Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2677

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
15/00590
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:239, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Doodslag, art. 287 Sr. HR herhaalt HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530 dat vaststellingen en gevolgtrekkingen door de feitenrechter slechts op de begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Mede tegen de achtergrond van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, is het oordeel van het Hof dat erop neerkomt dat het verdachte is geweest die in haar woning op de bewuste datum tussen 14:35 uur en 15:57 uur het dodelijk letsel aan X heeft toegebracht, niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd. HR verwijst de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/67 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00590

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 16 december 2014 wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3. Namens de benadeelde partijen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft mr. R. Korver, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen van de verdachte

4.1.

De drie middelen die namens de verdachte zijn voorgesteld richten zich alle – zij het in varianten - tegen de motivering van de bewezenverklaring. Ik geef daarom die bewezenverklaring eerst weer, met daarbij de nadere bewijsoverwegingen die het Hof in zijn arrest heeft opgenomen alsmede de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.

4.2.

Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“zij op 12 maart 2011 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met kracht meermalen met een scherp en zwaar en hard voorwerp tegen het hoofd geslagen ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

4.3.

Het Hof heeft het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverwegingen

Op zaterdag 12 maart 2011 omstreeks 14:04 uur is de auto van [slachtoffer] aan de even zijde van de Pretoriusstraat te Amsterdam (het hof begrijpt: schuin tegenover de woning van de verdachte) geparkeerd. Uit de auto is een persoon gestapt die in de richting van de woning van de verdachte, [a-straat 1], is gelopen. Nu in de verklaring van de dochter van [slachtoffer] is bevestigd dat deze bij de verdachte, zijn tante, op bezoek zou gaan en er door [slachtoffer] omstreeks 14:35 uur met zijn telefoon een acht minuten durend telefoongesprek is gevoerd met getuige [getuige 1] , waarbij ook de verdachte aan de telefoon is gekomen en waarbij de mastlocatie in de directe omgeving van de woning van de verdachte werd aangestraald, stelt het hof vast dat het [slachtoffer] is geweest die met zijn auto naar de woning van de verdachte is gereden en, na de auto geparkeerd te hebben, de woning is binnengegaan en zich ten tijde van het telefoongesprek, tezamen met de verdachte, in de woning van de verdachte bevond.

In de woning hielden op deze datum, naast de verdachte, tevens [betrokkene 4] en [betrokkene 5] verblijf. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij die middag de woning heeft verlaten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat dit heeft plaatsgevonden nadat [slachtoffer] in de woning aankwam.

Getuige [getuige 2] , in de buurt woonachtig, heeft medegedeeld dat zij na 14:00 uur de verdachte op straat heeft getroffen en heeft waargenomen dat zij daar contact maakte met een persoon die uit de woning van de verdachte kwam. Aan de even zijde van de Pretoriussstraat , in de nabijheid van de woning van de verdachte, doch aan de overzijde van een zijstraat is Coffeeshop Crashlight gelegen. Deze coffeeshop is voorzien van camera’s die een deel van de Pretoriusstraat bestrijken. Uit camerabeelden van Coffeeshop Crashlight valt af te leiden dat de waarneming van getuige [getuige 2] omstreeks 14:20 uur moet hebben plaatsgevonden. [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij de persoon is geweest die op dat moment op straat de verdachte op haar schouder tikte, om haar te zeggen dat hij wegging. Hij heeft aangegeven dat hij kort daarna uit de woning zijn jas en pet heeft gepakt en is weggegaan.Van aanwezigheid van andere personen in de woning van de verdachte blijkt niet. Het hof achthet dan ook aannemelijk dat de verdachte alleen met [slachtoffer] in haar woning is achtergebleven.

In de vroege ochtend van zondag 13 maart 2011 is het lijk van [slachtoffer] in de woning aangetroffen. Hij is kennelijk door een misdrijf om het leven gekomen. Gebleken is dat de schedel met een scherp voorwerp is ingeslagen.

Uit de berekening met behulp van het Henssge nomogram is gebleken dat het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] met 95% betrouwbaarheid op 12 maart 2011 tussen 11:54 uur en 17:30 uur ligt. Het fatale letsel moet dan - uitgaande van de bevindingen van het Henssge nomogram en de letseldatering - uiterlijk om 17:00 uur zijn toegebracht. De telefoon van [slachtoffer] is na het telefoongesprek van 14:35 uur niet meer gebruikt. Op camerabeelden van Coffeeshop Crashlight is te zien dat de auto van de verdachte op 12 maart 2011 vanaf 15:57 uur tot 06:22 uur op 13 maart 2011 meerdere keren in de buurt van de woning van de verdachte rijdt. Uiteindelijk is de verdachte op zondag 13 maart 2011 om 06:30 uur bij het politiebureau aan de Linnaeusstraat verschenen, zijn de verbalisanten meegegaan naar haar woning en is [slachtoffer] aldaar dood aangetroffen.

De verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd over wat er gebeurd zou zijn op 12 maart 2011. Eerst is zij als getuige gehoord. Later is zij als verdachte aangemerkt en heeft zij in die hoedanigheid verklaard. Aanvankelijk heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] in de late avond van 12 maart 2011, toen de verdachte in haar auto op weg was naar het ziekenhuis, haar daar in de buurt heeft aangesproken en de sleutels van haar woning heeft weggenomen. [slachtoffer] was in het gezelschap van een aantal mannen en van derden heeft zij in het ziekenhuis vernomen dat er in haar woning was gevochten. Na het ziekenhuisbezoek vond zij op straat voor de deur van haar woning documenten die haar toebehoorden en die bebloed waren. Zij heeft deze bijeengepakt en in de brievenbus van haar woning gestopt en tenslotte heeft de verdachte de politie gewaarschuwd. Geconfronteerd met de ongerijmdheden en onjuistheden in deze verklaring, heeft de verdachte haar relaas aangepast, en uiteindelijk, als verdachte, verklaard dat dit alles geheel verzonnen was. Zij heeft toen aangegeven dat zij in de middag van 12 maart 2011 met [slachtoffer] in de woning is geweest, dat ook [betrokkene 4] daar toen aanwezig was en dat [betrokkene 4] [slachtoffer] heeft aangevallen. De verdachte heeft daarop, zo heeft zij verklaard, in grote angst de woning verlaten, heeft diverse boodschappen gedaan, is naar haar zus gegaan en uiteindelijk naar het ziekenhuis en de volgende ochtend naar de politie. Tussendoor heeft zij diverse malen met haar auto in de buurt van de woning gereden. De woning heeft zij niet meer betreden.

