een strafzaak die geëindigd is met zijn onherroepelijke veroordeling, dat klager zeer grote kosten heeft moeten maken om zo’n lange tijd aan aanhouding te ontkomen en dat hij de grote som geld niet met legale activiteiten bijeen heeft kunnen brengen gedurende de tijd dat hij voortvluchtig was, dat klager bovendien nog voor 50% eigenaar is van onroerende goederen in Bovalino, met een opgegeven waarde van € 25.822,84 die al onderwerp van gedeeltelijke verbeurdverklaringen en opheffingen van beslagen zijn. Uit de vaststellingen van de Rechtbank kan worden afgeleid dat de verdenking bestaat dat klager het inbeslaggenomen geldbedrag en de horloges niet middels legale activiteiten heeft verkregen. Klager wordt dus verdacht van witwassen. De confiscatie houdt dus wel degelijk verband met strafbare feiten. De Rechtbank stelt dat de grondslag van het verzoek naar Nederlands recht kan worden vertaald naar de strafbepalingen van art. 140 Sr en 11a Opiumwet. Dat lees ik niet in de beslissing van de Italiaanse rechtbank. Voor de beoordeling van het klaagschrift is het echter niet van belang of het beslag nu verband houdt met witwassen, dan wel met deelname aan een criminele organisatie al dan niet in relatie tot de Opiumwet. Van belang is slechts dat de confiscatie verband houdt met een strafbaar feit. Nu uit de beslissing van de rechtbank Reggio Calabria blijkt dat klager verdacht wordt van witwassen, had de Rechtbank het door de raadsvrouwe gevoerde verweer slechts kunnen verwerpen.

4.7. De klacht faalt.

4.8. Het middel keert zich voorts tegen de verwerping van het door klager gevoerde verweer dat de Italiaanse rechter ten onrechte heeft aangenomen dat er een wanverhouding is tussen de inkomsten en het vermogen van klager.

4.9. Blijkens de ter zitting in raadkamer overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouwe van klager aldaar aangevoerd dat, anders dan de Italiaanse rechter veronderstelt, het vermogen van klager wel degelijk te verklaren is uit legale inkomsten. De Rechtbank heeft het verweer verworpen en daartoe overwogen:

“Het verweer dat de Italiaanse rechter ten onrechte uitgaat van een wanverhouding tussen inkomsten en aangetroffen vermogen/goederen, omdat klager inkomsten in Duitsland heeft genoten, wordt verworpen. Het in dit verband subsidiair geformuleerde verzoek van de raadsvrouw tot nader onderzoek naar de feiten, wordt afgewezen.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, in deze raadkamerprocedure geen ruimte voor meer dan een marginale toetsing van de feiten. Het bepaalde in artikel 13e onder c WOTS, dat onder omstandigheden in een nieuw onderzoek naar de feiten voorziet, is hier niet van toepassing. Deze bepaling ziet op mogelijke belangen van derden op de inbeslaggenomen voorwerpen, niet zijnde de beslagenen zelf. De rechtbank treedt in een procedure als het onderhavige niet ten gronde in de vraag of de Italiaanse rechter op juiste gronden de hiervoor genoemde wanverhouding tussen inkomsten en aangetroffen vermogen/goederen heeft aangenomen. De Italiaanse procedure wordt geacht met voldoende rechtswaarborgen te zijn omkleed en klager zal een eventuele verbeurdverklaring in een later stadium bij de Italiaanse rechter kunnen aanvechten. Er is, concludeert de rechtbank, evenmin sprake van strijd met artikelen 1 van het Eerste Protocol EVRM, 6 EVRM, 47 en 48 van het EU Handvest.”

4.10. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van de Rechtbank dat art. 13e WOTS ziet op mogelijke belangen van derden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

4.13. Art. 13e WOTS betreft de vraag of de beklagrechter een (nieuw) onderzoek dient in te stellen naar de rechten van belanghebbenden, indien daaromtrent door de buitenlandse rechter een uitspraak is gedaan. Kort gezegd wordt slechts onder een beperkt aantal voorwaarden verlangd dat de rechter in een dergelijk onderzoek treedt. Welnu, het oordeel van de Rechtbank dat het artikel slechts ziet op derde-belanghebbenden, dus anderen dan degene onder wie het beslag is gelegd lijkt mij geheel juist. Uit de Memorie van Toelichting5 waarin wordt gesproken over (destijds nog) art. 13d WOTS citeer ik de volgende passage:

“2. Een bevel tot inbeslagneming of een uitspraak strekkende tot verbeurdverklaring of tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan betrekking hebben op voorwerpen jegens welke derden rechten kunnen doen gelden. Te denken valt aan gevallen waarin de voorwerpen geheel aan een derde toebehoren, aan een derde in mede-eigendom toebehoren of waarop of ten aanzien waarvan derden zakelijke of persoonlijke rechten hebben gevestigd. Het kan ook zijn dat voorwerpen die kunnen dienen als verhaalsobject ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie ook voor derden als verhaalsobject in aanmerking komen voor schulden die de eigenaar jegens hen mocht hebben. Rechten van derden te goeder trouw dienen te worden gerespecteerd. Dat houdt in dat aan derden toebehorende voorwerpen alleen kunnen worden verbeurdverklaard als de derde wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat die voorwerpen als instrument voor het plegen of voorbereiden van een strafbaar feit werden aangewend. Ingeval van verbeurdverklaring van in mede-eigendom aan een derde toebehorende ondeelbare voorwerpen dient de bescherming van de mede-eigenaar te goeder trouw tot uiting te komen in diens recht op toekenning van een tegemoetkoming. Zakelijke en persoonlijke rechten ten aanzien van verbeurdverklaarde voorwerpen blijven, wanneer die rechten te goeder trouw zijn gevestigd, door de verbeurdverklaring onaangetast en zullen door de staat, als nieuwe eigenaar, dienen te worden gerespecteerd en gehonoreerd.

(…)

De vraag rijst of, indien de rechter in een concreet geval een beslissing heeft genomen over de aan een derde toekomende rechten, en wel in voor die derde negatieve zin, die derde, wanneer de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke beslissing aan een andere staat wordt overgedragen, in die andere staat opnieuw de rechter moet kunnen adiëren om daar wederom een uitspraak over zijn rechten ten aanzien van de te confisceren voorwerpen uit te lokken. Die vraag wordt in het wetsvoorstel in beginsel ontkennend beantwoord.

(…)

In overeenstemming met dergelijke verdragen is echter in enkele uitzonderingen op dit algemene uitgangspunt voorzien. Die uitzonderingen betreffen enerzijds gevallen waarin de rechtsrelatie tussen de door de buitenlandse beslissing bestreken voorwerpen of rechtsgoederen en de Nederlandse rechtsorde per definitie zoveel directer is dan de rechtsrelatie tussen die voorwerpen of rechtsgoederen en de buitenlandse rechtsorde, dat Nederland te dier aanzien exclusieve bevoegdheden zou kunnen claimen. Anderzijds betreffen de uitzonderingen gevallen waarin de buitenlandse beslissing inhoudelijk of wegens haar wijze van totstandkomen niet met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde verenigbaar is.”

4.14. Het huidige art. 13e WOTS, dat overeenkomt met het art. 13d waarover in de aangehaalde passage uit de MvT wordt gesproken, betreft dus inderdaad de derden die vanwege (gepretendeerde) rechten op het onder een ander inbeslaggenomen goed eveneens een beroep op de beklagrechter kunnen doen en onder omstandigheden kunnen verlangen dat de rechter een (nieuw) onderzoek doet naar hun rechten.6

4.15. Aangezien art. 13e lid 1 onder c WOTS niet van toepassing is op klager zijn evenmin aan de orde de uitzonderingen op de regel dat de Nederlandse rechter buitenlandse rechterlijke beslissingen erkent en niet nader in onderzoek treedt naar de rechtmatigheid van deze beslissing.7 Het oordeel van de Rechtbank dat zij niet ten gronde treedt in de vraag of de Italiaanse rechter op juiste gronden heeft aangenomen dat er een wanverhouding bestaat tussen de inkomsten en bezittingen van klager, geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

4.14. Het middel faalt.

5. De middelen falen.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 United Nations Office on Drugs and Crime, Open-ended Intergovernmental Working Group on Asset Recovery, The Italian experience in the management, use and disposal of frozen, seized and confiscated assets, 2 september 2014, CAC/COSP/WG.2/2014/CRP.3, p. 5, te vinden via https://www.unodc.org/documents/treaties/UNCAC/WorkingGroups/workinggroup2/2014-September-11-12/Combined_CacCosp-Wg2-2014-CRP3.pdf.

2 Comparative Report, Legislation meets practice: national and European perspectives in confiscation and forfeiture assets, p. 23, 2015, te vinden via http://www.confiscation.eu/site/wp-content/uploads/2015/03/Final_Report_EN_web.pdf.

3 United Nations Office on Drugs and Crime, Open-ended Intergovernmental Working Group on Asset Recovery, The Italian experience in the management, use and disposal of frozen, seized and confiscated assets, 2 september 2014, CAC/COSP/WG.2/2014/CRP.3, p. 4-6, te vinden via https://www.unodc.org/documents/treaties/UNCAC/WorkingGroups/workinggroup2/2014-September-11-12/Combined_CacCosp-Wg2-2014-CRP3.pdf.

4 Kamerstukken II, 1990-1991, 22 083, nr. 3, p. 8.

5 Kamerstukken II, 1990-1991, 22 083, nr. 3, p. 10-11.

6 Vgl. ook het beslissingsschema dat de Hoge Raad hanteert in HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2281.

7 Kamerstukken II, 1990-1991, 22 083, nr. 3, p. 11.