Ook over de toedracht van het door haar gestelde gewelddadig gedrag van [betrokkene 4] tegen [slachtoffer] heeft de verdachte wisselend verklaard. Zo heeft zij aangegeven dat [betrokkene 4] [slachtoffer] heeft aangevallen toen het telefoongesprek met [getuige 1] plaatsvond, [slachtoffer] daardoor een bloedneus opliep, [betrokkene 4] een door [slachtoffer] gedragen halsketting van [slachtoffer] stal, en [betrokkene 4] vervolgens de kamer verliet en even later terugkwam met een hamer waarmee hij [slachtoffer] , althans de verdachte bedreigde. Geconfronteerd met het feit dat [getuige 1] heeft aangegeven dat het telefoongesprek geen irregulier verloop heeft gehad, heeft de verdachte verklaard dat het geweld later was aangevangen, toen het telefoongesprek al beëindigd was. Geconfronteerd met het gegeven dat de bebloede documenten zijn aangetroffen in een vuilniszak op het bed van de verdachte in haar slaapkamer heeft de verdachte verklaard dat dit bloed was veroorzaakt door de bloedneus die [slachtoffer] had opgelopen, dat zij deze documenten, alvorens de woning te ontvluchten, in de vuilniszak had gedaan en op haar bed had gelegd. Geconfronteerd met het gegeven dat haar auto eerst 15:57 uur op de camerabeelden van de coffeeshop zichtbaar door de straat reed, heeft de verdachte verklaard dat zij na de gewelddadigheden van [betrokkene 4] nog enige tijd met [slachtoffer] heeft zitten praten, alvorens naar aanleiding van de dreigende houding van [betrokkene 4] de woning te ontvluchten.

Gelet op de berekening met behulp van het Henssge nomogram omtrent het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] , de letseldatering, het gegeven dat de telefoon van [slachtoffer] na 14:35 uur niet meer is gebruikt en de bewegingen van de verdachte, acht het hof het aannemelijk dat het dodelijk letsel aan [slachtoffer] is toegebracht op enig moment tussen 14:35 en 15:57 uur. Nu de verdachte en [slachtoffer] toen tezamen in de woning zijn geweest, de auto van [slachtoffer] niet is weggeweest van de plek waar hij deze had geparkeerd, en niet is aan te nemen dat [slachtoffer] in de woning zou achterblijven indien de verdachte voor langere duur de woning zou verlaten, kan geconcludeerd worden dat de verdachte met [slachtoffer] in haar woning was toen het fatale geweld tegen [slachtoffer] werd uitgeoefend.

Toen het stoffelijk overschot van [slachtoffer] werd aangetroffen, lag dit gewikkeld in een vloerkleed, waarbij de onderzijde van dit kleed boven (naar de zichtzijde) lag. Op deze onderzijde van dit kleed waarin het lijk gewikkeld lag, is een met bloed van [slachtoffer] gezette afdruk aangetroffen, welke afdruk te herleiden is tot de slipper van de verdachte. Er is geen reden om te veronderstellen dat iemand anders dan de verdachte deze slipper heeft aangehad. Om dit spoor te kunnen achterlaten moet de verdachte dan ook met haar slipper bovenop het in het tapijt gewikkelde lichaam van [slachtoffer] zijn gestapt. Op de zool van de slipper is een bloedspoor aangetroffen dat matcht met het DNA van [slachtoffer] .

De verklaringen van de verdachte kenmerken zich door hun wisselend en onwaarschijnlijk karakter. Onaannemelijk is dat de verdachte haar woning zou ontvluchten wegens gewelddadigheden zonder linea recta naar het nabije politiebureau te snellen. Onaannemelijk is dat de verdachte, naar eigen zeggen na doodsbedreigingen en in totale paniek, eerst bebloede documenten in een plastic zak doet en in haar slaapkamer legt en dan boodschappen gaat doen. Haar verklaringen ontberen iedere vorm van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid.

Dat het fatale geweld door [betrokkene 4] is uitgeoefend is door de verdachte gesteld, althans gesuggereerd, waarbij zij tevens heeft verklaard dat zijzelf daarbij niet aanwezig was. Deze toedracht is evenwel niet aannemelijk, gelet op de tegenstrijdigheden die de verdachte over het beweerdelijk handelen van [betrokkene 4] heeft geuit. Het is het hof daarbij niet ontgaan dat de verdachte aan [betrokkene 4] een moordwapen toeschrijft, een normale werkhamer, waarmee evenwel het letsel niet is toegebracht. Het NFI heeft immers onderzoek gedaan naar het type voorwerp waarmee de letsels aan het hoofd van [slachtoffer] kunnen zijn toegebracht. Als mogelijke sporenveroorzaker komt een voorwerp in aanmerking met een scherpe rand met een minimale lengte van 75 mm, zoals bijvoorbeeld een bijl of een hakmes. Voorts zijn er deeltjes staal en goud in het bot van het schedeldak van [slachtoffer] aangetroffen. Deze deeltjes zijn vermoedelijk afkomstig van een decoratief voorwerp waarmee de beschadigingen in het schedeldak zijn veroorzaakt.

Alle verklaringen van de verdachte komen er in de kern op neer dat zij de woning verlaten heeft voordat het fatale letsel aan [slachtoffer] werd toegebracht en zij nadien niet in de woning is teruggekeerd voordat zij in de ochtend van 13 maart 2011 daar met de politie terugkeerde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard: “Ik heb geen lijk gezien”. In zoverre is deze verklaring van de verdachte evident leugenachtig. Nu de met bloed gezette afdruk van de slipper van de verdachte is gezet op de onderzijde van het kleed waarin het lijk van [slachtoffer] gewikkeld was, moet deze afdruk zijn ontstaan toen het dodelijk letsel reeds was toegebracht. Het kan niet anders zijn dan dat zij toen het lijk van [slachtoffer] heeft waargenomen.

Het hof merkt de verklaring van de verdachte dat zij niet in de woning aanwezig is geweest toen daar het lijk van [slachtoffer] lag, aan als kennelijk leugenachtig en afgelegd om haar eigen daderschap ten aanzien van ten laste gelegde te verhullen. In zoverre strekt dit leugenachtig karakter van haar verklaring tot het bewijs van het ten laste gelegde.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep kort gezegd aangevoerd dat, indien het hof tot de conclusie zou komen dat de verdachte in de woning aanwezig was, nadat [slachtoffer] dodelijk letsel had bekomen, dit nog niet meebrengt dat zij daar ook aanwezig was toen dit letsel werd toegebracht en voorts dat de verklaringen van de verdachte omtrent haar afwezigheid toen [slachtoffer] dat letsel had opgelopen, niet hoeven te zijn ingegeven door het motief haar eigen daderschap uit het zicht te houden.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

Dat de verdachte reeds eerder dan 15:57 uur, toen haar auto, komende uit de richting van haar woning, in beeld van de camera van Coffeeshop Crashlight kwam, de woning had verlaten, is niet aannemelijk. Weliswaar is het mogelijk om vanuit de woning met de voor de deur geparkeerde auto weg te rijden in een richting die niet door de camera wordt bestreken, maar volgens de verdachte is zij weggegaan en boodschappen gaan doen, onder meer in de - nabijgelegen - videotheek, alwaar zij evenwel eerst omstreeks 17:00 uur een pintransactie heeft verricht.

Het verweer dat de verdachte omtrent de toedracht onwaarheden heeft verklaard uit andere beweegredenen dan om haar eigen daderschap te verhullen verwerpt het hof evenzeer. Die andere beweegredenen zouden, aldus de raadsman, kunnen zijn gelegen in de behoefte het daderschap van een of meer anderen toe te dekken, althans de terugkeer van de verdachte in de woning nadat [slachtoffer] , buiten haar aanwezigheid, door een of meer anderen was omgebracht te verhullen. Het verweer is gegrond op speculaties van feitelijke aard die niet aannemelijk zijn geworden en waarvan de juistheid door de verdachte zelf zijn ontkend.

Dat de verdachte fysiek niet in staat zou zijn geweest om [slachtoffer] van het leven te beroven, heeft de verdachte door veelvuldige verwijzing naar haar ouderdom en ziektes aangegeven. Het hof gaat daaraan voorbij. De verdachte is weliswaar op gevorderde leeftijd, ten tijde van het delict 62 jaar, en diabetespatiënt, maar geenszins een onmachtige bejaarde. Het levensdelict jegens [slachtoffer] is kennelijk gepleegd met een voorwerp zoals bijvoorbeeld een bijl, een voorwerp dat ook door een minder krachtig persoon kan worden aangewend om een ander van het leven te beroven.

De verdachte heeft voorts bij herhaling aangegeven dat zij buitengewoon op het slachtoffer was gesteld. Ook deze mededeling verdient weinig geloof. Uit onder meer de hiervoor besproken bebloede documenten blijkt dat zij met [slachtoffer] een ferm geschil had inzake een onroerend goed transactie in Suriname en dat zij hem als oplichter aanmerkte.”

4.4.

Het Hof heeft de bewezenverklaring gegrond op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal met nummer 2011063441-5 van 13 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 10005 tot en met 10008).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 13 maart 2011 omstreeks 06:30 uur bevonden wij ons op het politiebureau Linnaeusstraat te Amsterdam. Aldaar verscheen voor mij, verbalisant [verbalisant 1] , aan de balie: [verdachte] .

Wij zijn met haar naar haar woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam gereden. Wij zijn de woning binnengegaan. Ik, [verbalisant 2] , ging de woonkamer binnen en zag dat er twee voeten uit een opgerold kleed staken. Ik, [verbalisant 2] , sloeg het kleed open en zag een persoon op de buik liggen. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er een vuilniszak over het hoofd zat en dat er een verlengsnoer om de nek en de vuilniszak zat. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er bloed lag en ik voelde geen hartslag. Ik, [verbalisant 2] , voelde dat de pols koud aanvoelde en stijf was.

2.
Een proces-verbaal met nummer 2011063411 van 16 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 10021 tot en met 10022).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 13 maart 2011 werd een onderzoek opgestart onder de naam 13Bamis in verband met het onnatuurlijk overlijden van een persoon genaamd [slachtoffer] .

Op 16 maart 2011 bevonden wij ons in het mortuarium van het VU ziekenhuis te Amsterdam.

Aldaar werden [betrokkene 2] , zijnde een zóón van [slachtoffer] , [betrokkene 6] , zijnde de beste vriend van [slachtoffer] en [betrokkene 7] , zijnde een neef van [slachtoffer] , met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] geconfronteerd. Eensluidend doch ieder voor zich herkenden het stoffelijk overschot als [slachtoffer] .

3.
Een geschrift, inhoudende een schrijven van J.C. de Keijzer, forensisch arts GGD Amsterdam d.d. 15 mei 2013.Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Uit de berekening met behulp van het Henssge nomogram is gebleken dat het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] met 95% betrouwbaarheid op 12 maart 2011 tussen 11:54 uur en 17:30 uur ligt.

4.
Een rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het Nederlands Forensisch Instituut met nummer 2011.03.11.061 d.d. 20 mei 2011, opgesteld door A. Maes, arts en patholoog (doorgenummerde pagina’s 11057 tot en met 11063).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] waren er op het hoofd acht scherprandige klievingen met lapwonden reikend tot in het schedeldak. In de diepte was de verbrijzelde schedel goed zichtbaar. In het gezicht werden zowel rechts als links scherprandige klievingen aangetroffen. De letsels zijn alle bij leven opgelopen en passen bij heftig klievend en botsend geweld door één of meer scherprandige voorwerpen. Het overlijden is te verklaren als gevolg van de opgelopen hersenschade. Letseldatering past bij een interval van circa 30 minuten tot circa 1 uur voor het intreden van de dood.

5.
Een proces-verbaal met nummer 2011036441 van 17 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T276 (doorgenummerde pagina’s 10099 tot en met 10100).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Door mij zijn de camerabeelden van de Coffeeshop Crashlight, gevestigd aan de Pretoriusstraat 67 te Amsterdam, bekeken. Hierop werd door mij het volgende waargenomen.

Op 12 maart 2011 te 14:04:01 uur wordt een Chrysler Voyager ingeparkeerd aan de even zijde van de Pretoriusstraat . Om 14:04:38 stapt er één persoon uit de auto aan de bestuurderszijde die naar de oneven zijde van de Pretoriusstraat loopt. Op 13 maart 2011 te 07:28:39 arriveert een politieauto. De Chrysler Voyager, welke van het slachtoffer bleek te zijn, is tussen het moment dat deze werd ingeparkeerd en het moment dat de politie arriveert niet van zijn plaats geweest.


6. Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 25 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T154 (doorgenummerde pagina’s 20158 tot en met 20183).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op voormelde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :

In de nacht van vrijdag 11 maart 2011 op zaterdag 12 maart 2011 is mijn vader (het hof begrijpt het slachtoffer, [slachtoffer] ) bij ons blijven slapen. Toen ik de volgende ochtend onder de douche stond is hij weggegaan. Hij zou naar [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) gaan.

7.
Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 22 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T276 (doorgenummerde pagina’s 10111 tot en met 10112).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 14 maart 2011 en 15 maart 2011 is [getuige 2] gehoord. Zij had [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: [verdachte] ) op 12 maart 2011 zien lopen in de Pretoriusstraat te Amsterdam. Zij zag dat er een man uit de woning van [verdachte] kwam en achter haar aan liep. De man was licht getint en hij was kaal. Hij tikte [verdachte] op haar schouder.

Door mij zijn de camerabeelden van Coffeeshop Crashlight, gevestigd aan de Pretoriusstraat 67 te Amsterdam, bekeken. Voomoemde coffeeshop heeft twee camera’s aan de zijde van de Pretoriusstraat . Camera 1 is geplaatst in de richting van het Krugerplein. Hierop is de kruising van de Pretoriusstraat en de Smitstraat te zien. Camera 2 is geplaatst in de richting van het Steve Bikoplein. Op de camerabeelden werd door mij het volgende waargenomen.

12 maart 2011 te 14:20:23 uur: [getuige 2] loopt in de richting van haar woning en steekt de kruising met de Smitstraat over. Daar loopt een persoon haar tegemoet, gekleed in een lange zwarte rok. Deze persoon slaat rechtsaf en loopt de Smitstraat in.

12 maart 2011 te 14:23:25 uur: De persoon met de lange zwarte rok komt uit de Smitstraat lopen en gaat linksaf. Deze persoon loopt in de richting van perceel 77 (het hof begrijpt: [a-straat 1]).

8.
De verklaring van de getuige [betrokkene 4] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2014.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 12 maart 2011 ben ik achter [verdachte] aangegaan en heb haar op haar schouder getikt. U houdt mij voor dat camerabeelden hebben uitgewezen dat dit omstreeks 14:20 uur moet zijn geweest. Dat klopt. Ik verbleef bij haar. Ik ben nog even snel naar binnen gelopen om mijn jas en pet te halen en toen ben ik weggegaan.

9.
Een proces-verbaal met nummer 201160344 van 26 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T152 (doorgenummerde pagina’s 10868 tot en met 10870).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] gebruik maakte van het telefoonnummer 06- [001] . Uit een onderzoek naar de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer is gebleken dat met dit nummer op 12 maart 2011 om 14:35:55 uur een gesprek plaatsvond met het telefoonnummer 06- [002] . De telefoon van [slachtoffer] straalde toen de mastlocatie Christiaan de Wetstraat 21 te Amsterdam aan. Deze telefoonpaal bevindt zich in de directe nabijheid van de [a-straat 1]. Na dit gesprek zijn er geen telefoongesprekken meer geregistreerd.

10.
Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 24 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren T152 en T039 (doorgenummerde pagina’s 20047 tot en met 20050).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op voormelde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1] :

Mijn mobiele telefoonnummer is 06- [002] . Zaterdag 12 maart 2011 werd ik gebeld door een vreemd telefoonnummer en kreeg ik [slachtoffer] (het hof begrijpt [slachtoffer] ) aan de telefoon. [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) pakte de telefoon en wilde met mij praten. Daarna kwam de man (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) weer aan de telefoon.

11.
Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 24 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T152 (doorgenummerde pagina’s 10106 tot en met 10109).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Ik heb een onderzoek ingesteld naar de camerabeelden van Coffeeshop Crashlight, gevestigd Pretoriusstraat 67 te Amsterdam, teneinde de bewegingen van [verdachte] vast te stellen. Twee van deze camera’s bieden uitzicht op de openbare weg, de Pretoriusstraat . Camera 1 bestrijkt een deel van de Pretoriusstraat in de richting van het Krugerplein, met daarbij inbegrepen de kruising met de Smitstraat. Camera 2 bestrijkt een deel van de Pretoriusstraat , kijkend in de richting van het Steve Bikoplein.

Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] in het bezit is van een personenauto van het merk Daihatsu, type Move, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] .

De vermoedelijke personenauto van [verdachte] wordt op de camerabeelden op de volgende tijdstippen gezien:

12 maart 2011 te 15:57 uur, camera 1 en 2;

12 maart 2011 te 16:15 uur, camera 1 ;

12 maart 2011 te 18:05 uur, camera 1;

12 maart 2011 te 20:22 uur, camera 1 en 2;

12 maart 2011 te 20:45 uur, camera 1 en 2;

12 maart 2011 te 22:57 uur, camera 1 en 2;

12 maart 2011 te 23:09 uur, camera 1 en 2;

12 maart 2011 te 03:26 uur, camera 1 en 2;

12 maart 2011 te 05:12 uur, camera 1 en 2;

12 maart 2011 te 06:22 uur, camera 1 en 2.

12.
Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011063441-51 van 28 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 22 maart 2011 heb ik onder de verdachte [verdachte] de volgende goederen in beslag genomen.

Volgnummer 1

Schoeisel, 1 paar witte slippers, zwarte zool.

Spoor identificatienr. AADT2746NL.

13.
Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011063441-59 van 1 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (doorgenummerde pagina’s 11182 tot en met 11183).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Naar aanleiding van een moord/doodslag op een man, aangetroffen in een woning aan de [a-straat 1], werden de slippers van een verdachte onderworpen aan een Lumiscene- onderzoek. Hierbij werd aan de onderzijde van de linker slipper een indicatie voor de mogelijke aanwezigheid van bloed aangetroffen. Deze slipper werd vervolgens bemonsterd en met behulp van de bloedindicatietest Tetrabase positief getest. De bemonstering werd veiliggesteld, inbeslaggenomen en omschreven als SIN AADT2723NL.

14.
Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL135J 2011063441-60 van 31 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina 11184).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Omschrijving van de inbeslaggenomen sporen SIN AADT2723NL

Onderzijde linker slipper (AADT2746NL).

15.
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met nummer 2011.03.11.061 d.d. 26 april 2011, opgesteld door drs. H.N. Bauer (doorgenummerde pagina’s 10816 tot en met 10822).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De bemonstering AADT2723NL#01 van de slipper is onderworpen aan een DNA-onderzoek. Van het DNA in de bemonstering AADT2723NL#01 is een DNA-mengprofiel verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man wiens celmateriaal relatief prominent in de bemonstering aanwezig is. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met dit afgeleide DNA-hoofdprofiel. De berekende frequentie is kleiner dan één op één miljard.

16.
Een proces-verbaal met nummer 2011063441-104 van 27 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] , [verbalisant 9] en [verbalisant 10] (doorgenummerde pagina’s 10941 tot en met 10950).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 13 maart 2011 startten wij een onderzoek op het adres [a-straat 1] te Amsterdam. In het midden van de woonkamer zagen wij een dubbel geslagen rood tapijt. Tussen dit dubbel geslagen tapijt zagen wij in buikligging een stoffelijk overschot liggen. Wij zagen op het dubbelgeslagen tapijt op de canvaszijde ter hoogte van de linker elleboog van het stoffelijk overschot een fragment van een schoenzoolafdruk gezet met bloed.

De volgende stukken van overtuiging zijn in beslag genomen, veiliggesteld en omschreven als: AADT2259NL deel van tapijt over het stoffelijk overschot.

17.
Een proces-verbaal met nummer 2011026339-11 van 17 augustus 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (doorgenummerde pagina’s 11251 tot en met 11253).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Wij, beiden deskundige schoen- en bandensporen, ontvingen van [verbalisant 8] , senior technisch rechercheur Amsterdam Amstelland:

A: SIN AADT2746NL een paar slippers;

B: SIN AADT2259NL

een aantal foto’s van een spoor, aangetroffen op de onderzijde van een tapijt.

Verzocht werd te onderzoeken of het schoenspoor (B) veroorzaakt zou kunnen zijn met één van de slippers (A).

Op grond van de door ons tijdens het onderzoek opgedane bevindingen concluderen wij dat het met bloed gestempelde spoor (B) is veroorzaakt met schoeisel, voorzien van een soortgelijk profiel aan de slippers (A), waarbij de linker slipper als meest mogelijke veroorzaker kan worden aangemerkt.”

5.1.

Het eerste middel behelst als eerste klacht dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft vastgesteld dat [slachtoffer] vóór 15:57 uur van het leven is beroofd, maar dat deze vaststelling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

5.2.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en dat die beslissing in de regel geen motivering behoeft en in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Voorts kan in cassatie niet worden onderzocht of de door de feitenrechter vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.1

5.3.

Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Uit de berekening met behulp van het Henssge nomogram is gebleken dat het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] met 95% betrouwbaarheid op 12 maart 2011 tussen 11:54 uur en 17:30 uur ligt (bewijsmiddel 3). Het rapport van de patholoog van het NFI houdt in dat uit sectie is gebleken dat er op het hoofd van [slachtoffer] acht scherprandige klievingen waren, dat ook in het gezicht links en rechts klievingen zijn aangetroffen, dat het overlijden is te verklaren als gevolg van opgelopen hersenschade en dat de letseldatering past bij een interval van circa 30 minuten tot circa 1 uur voor het intreden van de dood (bewijsmiddel 4). Uit onderzoek blijkt dat [slachtoffer] om 14:35 uur belde met [getuige 1] . Laatstgenoemde heeft verklaard dat verdachte tijdens dat gesprek de telefoon van [slachtoffer] pakte, omdat zij met [getuige 1] wilde praten. Daarna kwam [slachtoffer] weer aan de telefoon (bewijsmiddel 9 en 10). Uit camerabeelden van Coffeeshop Crashlight blijkt voorts dat de vermoedelijke personenauto van verdachte tussen 12 maart 2011 15:57 uur en 12 maart (bedoeld zal zijn 13 maart) 2011 06:22 uur tien keer voorbij rijdt (bewijsmiddel 11).

5.4.

Het Hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging vastgesteld dat het slachtoffer tussen 14:35 en 15:57 uur om het leven is gebracht. Het Hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de telefoon van [slachtoffer] na 14:35 niet meer is gebruikt en tevens de bewegingen van verdachte. Het Hof doelt daarmee kennelijk op het feit dat uit camerabeelden blijkt dat de vermoedelijke auto van verdachte om 15:57 uur wegrijdt. Het Hof vervolgt door te stellen dat verdachte in die periode tezamen met het slachtoffer in haar woning was, de auto van [slachtoffer] niet is weggeweest van de plek waar hij geparkeerd stond en het niet is aan te nemen dat [slachtoffer] voor langere tijd in de woning zou achterblijven indien de verdachte voor langere duur haar woning zou verlaten. Uit deze omstandigheden concludeert het Hof vervolgens dat verdachte met [slachtoffer] in de woning was toen het fatale geweld tegen [slachtoffer] werd uitgeoefend. Het eindpunt van deze redenering, zo vervolg ik, is dat het niet anders kan dan dat de verdachte [slachtoffer] door geweld om het leven heeft gebracht.

5.5.

De vaststelling door het Hof van het tijdstip van overlijden is in ieder geval op het eerste gezicht niet begrijpelijk. Deze is namelijk gebaseerd op een cirkelredenering oftewel, in termen van de logica, petitio principii. Uit de omstandigheid dat de auto van verdachte om 15:57 uur door de camera van de coffeeshop werd waargenomen, kan weliswaar worden afgeleid dat verdachte op dat tijdstip niet meer in de woning aanwezig was, maar niet dat het slachtoffer toen al (door geweldsuitoefening) was overleden. Dat laatste is de conclusie en die wordt verward met de premisse, namelijk het tijdstip van vertrek uit de woning. Uit de camerabeelden kan niet zowel het tijdstip van overlijden als het daderschap van verdachte worden afgeleid. Het kan echter zo zijn dat het Hof zich heeft bediend van wat ongelukkig uitgevallen bewoordingen en heeft willen uitdrukken dat het niet anders kan dan dat de verdachte, voor haar vertrek uit de woning om 15.57 uur het slachtoffer moet hebben omgebracht en dat dit tijdstip valt binnen de grenzen die zijn aangegeven in het Hennsge nomogram. Als de redenering zo moet worden begrepen berust die echter op aannames die niet zonder meer begrijpelijk zijn. Zo overweegt het Hof dat het niet aannemelijk is dat [slachtoffer] alleen in de woning zou achterblijven indien verdachte de woning voor langere tijd zou verlaten. Waarom dat niet aannemelijk zou zijn is echter niet op enige wijze geadstrueerd en kan – in mijn ogen - de toets der begrijpelijkheid niet doorstaan. Daarmee is voorts ook niet gezegd dat [slachtoffer] niet met een andere persoon in de woning achterbleef toen verdachte vertrok. Mede in het licht van hetgeen de verdediging met betrekking tot het alternatief scenario heeft aangevoerd, namelijk dat verdachte het huis verliet voordat [slachtoffer] om het leven werd gebracht, is deze aanname zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook al niet begrijpelijk. Ik ga bij de bespreking van het derde middel nader op dit alternatief scenario in. De eerste klacht van het eerste middel is echter, zo loop ik deels vooruit op de bespreking van dat derde middel, terecht voorgesteld.

5.6.

Het middel behelst voorts de klacht dat het oordeel van het Hof dat niet is gebleken van de aanwezigheid van andere personen in de woning van verdachte, in het licht van de aangetroffen DNA-sporen niet begrijpelijk is.

5.7.

Ik stel hier voorop dat het Hof niet heeft vastgesteld dat er DNA-materiaal van andere personen dan verdachte zijn aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer] . Het arrest is in zoverre dus niet innerlijk tegenstrijdig. Niettemin kan de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof afhankelijk worden gesteld van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de aangetroffen DNA-sporen is aangevoerd.

5.8.

Uit de pleitnota volgt dat de raadsman van verdachte in het kader van een zogenaamd ‘alternatief scenario’, inhoudende dat verdachte op een later tijdstip met [betrokkene 11] en [betrokkene 12] is teruggegaan naar haar woning, heeft aangevoerd dat op het lichaam van [slachtoffer] DNA-materiaal is aangetroffen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] ; te weten op de broek en de linker sok van het slachtoffer. Ook is er DNA-materiaal van [betrokkene 12] aangetroffen op de kabelhaspel. Ik teken hier aan dat door het openbaar ministerie is aangevoerd dat ook DNA-materiaal van [betrokkene 4] op het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Nu kan de verdediging geen aanspraak maken op hetgeen openbaar ministerie ter terechtzitting heeft aangevoerd, maar voor de volledigheid noem ik het hier wel.

5.9.

Het Hof heeft zijn oordeel dat verdachte degene moet zijn geweest die [slachtoffer] van het leven heeft gebracht, kennelijk mede gebaseerd op de conclusie dat van aanwezigheid van andere personen in de woning van verdachte niet is gebleken. Het Hof neemt immers in aanmerking dat de andere personen die in het huis van verdachte verbleven het huis hebben verlaten voordat [slachtoffer] in de woning aankwam. Zo heeft blijkens hetgeen onder de bewijsmiddelen is opgenomen [betrokkene 5] verklaard dat hij die middag de woning heeft verlaten en heeft [betrokkene 4] verklaard dat hij rond 14:20 uur op straat achter [verdachte] is aangegaan en haar op haar schouder heeft getikt, dat hij daarna nog snel even naar binnen is gelopen om zijn jas en pet te halen en dat hij daarna is weggegaan. Het Hof gaat met zijn overweging echter geheel voorbij aan het onafhankelijk bewijsmateriaal waaruit blijkt van de aanwezigheid van meerdere personen, te weten het DNA-materiaal van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [betrokkene 4] dat is aangetroffen op het lichaam van het slachtoffer. Uit de bewijsoverweging van het Hof blijkt niet dat het van oordeel is dat het DNA-materiaal van voornoemde personen op het lichaam terecht is gekomen nadat [slachtoffer] om het leven was gebracht. Het oordeel dat niet is gebleken van de aanwezigheid van anderen, waarmee kennelijk bedoeld wordt dat deze personen niet aanwezig waren ten tijde van het toebrengen van het fatale letsel, is daarom niet zonder meer begrijpelijk. Daar komt nog bij dat de Rechtbank verdachte heeft veroordeeld voor medeplegen en dat het openbaar ministerie bij monde van de advocaat-generaal ook in hoger beroep heeft bepleit dat verdachte het feit tezamen met [betrokkene 4] heeft gepleegd. Nu is het Hof niet gebonden aan het oordeel van de Rechtbank, maar ik zou er met mijn ambtgenoot Knigge voor willen pleiten dat als sprake is van een zogenaamd gemeenschappelijk standpunt van de Rechtbank en het OM, er op de appelrechter een zwaardere motiveringsplicht rust als hij daarvan afwijkt.2 Bovendien is het Hof hier zonder nadere motivering afgegaan op de juistheid van de verklaring van [betrokkene 4] , die er zelf van werd beschuldigd dat hij tezamen met verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht. Het komt mij voor dat een nadere motivering ten aanzien van deze bewijsbeslissing hier op zijn plaats was geweest.

5.10.

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat ook de tweede klacht van het eerste middel slaagt.

5.11.

Het middel is terecht voorgesteld.

6.1.

Het tweede middel keert zich tegen het gebruik voor het bewijs door het Hof van een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte. Het middel bevat ten eerste de klacht dat de leugenachtigheid niet blijkt uit een ander bewijsmiddel dan de verklaring van verdachte.

6.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verklaring van verdachte “ik heb geen lijk gezien” evident leugenachtig is. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat een met bloed gezette afdruk van de slipper van verdachte is gezet op de onderzijde van het kleed waarin het lijk van [slachtoffer] gewikkeld was, dat deze afdruk moet zijn ontstaan toen het dodelijk letsel reeds was toegebracht en dat het niet anders kan zijn dan dat zij toen het lijk van [slachtoffer] heeft waargenomen.

6.3.

Uit de bewijsmiddelen 12-17 volgt inderdaad dat op het kleed waarin het lichaam van [slachtoffer] was gewikkeld, is aangetroffen een afdruk van de slipper van verdachte met het bloed van [slachtoffer] . De kennelijke leugenachtigheid berust aldus op een ander tot het bewijs gebezigd bewijsmiddel en is derhalve in zoverre geoorloofd. De eerste klacht van het middel gaat dus niet op.

6.4.

Het middel behelst voorts de klacht dat de kennelijke leugenachtige verklaring niet redengevend is voor de bewezenverklaarde doodslag.

6.5.

Die klacht is naar mijn mening terecht voorgesteld. Uit het feit dat verdachte het lijk heeft gezien kan niet worden afgeleid dat verdachte aan het slachtoffer het fatale letsel heeft toegebracht. Ik heb in mijn conclusie vóór HR 17 maart 2015 (ECLI:NL:PHR:2015:195) reeds gepleit voor een terughoudende hantering van leugenachtige verklaringen voor het bewijs en ik wil dat hier nogmaals herhalen.3 Daarbij wil ik benadrukken dat uit de leugenachtigheid de juiste conclusie moet worden getrokken. De onderhavige zaak onderstreept dat. Aan de leugen van verdachte dat zij het lijk nimmer heeft gezien, kunnen wat mij betreft niet verder gaande gevolgtrekkingen worden verbonden dan samenhangen met het punt waarop zij heeft gelogen. Uit de bewijsmiddelen blijkt – in weerwil van de ten overstaan van het Hof afgelegde verklaring door de verdachte - het gegeven dat verdachtes voetafdruk op het tapijt is aangetroffen, waaruit voortvloeit dat zij het lijk wel heeft gezien. Dat haar voetafdruk op de beschreven plaats is aangetroffen lijkt mij op zichzelf redengevend voor haar betrokkenheid bij zekere handelingen met betrekking tot het lijk. Maar uit het feit dat zij omtrent de waarneming door haar van het lijk – hetgeen betrekking heeft op de situatie nadat het slachtoffer reeds was overleden – niet de waarheid heeft verklaard kan het daderschap van verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde doodslag – iets wat zich per definitie daarvóór moet hebben afgespeeld - niet zonder meer worden afgeleid. Dat het Hof overweegt dat zij met haar leugen kennelijk de waarheid wil bemantelen maakt de door het Hof daaraan verbonden consequentie niet inzichtelijker. Het komt er in het onderhavige geval juist aan op welke waarheid de leugen betrekking heeft.

6.6.

Voor zover het middel hierover klaagt slaagt het.

7.1.

Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte ten tijde van het levensdelict niet aanwezig was in haar woning.

7.2.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2014 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van verdachte aldaar uitvoerig bepleit dat verdachte niet in de woning aanwezig was toen het dodelijk letsel aan [slachtoffer] werd toegebracht. Aangevoerd is dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] nog leefde toen zij de woning verliet, dat zij de woning is ontvlucht toen [betrokkene 4] gewelddadig werd jegens [slachtoffer] , dat zij heeft gezien dat [betrokkene 4] het slachtoffer meerdere malen met zijn vuist sloeg en aan zijn ketting heeft getrokken totdat hij op de grond viel, dat zij naast hem op de grond is gaan zitten, dat [betrokkene 4] op enig moment de tuin in is gelopen en terugkwam met een hamer en dat zij het huis ontvluchtte toen [betrokkene 4] dreigde haar ook iets aan te doen. Verdachte heeft verklaard dat zij toen enige tijd buiten heeft gewacht om te kijken of [slachtoffer] naar buiten kwam en dat zij daarna is weggereden. Voorts is de raadsman uitvoerig ingegaan op de route die verdachte heeft gereden nadat zij het huis verliet. Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte nadat zij het huis verliet naar de Dappermarkt is gereden via het Krugerplein, Beukenplein, Oosterpark en vervolgens richting Wijttenbachstraat. Verdachte heeft de woning dan ook niet verlaten kort voor 15:57 uur, maar al op een veel eerder tijdstip. Gezien de rijrichting en de wijze waarop de auto geparkeerd stond, namelijk met de neus richting het Krugerplein, is dat moment niet te zien op de camerabeelden. De raadsman heeft vervolgens uiteengezet waar verdachte naartoe is gegaan nadat zij haar woning had verlaten. Zo is verdachte naar de Dappermarkt gegaan, heeft ze aldaar iets gekocht en is ze vervolgens, om 15:57 uur, langs haar huis gereden. Daarna is verdachte naar de vishandel en het Kruidvat gereden en om 17:08 uur heeft verdachte een videoband gekocht bij de videotheek. Verdachte is vervolgens naar haar neefjes en bij haar zus op bezoek geweest. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat het heel goed mogelijk is dat verdachte op een later tijdstip, toen het slachtoffer al om het leven was gebracht en mogelijk samen met [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , naar de woning is teruggekeerd. Daaruit zouden ook de slipper afdruk, de papieren in de vuilniszak en de DNA-sporen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] op het lichaam van [slachtoffer] kunnen worden verklaard. Het aldus aangevoerde kan naar het mij voorkomt bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv.

7.3.

Het Hof heeft overwogen dat het de verklaring van verdachte dat zij het huis heeft verlaten toen [betrokkene 4] haar bedreigde onaannemelijk acht, omdat het (i) onaannemelijk is dat verdachte het huis ontvluchtte zonder linea recta naar de politiebureau te snellen, (ii) het onaannemelijk is dat verdachte eerst bebloede documenten in een plastic zak doet en in haar slaapkamer legt, alvorens het huis te ontvluchten en (iii) verdachte eerst om 17:00 uur een pintransactie bij de videotheek heeft verricht. Anders dan het Hof acht ik het echter niet zo onaannemelijk dat verdachte niet meteen naar het politiebureau is gesneld. Door de verdediging is bepleit dat verdachte het huis uit vluchtte toen [betrokkene 4] haar bedreigde met een hamer en dat zij eerst nog enige tijd buiten het huis heeft gewacht op [slachtoffer] . Het is heel goed mogelijk dat verdachte ook nadat zij enige tijd bij het huis had gewacht, zij niet meer naar de politie durfde omdat zij vermoedde dat zich binnen iets vreselijks had afgespeeld, dat zij zich schuldig voelde voor het feit dat zij haar neef in het huis had achtergelaten en dat zij vreesde voor de consequenties. Daar komt nog het volgende bij. Door het Hof worden de camerabeelden van de coffeeshop aangehaald waaruit blijkt dat verdachte met haar auto om 15:57 uur langs de coffeeshop rijdt. Het Hof heeft echter ook vastgesteld dat het mogelijk is om vanuit de woning met een voor de deur geparkeerde auto weg te rijden in een richting die niet door de camera wordt bestreken. Ik leid daaruit af dat de camera geen zicht heeft op de voordeur van de woning van verdachte en dat het dus mogelijk is om het huis van verdachte te betreden of te verlaten zonder dat dit wordt waargenomen door de camera van de coffeeshop. De camerabeelden zijn dan ook niet in strijd met het alternatieve scenario. Het feit dat verdachte eerst om 17:00 uur een pinbetaling doet in de nabijgelegen videotheek, is dat evenmin. Door de raadsman is immers uitvoerig bepleit dat verdachte eerst naar de vishandel en het Kruidvat is gegaan. Het Hof is hier echter zonder nadere motivering aan voorbij gegaan.

Voorts heeft het Hof overwogen dat het onaannemelijk is dat verdachte, na doodsbedreigingen en in totale paniek, eerst bebloede documenten in een plastic tas doet alvorens het huis te ontvluchten. Aannemelijk is dat inderdaad niet en in zoverre is het oordeel van het Hof dan ook niet onbegrijpelijk. Het Hof gaat daarmee echter voorbij aan het alternatieve scenario, inhoudende dat verdachte op een later tijdstip, mogelijk samen met [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , is teruggekeerd en dat zij de bebloede documenten toen heeft opgeruimd. Het Hof heeft dit scenario niet aannemelijk geacht, omdat de verklaringen van verdachte, naar het Hof vaststelt, er in de kern op neer komen dat verdachte de woning heeft verlaten voordat het fatale letsel werd toegebracht en dat zij nadien niet in de woning is teruggekeerd. Het Hof stelt dus enerzijds dat de verklaringen van verdachte iedere vorm van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid ontberen, maar gebruikt haar verklaringen wel anderzijds om het alternatieve scenario te ontkrachten. Deze discrepantie kan wellicht worden verklaard uit het feit dat het voor de hand zou liggen dat een door de verdediging aangedragen alternatief scenario wordt gedragen door de verklaringen van de verdachte. Daarbij dient echter wel in aanmerking te worden genomen dat het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario mede inhoudt dat verdachte opruimwerkzaamheden heeft verricht nadat [slachtoffer] om het leven was gebracht. Ik acht het goed denkbaar dat verdachte elke betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit heeft willen ontkennen, ook voor zover het betreft daaraan wellicht te verbinden handelingen die zij na de eigenlijke levensberoving heeft verricht en dat zij daarom niet heeft verklaard over haar eventuele betrokkenheid bij opruimwerkzaamheden.

7.4.

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het Hof ontoereikend gemotiveerd voorbij is gegaan aan het standpunt van de verdediging dat verdachte ten tijde van het levensdelict niet aanwezig was in haar woning.

7.5.

Ook het derde middel slaagt.

De middelen van de benadeelde partijen

8.1.

Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade.

8.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade het volgende overwogen:

“Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”

8.3.

Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het Hof de Europese Richtlijn 2012/29/EU4 buiten beschouwing heeft gelaten en dat het oordeel van het Hof daarom onbegrijpelijk is.

8.4.

Ik stel voorop dat ingevolge art. 27 van de Richtlijn deze op 16 november 2015 geïmplementeerd diende te zijn. Dat betekent dat de Richtlijn ten tijde van het wijzen van het arrest geen directe werking had. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, behoefde het Hof niet op deze Richtlijn te anticiperen. In zoverre is het oordeel van het Hof dus niet onbegrijpelijk.

8.5.

Het middel faalt.

9.1.

Het tweede middel klaagt dat het Hof ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat een gedeelte van de vordering van de benadeelde partijen niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

9.2.

Het Hof heeft zijn oordeel dat de behandeling vordering voor wat betreft de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert in het geheel niet nader gemotiveerd. Dit in tegenstelling tot de Rechtbank die uitvoerig heeft overwogen waarom de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarbij overweegt de Rechtbank dat de immateriële schade uitdrukkelijk niet als affectieschade gevorderd is, maar op grond van art. 8 EVRM.

9.3.

Uit de schadeopgaveformulieren volgt dat de benadeelde partijen immateriële schade vorderen wegens “schending fundamentele mensenrechten”. Uit de pleitnota volgt dat ter terechtzitting in hoger beroep wederom is aangevoerd dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden, omdat hun recht op familieleven als bedoeld in art. 8 EVRM op grove wijze is geschonden. Er is in hoger beroep niet voor gekozen om alsnog expliciet aan te voeren dat het affectieschade betreft. Gelet daarop vind ik het oordeel van het Hof dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting zou opleveren, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden.

9.4.

Het middel faalt eveneens.

10. De middelen van de verdachte slagen. De middelen van de benadeelde partijen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530.

2 Conclusie van A-G Knigge ECLI:NL:PHR:2014:306, rov.7.5, vóór HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:953.

3 ECLI:NL:PHR:2015:195.

4 Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.